ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

4 september 2014 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EG) nr. 1896/2006 — Europese betalingsbevelprocedure — Geen geldige betekening of kennisgeving — Gevolgen — Uitvoerbaar verklaard Europees betalingsbevel — Verweer — Heroverweging in uitzonderingsgevallen — Termijnen”

In de gevoegde zaken C‑119/13 en C‑120/13,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Amtsgericht Wedding (Duitsland) bij beslissingen van respectievelijk 7 januari en 5 februari 2013, ingekomen bij het Hof op 14 maart 2013, in de procedures

eco cosmetics GmbH & Co. KG

tegen

Virginie Laetitia Barbara Dupuy (C‑119/13),

en

Raiffeisenbank St. Georgen reg. Gen. mbH

tegen

Tetyana Bonchyk (C‑120/13),

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, C. G. Fernlund, A. Ó Caoimh, C. Toader (rapporteur) en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

V. Dupuy, vertegenwoordigd door M. Stawska-Höbel, Rechtsanwältin,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,

de Griekse regering, vertegenwoordigd door F. Dedousi en M. Skorila als gemachtigden,

de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door L. D’Ascia, avvocato dello Stato,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A.‑M. Rouchaud‑Joët en B. Eggers als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 april 2014,

het navolgende

Arrest

1

De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB L 399, blz. 1).

2

Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen betreffende Europese betalingsbevelprocedures, te weten een geding tussen de in Duitsland gevestigde onderneming eco cosmetics GmbH & Co. KG (hierna: „eco cosmetics”) en de in Frankrijk wonende V. Dupuy, en een geding tussen de in Oostenrijk gevestigde onderneming Raiffeisenbank St. Georgen reg. Gen. mbH en de in Duitsland wonende T. Bonchyk.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

De punten 13, 19 en 23 tot en met 25 van de considerans van verordening nr. 1896/2006 luiden:

„(13)

Een eiser die een verzoek om een Europees betalingsbevel indient, is gehouden de gegevens te verstrekken die voldoende duidelijk maken wat de vordering inhoudt en op welke gronden deze berust, zodat de verweerder goed geïnformeerd kan beslissen of hij de vordering al dan niet wil betwisten.

[...]

(19)

Wegens verschillen tussen de lidstaten in de regels van burgerlijk procesrecht, en met name de voorschriften inzake de betekening en kennisgeving van stukken, moet een specifieke en gedetailleerde definitie van de minimumnormen worden opgesteld die in het kader van het Europese betalingsbevel van toepassing dienen te zijn. Voor de betekening of kennisgeving van een Europees betalingsbevel dient met name een methode waarbij wordt uitgegaan van een juridische fictie ten aanzien van de naleving van deze minimumnormen, niet als voldoende te worden beschouwd.

[...]

(23)

De verweerder kan zijn verweerschrift indienen door middel van het standaardformulier in deze verordening. De gerechten nemen evenwel andere schriftelijke vormen van verweer in aanmerking als het verweer duidelijk tot uitdrukking wordt gebracht.

(24)

Een tijdig ingediend verweerschrift moet een einde maken aan de Europese betalingsbevelprocedure en moet de zaak automatisch doen overgaan naar een gewone civielrechtelijke procedure, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht om de procedure in dat geval stop te zetten. Het concept ‚gewoon civielrechtelijke procedure’ wordt niet in de zin van het nationaal recht uitgelegd.

(25)

Na het verstrijken van de termijn voor indiening van een verweerschrift heeft de verweerder in bepaalde uitzonderlijke gevallen het recht om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken. Heroverweging in uitzonderingsgevallen houdt niet in dat de verweerder nogmaals de mogelijkheid krijgt verweer te voeren tegen de vordering. Tijdens de heroverwegingsprocedure mag de gegrondheid van de vordering niet verder worden getoetst dan de gronden die voortvloeien uit de door de verweerder aangevoerde uitzonderlijke omstandigheden. De overige uitzonderlijke omstandigheden zouden onder meer kunnen omvatten de situatie dat het Europees betalingsbevel gebaseerd was op verkeerde informatie in het aanvraagformulier.”

4

Luidens punt 27 van de considerans van deze verordening „[...] dient de tenuitvoerlegging van het Europees betalingsbevel beheerst te blijven door het nationale recht”.

5

Artikel 1, lid 1, sub a, van verordening nr. 1896/2006 luidt:

„Deze verordening heeft ten doel:

a)

de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren”.

6

Artikel 6 van deze verordening, „Rechterlijke bevoegdheid”, bepaalt in lid 1:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt de rechterlijke bevoegdheid bepaald volgens de ter zake geldende regels van het gemeenschapsrecht, en met name verordening (EG) nr. 44/2001 [van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1)].”

7

Artikel 12, leden 3 en 5, van verordening nr. 1896/2006 luidt als volgt:

„3.   In het Europees betalingsbevel wordt de verweerder meegedeeld dat hij de volgende mogelijkheden heeft:

a)

het in het betalingsbevel vermelde bedrag aan de eiser te betalen;

of

b)

verweer tegen het bevel aan te tekenen door bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift in te dienen, dat binnen 30 dagen nadat het bevel aan de verweerder is betekend of ter kennis gebracht wordt verzonden.

[...]

5.   Het gerecht draagt er zorg voor dat het betalingsbevel overeenkomstig het nationale recht aan de verweerder betekend of ter kennis gebracht wordt volgens een methode die voldoet aan de minimumnormen van de artikelen 13, 14 en 15.”

8

Artikel 13 van verordening nr. 1896/2006, „Betekening of kennisgeving met bewijs van ontvangst door de verweerder”, luidt:

„Het Europees betalingsbevel kan op een van de volgende wijzen aan de verweerder worden betekend of ter kennis gebracht, overeenkomstig het nationale recht van de staat waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht:

a)

door persoonlijke betekening of kennisgeving blijkend uit een door de verweerder ondertekende ontvangstbevestiging, met de datum van ontvangst;

b)

door persoonlijke betekening of kennisgeving blijkend uit een document ondertekend door de bevoegde persoon die de betekening of kennisgeving heeft verricht, en waarin wordt verklaard dat de verweerder het stuk in ontvangst heeft genomen of zonder wettige grond geweigerd heeft, en waarin de datum van betekening of kennisgeving is vermeld;

c)

door betekening of kennisgeving per post, blijkend uit een door de verweerder ondertekende en teruggezonden ontvangstbevestiging, met de datum van ontvangst;

d)

door betekening of kennisgeving langs elektronische weg, bijvoorbeeld door middel van een faxbericht of een elektronisch postbericht, blijkend uit een door de verweerder ondertekende en teruggezonden ontvangstbevestiging, met de datum van ontvangst.”

9

Artikel 14 van deze verordening, met het opschrift „Betekening of kennisgeving zonder bewijs van ontvangst door de verweerder”, bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.   Het Europees betalingsbevel kan tevens op een van de volgende wijzen aan de verweerder worden betekend of ter kennis worden gebracht, overeenkomstig het nationale recht van de staat waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht:

a)

in persoon op het persoonlijke adres van de verweerder, aan een persoon die als huisgenoot van de verweerder dezelfde woonplaats heeft of aldaar in dienst is;

b)

wanneer de verweerder een zelfstandige of een rechtspersoon is, in persoon op het zakenadres van de verweerder, aan een persoon die bij de verweerder in dienst is;

c)

door deponering van het bevel in de brievenbus van de verweerder;

d)

door deponering van het bevel op het postkantoor of bij de bevoegde autoriteiten, en schriftelijke mededeling daarvan in de brievenbus van de verweerder, mits in de schriftelijke mededeling duidelijk wordt vermeld dat het om een gerechtelijk stuk gaat of dat deze schriftelijke mededeling rechtsgeldig is als betekening of kennisgeving en de toepasselijke termijnen doet ingaan;

e)

per post zonder bewijs overeenkomstig lid 3 indien de verweerder zijn adres in de lidstaat van oorsprong heeft;

f)

langs elektronische weg, blijkens een automatische aankomstbevestiging, op voorwaarde dat de verweerder vooraf uitdrukkelijk met deze wijze van betekening of kennisgeving heeft ingestemd.

2.   Voor de toepassing van deze verordening is betekening of kennisgeving overeenkomstig lid 1 niet toegestaan, indien het adres van de verweerder niet met zekerheid bekend is.”

10

Artikel 15 van deze verordening, „Betekening of kennisgeving aan een vertegenwoordiger”, luidt:

„Betekening of kennisgeving overeenkomstig de artikelen 13 of 14 kan ook aan een vertegenwoordiger van de verweerder geschieden.”

11

Artikel 16 van verordening nr. 1896/2006 luidt als volgt:

„1.   De verweerder kan bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel indienen door middel van het standaardformulier F van bijlage VI, dat hem samen met het Europees betalingsbevel wordt verstrekt.

2.   Het verweerschrift wordt toegezonden binnen 30 dagen nadat het betalingsbevel aan de verweerder is betekend of ter kennis is gebracht.

3.   In het verweerschrift vermeldt de verweerder dat hij de schuldvordering betwist, zonder gehouden te zijn te verklaren op welke gronden de betwisting berust.

[...]”

12

Artikel 17, lid 1, van deze verordening luidt:

„Indien binnen de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn een verweerschrift is ingediend, wordt de procedure volgens het gewone burgerlijk procesrecht voortgezet voor de bevoegde gerechten van de lidstaat van oorsprong, tenzij de eiser, overeenkomstig artikel 7, lid 4, uitdrukkelijk heeft verzocht de procedure in dat geval te staken.

[...]”

13

Artikel 18 van deze verordening, met het opschrift „Uitvoerbaarheid”, bepaalt:

„1.   Indien binnen de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, met inachtneming van een redelijke tijdspanne met het oog op de aankomst van een verweerschrift, geen verweerschrift is ingediend, verklaart het gerecht van oorsprong het Europees betalingsbevel onverwijld uitvoerbaar door middel van het standaardformulier G van bijlage VII. Het gerecht van oorsprong verifieert de datum van betekening of kennisgeving.

2.   Onverminderd lid 1 worden de formele voorwaarden waaronder het bevel uitvoerbaar wordt, beheerst door het recht van de lidstaat van oorsprong.

3.   Het gerecht zendt het uitvoerbare Europees betalingsbevel aan de eiser.”

14

Artikel 20 van verordening nr. 1896/2006, „Heroverweging in uitzonderingsgevallen”, luidt:

„1.   De verweerder heeft het recht om, na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, het bevoegde gerecht van de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

i)

het betalingsbevel is op een van de in artikel 14 genoemde wijzen betekend of ter kennis gebracht;

en

ii)

de betekening of kennisgeving is buiten zijn schuld, niet zo tijdig geschied als met het oog op zijn verdediging nodig was,

of

b)

de verweerder [heeft] de vordering niet [...] kunnen betwisten wegens overmacht of wegens buitengewone omstandigheden, buiten zijn schuld,

mits hij in beide gevallen onverwijld handelt.

2.   Na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, heeft de verweerder tevens het recht om het bevoegde gerecht in de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, indien het Europees betalingsbevel kennelijk ten onrechte is toegekend, gelet op de voorschriften van deze verordening, of vanwege andere uitzonderlijke omstandigheden.

3.   Indien het gerecht het verzoek van de verweerder weigert omdat geen van de in de leden 1 en 2 bedoelde heroverwegingsgronden van toepassing is, blijft het Europees betalingsbevel van kracht.

Indien het gerecht besluit dat heroverweging om een van de in de leden 1 en 2 bedoelde redenen gegrond is, is het Europees betalingsbevel nietig.”

15

Artikel 21, lid 1, van deze verordening luidt als volgt:

„Onverminderd de bepalingen van deze verordening worden de tenuitvoerleggingsprocedures beheerst door het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging.

Het Europees betalingsbevel dat uitvoerbaar is geworden, wordt onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer gelegd als een uitvoerbare beslissing die in de lidstaat van tenuitvoerlegging is gegeven.”

16

Artikel 26 van deze verordening, met het opschrift „Verhouding tot het nationale procesrecht”, bepaalt:

„Niet uitdrukkelijk in deze verordening geregelde procedurekwesties worden beheerst door het nationale recht.”

Duits recht

17

In het Duitse recht bepaalt de Zivilprozessordnung (wetboek burgerlijke rechtsvordering) welke procedure met betrekking tot betalingsbevelen moet worden gevolgd.

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

Zaak C‑119/13

18

Eco cosmetics, een vennootschap naar Duits recht, heeft de verwijzende rechter verzocht om een Europees betalingsbevel uit te vaardigen tegen Dupuy, die in Frankrijk woont.

19

Op 22 maart 2010 heeft het Amtsgericht Wedding (kantongerecht te Wedding) overeenkomstig artikel 12 van verordening nr. 1896/2006 aan dit verzoek voldaan en het gevraagde Europese betalingsbevel uitgevaardigd. Vervolgens heeft het dit bevel ter kennis gebracht bij internationale aangetekende brief met ontvangstbevestiging. Zoals uit de ontvangstbevestiging blijkt, is dit bevel op 31 maart 2010 ter kennisgeving aangeboden op het door eco cosmetics opgegeven adres. De ontvangstbevestiging bevat geen andere vermeldingen in verband met de kennisgeving.

20

Op 20 mei 2010 heeft de verwijzende rechter het bevel in kwestie uitvoerbaar verklaard.

21

Bij brief van 28 juli 2010 heeft Dupuys advocaat het betrokken betalingsbevel namens Dupuy betwist. Bij brief van 5 augustus 2010 heeft de verwijzende rechter erop gewezen dat dit verweer niet tijdig was ingesteld, en dat op dat ogenblik enkel nog om heroverweging kon worden verzocht overeenkomstig artikel 20 van verordening nr. 1896/2006.

22

Twee maanden later, meer bepaald bij brief van 7 oktober 2010, heeft Dupuy om heroverweging verzocht, zonder evenwel de gronden voor dit verzoek nader toe te lichten. Nog eens een half jaar later heeft Dupuys advocaat dat verzoek om heroverweging bij brief van 13 april 2011 namens Dupuy gemotiveerd.

23

Dupuy betoogt met name dat het tegen haar uitgevaardigde Europese betalingsbevel haar niet ter kennis is gebracht. Zij preciseert dat zij sinds oktober 2009 niet meer op het door eco cosmetics opgegeven adres woonde en dat zij pas op 23 juli 2010 via haar bank kennis heeft gekregen van dit betalingsbevel.

Zaak C‑120/13

24

Raiffeisenbank St. Georgen reg. Gen. mbH, een bank naar Oostenrijk recht, heeft de verwijzende rechter verzocht om een Europees betalingsbevel uit te vaardigen tegen Bonchyk, die in Duitsland woont.

25

Het Amtsgericht Wedding heeft het gevraagde Europese betalingsbevel op 2 september 2010 uitgevaardigd en vervolgens tweemaal vruchteloos geprobeerd om dit bevel per post ter kennisgeving aan te bieden op de door deze bank opgegeven adressen.

26

Uiteindelijk heeft deze bank een ander adres opgegeven, waar het betrokken Europese betalingsbevel op 1 februari 2011 ter kennisgeving is aangeboden door deponering in de brievenbus.

27

Op 10 maart 2011 heeft het Amtsgericht Wedding dit betalingsbevel uitvoerbaar verklaard.

28

Bij fax van 1 juni 2011 heeft Bonchyk het tegen haar uitgevaardigde Europese betalingsbevel betwist. Zij betoogt dat zij slechts per toeval kennis had genomen van dit bevel en dat zij sinds 2009 niet meer woonde op het adres waar dit bevel ter kennisgeving was aangeboden.

29

Bij brief van 17 juni 2011 heeft het Amtsgericht Wedding Bonchyk laten weten dat haar verweer niet tijdig was ingesteld, en dat op dat ogenblik enkel nog om heroverweging kon worden verzocht overeenkomstig artikel 20 van verordening nr. 1896/2006. Bij brief van 24 juni 2011 heeft Bonchyks advocaat namens Bonchyk een verzoek om heroverweging ingediend.

30

In die omstandigheden heeft het Amtsgericht Wedding de behandeling van de zaken geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen, die in de zaken C‑119/13 en C‑120/13 hetzelfde luiden, behalve wat de tweede vraag betreft, die enkel in zaak C‑119/13 is gesteld:

„1)

Moet verordening [...] nr. 1896/2006 [...] aldus worden uitgelegd dat de verweerder ook kan verzoeken om rechterlijke heroverweging van het Europees betalingsbevel wanneer dit bevel niet of niet rechtsgeldig aan hem ter kennis is gebracht? Kan daarbij met name artikel 20, lid 1, of artikel 20, lid 2, van die verordening naar analogie in aanmerking worden genomen?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Dient de verweerder, wanneer het betalingsbevel niet of niet rechtsgeldig aan hem ter kennis is gebracht, voor zijn verzoek om heroverweging termijnen in acht te nemen? Moet daarbij met name artikel 20, lid 3, van verordening nr. 1896/2006 in aanmerking worden genomen?

3)

Eveneens indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Wat zijn in procedureel opzicht de rechtsgevolgen wanneer het verzoek om heroverweging wordt toegewezen? Kan daarbij met name artikel 20, lid 3, of artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 naar analogie in aanmerking worden genomen?”

31

Bij beschikking van de president van het Hof van 8 april 2013 zijn de zaken C‑119/13 en C‑120/13 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

32

Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat het, in het kader van de bij artikel 267 EG ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof is om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven, aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geschil kan oplossen. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen in voorkomend geval te herformuleren. Het Hof heeft namelijk tot taak alle bepalingen van Unierecht uit te leggen die noodzakelijk zijn voor de beslechting van de bij de nationale rechterlijke instanties aanhangige gedingen, ook wanneer die bepalingen niet uitdrukkelijk worden genoemd in de door die rechterlijke instanties gestelde vragen (arrest Worten, C‑342/12, EU:C:2013:355, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33

Het feit dat in de gestelde vragen formeel gezien hoofdzakelijk aan de uitlegging van artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 wordt gerefereerd, belet het Hof dus niet om alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht te verschaffen die van nut kunnen zijn voor de beslechting van de hoofdgedingen. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissingen, de elementen van dat recht te putten die, gelet op het voorwerp van de geschillen, uitlegging behoeven (arrest Worten, EU:C:2013:355, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34

In casu blijkt uit de aan het Hof overgelegde stukken dat de verwijzende rechter niet uitsluit dat in de omstandigheden van de hoofdgedingen de verweerprocedure van de artikelen 16 en 17 van verordening nr. 1896/2006 wordt toegepast. Bovendien zijn de Griekse en de Italiaanse regering van mening dat in de omstandigheden van de hoofdgedingen enkel deze bepalingen van toepassing zijn.

35

Het is in het kader van de hoofdgedingen ook relevant om de artikelen 18 en 19 van deze verordening uit te leggen, aangezien de Europese betalingsbevelen door de verwijzende rechter uitvoerbaar zijn verklaard.

36

Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te kunnen geven, moet de eerste vraag derhalve in die zin worden geherformuleerd dat de verwijzende rechter daarmee in wezen wenst te vernemen of verordening nr. 1896/2006 aldus moet worden uitgelegd dat de in de artikelen 16 tot en met 20 van deze verordening bedoelde procedures van toepassing zijn wanneer blijkt dat een betalingsbevel niet overeenkomstig de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van deze verordening is betekend of ter kennis gebracht.

37

In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat uit de artikelen 12, lid 5, 13, 14 en 15 van verordening nr. 1896/2006 blijkt dat elk in deze verordening bedoeld bevel moet worden betekend of ter kennis gebracht op een manier die in de artikelen 13 tot en met 15 is omschreven en dus in overeenstemming is met de in deze verordening opgelegde minimumnormen. Zoals de advocaat-generaal in de punten 36 tot en met 41 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt het evenwicht tussen de door verordening nr. 1896/2006 nagestreefde doeleinden, te weten enerzijds snelheid en efficiëntie garanderen en anderzijds de rechten van de verdediging eerbiedigen, verstoord indien deze minimumnormen niet worden nageleefd.

38

Wat in de eerste plaats de eventuele toepassing van de in de artikelen 16 en 17 van verordening nr. 1896/2006 bedoelde verweerprocedure betreft, moet worden gepreciseerd dat het verweer, zoals uit punt 24 van de considerans van die verordening volgt, de gewone juridische weg is die een einde maakt aan de Europese betalingsbevelprocedure en de zaak automatisch naar een gewone civielrechtelijke procedure doet overgaan.

39

Zodra de schuldvorderingen die aan de basis liggen van een Europees betalingsbevel worden betwist bij verweerschrift, is de specifieke procedure van verordening nr. 1896/2006 immers niet langer van toepassing, aangezien deze procedure overeenkomstig artikel 1, lid 1, sub a, van deze verordening enkel tot doel heeft om „de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken”.

40

Dienaangaande moet in herinnering worden geroepen dat de verweerder overeenkomstig artikel 16 van verordening nr. 1896/2006 bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel kan indienen door middel van het standaardformulier F, dat hem samen met het standaardformulier E – waarin het bevel is vervat – wordt verstrekt. Het verweerschrift moet worden toegezonden binnen 30 dagen nadat het bevel is betekend of ter kennis is gebracht.

41

Wanneer het Europees betalingsbevel niet wordt betekend of ter kennis gebracht overeenkomstig de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van verordening nr. 1896/2006, ontvangt de verweerder de in punt 40 van het onderhavige arrest vermelde standaardformulieren niet, en wordt hij dus niet op regelmatige wijze op de hoogte gesteld van het bestaan en de grondslag van het tegen hem uitgevaardigde Europese betalingsbevel. In dat geval is het niet zeker dat de verweerder over alle informatie beschikt die hij nodig heeft om te beslissen of hij verweer moet voeren tegen dat bevel.

42

Een dergelijke situatie is niet verenigbaar met de rechten van de verdediging, zodat de verweerprocedure van de artikelen 16 en 17 van verordening nr. 1896/2006 in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet mag worden toegepast.

43

In de tweede plaats moet worden gepreciseerd dat de in artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 bedoelde termijn geen aanvang neemt wanneer het bevel niet overeenkomstig de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van deze verordening is betekend of ter kennis is gebracht, zodat de geldigheid van de procedures die van het verstrijken van die termijn afhangen, zoals de in artikel 18 van deze verordening bedoelde uitvoerbaarverklaring of het in artikel 20 van deze verordening bedoelde verzoek om heroverweging, ter discussie komt te staan, ook al zijn deze procedures reeds gestart.

44

Wat meer in het bijzonder de heroverwegingsprocedure betreft, moet eraan worden herinnerd dat deze, zoals het opschrift van artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 aangeeft, slechts kan worden aangewend „in uitzonderingsgevallen”, die in dat artikel op limitatieve wijze zijn opgesomd, en dat het ontbreken van een betekening of kennisgeving niet tot die uitzonderlijke situaties kan worden gerekend.

45

Hoe dan ook moet in herinnering worden gebracht dat niet uitdrukkelijk in verordening nr. 1896/2006 geregelde procedurekwesties krachtens artikel 26 van deze verordening „worden beheerst door het nationale recht”, zodat een analoge toepassing van deze verordening in een dergelijk geval is uitgesloten.

46

In casu bepaalt verordening nr. 1896/2006 niet welke rechtsmiddelen de verweerder kan aanwenden wanneer pas na de uitvoerbaarverklaring van een Europees betalingsbevel blijkt dat dit bevel niet overeenkomstig de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van deze verordening is betekend of ter kennis is gebracht.

47

In een dergelijk geval worden deze procedurekwesties overeenkomstig artikel 26 van verordening nr. 1896/2006 dan ook door het nationale recht geregeld.

48

In ieder geval moet worden benadrukt dat de uitvoeringsprocedure van artikel 18 van verordening nr. 1896/2006 niet kan worden toegepast ten aanzien van Europese betalingsbevelen die niet overeenkomstig de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van verordening nr. 1896/2006 zijn betekend of ter kennis gebracht, zoals uit punt 43 van het onderhavige arrest blijkt. Hieruit volgt dat de uitvoerbaarverklaring van een dergelijk betalingsbevel moet worden geacht ongeldig te zijn.

49

Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat verordening nr. 1896/2006 aldus moet worden uitgelegd dat de in de artikelen 16 tot en met 20 van deze verordening bedoelde procedures niet van toepassing zijn wanneer blijkt dat een Europees betalingsbevel niet overeenkomstig de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van deze verordening is betekend of ter kennis gebracht. Indien een dergelijke onregelmatigheid pas aan het licht komt nadat het Europese betalingsbevel uitvoerbaar is verklaard, moet de verweerder in staat worden gesteld om op te komen tegen die onregelmatigheid. Wanneer deze onregelmatigheid genoegzaam wordt aangetoond, brengt zij de ongeldigheid van de uitvoerbaarverklaring mee.

Tweede en derde vraag

50

Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

51

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

 

Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure moet aldus worden uitgelegd dat de in de artikelen 16 tot en met 20 van deze verordening bedoelde procedures niet van toepassing zijn wanneer blijkt dat een Europees betalingsbevel niet overeenkomstig de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van deze verordening is betekend of ter kennis gebracht.

 

Indien een dergelijke onregelmatigheid pas aan het licht komt nadat het Europese betalingsbevel uitvoerbaar is verklaard, moet de verweerder in staat worden gesteld om op te komen tegen die onregelmatigheid. Wanneer deze onregelmatigheid genoegzaam wordt aangetoond, brengt zij de ongeldigheid van de uitvoerbaarverklaring mee.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.