ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

23 april 2013 ( *1 )

„Hogere voorziening — Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen ten aanzien van personen en entiteiten — Artikel 263, zesde alinea, VWEU — Beroepstermijn — Overmacht — Gewapend conflict”

In de gevoegde zaken C-478/11 P tot en met C-482/11 P,

betreffende vijf hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 21 september 2011,

Laurent Gbagbo (C-478/11 P),

Katinan Justin Koné (C-479/11 P),

Akissi Danièle Boni-Claverie (C-480/11 P),

Alcide Djédjé (C-481/11 P),

Affi Pascal N’Guessan (C-482/11 P),

vertegenwoordigd door L. Bourthoumieux, avocate,

rekwiranten,

andere partij bij de procedure:

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door B. Driessen en M.-M. Joséphidès als gemachtigden,

verweerder in eerste aanleg,

wijst HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, K. Lenaerts, vicepresident, A. Tizzano, M. Ilešič (rapporteur), G. Arestis, J. Malenovský, kamerpresidenten, U. Lõhmus, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, C. Toader, J.-J. Kasel, M. Safjan en D. Šváby, rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 december 2012,

het navolgende

Arrest

1

Met hun hogere voorzieningen verzoeken Laurent Gbagbo, Katinan Justin Koné, Akissi Danièle Boni-Claverie, Alcide Djédjé en Affi Pascal N’Guessan, respectievelijk, om vernietiging van de beschikkingen van het Gerecht van de Europese Unie van 13 juli 2011, Gbagbo/Raad (T-348/11), Koné/Raad (T-349/11), Boni-Claverie/Raad (T-350/11), Djédjé/Raad (T-351/11) en N’Guessan/Raad (T-352/11) (hierna: „bestreden beschikkingen”), waarbij het Gerecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard hun beroepen tot nietigverklaring van besluiten 2011/17/GBVB van de Raad van 11 januari 2011 (PB L 11, blz. 31), 2011/18/GBVB van de Raad van 14 januari 2011 (PB L 11, blz. 36), en 2011/221/GBVB van de Raad van 6 april 2011 (PB L 93, blz. 20), tot wijziging van besluit 2010/656/GBVB van de Raad tot verlenging van de beperkende maatregelen tegen Ivoorkust, en van verordeningen (EU) nr. 25/2011 van de Raad van 14 januari 2011 (PB L 11, blz. 1), en (EU) nr. 330/2011 van de Raad van 6 april 2011 (PB L 93, blz. 10), tot wijziging van verordening (EG) nr. 560/2005 tot instelling van beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Ivoorkust (hierna tezamen: „litigieuze handelingen”), voor zover zij op hen betrekking hebben.

Toepasselijke bepalingen en voorgeschiedenis van het geding

2

Op 15 november 2004 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties resolutie 1572 (2004) aangenomen, waarin hij onder meer heeft verklaard dat de situatie in Ivoorkust een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid in de regio bleef vormen en heeft besloten om ten aanzien van dit land bepaalde beperkende maatregelen op te leggen.

3

Bij artikel 14 van resolutie 1572 (2004) is een comité ingesteld (hierna: „sanctiecomité”) dat er met name mee werd belast om de personen en entiteiten aan te wijzen waarvoor de beperkende maatregelen inzake reisbeperkingen en bevriezing van tegoeden, financiële activa en economische middelen golden waartoe de punten 9 en 11 van genoemde resolutie verplichtten, en om deze lijst bij te werken.

4

Van oordeel dat optreden van de Europese Gemeenschap nodig was om uitvoering te geven aan resolutie 1572 (2004), heeft de Raad van de Europese Unie op 13 december 2004 gemeenschappelijk standpunt 2004/852/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Ivoorkust (PB L 368, blz. 50) vastgesteld.

5

Van mening dat voor de uitvoering op communautair niveau van de maatregelen omschreven in gemeenschappelijk standpunt 2004/852 een verordening nodig was, heeft de Raad op 12 april 2005 verordening (EG) nr. 560/2005 tot instelling van beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Ivoorkust (PB L 95, blz. 1) vastgesteld.

6

Gemeenschappelijk standpunt 2004/852 is verschillende malen verlengd en gewijzigd, en uiteindelijk ingetrokken en vervangen door besluit 2010/656/GBVB van de Raad van 29 oktober 2010 tot verlenging van de beperkende maatregelen tegen Ivoorkust (PB L 285, blz. 28).

7

Op 31 oktober en 28 november 2010 hebben verkiezingen voor een nieuwe president van de Republiek Ivoorkust plaatsgevonden.

8

Op 3 december 2010 heeft de bijzondere vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties voor Ivoorkust de definitieve uitslag van de tweede ronde van de presidentsverkiezingen, die op 2 december 2010 door de voorzitter van de onafhankelijke kiescommissie was bekendgemaakt, bekrachtigd en bevestigd dat Alassane Ouattara de verkiezingen had gewonnen.

9

Op 13 december 2010 heeft de Raad het belang beklemtoond van de presidentsverkiezingen van 31 oktober en 28 november 2010 voor het herstel van de vrede en de stabiliteit in Ivoorkust en verklaard dat de door het volk van Ivoorkust soeverein tot uitdrukking gebrachte wil onvoorwaardelijk moest worden geëerbiedigd. Ook heeft hij akte genomen van de conclusie waartoe de bijzondere vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties voor Ivoorkust in het kader van zijn opdracht tot bekrachtiging van de uitslagen was gekomen, en heeft hij Ouattara gefeliciteerd met zijn verkiezing tot president van de Republiek Ivoorkust.

10

Op 17 december 2010 heeft de Europese Raad alle Ivoriaanse leiders, zowel burgers als militairen, die dit nog niet hadden gedaan, opgeroepen om zich onder het gezag van de democratisch gekozen president Ouattara te plaatsen. Hij heeft verklaard dat de Europese Unie vastbesloten bleef om sancties te treffen tegen degenen die in de weg bleven staan aan de eerbiediging van de door het volk van Ivoorkust soeverein tot uitdrukking gebrachte wil.

11

Om beperkende maatregelen inzake reisbeperkingen te kunnen opleggen ten aanzien van bepaalde personen die niet door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties of het sanctiecomité waren aangewezen, maar niettemin het proces van vrede en nationale verzoeningsproces in Ivoorkust belemmerden, en met name degenen die de goede afloop van het verkiezingsproces bedreigden, heeft de Raad besluit 2010/801/GBVB van 22 december 2010 tot wijziging van besluit 2010/656/GBVB (PB L 341, blz. 45) vastgesteld. De lijst van deze personen is opgenomen in bijlage II bij besluit 2010/656, zoals gewijzigd bij besluit 2010/801.

12

Artikel 4, lid 1, van besluit 2010/656, zoals gewijzigd bij besluit 2010/801, luidt als volgt:

„De lidstaten nemen de nodige maatregelen om binnenkomst in of doorreis over hun grondgebied te beletten van:

a)

de in bijlage I bedoelde personen die door het Sanctiecomité zijn geïdentificeerd [...];

b)

de in bijlage II bedoelde personen, die niet op de lijst in bijlage I staan, die het proces van vrede en nationale verzoening belemmeren en met name de goede afloop van het verkiezingsproces bedreigen.”

13

De namen van Gbagbo en N’Guessan zijn bij besluit 2010/801 geplaatst op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/656, zoals bij dat besluit gewijzigd.

14

Op 11 januari 2011 heeft de Raad besluit 2011/17 vastgesteld om in verband met de ernst van de situatie in Ivoorkust andere personen toe te voegen aan de lijst in bijlage II bij besluit 2010/656, zoals gewijzigd bij besluit 2010/801.

15

Aldus zijn de namen van Koné en Boni-Claverie bij besluit 2011/17 toegevoegd aan de lijst in bijlage II bij besluit 2010/656, zoals gewijzigd bij besluit 2010/801.

16

Teneinde aanvullende beperkende maatregelen op te leggen, in het bijzonder de bevriezing van activa, heeft de Raad op 14 januari 2011 besluit 2011/18 vastgesteld.

17

Artikel 5, leden 1 en 2, van besluit 2010/656, zoals gewijzigd bij besluit 2011/18, luidt:

„1.   Alle tegoeden en economische middelen die direct of indirect in het bezit zijn, of onder zeggenschap staan van:

a)

de in bijlage I bedoelde, door het Sanctiecomité geïdentificeerde personen, [...] of [zij die] worden gehouden door entiteiten die rechtstreeks of onrechtstreeks in het bezit zijn of onder beheer staan van die personen of entiteiten, of van personen die namens hen of op hun aanwijzing handelen en door het Sanctiecomité zijn geïdentificeerd;

b)

de in bijlage II bedoelde personen of entiteiten, die niet op de lijst in bijlage I staan, en die het proces van vrede en nationale verzoening belemmeren, en met name de goede afloop van het verkiezingsproces bedreigen, of die worden gehouden door entiteiten die rechtstreeks of onrechtstreeks in het bezit zijn of onder beheer staan van die personen of entiteiten, of van personen die namens hen of op hun aanwijzing handelen,

worden bevroren.

2.   Tegoeden, financiële activa of economische middelen worden rechtstreeks noch onrechtstreeks aan of ten behoeve van de in lid 1 bedoelde personen of entiteiten ter beschikking gesteld.”

18

Met het oog op de samenhang met de wijzigings- en herzieningsprocedure voor de bijlagen I en II bij besluit 2010/656, zoals gewijzigd bij besluit 2011/18, heeft de Raad op 14 januari 2011 verordening nr. 25/2011 vastgesteld.

19

Artikel 2 van verordening nr. 560/2005, zoals gewijzigd bij verordening nr. 25/2011, bepaalt het volgende:

„1.   Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan of eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van de natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen die in de bijlagen I of I bis zijn vermeld, worden bevroren.

2.   Aan of ten behoeve van de in de bijlagen I en I bis genoemde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen mogen geen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking worden gesteld.

3.   Het is verboden bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen direct of indirect te omzeilen.

4.   In bijlage I worden de natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen vermeld als bedoeld in artikel 5, lid 1, sub a, van besluit [2010/656], als gewijzigd.

5.   In bijlage I bis worden de natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen vermeld als bedoeld in artikel 5, lid 1, sub b, van besluit [2010/656], als gewijzigd.”

20

Bij besluit 2011/18 en verordening nr. 25/2011 heeft de Raad de namen van Gbagbo, Koné, N’Guessan en Boni-Claverie gehandhaafd op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/656, zoals gewijzigd bij besluit 2011/17, en hun naam toegevoegd aan die in bijlage I bis bij verordening nr. 560/2005, zoals gewijzigd bij verordening nr. 25/2011.

21

Op 30 maart 2011 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties resolutie 1975 (2011) aangenomen. In bijlage I daarbij is een reeks personen vermeld die een belemmering vormen voor de vrede en verzoening in Ivoorkust en voor de activiteiten van de United Nations Operation in Côte d’Ivoire (UNOCI) en andere internationale spelers in Ivoorkust, en die ernstige schendingen van de mensenrechten en het internationale humanitaire recht hebben begaan. De namen Gbagbo, Djédjé en N’Guessan komen in genoemde bijlage I voor.

22

Op 6 april 2011 heeft de Raad besluit 2011/221 en verordening nr. 330/2011 vastgesteld, waarbij hij met name aanvullende beperkende maatregelen heeft opgelegd en de lijsten van personen en entiteiten heeft gewijzigd in de bijlagen I en II van besluit 2010/656, zoals gewijzigd bij besluit 2011/18, en in de bijlagen I en I bis bij verordening nr. 560/2005, zoals gewijzigd bij verordening nr. 25/2011.

23

Bij besluit 2011/221 zijn onder meer de namen van Gbagbo en N’Guessan van de lijst in bijlage II bij besluit 2010/656, zoals gewijzigd bij besluit 2011/18, geschrapt en zijn zij toegevoegd aan de lijst in bijlage I bij datzelfde besluit, zoals gewijzigd.

24

Bij besluit 2011/221 is daarnaast de naam van Djédjé toegevoegd aan de lijst in bijlage I bij besluit 2010/656, zoals gewijzigd bij besluit 2011/18.

25

Bij verordening nr. 330/2011 zijn de namen van Gbagbo en N’Guessan van de lijst in bijlage I bis van verordening nr. 560/2005, zoals gewijzigd bij verordening nr. 25/2011, geschrapt en zijn zij toegevoegd aan de lijst in bijlage I bij diezelfde verordening, zoals gewijzigd.

26

Bij verordening nr. 330/2011 is voorts de naam van Djédjé toegevoegd aan de lijst in bijlage I bij verordening nr. 560/2005, zoals gewijzigd bij verordening nr. 25/2011.

27

Artikel 7 van besluit 2010/656, zoals gewijzigd bij besluit 2010/801, bepaalt het volgende:

„1.   Wanneer de Veiligheidsraad of het Sanctiecomité een persoon of entiteit op de lijst plaatst, neemt de Raad die persoon of die entiteit op in bijlage I.

2.   Wanneer de Raad besluit de in artikel 4, lid 1, sub b, genoemde maatregelen op een persoon of entiteit toe te passen, wijzigt hij bijlage II dienovereenkomstig.

3.   De Raad stelt de betrokken persoon of entiteit in kennis van zijn besluit en van de motivering voor plaatsing op de lijst, hetzij rechtstreeks, indien het adres bekend is, hetzij middels de bekendmaking van een kennisgeving, zodat zij daarover opmerkingen kan indienen.

4.   Indien er opmerkingen worden ingediend of substantieel nieuw bewijsmateriaal wordt overgelegd, heroverweegt de Raad zijn besluit en brengt hij de persoon of entiteit van het resultaat op de hoogte.”

28

In artikel 11 bis, lid 3, van verordening nr. 560/2005, zoals gewijzigd bij verordening nr. 25/2011, is in het volgende voorzien:

„De Raad stelt de in de leden 1 en 2 bedoelde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen in kennis van zijn besluit en van de redenen voor plaatsing op de lijst, hetzij rechtstreeks, indien het adres bekend is, hetzij door een kennisgeving te publiceren, zodat zij daarover opmerkingen kunnen indienen.”

29

In het Publicatieblad van de Europese Unie van 18 januari 2011 en dat van 7 april 2011 heeft de Raad kennisgevingen bekendgemaakt voor de personen die onderworpen zijn aan de beperkende maatregelen in de litigieuze handelingen (PB C 14, blz. 8, en PB C 108, blz. 2 en 4). In deze kennisgevingen herinnert de Raad aan het bestaan van deze maatregelen, verwijst hij naar de relevante handelingen waarin de gronden voor elk van deze plaatsingen op de lijst zijn uiteengezet en attendeert hij erop dat bij de bevoegde instanties van de betrokken lidstaat een machtiging kan worden verkregen voor het gebruik van bevroren tegoeden voor basisbehoeften of voor specifieke betalingen. Hij verduidelijkt bovendien dat de betrokken personen en entiteiten hem om een heroverweging kunnen verzoeken. Tot slot herinnert hij eraan dat tegen zijn besluit beroep kan worden ingesteld bij het Gerecht, volgens de voorwaarden van artikel 275, tweede alinea, VWEU en artikel 263, vierde en zesde alinea, VWEU.

Procesverloop voor het Gerecht en bestreden beschikkingen

30

Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 juli 2011, hebben rekwiranten verzocht om nietigverklaring van de litigieuze handelingen voor zover zij op hen betrekking hadden. Ter ondersteuning van hun beroep hebben zij schending van de rechten van de verdediging en van het recht op een effectieve voorziening in rechte aangevoerd, alsook schending van het recht op eigendom en de vrijheid van verkeer.

31

Rekwiranten hebben voorts te kennen gegeven dat hun beroepen door het Gerecht ontvankelijk moesten worden verklaard, daar de termijn van twee maanden voor het instellen van beroep van artikel 263 VWEU hun niet kon worden tegengeworpen, aangezien van de litigieuze handelingen geen kennis was gegeven.

32

Bij de bestreden beschikkingen heeft het Gerecht de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

33

Het Gerecht heeft eerst de vaste rechtspraak in herinnering gebracht dat de beroepstermijn in artikel 263, zesde alinea, VWEU van openbare orde is, aangezien hij is ingesteld teneinde met betrekking tot de rechtens bestaande situaties duidelijkheid en zekerheid te waarborgen en elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te voorkomen, en dat de Unierechter in dat verband ambtshalve dient na te gaan of de termijn in acht is genomen.

34

Het Gerecht heeft vervolgens vastgesteld dat de litigieuze handelingen bekend waren gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie:

op 15 januari 2011, wat besluiten 2011/17 en 2011/18 alsook verordening nr. 25/2011 betreft, en

op 7 april 2011, wat besluit 2011/221 en verordening nr. 330/2011 betreft.

35

Bijgevolg is de beroepstermijn van twee maanden overeenkomstig artikel 102, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, veertien dagen na deze publicatie ingegaan en krachtens artikel 102, lid 2, van dit Reglement verstreken:

op 8 april 2011 om middernacht, wat besluiten 2011/17 en 2011/18 en verordening nr. 25/2011 betreft, en

op 1 juli 2011 om middernacht, wat besluit 2011/221 en verordening nr. 330/2011 betreft.

36

Aangezien de verzoekschriften op 7 juli 2011 ter griffie van het Gerecht waren neergelegd, heeft het Gerecht de conclusie getrokken dat de beroepen te laat waren ingesteld.

37

Het betoog van rekwiranten dat de beroepstermijn van twee maanden hun niet kon worden tegengeworpen omdat hun van de litigieuze handelingen geen kennis was gegeven, heeft het Gerecht verworpen. Daarover heeft het als volgt uitspraak gedaan:

„Gelet immers op het feit dat beroepstermijnen de rechtszekerheid beogen te waarborgen en moeten voorkomen dat Uniehandelingen die rechtsgevolgen teweegbrengen, te allen tijde in geding kunnen worden gebracht, is de publicatiedatum, zo er een is, het doorslaggevende criterium om te bepalen wanneer de beroepstermijn ingaat (beschikkingen Hof van 25 november 2008, TEA/Commissie, C-500/07 P, [...] punt 23; beschikking S.A.BA.R./Commissie, C-501/07 P, [...] punt 22, en beschikking van 9 juli 2009, Fornaci Laterizi Danesi/Commissie, C-498/08 P, [...] punt 22; en arrest Hof van 11 november 2010, Transportes Evaristo Molina/Commissie, C-36/09 P, [...] punt 37). Een verzoeker kan dus niet aanvoeren dat hij na de publicatie ervan kennis van de bestreden handeling heeft genomen om de termijn op een later tijdstip te doen ingaan (reeds aangehaalde beschikkingen TEA/Commissie, punt 23; S.A.BA.R./Commissie, punt 22, en Fornaci Laterizi Danesi/Commissie, punt 22). Aangezien de [litigieuze] handelingen zijn gepubliceerd, volgt hieruit dat de beroepstermijn moet worden berekend vanaf de publicatie ervan (zie voor de berekening van de beroepstermijn in geval van een besluit waarbij beperkende maatregelen worden opgelegd vanaf de publicatie ervan beschikking Gerecht van 18 november 2005, Selmani/Raad en Commissie, T-299/04, [...] punt 61), ook als daarvan geen kennis is gegeven aan [de verzoekers]. In dat verband moet overigens worden opgemerkt dat de Raad [...] kennisgevingen bekend heeft gemaakt voor de personen die onderworpen zijn aan de beperkende maatregelen in de [litigieuze handelingen], waarbij hij onder meer erop heeft geattendeerd dat de betrokkenen tegen zijn besluit beroep kunnen instellen bij het Gerecht, volgens de voorwaarden van artikel 275, tweede alinea, VWEU en artikel 263, vierde en zesde alinea, VWEU”.

38

Tot slot heeft het Gerecht opgemerkt dat rekwiranten gesteld noch bewezen hadden dat sprake was van toeval of overmacht, op grond waarvan krachtens artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kon worden afgeweken van bedoelde termijn.

Conclusies van partijen en procesverloop voor het Hof

39

Rekwiranten verzoeken het Hof:

de bestreden beschikkingen te vernietigen en hun beroepen in eerste aanleg ontvankelijk te verklaren;

de zaken terug te verwijzen naar het Gerecht voor afdoening ten gronde, en

de Raad te verwijzen in de kosten.

40

De Raad verzoekt het Hof:

de hogere voorzieningen af te wijzen, en

rekwiranten te verwijzen in de kosten.

41

Bij beschikking van de president van het Hof van 14 december 2011 zijn de zaken C-478/11 P tot en met C-482/11 P gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.

42

Bij schrijven van 11 mei 2012, dat per telefax en aangetekende post is toegezonden, heeft de griffie van het Hof partijen ervan in kennis gesteld dat een pleitzitting zou worden gehouden op 26 juni 2012 en hun verzocht uiterlijk op 15 juni 2012 schriftelijk te antwoorden op de vragen van het Hof die als bijlage bij de oproep voor de terechtzitting waren gevoegd.

43

Het antwoord op de gestelde vraag van de Raad is op 14 juni 2012 ter griffie van het Hof binnengekomen. De termijn voor schriftelijk antwoord is echter op 15 juni 2012 verstreken zonder dat het Hof van rekwiranten een antwoord op de gestelde vraag of een reactie ten aanzien van hun voornemen om de terechtzitting bij te wonen heeft ontvangen.

44

Rekwiranten is een laatste termijn gesteld om hun eventuele aanwezigheid op de terechtzitting kenbaar te maken. Daar deze termijn onbenut is verstreken op 21 juni 2012, is de pleitzitting geannuleerd.

Hogere voorzieningen

45

Ter ondersteuning van hun hogere voorzieningen voeren rekwiranten twee middelen aan. Met hun eerste middel geven zij te kennen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet uit te gaan van overmacht. Met hun tweede middel verwijten rekwiranten het Gerecht dat het hun de beroepstermijn en het daaraan ten grondslag liggende beginsel van de rechtszekerheid heeft tegengeworpen, terwijl de onderhavige zaak erdoor wordt gekenmerkt dat van de litigieuze handelingen geen kennisgeving heeft plaatsgevonden en dat de in het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht opgenomen termijn wegens afstand niet kan worden tegengeworpen.

46

Eerst moet het tweede middel worden onderzocht.

Tweede middel

Argumenten van partijen

47

Rekwiranten geven te kennen dat het Gerecht in strijd met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming heeft gehandeld en daarmee het recht heeft geschonden, door te oordelen dat, aangezien de litigieuze handelingen waren gepubliceerd, de beroepstermijn moest worden berekend vanaf de publicatiedatum ervan. Volgens rekwiranten had het Gerecht er rekening mee moeten houden dat, anders dan is voorzien in met name artikel 7, lid 3, van besluit 2010/656, zoals gewijzigd bij besluit 2010/801, van de litigieuze handelingen geen kennis is gegeven, dat wil zeggen door middel van een individuele mededeling aan de betrokkenen zodat zij daarvan kennis konden nemen.

48

Rekwiranten zijn voorts van mening dat het Gerecht de termijn wegens afstand in artikel 102, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering niet had mogen tegenwerpen aan ingezetenen van een Afrikaanse staat, met name niet omdat daar een gewapend conflict heerste.

49

De Raad geeft te kennen dat het procedurele kader van de onderhavige zaken verschilt van dat welk het Hof heeft onderzocht in het arrest van 16 november 2011, Bank Melli Iran/Raad (C-548/09 P, Jurispr. blz. I-11381). In dat arrest had het Hof de verplichting tot mededeling van de redenen die tot de vaststelling van beperkende maatregelen hadden geleid, gebaseerd op artikel 15, lid 3, van verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 103, blz. 1). Anders dan verordening nr. 423/2007, voorziet artikel 7, lid 3, van besluit 2010/656, zoals gewijzigd bij besluit 2010/801, in de mogelijkheid tot mededeling door middel van de bekendmaking van een kennisgeving wanneer het adres van de betrokkene de Raad niet bekend is.

50

In de onderhavige zaak heeft de Raad de litigieuze handelingen aan rekwiranten medegedeeld door middel van de bekendmaking van een kennisgeving overeenkomstig artikel 7, lid 3, van besluit 2010/656, zoals gewijzigd bij besluit 2010/801. Hij had deze handelingen niet anderszins kunnen meedelen, aangezien de privé-adressen van rekwiranten niet bekend waren.

51

Hoe dan ook is de publicatiedatum van de litigieuze handelingen de uitgangsdatum voor de berekening van de termijn in artikel 263 VWEU. Deze uitlegging vloeit voort uit de vereisten van de rechtszekerheid, waarvan de regeling van de procestermijnen is doordrongen.

52

De Raad wijst er tot slot op dat het betoog van rekwiranten ten aanzien van de termijn wegens afstand kennelijk ongegrond is en er in wezen op neerkomt dat de geldigheid van artikel 102, lid 2, van het Reglement van de procesvoering van het Gerecht wordt bestreden. Deze bepaling is echter niet meer dan een verlenging van de termijn voorzien in artikel 263, zesde alinea, VWEU.

Beoordeling door het Hof

53

Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het Gerecht met recht heeft vastgesteld dat het bevoegd is om ambtshalve te onderzoeken of de beroepstermijn in acht is genomen, aangezien deze van openbare orde is (zie met name arrest van 7 juli 1971, Müllers/CES, 79/70, Jurispr. blz. 689, punt 6, en arrest Transportes Evaristo Molina/Commissie, reeds aangehaald, punt 33).

54

Vervolgens moet eraan worden herinnerd dat krachtens artikel 263, zesde alinea, VWEU, „[h]et in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naargelang van het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen”.

55

In de onderhavige zaak zijn de litigieuze handelingen bekendgemaakt in de L-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie. Krachtens de artikelen 7, lid 3, van besluit 2010/656, zoals gewijzigd bij besluit 2010/801, en 11 bis, lid 3, van verordening nr. 560/2005, zoals gewijzigd bij verordening nr. 25/2011, moesten zij echter ook hetzij rechtstreeks, wanneer hun adres bekend was, hetzij door middel van de bekendmaking van een kennisgeving, wanneer dit niet het geval was, aan de betrokken personen en entiteiten worden meegedeeld.

56

Deze situatie is het gevolg van de bijzondere aard van de litigieuze handelingen, die tegelijk verwantschap vertonen met handelingen van algemene strekking, aangezien zij het een categorie van bepaalde adressaten algemeen en abstract verbieden om met name activa en financiële middelen ter beschikking te stellen van personen en entiteiten wier namen op de lijsten in de bijlagen daarbij voorkomen, en met een bundel van individuele besluiten ten aanzien van deze personen en entiteiten (zie in die zin arrest van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C-402/05 P en C-415/05 P, Jurispr. blz. I-6351, punten 241-244).

57

Daarnaast moet eraan worden herinnerd dat bij de handelingen die op basis van de bepalingen inzake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid worden vastgesteld, zoals de litigieuze handelingen, het de individuele aard van deze handelingen is die de weg naar de Unierechter overeenkomstig de artikelen 275, tweede alinea, VWEU en 263, vierde alinea, VWEU, vrijmaakt.

58

Gezien deze bijzonderheden en de daaruit voortvloeiende regeling van de bekendmaking en kennisgeving, zou artikel 263, zesde alinea, VWEU niet coherent worden toegepast wanneer bij personen en entiteiten wier namen voorkomen op de lijsten in de bijlagen bij die handelingen, het uitgangspunt voor de berekening van de termijn voor het instellen van beroep tot nietigverklaring voor deze personen de datum van publicatie van de betrokken handeling zou zijn en niet de datum waarop daarvan aan hen is kennisgegeven. Deze kennisgeving heeft immers juist tot doel om de adressaten in staat te stellen hun rechten in de best mogelijk omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of zij er baat bij hebben om zich tot de Unierechter te wenden (arrest Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 337).

59

Hieruit volgt dat het weliswaar juist is dat handelingen als de litigieuze handelingen op grond van de publicatie ervan in werking treden, maar dat de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van deze handelingen krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU, voor elk van deze personen en entiteiten ingaat op de datum van de kennisgeving die daarvan aan hen moet geschieden.

60

Anders dan rekwiranten stellen, is hun in de onderhavige zaak van de litigieuze handelingen kennis gegeven.

61

Het is juist dat genoemde handelingen hun niet rechtstreeks op hun adres zijn medegedeeld. Nadat de Raad namelijk had vastgesteld dat er geen rechtstreekse mededeling aan Gbagbo, Koné, Boni-Claverie, Djédjé en N’Guessan kon plaatsvinden, is hij overgegaan tot de bekendmaking van de kennisgeving bedoeld in de artikelen 7, lid 3, van besluit 2010/656, zoals gewijzigd bij besluit 2010/801, en 11 bis, lid 3, van verordening nr. 560/2005, zoals gewijzigd bij verordening nr. 25/2011. Aldus zijn in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie op 18 januari 2011 en 7 april 2011 de kennisgevingen genoemd in punt 29 van het onderhavige arrest bekend gemaakt.

62

Aangezien de betrokkenen op grond van dergelijke kennisgevingen kunnen vaststellen welke beroepswegen te hunner beschikking staan om hun plaatsing op de betrokken lijsten aan te vechten en wanneer de beroepstermijn verstrijkt (arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba, C-417/11 P, punt 81), is het van belang dat de verzoekende partijen de beroepstermijn niet later kunnen doen ingaan door zich te beroepen op het ontbreken van een individuele mededeling of op het feit dat zij pas later feitelijk kennis hebben genomen van de litigieuze handelingen. Indien een dergelijke mogelijkheid, behoudens overmacht, voor de verzoekende partijen zou openstaan, zou afbreuk worden gedaan aan de eigenlijke doelstelling van de beroepstermijn, namelijk de rechtszekerheid te waarborgen door te voorkomen dat Uniehandelingen die rechtsgevolgen teweegbrengen, onbeperkt in geding kunnen worden gebracht (zie met name arresten van 30 januari 1997, Wiljo, C-178/95, Jurispr. blz. I-585, punt 19, en 22 oktober 2002, National Farmers’ Union, C-241/01, Jurispr. blz. I-9079, punt 34, en beschikking van 15 november 2012, Städter/ECB, C-102/12 P, punt 12).

63

Aangaande tot slot het argument van rekwiranten dat de termijn wegens afstand van tien dagen in artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht hun niet kan worden tegengeworpen omdat zij in een derde land wonen, volstaat de opmerking dat dit argument niet kan slagen omdat het een forfaitaire termijn betreft. Dit betekent dat de omstandigheid dat rekwiranten zich gedurende de beroepstermijn in een derde land bevonden, niet van dien aard is dat dit hen in een objectief andere situatie plaatst wat de toepassing van deze termijn betreft dan in de Unie gevestigde personen en entiteiten die voorwerp van soortgelijke beperkende maatregelen zijn.

64

Uit een en ander volgt dat, hoewel het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat de beroepstermijn is ingegaan op de datum van publicatie van de litigieuze handelingen, deze termijnen, die moesten worden berekend vanaf de data genoemd in punt 61 van het onderhavige arrest, waren verstreken op 7 juli 2011, de datum van instelling van de beroepen. In die omstandigheden moet het tweede middel worden afgewezen [zie naar analogie arrest van 19 april 2007, Holcim (Deutschland)/Commissie, C-282/05 P, Jurispr. blz. I-2941, punt 33].

Eerste middel

Argumenten van partijen

65

Rekwiranten menen dat het Gerecht artikel 45 van het Statuut van het Hof heeft geschonden door geen overmacht in de zin van dat artikel vast te stellen.

66

Het conflict dat zich in Ivoorkust heeft voorgedaan, moet wat hen aangaat als overmacht worden beschouwd, aangezien zij in die periode niet over enig communicatiemiddel beschikten om van de litigieuze handelingen kennis te nemen en hun recht tot het instellen van beroep dus niet konden uitoefenen.

67

De Raad herinnert eraan dat een van de wezenlijke elementen van overmacht is dat een gebeurtenis zich buiten toedoen van de persoon die zich erop wil beroepen voordoet, dat wil zeggen dat een feit plaatsvindt buiten de interventiesfeer van die persoon (arrest van 8 juli 2010, Commissie/Italië, C-334/08, Jurispr. blz. I-6869, punt 47). De crisis na de verkiezingen in Ivoorkust en het daarmee samenhangende geweld zijn uitgebroken na de weigering van Gbagbo en zijn medewerkers om de macht aan de verkozen president over te dragen. Deze omstandigheden hebben zich dus niet buiten toedoen van rekwiranten voorgedaan.

Beoordeling door het Hof

68

Krachtens artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof „[kan v]erval van instantie wegens het verstrijken van een procestermijn [...] niet worden tegengeworpen wanneer de betrokkene toeval of overmacht aantoont”.

69

Vastgesteld moet worden dat rekwiranten bij het Gerecht niet hebben aangevoerd dat van een dergelijk geval sprake is, zoals het Gerecht ook heeft opgemerkt in de bestreden beschikkingen.

70

Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat een verzoekende partij niet kan worden verweten dat zij pas in hogere voorziening aanvoert dat sprake is van een geval van overmacht, wanneer het Gerecht de zaak bij een beschikking op grond van artikel 111 van zijn Reglement voor de procesvoering heeft afgedaan, de verzoekende partij niet in kennis heeft gesteld van zijn voornemen om het beroep te verwerpen omdat het te laat is ingesteld en haar niet de gelegenheid heeft geboden om een rechtvaardiging aan te dragen voor de vertraging waarmee de originelen van het verzoekschrift de griffie hebben bereikt (beschikking van 18 januari 2005, Zuazaga Meabe/BHIM, C-325/03 P, Jurispr. blz. I-403, punt 24). Bijgevolg moet het eerste middel van rekwiranten inzake het bestaan van een geval van overmacht, worden onderzocht.

71

In dat verband moet er meteen al aan worden herinnerd dat de procedureregels strikt moeten worden toegepast ter wille van de rechtszekerheid en de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden (arrest van 22 september 2011, Bell & Ross/BHIM, C-426/10 P, Jurispr. blz. I-8849, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72

Vervolgens moet worden opgemerkt dat het krachtens artikel 263, zesde alinea, VWEU en artikel 45 van het Statuut van het Hof aan de betrokkene staat om aan te tonen dat zich buiten zijn toedoen abnormale en onvoorzienbare omstandigheden hebben voorgedaan die tot gevolg hebben gehad dat hij de beroepstermijn van artikel 263, zesde alinea, VWEU niet in acht heeft kunnen nemen en dat hij zich tegen de gevolgen van die omstandigheden niet heeft kunnen beschermen door passende maatregelen te treffen zonder buitensporige offers te brengen (zie in die zin arrest van 18 december 2007, Société Pipeline Méditerranée et Rhône, C-314/06, Jurispr. blz. I-12273, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

73

In de onderhavige zaak verwijzen rekwiranten in algemene zin naar het gewapend conflict dat in Ivoorkust heerste, dat volgens hen in november 2010 is aangevangen en tot ten minste april 2011 heeft geduurd.

74

Geen van de rekwiranten heeft evenwel in zijn hogere voorziening voor het Hof elementen aangedragen waaruit kan worden opgemaakt hoe en gedurende welke precieze periode de algemene situatie van gewapend conflict in Ivoorkust en de door rekwiranten aangevoerde persoonlijke omstandigheden hebben verhinderd dat zij tijdig beroep konden instellen.

75

Gelet op een en ander moet het eerste middel worden afgewezen.

76

Aangezien geen van de door rekwiranten aangevoerde middelen slaagt, moeten de hogere voorzieningen worden afgewezen.

Kosten

77

Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 184, lid 1, daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Raad worden verwezen in de kosten.

 

Het Hof (Grote kamer) verklaart:

 

1)

De hogere voorzieningen worden afgewezen.

 

2)

Laurent Gbagbo, Katinan Justin Koné, Akissi Danièle Boni-Claverie, Alcide Djédjé en Affi Pascal N’Guessan worden verwezen in de kosten.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Frans.