ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

21 januari 2016 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Keuze van het toepasselijke recht — Verordeningen (EG) nr. 864/2007 en (EG) nr. 593/2008 — Richtlijn 2009/103/EG — Ongeval veroorzaakt door een vrachtwagen met een aanhanger, die elk door een andere verzekeraar zijn verzekerd — Ongeval dat is gebeurd in een andere lidstaat dan die waar de verzekeringsovereenkomsten zijn gesloten — Regresvordering tussen verzekeraars — Toepasselijk recht — Begrippen ‚verbintenissen uit overeenkomst’ en ‚niet-contractuele verbintenissen’”

In de gevoegde zaken C‑359/14 en C‑475/14,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door respectievelijk de Vilniaus miesto apylinkės teismas (rechtbank van het district Vilnius, Litouwen) en de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (hooggerechtshof van Litouwen) bij beslissingen van 15 juli en 8 oktober 2014, ingekomen bij het Hof op 23 juli en 17 oktober 2014, in de procedures

ERGO Insurance” SE, vertegenwoordigd door „ERGO Insurance” SE Lietuvos filialas,

tegen

If P&C Insurance” AS, vertegenwoordigd door „IF P&C Insurance” AS filialas (C‑359/14),

en

Gjensidige Baltic” AAS, vertegenwoordigd door „Gjensidige Baltic” AAS Lietuvos filialas,

tegen

PZU Lietuva” UAB DK (C‑475/14),

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, J. Malenovský, M. Safjan (rapporteur), S. Prechal en K. Jürimäe, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

„ERGO Insurance” SE, optredend via „ERGO Insurance” SE Lietuvos filialas, vertegenwoordigd door M. Navickas, advokatas,

„Gjensidige Baltic” AAS, optredend via „Gjensidige Baltic” AAS Lietuvos filialas, vertegenwoordigd door A. Rjabovs,

„If P&C Insurance” AS, optredend via „If P&C Insurance” AS filialas, vertegenwoordigd door A. Kunčiuvienė,

de Litouwse regering, vertegenwoordigd door R. Krasuckaitė, G. Taluntytė en D. Kriaučiūnas als gemachtigden,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Steiblytė en M. Wilderspin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 september 2015,

het navolgende

Arrest

1

De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 14, onder b), van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 263, blz. 11), alsmede van de verordeningen (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB L 177, blz. 6; hierna: „Rome I-verordening”) en (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) (PB L 199, blz. 40; hierna: „Rome II-verordening”)

2

Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen respectievelijk „ERGO Insurance” SE en „If P&C Insurance” AS, en „Gjensidige Baltic” AAS (hierna: „Gjensidige Baltic”) en „PZU Lietuva” UAB DK (hierna: „PZU Lietuva”), verzekeringsmaatschappijen, inzake het recht dat van toepassing is op regresvorderingen die tussen deze partijen zijn ingediend naar aanleiding van verkeersongevallen die zich in Duitsland hebben voorgedaan.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Rome I-verordening

3

Overweging 7 van de Rome I-verordening luidt als volgt:

4

Artikel 1, lid 1, van de Rome I-verordening omschrijft de werkingssfeer ervan als volgt:

„Deze verordening is, in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen, van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken.

Zij is in het bijzonder niet van toepassing op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken.”

5

Artikel 4 van deze verordening, met het opschrift „Het recht, dat bij gebreke van een rechtskeuze door de partijen toepasselijk is”, bepaalt:

„1.   Bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig artikel 3 en onverminderd de artikelen 5 tot en met 8, wordt het op de overeenkomst toepasselijke recht als volgt vastgesteld:

a)

de overeenkomst voor de verkoop van roerende zaken wordt beheerst door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft;

b)

de overeenkomst inzake dienstverlening wordt beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft;

c)

de overeenkomst die een zakelijk recht op een onroerend goed of de huur van een onroerend goed tot onderwerp heeft, wordt beheerst door het recht van het land waar het onroerend goed is gelegen;

d)

niettegenstaande punt c), wordt de huurovereenkomst van een onroerend goed voor tijdelijk particulier gebruik met een duur van ten hoogste zes opeenvolgende maanden beheerst door het recht van het land waar de verhuurder zijn gewone verblijfplaats heeft, mits de huurder een natuurlijke persoon is en zijn gewone verblijfplaats heeft in hetzelfde land;

e)

de franchiseovereenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de franchisenemer zijn gewone verblijfplaats heeft;

f)

de distributieovereenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de distributeur zijn gewone verblijfplaats heeft;

g)

een overeenkomst met betrekking tot de veiling van goederen wordt beheerst door het recht van het land waar de veiling plaatsvindt, indien die plaats kan worden bepaald;

h)

een overeenkomst die overeenkomstig niet-discretionaire regels is gesloten in het kader van een multilateraal systeem dat meerdere koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten in de zin van artikel 4, lid 1, punt 17, van richtlijn 2004/39/EG samenbrengt of het samenbrengen daarvan vergemakkelijkt, en die wordt beheerst door één recht, wordt beheerst door dat recht.

2.   Indien de overeenkomst niet onder lid 1 valt of de bestanddelen van de overeenkomst onder meer dan een van de punten a) tot en met h) van lid 1 vallen, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft.

3.   Indien uit alle omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan het in lid 1 of lid 2 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing.

4.   Indien het toepasselijke recht niet overeenkomstig lid 1 of lid 2 kan worden vastgesteld, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is.”

6

Artikel 7 van deze verordening, met het opschrift „Verzekeringsovereenkomsten”, luidt als volgt:

„1.

Dit artikel is van toepassing op overeenkomsten als bedoeld in lid 2, ongeacht of het gedekte risico al dan niet is gelegen in een lidstaat, en voor alle andere verzekeringsovereenkomsten ter dekking van risico’s die zijn gelegen op het grondgebied van de lidstaten. Dit artikel is niet van toepassing op herverzekeringsovereenkomsten.

2.

Een verzekeringsovereenkomst ter dekking van een groot risico als omschreven in artikel 5, letter d), van de Eerste richtlijn (73/239/EEG) van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche [(PB L 228, blz. 3), zoals gewijzigd bij richtlijn 2005/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2005 (PB L 323, blz. 1)], wordt beheerst door het in overeenstemming met artikel 3 van deze verordening door de partijen gekozen recht.

Voor zover het toepasselijke recht niet door de partijen is gekozen, wordt de verzekeringsovereenkomst beheerst door het recht van het land waar de verzekeraar zijn gewone verblijfplaats heeft. Indien uit alle omstandigheden van het geval blijkt dat de overeenkomst kennelijk nauwer verbonden is met een ander land, is het recht van dat andere land van toepassing.

[...]

6.

Voor de doeleinden van dit artikel wordt het land waar het risico is gelegen vastgesteld in overeenstemming met artikel 2, onder d), van de Tweede richtlijn (88/357/EEG) van de Raad van 22 juni 1988 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en tot vaststelling van de bepalingen ter vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten [(PB L172, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2005/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 (PB L 149, blz. 14)], en, in geval van de levensverzekeringsbranche, is het land waar het risico is gelegen het land van de verbintenis in de zin van artikel 1, lid 1, onder g), van richtlijn 2002/83/EG.”

7

Artikel 15 van deze verordening, met het opschrift „Wettelijke subrogatie”, luidt als volgt:

„Indien een persoon (‚de schuldeiser’) een vordering uit overeenkomst heeft jegens een andere persoon (‚de schuldenaar’) en een derde verplicht is de schuldeiser te voldoen, dan wel deze reeds door de derde op grond van deze verplichting is voldaan, bepaalt het recht dat op de verplichting van de derde van toepassing is, of en in welke mate de derde jegens de schuldenaar de rechten kan uitoefenen die de schuldeiser jegens de schuldenaar had overeenkomstig het recht dat hun betrekkingen beheerst.”

8

Artikel 16 van de Rome I-verordening, met het opschrift „Hoofdelijke schuldenaars”, bepaalt:

„Indien een schuldeiser een vordering heeft op verscheidene, voor dezelfde schuldvordering aansprakelijke schuldenaren, van wie er één de vordering reeds geheel of ten dele heeft voldaan, dan beheerst het recht dat op de verbintenis van deze schuldenaar jegens de schuldeiser van toepassing is, het recht van regres van deze schuldenaar op de andere schuldenaren. De andere schuldenaren kunnen zich beroepen op de weren die zij tegen de schuldeiser zouden kunnen aanvoeren op grond van het recht dat hun verbintenissen jegens de schuldeiser beheerst.”

9

Artikel 23 van deze verordening, met het opschrift „Verhouding tot andere bepalingen van Gemeenschapsrecht”, bepaalt:

„Met uitzondering van artikel 7 laat deze verordening onverlet de toepassing van de in de bepalingen van het Gemeenschapsrecht vervatte en op bepaalde gebieden geldende regels inzake het toepasselijk recht op verbintenissen uit overeenkomst.”

Rome II-verordening

10

Overweging 7 van de Rome II-verordening luidt als volgt:

11

Artikel 4 van deze verordening, met als opschrift „Algemene regel”, luidt als volgt:

„1.   Tenzij in deze verordening anders bepaald, is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen.

2.   Indien evenwel degene wiens aansprakelijkheid in het geding is, en degene die schade lijdt, beiden hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben op het tijdstip waarop de schade zich voordoet, is het recht van dat land van toepassing.

3.   Indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in de leden 1 en 2 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing. Een kennelijk nauwere band met een ander land zou met name kunnen berusten op een reeds eerder bestaande nauw met de onrechtmatige daad samenhangende betrekking tussen de partijen, zoals een overeenkomst.”

12

Artikel 15 van de Rome II-verordening, met als opschrift „Werkingssfeer van het toepasselijke recht”, bepaalt:

„Het recht dat krachtens deze verordening op de niet-contractuele verbintenis van toepassing is, regelt met name:

a)

de grond en de omvang van de aansprakelijkheid, waaronder begrepen het vaststellen wie voor een handeling aansprakelijk gesteld kan worden;

b)

de gronden tot uitsluiting van aansprakelijkheid, alsook elke beperking en verdeling van de aansprakelijkheid;

[...]”

13

Artikel 18 van deze verordening, met het opschrift „Rechtstreekse vordering op de verzekeraar van de aansprakelijke persoon”, bepaalt:

„Degene die schade heeft geleden, kan zijn vordering rechtstreeks tegen de verzekeraar van de aansprakelijke persoon instellen, indien het op de niet-contractuele verbintenis toepasselijke recht of het op het verzekeringscontract toepasselijke recht hierin voorziet”.

14

Artikel 19 van deze verordening, met het opschrift „Subrogatie”, luidt als volgt:

„In het geval dat een persoon (‚de schuldeiser’) een niet-contractuele vordering heeft jegens een andere persoon (‚de schuldenaar’) en een derde verplicht is de schuldeiser te voldoen of de schuldeiser reeds heeft voldaan, bepaalt het recht dat op de verplichting van de derde jegens de schuldeiser van toepassing is, of en in welke mate de derde tegen de schuldenaar de rechten kan uitoefenen die de schuldeiser jegens de schuldenaar heeft overeenkomstig het recht dat op hun betrekkingen van toepassing is”.

15

Artikel 20 van de Rome II-verordening, met het opschrift „Meervoudige aansprakelijkheid”, bepaalt:

„In het geval dat een schuldeiser een vordering heeft op verscheidene voor dezelfde vordering aansprakelijke schuldenaren, van wie er één de schuld reeds geheel of gedeeltelijk heeft voldaan, wordt het recht van deze schuldenaar om van de andere schuldenaren vergoeding te eisen, beheerst door het recht dat van toepassing is op de niet-contractuele verbintenis van deze schuldenaar jegens de schuldeiser”.

16

Artikel 27 van deze verordening, met het opschrift „Verhouding tot andere bepalingen van Gemeenschapsrecht”, bepaalt:

„Deze verordening laat onverlet de toepassing van de in de bepalingen van Gemeenschapsrecht vervatte en op bepaalde gebieden geldende regels inzake het toepasselijke recht op niet-contractuele verbintenissen.”

Richtlijn 2009/103

17

Overweging 26 van richtlijn 2009/103 luidt als volgt:

18

Artikel 3 van deze richtlijn, met het opschrift „Verplichte motorrijtuigenverzekering”, bepaalt in de derde alinea ervan:

„Iedere lidstaat treft de nodige maatregelen opdat door de verzekeringsovereenkomst eveneens worden gedekt:

a)

de schade die is veroorzaakt op het grondgebied van de andere lidstaten, overeenkomstig de in deze staten geldende wettelijke regelingen;

[...]”

19

Artikel 14 van deze richtlijn, met het opschrift „Eén enkele premie”, luidt als volgt:

„De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat alle polissen in het kader van de verplichte wettelijke aansprakelijkheidsverzekering met betrekking tot de deelneming van motorrijtuigen aan het verkeer:

a)

tegen betaling van één enkele premie en gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst dekking verschaffen voor het gehele grondgebied van de Gemeenschap, met inbegrip van de perioden waarin het motorrijtuig zich, gedurende de looptijd van de overeenkomst, in een andere lidstaat bevindt; en

b)

tegen betaling van diezelfde premie, in elke lidstaat de bij diens wet voorgeschreven dekking verschaffen, dan wel de dekking die wettelijk is voorgeschreven in de lidstaat waar het motorrijtuig gewoonlijk is gestald, indien laatstgenoemde dekking hoger is.”

Litouws recht

20

Het bepaalde in richtlijn 2009/103 is in het nationale recht omgezet in de wet op de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (TPVCAPDĮ) van 5 maart 2004 (Žin., 2004, nr. 46‑1498), zoals gewijzigd bij wet nr. X-1137 van 17 mei 2007 (Žin., 2007, nr. 61‑2340; hierna: „wet betreffende de verplichte verzekering”).

21

Artikel 10, lid 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering, met het opschrift „Territoriale werkingssfeer van de verzekeringsovereenkomst”, bepaalt:

„Na betaling van de (totale) enkele premie, biedt de verzekeringsovereenkomst [van een motorrijtuig dat gewoonlijk is gestald op het Litouwse grondgebied] of de verzekeringsovereenkomst voor het grensgebied, gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst, met inbegrip van iedere keer dat het motorrijtuig gedurende de looptijd van de overeenkomst in andere lidstaten van de Unie verblijft, in elke lidstaat de door diens wetgeving inzake de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering met betrekking tot de deelneming van motorrijtuigen aan het verkeer vereiste dekking, of de uit deze wet voortvloeiende dekking, indien laatstgenoemde dekking hoger is. [...]”

22

Artikel 11 van de wet betreffende de verplichte verzekering, met het opschrift „Verzekerde bedragen en verzekeringspremies”, luidt als volgt:

„[...]

3.   Wanneer schade is veroorzaakt in een andere lidstaat, gelden voor de door de verzekeraar uitbetaalde schadeloosstelling de dekkingsniveaus die door deze lidstaat wettelijk zijn vastgesteld of de in lid 1 van dit artikel genoemde dekkingsniveaus indien deze hoger zijn.

[...]”

23

Artikel 16 van deze wet, met het opschrift „Beginselen inzake de betaling van de schadeloosstelling”, bepaalt in lid 1 ervan:

„De schadevergoeding wordt uitgekeerd door de verantwoordelijke verzekeraar of door het Bureau indien de houder van het motorrijtuig wettelijk aansprakelijk is voor schade die aan een derde is veroorzaakt. De verzekeringsuitkering wordt betaald overeenkomstig het recht betreffende de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven van de lidstaat waar het verkeersongeval zich heeft voorgedaan.

[...]”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

Zaak C‑359/14

24

Op 1 september 2011 is in de omgeving van Mannheim (Duitsland) een vrachtwagencombinatie bestaande uit een trekker met aanhanger op de weg gekanteld toen dit motorrijtuig aan het omkeren was. Op grond van de vaststellingen van de politieagenten die op de plaats van het ongeval aanwezig waren, is de chauffeur van de trekker aansprakelijk gesteld voor het ongeval. De verzekeraar van dit motorrijtuig, het filiaal van „ERGO Insurance” SE, heeft de slachtoffers van dit ongeval een schadevergoeding van 7760,02 Litouwse litas (LTL) (ongeveer 2255 EUR) uitgekeerd. Deze verzekeraar heeft vervolgens bij de verwijzende rechterlijke instantie een vordering ingediend tot veroordeling van de verzekeraar van de aanhanger, te weten het filiaal van „If P&C Insurance” AS, tot betaling van de helft van de verzekeringsuitkering die hij had moeten betalen, op grond dat deze hoofdelijk voor de veroorzaakte schade aansprakelijk was.

25

Volgens de verwijzende rechterlijke instantie bestaat er onzekerheid over de vaststelling van het recht dat op het geschil tussen de twee verzekeraars van toepassing is.

26

In deze omstandigheden heeft de Vilniaus miesto apylinkės teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moet artikel 4, lid 4, van de Rome I-verordening, waarin is bepaald dat ‚[i]ndien het toepasselijke recht niet overeenkomstig lid 1 of lid 2 [van dit artikel 4] kan worden vastgesteld, [...] de overeenkomst [wordt] beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is’, aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als aan de orde in het hoofdgeding het Duitse recht moet worden toegepast?

2)

Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet het beginsel dat is neergelegd in artikel 4 van de Rome II-verordening dan aldus worden uitgelegd dat het op het geschil tussen de verzekeraar van de trekker en de verzekeraar van de aanhanger toepasselijke recht, in omstandigheden als aan de orde in het hoofdgeding, moet worden bepaald overeenkomstig het recht van het land waar de door het verkeersongeval veroorzaakte schade is ingetreden?”

Zaak C‑475/14

27

Tijdens een verkeersongeval dat op 21 januari 2011 in Duitsland heeft plaatsgevonden, heeft een vrachtwagencombinatie bestaande uit een trekker met aanhanger, de goederen van derden beschadigd. De trekker was op dat moment voor de wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij het Litouwse filiaal van Gjensidige Baltic. De aanhanger was verzekerd in het kader van een met PZU Lietuva gesloten overeenkomst ter verzekering van de wettelijke aansprakelijkheid.

28 Gjensidige Baltic heeft naar aanleiding van claims die de slachtoffers van dit ongeval in Duitsland hadden ingediend, verzekeringsuitkeringen betaald ten belope van 4331,05 LTL (ongeveer 1254,36 EUR). Gjensidige Baltic is van mening dat zij, omdat deze uitkering de volledige schade dekte die door deze slachtoffers was geleden, een regresvordering kon instellen tegen PZU Lietuva ter vergoeding van de helft van dat bedrag, zijnde 2165,53 LTL (ongeveer 629 EUR).

29 Bij vonnis van 2 januari 2013 heeft de Vilniaus miesto apylinkės teismas (rechtbank van het district Vilnius) de vordering van Gjensidige Baltic toegewezen. Zij heeft PZU Lietuva ertoe veroordeeld Gjensidige Baltic de verzekeringsuitkering te vergoeden ter hoogte van een bedrag ad 2165,53 LTL, vermeerderd met de rente tegen een jaarlijkse rentevoet van 6 %. Volgens deze rechterlijke instantie was, overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening, het Duitse recht van toepassing op een niet-contractuele verbintenis uit onrechtmatige daad. Krachtens het Duitse recht moest de aansprakelijkheid voor schade die naar aanleiding van een verkeersongeval door een motorrijtuig met aanhanger is veroorzaakt, worden gedeeld. Wanneer de schade door een van de verzekeraars is vergoed, mag deze de helft van het bedrag vorderen van een andere verzekeraar.

30 Bij arrest van 8 november 2013 heeft de Vilniaus apygardos teismas (gerechtshof te Vilnius) het vonnis van de Vilniaus miesto apylinkės teismas (rechtbank van het district Vilnius) vernietigd en de regresvordering van Gjensidige Baltic afgewezen. De rechterlijke instantie in hoger beroep heeft vastgesteld dat de vragen in verband met de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van het voertuig aanleiding kan geven, in casu moesten worden beslecht op basis van de verplichte verzekering voor wettelijke aansprakelijkheid waartoe het rijden van het voertuig aanleiding kan geven, en dat de bepalingen van de Rome II-verordening niet van toepassing waren. Aangezien in het hoofdgeding een verplichte verzekeringsovereenkomst was gesloten, kon de aan de orde zijnde situatie niet onder de wettelijke aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad vallen. Deze rechterlijke instantie was van oordeel dat de verbintenis van PZU Lietuva voortvloeide uit de verplichte verzekeringsovereenkomst en stelde vast dat het Litouwse recht van toepassing was.

31

Het door Gjensidige Baltic bij de verwijzende rechterlijke instantie ingestelde cassatieberoep strekt tot vernietiging van dat arrest en tot bekrachtiging van het vonnis van 2 januari 2013 van de Vilniaus miesto apylinkės teismas (rechtbank van het district Vilnius).

32

De verwijzende rechterlijke instantie merkt op dat het geding hoofdzakelijk betrekking heeft op de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen de respectieve verzekeraars van de trekker en van de aanhanger en op de vaststelling van het recht dat op deze verhouding van toepassing is. Deze kwalificatie is bepalend voor het geding, omdat in de Litouwse en de Duitse rechtsorde verschillende beginselen gelden voor de verdeling van de aansprakelijkheid tussen de verzekeraar van de trekker en de verzekeraar van de aanhanger wanneer de schade wordt veroorzaakt door een gekoppeld voertuig.

33

Voorts moet worden uitgemaakt of, zoals Gjensidige Baltic stelt, artikel 14, onder b), van richtlijn 2009/103 een collisieregel vaststelt op grond waarvan het recht van de plaats van het ongeval van toepassing is op een geding tussen verzekeraars als dat in het hoofdgeding.

34

In deze omstandigheden heeft de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (hooggerechtshof van Litouwen) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Stelt artikel 14, onder b), van richtlijn 2009/103 een collisieregel vast, die ratione personae niet alleen moet worden toegepast op de slachtoffers van verkeersongevallen, maar ook ter vaststelling van het recht dat van toepassing is op de verhouding tussen de verzekeraars van de motorrijtuigen die schade hebben veroorzaakt, en gaat het hier om een bijzondere bepaling ten opzichte van de collisieregels die zijn neergelegd in de Rome I- en Rome II-verordeningen?

2)

Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, valt de betrekking tussen de verzekeraars in onderhavige zaak dan onder het begrip ‚verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van artikel 1, lid 1, van de Rome I-verordening? Indien de betrekking tussen de verzekeraars onder het begrip ‚verbintenis uit overeenkomst’ valt, valt die rechtsbetrekking dan onder de categorie van verzekeringsovereenkomsten en moet het daarvoor geldende recht dan worden vastgesteld in overeenstemming met artikel 7 van de Rome I-verordening?

3)

Indien de eerste twee vragen ontkennend worden beantwoord, valt in geval van een regresvordering de betrekking tussen de verzekeraars van motorrijtuigen met aanhangers dan onder het begrip ‚niet-contractuele verbintenissen’ in de zin van de Rome II-verordening en moet deze betrekking dan, met het oog op de vaststelling van het toepasselijke recht overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening, worden beschouwd als een afgeleide rechtsbetrekking die voortvloeit uit het verkeersongeval (schadetoebrengend feit)? Moeten, in een geval zoals in de onderhavige zaak, de verzekeraars van aan elkaar gekoppelde voertuigen worden beschouwd als schuldenaren die aansprakelijk zijn voor dezelfde verbintenis in de zin van artikel 20 van de Rome II-verordening en moet het recht dat op de betrekking tussen beide van toepassing is, worden bepaald in overeenstemming met die regel?”

35

Bij beschikking van de president van het Hof van 19 november 2014 zijn de zaken C‑359/14 en C‑475/14 gevoegd voor de mondelinge behandeling en voor het arrest.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

36

Met hun vragen, die gezamenlijk moeten worden behandeld, wensen de verwijzende rechterlijke instanties in wezen te vernemen hoe de Rome I- en Rome II-verordeningen alsook richtlijn 2009/103 moeten worden uitgelegd om vast te stellen welk rechtsstelsel van toepassing is of welke rechtsstelsels van toepassing zijn in het kader van een regresvordering van de verzekeraar van een trekker, die het slachtoffer van een door de bestuurder van dit voertuig veroorzaakt ongeval schadeloos heeft gesteld, op de verzekeraar van de aanhanger die bij dit ongeval werd getrokken.

37

Er zij aan herinnerd dat de Rome I- en de Rome II-verordeningen blijkens de artikelen 1 ervan, de collisieregels hebben geharmoniseerd die in burgerlijke zaken en in handelszaken van toepassing zijn op respectievelijk verbintenissen uit overeenkomst en niet-contractuele verbintenissen. Het recht dat op deze twee categorieën verbintenissen van toepassing is, moet worden vastgesteld aan de hand van de bepalingen die in een van beide verordeningen zijn vastgesteld, onverminderd echter de in de artikelen 23 en 25 van de Rome I-verordening, alsmede in de artikelen 27 en 28 van de Rome II-verordening bedoelde regels.

38

Wat dit laatst punt betreft, moet enerzijds, in antwoord op de vraag van de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (hooggerechtshof van Litouwen) in zaak C‑475/14, worden opgemerkt dat artikel 14, onder b), van richtlijn 2009/103 met betrekking tot regresvorderingen tussen verzekeraars geen bijzondere collisieregel bevat ten opzichte van de collisieregels die zijn neergelegd in de Rome I- en Rome II-verordeningen en derhalve niet voldoet aan de voorwaarden van respectievelijk artikel 23 van de Rome I-verordening en artikel 27 van de Rome II-verordening.

39

Richtlijn 2009/103 verplicht de lidstaten maatregelen te treffen die waarborgen dat het slachtoffer van een verkeersongeval en de houder van het motorvoertuig dat bij dit ongeval is betrokken, zijn beschermd. Deze richtlijn heeft, volgens overweging 12 ervan, tot algemeen doel de bescherming van de slachtoffers van ongevallen te waarborgen door ervoor te zorgen dat zij voor een minimumbedrag zijn verzekerd.

40

Uit de tekst, noch uit de doelstellingen van richtlijn 2009/103 komt naar voren dat deze tot doel heeft collisieregels vast te stellen.

41

Meer bepaald verplicht artikel 14 van deze richtlijn, gelezen in samenhang met overweging 26 ervan, de lidstaten slechts de nodige maatregelen te nemen opdat alle verzekeringen voor motorvoertuigen, tegen betaling van één enkele premie, dekking verschaffen voor het gehele grondgebied van de Europese Unie gedurende de looptijd van de overeenkomst en, tegen betaling van diezelfde premie, in elke lidstaat de bij diens wet voorgeschreven dekking verschaffen dan wel de dekking die wettelijk is voorgeschreven in de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald, indien laatstgenoemde dekking hoger is.

42

Deze bepaling heeft dus uitsluitend betrekking op de territoriale reikwijdte en het dekkingsniveau dat de verzekeraar moet verschaffen om een passende bescherming van slachtoffers van verkeersongevallen te waarborgen. Hieruit kan geen regel worden afgeleid volgens welke de wetgeving van de lidstaat die aldus is vastgesteld, de verdeling van de aansprakelijkheid tussen verzekeraars zou regelen.

43

Wat, anderzijds, de respectieve toepassingsgebieden van de Rome I- en Rome II-verordeningen betreft, moeten de hierin genoemde begrippen „verbintenis uit overeenkomst” en „verbintenis uit onrechtmatige daad” autonoom worden uitgelegd onder verwijzing naar de opzet en de doelstellingen van deze verordeningen (zie naar analogie arrest ÖFAB, C‑147/12, EU:C:2013:490, punt 27). Zoals uit overweging 7 van elk van deze twee verordeningen blijkt, moet tevens rekening worden gehouden met de doelstelling, de toepassing van deze twee verordeningen onderling te laten stroken, maar ook met de toepassing van de Brussel I-verordening, die meer bepaald in artikel 5 ervan, onderscheid maakt tussen verbintenissen uit overeenkomt en verbintenissen uit onrechtmatige daad.

44

Uit de rechtspraak van het Hof inzake deze laatste verordening komt naar voren dat alleen een door een persoon tegenover een andere persoon vrijwillig aangegane juridische verbintenis waarop de vordering van de verzoeker berust, onder de „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, punt 1, van deze verordening valt (zie arrest Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 39). Naar analogie, en in overeenstemming met het in punt 43 van het onderhavige arrest genoemde streven naar samenhang, moet worden geoordeeld dat het begrip „verbintenis uit overeenkomst” in de zin van artikel 1 van de Rome I-verordening duidt op een door een persoon tegenover een andere persoon vrijwillig aangegane juridische verbintenis.

45

Wat het begrip „niet-contractuele verbintenis” in de zin van de Rome I-verordening betreft, moet eraan worden herinnerd dat het begrip „verbintenis uit onrechtmatige daad” in de zin van artikel 5, punt 3, van de Brussel I-verordening elke vordering omvat die ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen en die geen verband houdt met een „verbintenis uit overeenkomst” in de zin van punt 1 van dat artikel 5 (arrest ÖFAB, C‑147/12, EU:C:2013:490, punt 32en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voorts moet worden opgemerkt dat de Rome II-verordening, zoals blijkt uit artikel 2 ervan, van toepassing is op verbintenissen die het gevolg zijn van schade, namelijk elk gevolg dat voortvloeit uit een onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking, zaakwaarneming of precontractuele aansprakelijkheid.

46

Gelet op een en ander moet onder een „niet-contractuele verbintenis” in de zin van de Rome II-verordening worden verstaan een verbintenis die voortvloeit uit een van de in artikel 2 van deze verordening genoemde en in het voorgaande punt aangehaalde gebeurtenissen.

47

In het onderhavige geval blijkt uit de verwijzingsbeslissingen dat er verbintenissen uit overeenkomst in de zin van de Rome I-verordening bestaan tussen de verzekeraars en, respectievelijk, de houders of de bestuurders van de trekker en de houders van de aanhanger. Daarentegen ontbreekt elke contractuele verbintenis tussen de twee verzekeraars.

48

Bovendien hangen het bestaan en de omvang van de verplichting tot schadeloosstelling van de slachtoffers die in het hoofdgeding aan de orde zijn, in de eerste plaats af van de wijze waarop de verkeersongevallen waardoor die schade is veroorzaakt, worden beoordeeld. Deze beoordelingen, die naar de aard ervan op het gebied van de onrechtmatige daad liggen, staan los van de contractuele betrekking tussen de verzekeraars en hun respectieve verzekerden.

49

Met betrekking tot de mogelijkheid voor de verzekeraar van een trekker die een slachtoffer schadeloos heeft gesteld voor alle schade die dit slachtoffer heeft geleden naar aanleiding van een ongeval waarbij zowel deze trekker als de hieraan bevestigde aanhanger waren betrokken, om een regresvordering in te stellen tegen de verzekeraar van de aanhanger, moet het volgende worden opgemerkt.

50

Ten eerste kan de verzekeraar van een trekker waarvan de bestuurder een ongeval heeft veroorzaakt, het recht om regres uit te oefenen op de verzekeraar van de getrokken aanhanger niet ontlenen aan de verzekeringsovereenkomst, maar vereist dit dat de houder van deze aanhanger tegelijkertijd jegens datzelfde slachtoffer aansprakelijk is uit onrechtmatige daad.

51

Opgemerkt moet dus worden dat een dergelijke op de houder van de aanhanger rustende schadevergoedingsplicht moet worden beschouwd als een „niet-contractuele verbintenis” in de zin van artikel 1 van de Rome II-verordening. Bijgevolg moet het recht dat op deze verbintenis van toepassing is, dus aan de hand van deze verordening worden vastgesteld.

52

Volgens artikel 4 van deze verordening is, tenzij in deze verordening anders is bepaald, het recht van het land waar de schade zich heeft voorgedaan, van toepassing op een onrechtmatige daad, te weten, in de hoofdgedingen, dat van het land waar de rechtstreeks uit het ongeval voortvloeiende schade zich voordoet (zie in die zin arrest Lazar, C‑350/14, EU:C:2015:802, punt 24). Volgens artikel 15, onder a) en b), van de Rome II-verordening regelt dit recht de grond en de omvang van de aansprakelijkheid, alsmede de gronden tot verdeling van deze aansprakelijkheid.

53

Bijgevolg moeten de schuldenaren van de verplichting tot schadeloosstelling van het slachtoffer, alsmede, in voorkomend geval, de respectieve bijdragen van de houder van de aanhanger en de houder of de bestuurder van de trekker aan de schade van het slachtoffer, worden bepaald aan de hand van het recht van de plaats waar de rechtstreekse schade zich heeft voorgedaan, in casu het Duitse recht.

54

Ten tweede moet eraan worden herinnerd dat de verplichting van een verzekeraar tot vergoeding van de schade die aan een slachtoffer is veroorzaakt, niet voortvloeit uit de schade die aan het slachtoffer is veroorzaakt, maar uit de overeenkomst tussen hem en de aansprakelijke verzekerde. Een dergelijke schadeloosstelling vindt haar oorsprong dus in een contractuele verbintenis, zodat overeenkomstig het bepaalde in de Rome I-verordening moet worden vastgesteld welk recht op een dergelijke verbintenis van toepassing is.

55

Aan de hand van het recht dat van toepassing is op respectievelijk de verzekeringsovereenkomst van de trekkers, zoals die aan de orde in het hoofdgeding, en die van de aanhangers die hieraan waren bevestigd, dient dus te worden onderzocht of de verzekeraars van deze twee soorten voertuigen overeenkomstig genoemde overeenkomsten daadwerkelijk verplicht waren tot schadeloosstelling van de slachtoffers van een door deze voertuigen veroorzaakt ongeval.

56

Ten derde dient met betrekking tot de vraag of de verzekeraar van een trekker die een slachtoffer schadeloos heeft gesteld, in voorkomend geval een regresvordering kan instellen tegen de verzekeraar van de aanhanger, te worden opgemerkt dat artikel 19 van de Rome II-verordening een onderscheid maakt tussen de kwesties die onder de regeling voor de onrechtmatige daad vallen, en die welke onder de regeling voor contractuele verbintenissen vallen. Deze bepaling is met name van toepassing op de situatie waarin een derde, te weten de verzekeraar, ter nakoming van de verplichting om een slachtoffer van een ongeval schadeloos te stellen, een schadevergoeding heeft uitgekeerd aan het slachtoffer, dat op grond van een verbintenis uit onrechtmatige daad een schuldvordering heeft op de bestuurder of de houder van een motorvoertuig.

57

Meer in het bijzonder bepaalt artikel 19 van de Rome II-verordening dat in dit geval de kwestie van een eventuele subrogatie in de rechten van het slachtoffer wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de verplichting van de derde, te weten de verzekeraar van de wettelijke aansprakelijkheid, om dit slachtoffer schadeloos te stellen.

58

Zo hangen de verplichting van de verzekeraar tot dekking van de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde jegens het slachtoffer, welke voortvloeit uit de met de verzekerde gesloten verzekeringsovereenkomst, en de voorwaarden waaronder de verzekeraar de rechten van het slachtoffer van het ongeval kan uitoefenen tegen degenen die voor het ongeval aansprakelijk zijn, af van het nationale recht dat die verzekeringsovereenkomst beheerst en wordt vastgesteld op basis van artikel 7 van de Rome I-verordening.

59

De artikelen 4 en volgende van de Rome II-verordening blijven overeenkomstig dit artikel 19 echter van toepassing op het recht dat van toepassing is om vast te stellen wie aansprakelijk kunnen worden gesteld, alsook op een eventuele verdeling van de aansprakelijkheid tussen deze personen en hun respectieve verzekeraars.

60

Met name moet worden geoordeeld dat in het geval waarin volgens het recht dat krachtens laatstgenoemde bepalingen van de Rome II-verordening van toepassing is, het slachtoffer van een verkeersongeval dat door een trekker met aanhanger is veroorzaakt, zowel ten aanzien van de houder van de aanhanger als ten aanzien van de verzekeraar van deze laatste rechten kan doen gelden, voor de verzekeraar van de trekker, nadat deze het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, regres openstaat tegen de verzekeraar van de aanhanger, voor zover de verzekeraar volgens het recht dat volgens artikel 7 van de Rome I-verordening op de verzekeringsovereenkomst van toepassing is, kan worden gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer.

61

Het staat dan ook aan de verwijzende rechterlijke instanties om eerst overeenkomstig het recht dat krachtens de Rome II-verordening van toepassing is, vast te stellen hoe de aan de slachtoffers uit te keren schadevergoeding moet worden verdeeld tussen de bestuurder en de houder van de trekker enerzijds en de houder van de aanhanger anderzijds.

62

Vervolgens moet overeenkomstig artikel 7 van de Rome I-verordening worden vastgesteld welk recht van toepassing is op de verzekeringsovereenkomsten die tussen verzoekers in het hoofdgeding en hun respectieve verzekerde zijn gesloten, om uit te maken of en in welke mate deze verzekeraars bij wege van subrogatie de rechten van het slachtoffer kunnen uitoefenen tegen de verzekeraar van de aanhanger.

63

Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 14, onder b), van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling geen bijzondere collisieregel bevat om vast te stellen welk recht van toepassing is op een regresvordering tussen verzekeraars in omstandigheden als aan de orde in het hoofdgeding.

64

De Rome I-verordening en de Rome II-verordening moeten aldus worden uitgelegd dat het recht dat van toepassing is op een regresvordering van de verzekeraar van een trekker die de slachtoffers van een ongeval dat door de bestuurder van dat voertuig is veroorzaakt, schadeloos heeft gesteld, op de verzekeraar van de aanhanger die tijdens dit ongeval werd getrokken, volgens artikel 7 van de Rome I-verordening wordt bepaald, indien de regels inzake de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad die krachtens de artikelen 4 en volgende van de Rome II-verordening op dit ongeval van toepassing zijn, voorzien in een verdeling van de verplichting tot schadevergoeding.

Kosten

65

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 14, onder b), van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling geen bijzondere collisieregel bevat om vast te stellen welk recht van toepassing is op een regresvordering tussen verzekeraars in omstandigheden als aan de orde in het hoofdgeding.

 

Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) en verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) moeten aldus worden uitgelegd dat het recht dat van toepassing is op een regresvordering van de verzekeraar van een trekker die de slachtoffers van een ongeval dat door de bestuurder van dat voertuig is veroorzaakt, schadeloos heeft gesteld, op de verzekeraar van de aanhanger die tijdens dit ongeval werd getrokken, volgens artikel 7 van verordening nr. 593/2008 wordt bepaald, indien de regels inzake de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad die krachtens de artikelen 4 en volgende van verordening nr. 864/2007 op dit ongeval van toepassing zijn, voorzien in een verdeling van de verplichting tot schadevergoeding.

 

ondertekeningen


( *1 )   Procestaal: Litouws.