6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/22


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Varna (Bulgarije)op 14 juni 2011 — Dobrudzhanska petrolna kompania AD/Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto”, grad Varna, pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite (Directeur van de Directie „Betwisting en beheer van de tenuitvoerlegging”, Varna, bij het centrale bestuur van het Nationaal Agentschap voor Inkomsten)

(Zaak C-298/11)

2011/C 232/35

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Administrativen sad Varna

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Dobrudzhanska petrolna kompania AD

Verwerende partijen: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto”, grad Varna, pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite (Directeur van de Directie „Betwisting en beheer van de tenuitvoerlegging”, Varna, bij het centrale bestuur van het Nationaal Agentschap voor Inkomsten)

Prejudiciële vragen

1)

Dient artikel 80, lid 1, sub a en b, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (1) aldus te worden uitgelegd dat bij leveringen tussen verbonden personen, wanneer de tegenprestatie lager is dan de normale waarde, de normale waarde van de transactie alleen dan als maatstaf van heffing wordt gehanteerd wanneer de leverancier of de afnemer geen recht heeft op volledige aftrek van de op de koop respectievelijk de productie van de geleverde goederen toepasselijke voorbelasting?

2)

Dient artikel 80, lid 1, sub a en b, van richtlijn 2006/112 aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat geen maatregelen mag nemen die bepalen dat de maatstaf van heffing uitsluitend de normale waarde is, wanneer de leverancier het recht op volledige aftrek van de voorbelasting heeft uitgeoefend op goederen en diensten die het voorwerp zijn van opeenvolgende leveringen tussen verbonden partijen waarvan de waarde lager is dan de normale waarde, dit recht op aftrek van btw niet overeenkomstig artikelen 173 tot en met 177 van de richtlijn is gecorrigeerd en de levering niet is vrijgesteld van belasting zoals bedoeld in de artikelen 132, 135, 136, 371, 375, 376, 377, 378, lid 2, 380, lid 2, alsmede 380 tot en met 390 van de richtlijn?

3)

Dient artikel 80, lid 1, sub a en b, van richtlijn 2006/112 aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat geen maatregelen mag nemen die bepalen dat de maatstaf van heffing uitsluitend de normale waarde is, wanneer de afnemer het recht op volledige aftrek van de btw op goederen en diensten heeft uitgeoefend, waarbij de opeenvolgende leveringen tussen verbonden personen goederen betreffen waarvan de waarde lager is dan de normale waarde, en dit recht op aftrek van btw niet overeenkomstig de artikelen 173 tot en met 177 van de richtlijn is gecorrigeerd?

4)

Bevat artikel 80, lid 1, sub a en b, van richtlijn 2006/112 een uitputtende opsomming van de gevallen waarin de betrokken lidstaat maatregelen kan nemen volgens welke de maatstaf van heffing bij leveringen de normale waarde is?

5)

Is een nationale wettelijke regeling zoals die van artikel 27, lid 3, nr. 1, van de Zakon za danak varhu dobavenata stoynost (btw-wet) geoorloofd in andere dan de in artikel 80, lid 1, sub a, b en c, van richtlijn 2006/112 vermelde omstandigheden?

6)

Heeft artikel 80, lid 1, sub a en b, van richtlijn 2006/112 rechtstreekse werking in een situatie zoals in casu aan de orde, en kan deze bepaling door de nationale rechter rechtstreeks worden toegepast?


(1)  PB L 347, blz. 1.