Gevoegde zaken C‑29/13 en C‑30/13

Global Trans Lodzhistik OOD

tegen

Nachalnik na Mitnitsa Stolichna

(verzoeken van de Administrativen sad Sofia-grad om een prejudiciële beslissing)

„Prejudiciële verwijzing — Communautair douanewetboek — Artikelen 243 en 245 — Verordening (EEG) nr. 2454/93 — Artikel 181 bis — Besluit waartegen beroep kan worden ingesteld — Ontvankelijkheid van een beroep in rechte wanneer niet eerst administratief beroep is ingesteld — Beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 13 maart 2014

  1. Douane-unie – Toepassing van de douaneregeling – Recht van beroep – Procedure van beroep tegen besluiten van de douaneautoriteiten – Handeling waartegen kan worden opgekomen – Besluit tot herziening van de douanewaarde van goederen met daaruit voortvloeiend mededeling aan de aangever van een aanvullende schuld inzake belasting over de toegevoegde waarde – Daaronder begrepen – Nationale regeling die voorziet in twee afzonderlijke beroepsprocedures om tegen besluiten van de douaneautoriteiten op te komen – Toelaatbaarheid – Voorwaarde – Eerbiediging van het gelijkwaardigheidsbeginsel en van het doeltreffendheidsbeginsel

    (Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 30, lid 2, sub b, 243, en 245)

  2. Douane-unie – Toepassing van de douaneregeling – Recht van beroep – Procedure van beroep tegen besluiten van de douaneautoriteiten – Vraag of voor de ontvankelijkheid van een bij de rechterlijke instanties ingesteld beroep als voorwaarde geldt dat eerst beroep bij de douaneautoriteiten is ingesteld – Toepassing van het nationale recht

    (Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 243; verordening nr. 2454/93 van de Commissie, art. 181 bis, lid 2)

  3. Douane-unie – Toepassing van de douaneregeling – Recht van beroep – Procedure van beroep tegen besluiten van de douaneautoriteiten – Besluit op grond van artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 – Besluit dat als een definitieve beslissing moet worden beschouwd

    (Verordening nr. 2454/93 van de Commissie, art. 181 bis, lid 2)

  4. Douane-unie – Toepassing van de douaneregeling – Recht van beroep – Procedure van beroep tegen besluiten van de douaneautoriteiten – Besluit dat met schending van het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging is vastgesteld – Bevoegdheid van de nationale rechter om het tegen dat besluit ingestelde beroep af te doen of de zaak naar de bevoegde bestuursinstantie terug te verwijzen

    (Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 245; verordening nr. 2454/93 van de Commissie, art. 181 bis, lid 2)

  1.  Een besluit dat strekt tot herziening – op grond van artikel 30, lid 2, sub b, van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening nr. 82/97 – van de douanewaarde van goederen, met daaruit voortvloeiend mededeling aan de aangever van een aanvullende schuld inzake belasting over de toegevoegde waarde, vormt enerzijds een handeling waartegen kan worden opgekomen in de zin van artikel 243 van het douanewetboek. Anderzijds verzet artikel 245 van het douanewetboek, gelet op de algemene beginselen van eerbiediging van de rechten van de verdediging en gezag van gewijsde, zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die voorziet in twee afzonderlijke beroepsprocedures om tegen besluiten van de douaneautoriteiten op te komen, wanneer deze regeling noch het gelijkwaardigheidsbeginsel noch het doeltreffendheidsbeginsel schendt.

    Wat de vraag betreft of een besluit een handeling waartegen kan opgekomen vormt, blijkt uit artikel 243, lid 1, juncto artikel 4, punt 5, van dit wetboek dat iedere persoon het recht heeft om beroep in te stellen tegen elk besluit van de douaneautoriteiten dat betrekking heeft op de toepassing van de douaneregeling en dat hem rechtstreeks en individueel raakt. Bovendien volgt uit artikel 6, lid 3, van het douanewetboek dat in besluiten inzake de toepassing van de douaneregeling die ongunstige gevolgen hebben voor de personen tot wie zij zijn gericht, melding moet worden gemaakt van de mogelijkheid tot beroep bedoeld in artikel 243 van dit wetboek.

    Met betrekking tot een nationale wettelijke regeling die voorziet in twee afzonderlijke beroepsprocedures om tegen besluiten van de douaneautoriteiten op te komen, moet eraan worden herinnerd dat de bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van de beroepsprocedure volgens artikel 245 van het douanewetboek worden vastgesteld door de lidstaten.

    Bij gebreke van een Unierechtelijke regeling ter zake is het bovendien een aangelegenheid van het interne recht van elke lidstaat om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procesregels te bepalen voor beroepen in rechte die ertoe strekken, de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale beroepen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidbeginsel).

    (cf. punten 27, 30, 32, 33, 40, dictum 1)

  2.  Artikel 243 van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening nr. 82/97, stelt voor de ontvankelijkheid van een beroep in rechte dat wordt ingesteld tegen besluiten die zijn vastgesteld op grond van artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3254/94, niet als voorwaarde dat eerst gebruik is gemaakt van de administratieve beroepen die tegen deze besluiten kunnen worden ingesteld.

    Artikel 243, lid 2, van het douanewetboek bepaalt dat in een eerste fase bezwaar kan worden gemaakt bij de douaneautoriteit en dat in een tweede fase beroep kan worden ingesteld bij een onafhankelijke instantie die een rechterlijke instantie kan zijn. Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt niet dat het beroep bij de douaneautoriteit een verplichte fase is vóórdat beroep bij een onafhankelijke instantie kan worden ingesteld. Artikel 243 van dit wetboek moet aldus worden uitgelegd dat het aan het een aangelegenheid van het nationale recht is, te bepalen of de marktdeelnemers eerst bij de douaneautoriteit beroep moeten instellen, dan wel of zij de zaak onmiddellijk bij de onafhankelijke rechterlijke instantie aanhangig mogen maken.

    (cf. punten 42‑45, dictum 2)

  3.  Artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3254/94, moet aldus worden uitgelegd dat een krachtens dit artikel vastgesteld besluit moet worden beschouwd als een definitief besluit waartegen rechtstreeks beroep bij een onafhankelijke rechterlijke instantie kan worden ingesteld, zelfs indien bij de vaststelling van dit besluit het recht van de betrokkene om te worden gehoord en om opmerkingen te maken, niet in acht is genomen.

    Dat artikel bepaalt dat wanneer bij de douaneautoriteiten twijfel blijft bestaan betreffende de aangegeven waarde, zij de betrokkene, alvorens een definitief besluit te nemen, in kennis moeten stellen van de redenen voor die twijfel en zij hem een redelijke gelegenheid moeten bieden om daarop te antwoorden. Het definitieve besluit en de redenen daarvoor worden de betrokkene schriftelijk meegedeeld. Dit artikel legt de douaneautoriteiten weliswaar de verplichting op om, alvorens een definitief besluit te nemen, de betrokkene in kennis te stellen van de redenen voor die twijfel en hem een redelijke gelegenheid te bieden om zich te verantwoorden, maar dit neemt niet weg dat de niet-nakoming van deze verplichting door de douaneautoriteiten geen invloed kan hebben op het definitieve karakter van het besluit en evenmin op de kwalificatie van de op grond van artikel 181 bis, lid 2, vastgestelde handeling als een besluit.

    Deze door de douaneautoriteiten vastgestelde handeling sorteert immers hoe dan ook rechtsgevolgen voor de adressaat ervan, aangezien daarbij een nieuwe douanewaarde van de goederen wordt vastgesteld, en vormt aldus een besluit in de zin van artikel 4, punt 5, van verordening nr. 2913/92. De schending van het recht van de betrokkene om te worden gehoord leidt daarentegen tot onrechtmatigheid van dat besluit waartegen kan worden opgekomen met een rechtstreeks beroep bij een onafhankelijke rechterlijke instantie.

    (cf. punten 47‑50, dictum 3)

  4.  Ingeval het recht van de betrokkene om te worden gehoord en om bezwaar te maken, waarin artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3254/94, voorziet, is geschonden, staat het aan de nationale rechter om, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de bij hem aanhangig gemaakte zaak en naar de maatstaf van het gelijkwaardigheidsbeginsel en van het doeltreffendheidsbeginsel, te bepalen of hij, wanneer het met schending van het beginsel van de eerbiediging van de rechten de verdediging vastgestelde besluit op die grond nietig moet worden verklaard, verplicht is om het tegen dat besluit ingestelde beroep af te doen dan wel of hij kan overwegen om de zaak naar de bevoegde bestuursinstantie terug te verwijzen.

    De eerbieding van de rechten van de verdediging vormt immers een algemeen beginsel van het recht van de Unie dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten aanzien van een bepaalde persoon vast te stellen. Dit beginsel, dat in artikel 181 bis, lid 2, van verordening nr. 2454/93 uitdrukkelijk in herinnering is gebracht, eist dat de adressaten van besluiten die de belangen van deze adressaten aanmerkelijk aantasten, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de gegevens waarop de administratie haar besluit wil baseren.

    (cf. punten 57, 61, dictum 4)