BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Tweede kamer)

21 januari 2014 ( *1 )

„Beroep tot nietigverklaring — Privaatrechtelijke rechtspersoon — Geen bewijs van bestaan rechtens — Artikel 44, lid 5, sub a, van Reglement voor de procesvoering van het Gerecht — Kennelijke niet-ontvankelijkheid”

In zaak T‑168/13,

European Platform Against Windfarms (EPAW), vertegenwoordigd door C. Kiss, advocaat,

verzoeker,

tegen

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door K. Herrmann en P. Oliver, vervolgens door L. Pignataro Nolin, K. Herrmann en J. Tomkin als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van de mededeling van de Commissie van 6 juni 2012 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s getiteld „Hernieuwbare energie: een belangrijke speler op de Europese energiemarkt”, alsook van het besluit van de Commissie van 21 januari 2013 waarbij het verzoek van verzoeker tot herziening van die mededeling niet-ontvankelijk is verklaard,

geeft

HET GERECHT (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: M. E. Martins Ribeiro, president, S. Gervasoni (rapporteur) en L. Madise, rechters,

griffier: E. Coulon,

de navolgende

Beschikking

Procesverloop en conclusies van partijen

1

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 maart 2013, heeft verzoeker, European Platform against Windfarms (EPAW), het onderhavige beroep ingesteld.

2

Bij brieven van 4 en 25 april en van 14 mei 2013 heeft het Gerecht verzoeker overeenkomstig artikel 44, lid 6, van zijn Reglement voor de procesvoering verzocht om, met het oog op het herstel van de verzuimen in zijn verzoekschrift, ten eerste, documenten over te leggen ter verificatie, overeenkomstig artikel 44, lid 5, sub a, van het Reglement voor de procesvoering, van het bestaan rechtens van verzoeker als rechtspersoon gevestigd op het in het verzoekschrift opgegeven adres en, ten tweede, het bewijs te leveren dat de door verzoeker aan zijn advocaat gegeven volmacht overeenkomstig artikel 44, lid 5, sub b, van het Reglement voor de procesvoering op regelmatige wijze is verstrekt door een daartoe gerechtigd vertegenwoordiger.

3

Verzoeker heeft binnen de gestelde termijnen op de brieven van 4 april en 14 mei 2013 geantwoord bij ter griffie van het Gerecht respectievelijk op 19 april en 30 mei 2013 neergelegde brieven.

4

Op 26 juni 2013 heeft de Europese Commissie het Gerecht verzocht om de behandeling van de onderhavige zaak krachtens artikel 77, sub d, van het Reglement voor de procesvoering te schorsen in afwachting van eindbeslissingen van het Hof in de zaken C‑401/12 P, Raad/Vereniging Milieudefensie en Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht, C‑402/12 P, Parlement/Vereniging Milieudefensie en Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht, C‑403/12 P, Commissie/Vereniging Milieudefensie en Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht, C‑404/12 P, Raad/Stichting Natuur en Milieu en Pesticide Action Network Europe, en C‑405/12 P, Commissie/Stichting Natuur en Milieu en Pesticide Action Network Europe. Verzoeker heeft binnen de gestelde termijn geen opmerkingen over dit verzoek ingediend. Bij beslissing van de president van de Tweede kamer van het Gerecht van 30 september 2013 is dit verzoek afgewezen.

5

Verzoeker verzoekt het Gerecht:

de mededeling van de Commissie van 6 juni 2012 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s getiteld „Hernieuwbare energie: een belangrijke speler op de Europese energiemarkt” nietig te verklaren;

het besluit van de Commissie van 21 januari 2013 waarbij zijn verzoek tot herziening van deze mededeling niet-ontvankelijk is verklaard, nietig te verklaren.

6

De Commissie verzoekt het Gerecht:

het beroep te verwerpen;

verzoeker te verwijzen in de kosten.

In rechte

7

Wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, kan het Gerecht op grond van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking.

8

In casu acht het Gerecht zich voldoende ingelicht door de stukken van het dossier, zodat de behandeling van de procedure niet hoeft te worden voortgezet.

9

Voor ontvankelijkheid van het door een entiteit op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU ingesteld beroep tot nietigverklaring is allereerst vereist dat deze entiteit de hoedanigheid van rechtspersoon heeft.

10

Indien verzoeker een privaatrechtelijke rechtspersoon is, dient hij op basis van artikel 44, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering zijn statuten, een recent uittreksel uit het handelsregister of een recent uittreksel uit het verenigingenregister, of enig ander bewijs van zijn bestaan rechtens bij zijn verzoekschrift te voegen, alsook het bewijs dat de aan zijn advocaat gegeven volmacht op regelmatige wijze is verstrekt door een daartoe gerechtigd vertegenwoordiger.

11

In het onderhavige geval zij vastgesteld, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de regelmatigheid van de aan de advocaat van verzoeker verstrekte volmacht, dat het verzoekschrift, zoals het op 18 maart 2013 ter griffie van het Gerecht is neergelegd, niet voldoet aan artikel 44, lid 5, sub a, van het Reglement voor de procesvoering, aangezien verzoeker noch zijn statuten, noch een recent uittreksel uit het verenigingenregister, noch enig ander bewijs van zijn bestaan rechtens bij zijn verzoekschrift heeft gevoegd.

12

Bovendien heeft verzoeker, ondanks de verzoeken tot herstel van de verzuimen in zijn verzoekschrift die het Gerecht tot hem heeft gericht (zie punt 2 hierboven), geen enkel stuk overgelegd dat zijn bestaan rechtens kan bewijzen. Hij heeft zich ertoe beperkt om twee reeksen van argumenten te formuleren die volgens hem kunnen aantonen dat hij rechtspersoonlijkheid heeft. Deze argumenten kunnen echter niet worden aanvaard.

13

In de eerste plaats is verzoeker, hoewel hij toegeeft dat hij in geen enkele lidstaat van de Europese Unie is geregistreerd, van mening dat moet worden aangenomen dat hij, aangezien hij hoofdzakelijk in Ierland is gevestigd, krachtens Iers recht rechtspersoonlijkheid heeft, nu dit recht niet in een registratieplicht bij de nationale autoriteiten voorziet. Hij verwijst in dit verband naar de bepalingen van section 37, lid 4, sub c tot en met e, van de Planning and Development Act 2000 (wet van 2000 inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling), zoals gewijzigd bij de Planning and Development (Strategic Infrastructure) Act 2006 [wet van 2006 inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling (strategische infrastructuur)] (hierna: „gewijzigde wet inzake ruimtelijke orde en ontwikkeling van 2000”). Verzoeker preciseert bovendien dat zijn zetel zich niet op het in het verzoekschrift opgegeven adres, maar de facto in Ierland bevindt. De vermelding in het verzoekschrift van een adres in Frankrijk is onjuist aangezien dit adres overeenstemt met dat van zijn president en met de zetel van een in Frankrijk geregistreerde niet-gouvernementele organisatie die deel uitmaakt van zijn leden.

14

In dit verband zij gepreciseerd dat, volgens section 37, lid 4, sub c, van de gewijzigde wet inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling van 2000, een entiteit of een private organisatie die voldoet aan de in deze bepaling, sub d, neergelegde voorwaarden, voor de Bord Pleanála, een quasi-gerechtelijke autoriteit, mag opkomen tegen de na de indiening van een ontwikkelingsaanvraag (application for development) gegeven beslissingen. Dienaangaande blijkt uit section 37, lid 4, sub d, van deze wet dat de betrokken entiteit of organisatie moet voldoen aan voorwaarden die in het bijzonder betrekking hebben op het nastreven van doelstellingen die verband houden met de bevordering van milieubescherming gedurende een tijdvak van twaalf maanden voorafgaand aan het beroep bij de Bord Pleanála, alsook, in voorkomend geval, aan de overeenkomstig section 37, lid 4, sub e, van de gewijzigde wet van 2000 inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling door de Ierse minister van Milieu, Erfgoed en Lokaal Bestuur vastgestelde bijkomende voorwaarden die met name betrekking hebben op het bezit van een bijzondere rechtspersoonlijkheid en de toepassing van een statuut of van regels.

15

Ook dient te worden gepreciseerd dat er, zoals blijkt uit het dossier, op 26 oktober 2010 geen enkele bijkomende voorwaarde was vastgesteld door de Ierse minister voor Milieu, Erfgoed en Lokaal Bestuur krachtens section 37, lid 4, sub e, van de gewijzigde wet inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling van 2000. Op deze datum bestond er bovendien geen voornemen om dergelijke bijkomende voorwaarden vast te stellen.

16

Deze bepalingen, die tot een sectorspecifieke regeling inzake ruimtelijke ordening en ontwikkeling horen, blijven er dus toe beperkt om binnen het door hen bestreken gebied, aan de betrokken entiteiten een beperkte en specifieke procesbevoegdheid te verlenen voor één enkele instantie, in casu de Bord Pleanála.

17

Een beperkte procesbevoegdheid zoals die waarop verzoeker zich beroept, en bovendien voor een lichaam waarvan niet onomstotelijk is komen vast te staan dat het een rechterlijke instantie is, volstaat evenwel niet om aan te tonen dat verzoeker krachtens Iers recht rechtspersoonlijkheid naar gemeen recht bezit op grond waarvan hij, zonder enig bewijsstuk van zijn bestaan rechtens, krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU beroep zou kunnen instellen bij de rechterlijke instanties van de Unie.

18

In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat, gesteld al dat de zetel van verzoeker zich in Ierland bevindt en de vermelding in het verzoekschrift van het adres in Frankrijk louter op een vergissing berust, de verwijzing naar enkel de in de punten 13 tot en met 15 hierboven genoemde bepalingen van de Ierse wet, bij het ontbreken van enig ander bewijs voor verzoekers rechtspersoonlijkheid, niet volstaat om overeenkomstig artikel 44, lid 5, sub a, van het Reglement voor de procesvoering, het bewijs te leveren van zijn bestaan rechtens.

19

Dit bewijs wordt evenmin geleverd door de inschrijving van verzoeker in het transparantieregister van de Unie. Gesteld al dat deze inschrijving aantoont dat verzoeker, zoals hij beweert, een bestaande, in Ierland gevestigde, organisatie is, neemt dit niet weg dat de betrokken entiteit niet over rechtspersoonlijkheid hoeft te beschikken voor inschrijving in dit register, zoals met name blijkt uit punt 14 van het akkoord van 23 juni 2011 tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie over de invoering van een Transparantieregister voor organisaties en als zelfstandige werkzame personen die betrokken zijn bij het maken en het uitvoeren van het EU-beleid (PB L 191, blz. 29). Dit punt 14 luidt immers als volgt: „[v]an netwerken, platformen of andere vormen van collectieve activiteit zonder juridische status of rechtspersoonlijkheid, maar die feitelijk een georganiseerde invloed uitoefenen en zich bezighouden met activiteiten die onder het toepassingsgebied van het register vallen, wordt verwacht dat zij zich in het register inschrijven”.

20

In de tweede plaats betoogt verzoeker dat hij, zoals de Commissie in haar in punt 5 hierboven bedoelde besluit van 21 januari 2013 heeft erkend, voldoet aan de voorwaarden van artikel 11 van verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB L 264, blz. 13). Hij leidt hieruit af dat hij overeenkomstig artikel 10 van deze verordening het recht heeft om een verzoek om interne herziening in te dienen en, bijgevolg, om bij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen het besluit dat de Commissie op basis daarvan heeft gegeven.

21

Dit betoog kan niet worden aanvaard.

22

Ten eerste is, ingevolge artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1367/2006, elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de criteria van artikel 11 van deze verordening immers gerechtigd een verzoek tot interne herziening in te dienen bij de instelling van de Unie die een administratieve handeling met betrekking tot het milieurecht heeft vastgesteld. Artikel 11, lid 1, van deze verordening legt in dit verband vier criteria vast. Volgens het eerste criterium, dat is opgenomen in artikel 11, lid 1, sub a, van verordening nr. 1367/2006, dient de betrokken organisatie een onafhankelijke rechtspersoon zonder winstoogmerk te zijn volgens de wetgeving of de praktijk van een lidstaat. Zoals evenwel reeds is vermeld, heeft verzoeker niet aangetoond dat zijn rechtspersoonlijkheid volgens de wetgeving of de praktijk van een lidstaat is erkend.

23

Ten tweede blijkt ongetwijfeld uit de rechtspraak van het Hof dat een verzoeker in het systeem van rechtspleging van de Unie de hoedanigheid van rechtspersoon heeft, wanneer hij uiterlijk op het moment waarop de beroepstermijn afloopt, rechtspersoonlijkheid bezit volgens het op zijn oprichting toepasselijke recht (zie naar analogie arrest Hof van 27 november 1984, Bensider e.a./Commissie, 50/84, Jurispr. blz. 3991, punten 7 en 8), of wanneer hij door de instellingen van de Unie als een zelfstandige juridische entiteit is behandeld (arresten Gerecht van 11 juli 1996, Sinochem Heilongjiang/Raad, T-161/94, Jurispr. blz. II-695, punt 31, en 25 september 1997, Shanghai Bicycle/Raad, T-170/94, Jurispr. blz. II-1383, punt 26; zie, wat betreft beroepsverenigingen van ambtenaren, arresten Hof van 8 oktober 1974, Union syndicale – Service public européen e.a./Raad, 175/73, Jurispr. blz. 917, punten 11‑13, en Algemeen Vakverbond van het personeel der Europese instellingen/Commissie, 18/74, Jurispr. blz. 933, punten 7‑9).

24

Echter, voor zover verzoeker zich met zijn in punt 20 hierboven uiteengezette betoog wenst te beroepen op de in punt 23 hierboven aangehaalde rechtspraak, zij gepreciseerd dat, teneinde de vraag te beoordelen of een verzoeker door een instelling als een onafhankelijke juridische entiteit is behandeld, het Hof in de arresten Union syndicale – Service public européen e.a./Raad en Algemeen Vakverbond van het personeel der Europese instellingen/Commissie (punt 23 hierboven), drie criteria in aanmerking heeft genomen, te weten ten eerste de representativiteit van de betrokken entiteit, ten tweede haar autonomie om in rechtsbetrekkingen als een verantwoordelijke eenheid op te treden, zoals gewaarborgd door haar interne structuur overeenkomstig haar statuten, en ten derde het feit dat een instelling van de Unie de betrokken entiteit heeft erkend als gesprekspartner (arresten Union syndicale – Service public européen e.a./Raad, punt 23 hierboven, punten 10‑13, en Algemeen Vakverbond van het personeel der Europese instellingen/Commissie, punt 23 hierboven, punten 6‑9).

25

In casu moet, zonder dat over de representativiteit van verzoeker uitspraak hoeft te worden gedaan, worden vastgesteld dat het dossier, aangezien verzoeker ondanks drie verzoeken van het Gerecht om de verzuimen in zijn verzoekschrift te herstellen noch zijn statuten, noch enig ander document met betrekking tot zijn oprichting en zijn interne werking heeft meegedeeld, geen enkel stuk bevat dat aantoont dat hij over de nodige autonomie beschikt om in rechtsbetrekkingen als een verantwoordelijke eenheid op te treden.

26

In het bestreden besluit heeft de Commissie inderdaad vastgesteld dat verzoeker aan alle voorwaarden van artikel 11 van verordening nr. 1367/2006 voldoet. Wat betreft de eerste in punt 22 hierboven in herinnering gebrachte voorwaarde, was de Commissie, met name op basis van de informatie die verzoeker in zijn op grond van artikel 10 van die verordening ingediende verzoek tot interne herziening heeft verstrekt alsook op basis van een e‑mail die verzoeker haar nadien heeft gezonden, van mening dat verzoeker een in Frankrijk geregistreerde rechtspersoon zonder winstoogmerk was. Evenwel kwam deze behandeling voort uit verzoekers eigen mededeling van onjuiste informatie betreffende zijn adres (zie punt 13 hierboven). Derhalve kan het feit dat de Commissie verzoeker in het bestreden besluit op basis van deze informatie heeft behandeld als een onafhankelijke juridische eenheid, zijn hoedanigheid van rechtspersoon niet aantonen.

27

Uit een en ander vloeit voort dat het beroep gelet op artikel 44, lid 5, sub a, van het Reglement voor de procesvoering kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Kosten

28

Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.

 

HET GERECHT (Tweede kamer)

beschikt:

 

1)

Het beroep wordt verworpen.

 

2)

European Platform Against Windfarms (EPAW) zal zijn eigen kosten dragen, alsook die van de Europese Commissie.

 

Luxemburg, 21 januari 2014.

 

De griffier

E. Coulon

De president

M. E. Martins Ribeiro


( *1 ) Procestaal: Engels.