24.9.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 282/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curtea de Apel Constanța (Roemenië) op 27 juli 2011 — Strafzaak tegen Ciprian Vasile Radu

(Zaak C-396/11)

2011/C 282/29

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Curtea de Apel Constanța

Partij in de strafzaak

Ciprian Vasile Radu

Prejudiciële vragen

1)

Zijn de bepalingen van artikel 5, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en van artikel 6, gelezen in samenhang met de artikelen 48 en 52, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, mede onder verwijzing naar de artikelen 5, leden 3 en 4, en 6, leden 2 en 3, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, voorschriften van primair gemeenschapsrecht, die deel uitmaken van de oprichtingsverdragen?

2)

Vormt het optreden van de bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat die een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer legt, dat strekt tot vrijheidsbeneming en gedwongen overlevering, zonder instemming van de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd (de voor aanhouding of overlevering gezochte persoon), een geval van inmenging door de uitvoerende staat in het recht op persoonlijke vrijheid van de voor aanhouding of overlevering gezochte persoon, dat door het Unierecht is gewaarborgd, namelijk door artikel 6 VEU, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en door artikel 6, gelezen in samenhang met de artikelen 48 en 52, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, mede onder verwijzing naar de artikelen 5, leden 3 en 4, en 6, leden 2 en 3, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?

3)

Moet de inmenging door de staat die een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer legt in de rechten en de waarborgen die in artikel 5, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en in artikel 6, gelezen in samenhang met de artikelen 48 en 52, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zijn neergelegd, mede onder verwijzing naar de artikelen 5, leden 3 en 4, en 6, leden 2 en 3, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, voldoen aan de voorwaarde dat zij noodzakelijk is in een democratische samenleving en evenredig aan het in concreto nagestreefde doel?

4)

Kan de bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat die een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer legt, het verzoek tot overlevering afwijzen zonder de in de oprichtingsverdragen en in de andere voorschriften van gemeenschapsrecht neergelegde verplichtingen te schenden, op grond dat niet cumulatief is voldaan aan alle noodzakelijke voorwaarden van artikel 5, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en van artikel 6, gelezen in samenhang met de artikelen 48 en 52, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, mede onder verwijzing naar de artikelen 5, leden 3 en 4, en 6, leden 2 en 3, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?

5)

Kan de bevoegde rechterlijke autoriteit van de staat die een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer legt, het verzoek om overlevering afwijzen zonder de in de oprichtingsverdragen en andere voorschriften van gemeenschapsrecht neergelegde verplichtingen te schenden, op grond van niet-omzetting, onvolledige omzetting of onjuiste omzetting (in de zin van niet-naleving van de voorwaarde van wederkerigheid) van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de Europese Unie door de staat die het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd?

6)

Is sprake van strijd tussen de bepalingen van artikel 5, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en artikel 6, gelezen in samenhang met de artikelen 48 en 52, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, mede onder verwijzing naar de artikelen 5, leden 3 en 4, en 6, leden 2 en 3, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarnaar artikel 6 VEU verwijst, en het Roemeense nationale recht, inzonderheid titel III van wet nr. 302/2004, en is kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de Europese Unie door deze voorschriften juist omgezet?