4.8.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 235/10


Hogere voorziening ingesteld op 6 juni 2012 door de Raad van de Europese Unie tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 21 maart 2012 in de gevoegde zaken T-439/10 en T-440/10, Fulmen/Raad

(Zaak C-280/12 P)

2012/C 235/19

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bishop en R. Liudvinaviciute, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Fulmen, Fereydoun Mahmoudian, Europese Commissie

Conclusies

het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 21 maart 2012 in de gevoegde zaken T-439/10 en T-440/10 vernietigen;

het geschil definitief beslechten en de door Fulmen en Mahmoudian tegen de betrokken handelingen van de Raad ingestelde beroepen verwerpen;

Fulmen en Mahmoudian verwijzen in de kosten die de Raad in eerste aanleg en in hogere voorziening heeft gemaakt.

Middelen en voornaamste argumenten

Volgens de Raad geeft het arrest van het Gerecht in voornoemde zaken blijk van onjuiste rechtsopvattingen en moet dit arrest dus door het Hof worden vernietigd.

De Raad voert aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door te oordelen dat rekwirant bewijselementen moest aandragen ter ondersteuning van zijn motivering betreffende de vaststelling van beperkende maatregelen ten aanzien van de onderneming Fulmen, te weten dat deze onderneming betrokken was bij de installatie van elektrisch materieel op de nucleaire site van Qom/Fordoo (Iran).

In dit verband is de Raad ten eerste van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Raad moest vereisen dat de lidstaat die heeft voorgesteld om Fulmen op de lijst te plaatsen, bewijselementen en informatie overlegde, terwijl deze elementen uit vertrouwelijke bronnen afkomstig zijn. Ten tweede voert de Raad aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het Gerecht vertrouwelijke inlichtingen in aanmerking mocht nemen die niet aan de advocaten van de betrokken partijen werden meegedeeld, terwijl artikel 67, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet in deze mogelijkheid voorziet.