5.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 135/6


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 12 maart 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — Nederland) — O/Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel/B

(Zaak C-456/12) (1)

((Richtlijn 2004/38/EG - Artikel 21, lid 1, VWEU - Recht van vrij verkeer en verblijf op grondgebied van lidstaten - Begunstigden - Verblijfsrecht van derdelander die familielid is van burger van de Unie, in lidstaat van nationaliteit van die burger - Terugkeer van burger van de Unie naar die lidstaat na verblijven van korte duur in andere lidstaat))

2014/C 135/06

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: O, Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel

Verwerende partijen: Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, B

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Raad van State — Nederland — Uitlegging van de artikelen 20, 21, 45 en 56 VWEU en van de artikelen 3, lid 1, 6 en 7, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77) — Recht van binnenkomst en verblijf van derdelanders die familielid zijn van een burger van de Unie — Terugkeer van de burger van de Unie naar zijn lidstaat van herkomst na een verblijf in een andere lidstaat als burger van de Unie in de zin van artikel 21 VWEU en als ontvanger van diensten in de zin van artikel 56 VWEU — Toepassing van de richtlijn naar analogie, zoals in de zaken C-370/90 (Singh) en C-291/05 (Eind)

Dictum

Artikel 21, lid 1, VWEU moet in die zin worden uitgelegd dat in een situatie waarin een burger van de Unie met een derdelander een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd tijdens een daadwerkelijk verblijf krachtens en onder eerbiediging van de in artikel 7, leden 1 en 2, of artikel 16, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, genoemde voorwaarden, in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, deze richtlijn naar analogie toepassing vindt wanneer die burger van de Unie met het betrokken familielid terugkeert naar zijn lidstaat van oorsprong. Bijgevolg mogen de voorwaarden voor toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan de derdelander die familielid van deze burger van de Unie is, in de lidstaat van oorsprong van die burger in beginsel niet strenger zijn dan die welke in die richtlijn zijn gesteld voor de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan een derdelander die familielid is van een burger van de Unie die zijn recht van vrij verkeer en verblijf heeft uitgeoefend door zich te vestigen in een andere lidstaat dan die van zijn nationaliteit.


(1)  PB C 26 van 26.1.2013.