ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

12 juli 2012 ( *1 )

„Richtlijn 2002/20/EG — Elektronischecommunicatienetwerken en -diensten — Vergunning — Artikel 13 — Vergoedingen voor gebruiksrechten en rechten om faciliteiten te installeren”

In de gevoegde zaken C-55/11, C-57/11 en C-58/11,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Tribunal Supremo (Spanje) bij beslissingen van 28 en 29 oktober en 3 november 2010, ingekomen bij het Hof op 7 februari 2011, in de procedures

Vodafone España SA

tegen

Ayuntamiento de Santa Amalia (C-55/11),

Ayuntamiento de Tudela (C-57/11),

en

France Telecom España SA

tegen

Ayuntamiento de Torremayor (C-58/11),

wijst HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: J.-C. Bonichot, kamerpresident, K. Schiemann, L. Bay Larsen, C. Toader en E. Jarašiūnas (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 januari 2012,

gelet op de opmerkingen van:

Vodafone España SA, vertegenwoordigd door M. Muñoz de Juan, E. Gardeta González, J. Viloria Gutiérrez en J. Buendía Sierra, abogados,

France Telecom España SA, vertegenwoordigd door E. Zamarriego Santiago, M. Muñoz de Juan en J. Buendía Sierra, abogados,

de gemeente Tudela, vertegenwoordigd door T. Quadra-Salcedo Fernández del Castillo en J. Zornoza Pérez, abogados,

de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. Muñoz Pérez en S. Centeno Huerta als gemachtigden,

de Poolse regering, vertegenwoordigd door M. Szpunar als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Braun en F. Jimeno Fernández als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 maart 2012,

het navolgende

Arrest

1

De verzoeken om een prejudiciële beslissing hebben betrekking op de uitlegging van artikel 13 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn) (PB L 108, blz. 21).

2

Deze verzoeken zijn ingediend in drie gedingen tussen, enerzijds, Vodafone España SA (hierna: „Vodafone España”) en de gemeenten Santa Amalia (C-55/11) en Tudela (C-57/11), en, anderzijds, France Telecom España SA (hierna: „France Telecom España”) en de gemeente Torremayor (C-58/11), betreffende de vergoedingen die van deze twee ondernemingen werden gevorderd voor het privatieve en bijzondere gebruik van het gemeentelijke publieke domein, zowel onder als op de grond.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Richtlijn 97/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 april 1997 betreffende een gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en individuele vergunningen op het gebied van telecommunicatiediensten (PB L 117, blz. 15) bepaalde in artikel 11 ervan het volgende:

„1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat iedere vergoeding die van ondernemingen als onderdeel van machtigingsprocedures wordt verlangd, uitsluitend strekt tot dekking van de administratiekosten die voortvloeien uit de afgifte van, het beheer van, de controle van en het toezicht op de naleving van de toepasselijke individuele vergunningen. De vergoedingen voor een individuele vergunning dienen in verhouding te staan tot het ermee gepaard gaande werk en op geëigende wijze en met voldoende bijzonderheden te worden bekendgemaakt, zodat deze informatie gemakkelijk toegankelijk is.

Indien gebruik moet worden gemaakt van schaarse hulpbronnen, kunnen de lidstaten, in weerwil van lid 1, hun nationale regelgevende instanties toestaan heffingen te innen om een optimaal gebruik van deze hulpbronnen te waarborgen. Die heffingen dienen niet-discriminerend te zijn en met name rekening te houden met de noodzaak de ontwikkeling van innovatieve diensten en concurrentie te bevorderen.”

4

Richtlijn 97/13 is ingetrokken bij artikel 26 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB L 108, blz. 33; hierna: „kaderrichtlijn”).

5

Artikel 11, lid 1, van de kaderrichtlijn luidt als volgt:

„De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een bevoegde instantie een aanvraag behandelt voor:

het verlenen van rechten om faciliteiten te installeren op, over of onder openbaar of particulier eigendom, aan een onderneming die gemachtigd is om openbare communicatienetwerken aan te bieden; of

[...]

deze bevoegde instantie:

handelt op basis van doorzichtige en openbare procedures die zonder discriminatie en onverwijld worden toegepast;

de beginselen van transparantie en non-discriminatie volgt bij het verbinden van voorwaarden aan deze rechten.

[...]”

6

Artikel 12 van de kaderrichtlijn bepaalt:

„1.   Wanneer een onderneming die elektronischecommunicatienetwerken aanbiedt, krachtens de nationale wetgeving het recht heeft om faciliteiten te installeren op, over of onder openbaar of particulier eigendom, dan wel een procedure kan volgen voor de onteigening of het gebruik van eigendom, moedigen de nationale regelgevende instanties het gedeeld gebruik van die faciliteiten of dat eigendom aan.

2.   Met name wanneer ondernemingen geen toegang hebben tot haalbare alternatieven vanwege de noodzaak om het milieu, de volksgezondheid of de openbare veiligheid te beschermen of om stedenbouwkundige en planologische redenen, kunnen de lidstaten aan een onderneming die een elektronischecommunicatienetwerk exploiteert, het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom (met inbegrip van fysieke collocatie) voorschrijven of maatregelen treffen om de coördinatie van publieke werken te vergemakkelijken, doch zulks pas na een passende periode van openbare raadpleging waarin alle belanghebbende partijen in staat zijn gesteld hun standpunten naar voren te brengen. Dergelijke regelingen inzake gedeeld gebruik of coördinatie kunnen een omslagregeling bevatten voor de kosten van het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom.”

7

De punten 30 tot en met 32 van de machtigingsrichtlijn luiden als volgt:

„(30)

Aanbieders van elektronischecommunicatiediensten kunnen worden verplicht tot betaling van een administratieve bijdrage ter financiering van de werkzaamheden van de nationale regelgevende instantie bij het beheer van het machtigingssysteem en het verlenen van gebruiksrechten. Dergelijke bijdragen mogen het bedrag van de feitelijke administratieve kosten van die werkzaamheden niet overschrijden. Hiertoe dient te worden gezorgd voor transparantie ter zake van de inkomsten en de uitgaven van de nationale regelgevende instanties, door middel van een jaarlijkse rapportage over het totale bedrag aan ontvangen bijdragen en de totale administratiekosten. Dit stelt ondernemingen in staat te controleren of de administratiekosten en de bijdragen met elkaar in overeenstemming zijn.

(31)

Stelsels voor administratieve bijdragen mogen de concurrentie niet verstoren, noch belemmeringen scheppen voor toegang tot de markt. Onder een algemeen machtigingssysteem zal het niet langer mogelijk zijn administratieve kosten en dus bijdragen op te leggen aan individuele ondernemingen, tenzij voor het toekennen van gebruiksrechten voor nummers, van radiofrequenties en van rechten om faciliteiten te installeren. Eventuele toepasselijke administratieve bijdragen dienen te sporen met de beginselen van een algemeen machtigingssysteem. Een voorbeeld van een billijk, eenvoudig en transparant alternatief voor deze omslagcriteria is een verdeelsleutel gebaseerd op de omzet. Wanneer de administratieve bijdragen zeer laag liggen, kunnen forfaitaire bijdragen, of bijdragen bestaande uit een combinatie van een forfaitair met een omzetgerelateerd bedrag ook een goede mogelijkheid zijn.

(32)

Naast administratieve bijdragen kan voor het gebruik van radiofrequenties en nummers een vergoeding worden ingesteld, als middel om een optimaal gebruik van deze goederen te waarborgen. Dergelijke vergoedingen mogen geen belemmering vormen voor de ontwikkeling van innovatieve diensten en concurrentie in de markt. Deze richtlijn laat het doel waarvoor de vergoedingen voor het gebruiksrecht worden aangewend, onverlet. Dergelijke vergoedingen kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt ter financiering van de werkzaamheden van de nationale regelgevende instanties die niet voldoende uit de administratieve bijdragen kunnen worden gefinancierd. Wanneer bij toepassing van op vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedures vergoedingen voor het gebruik van radiofrequenties uitsluitend of gedeeltelijk bestaan in een eenmalig bedrag, wordt er door middel van passende betalingsregelingen voor gezorgd dat dergelijke vergoedingen in de praktijk niet leiden tot selectie op grond van criteria die niets te maken hebben met de doelstelling een optimaal gebruik van radiofrequenties te maken. De Commissie kan regelmatig benchmarkstudies publiceren over de beste praktijken met betrekking tot de toewijzing van radiofrequenties, de toewijzing van nummers of het verlenen van doorgangsrechten.”

8

Artikel 13 van deze richtlijn, met als opschrift „Vergoedingen voor gebruiksrechten en rechten om faciliteiten te installeren”, bepaalt:

„De lidstaten kunnen de betrokken instantie toestaan de gebruiksrechten voor radiofrequenties of nummers of rechten om faciliteiten te installeren op, boven of onder openbare of particuliere eigendom, te onderwerpen aan vergoedingen die ten doel hebben een optimaal gebruik van deze middelen te waarborgen. De lidstaten zorgen ervoor dat deze vergoedingen objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend zijn en in verhouding staan tot het beoogde doel en zij houden rekening met de doelstellingen van artikel 8 van [de kaderrichtlijn].”

9

Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn) (PB L 108, blz. 7) bepaalt in artikel 12, lid 1, eerste alinea, ervan het volgende:

„Een nationale regelgevende instantie kan exploitanten overeenkomstig artikel 8 de verplichting opleggen in te gaan op redelijke verzoeken om toegang tot en gebruik van bepaalde netwerkonderdelen en bijbehorende faciliteiten, onder andere wanneer de nationale regelgevende instantie van mening is dat het weigeren van toegang of het opleggen van onredelijke voorwaarden met eenzelfde effect de ontwikkeling van een door duurzame concurrentie gekenmerkte detailhandelsmarkt zou belemmeren of niet in het belang van de eindgebruiker zou zijn.”

Spaans recht

10

Ley General 32/2003 de Telecomunicaciones (algemene telecommunicatiewet 32/2003) van 3 november 2003 (BOE nr. 264 van 4 november 2003, blz. 38890) heeft blijkens de preambule ervan de in 2002 vastgestelde richtlijnen inzake telecommunicatie, waaronder de machtigingsrichtlijn, in Spaans recht omgezet.

11

Artikel 49 van deze wet luidt als volgt:

„1.   De exploitanten en de houders van rechten op het gebruik van frequenties in het openbaar domein of van nummervoorraden moeten de heffingen betalen die in de toepasselijke regeling zijn vastgesteld.

2.   Deze heffingen dienen ter dekking van:

a)

de administratieve kosten voor regelgevende werkzaamheden met het oog op de uitwerking en de handhaving van het afgeleide gemeenschapsrecht en administratieve besluiten, zoals die betreffende interconnectie en toegang;

b)

de administratieve kosten die voortvloeien uit het beheer, de controle en het toezicht op de naleving van de in deze wet vastgestelde regeling;

c)

de administratieve kosten die voortvloeien uit het beheer, de controle en het toezicht op de inachtneming van de gebruiksrechten voor het publieke domein en de gebruiksrechten voor de frequenties in het publieke domein en de nummers;

d)

het beheer van de in artikel 6 van deze wet bedoelde kennisgevingen;

e)

de kosten voor internationale samenwerking, harmonisatie, normering en marktanalyse.

3.   Onverminderd het bepaalde in lid 2, hebben de heffingen op het gebruik van de openbare frequenties, de nummers en het publieke domein dat noodzakelijk is voor het opzetten van elektronischecommunicatienetwerken, tot doel het optimale gebruik van deze hulpbronnen te waarborgen, rekening houdend met de schaarste en de waarde van het goed waarvoor een gebruiksrecht wordt toegekend. Deze heffingen moeten niet-discriminerend, transparant, objectief gerechtvaardigd en evenredig aan het nagestreefde doel zijn. Zij moeten tevens de verwezenlijking en de inachtneming van de doelstellingen en beginselen van artikel 3 bevorderen, onder de in de regelgeving vastgestelde voorwaarden.

4.   De in de voorgaande leden bedoelde heffingen worden op objectieve, transparante en evenredige wijze opgelegd, om de extra administratieve kosten en de hieruit voortvloeiende lasten tot een minimum te beperken.

5.   Het ministerie van Wetenschap en Technologie, de Comisión del Mercado de las Telecomunicaciones [commissie voor de telecommunicatiemarkt], het Agencia Estatal de Radiocomunicaciones [staatsagentschap voor radiocommunicatie] en de territoriale overheden die de in lid 2 van dit artikel bedoelde heffingen beheren en innen, publiceren een jaarlijks overzicht van de administratieve kosten die de oplegging ervan rechtvaardigen en van het totale bedrag van de geïnde bedragen.”

12

Real Decreto Legislativo 2/2004, por el que se aprobó el texto refundido de la Ley reguladora de las Haciendas Locales, van 5 maart 2004 (koninklijk wetsbesluit nr. 2/2004 tot herziening van de wet tot regeling van de lokale financiën) (BOE nr. 59 van 9 maart 2004, blz. 10284) bepaalt in artikel 20, leden 1 en 3, dat de plaatselijke overheden bevoegd zijn heffingen op te leggen voor het privatieve of bijzondere gebruik van het plaatselijke publieke domein, in het bijzonder onder, op of boven gemeentelijke openbare wegen.

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

13

Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt dat verschillende gemeenten in het Koninkrijk Spanje, waaronder Santa Amalia, Tudela en Torremayor, overeenkomstig de Spaanse wettelijke regeling belastingverordeningen hebben vastgesteld op grond waarvan een vergoeding verschuldigd is voor het privatieve of bijzondere gebruik van het gemeentelijke publieke domein door ondernemingen die hiervan gebruikmaken om voorzieningen van algemeen belang te verstrekken, ongeacht of deze ondernemingen al dan niet eigenaar zijn van de faciliteiten op dit domein die noodzakelijk zijn voor het leveren van deze diensten. Op grond van deze verordeningen worden onder meer mobieletelefoniediensten belast.

14

Vodafone España en France Telecom España zijn telecomoperatoren die mobieletelefoniediensten aanbieden op het Spaanse grondgebied.

15

Vodafone España heeft respectievelijk bij het Tribunal Superior de Justicia de Navarra en het Tribunal Superior de Justicia de Extremadura beroep ingesteld tegen de belastingverordeningen van de gemeenten Tudela en Santa Amalia. France Telecom España heeft bij laatstgenoemde rechterlijke instantie beroep ingesteld tegen de belastingverordening van de gemeente Torremayor. In het kader van deze beroepen hebben deze operatoren betoogd dat deze verordeningen onverenigbaar zijn met het recht van de Unie. Deze beroepen zijn verworpen bij arrest van het Tribunal Superior de Justicia de Navarra van 30 december 2008 en bij arresten van het Tribunal Superior de Justicia de Extremadura van 12 en 29 juni 2009.

16

Daarop heeft Vodafone España bij het Tribunal Supremo een cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Tribunal Superior de Justicia de Navarra van 30 december 2008 en de arresten van het Tribunal Superior de Justicia de Extremadura van 12 juni 2009. France Telecom España heeft een cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Tribunal Superior de Justicia de Extremadura van 29 juni 2009.

17

In de verwijzingsbeslissingen heeft het Tribunal Supremo in de eerste plaats de artikelen 12 en 13 van de machtigingsrichtlijn onderzocht. Het heeft twijfels over de vraag of de lidstaten niet alleen aan de exploitant die eigenaar is van het elektronischetelecommunicatienetwerk, maar ook aan de exploitanten waaraan enkel interconnectiediensten worden verleend en die bijgevolg enkel toegang hebben tot dit netwerk en er gebruik van maken, een vergoeding kunnen vragen voor het recht om faciliteiten te installeren.

18

In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of de betrokken vergoedingen voldoen aan de vereisten van artikel 13 van de machtigingsrichtlijn.

19

In de derde plaats is het Tribunal Supremo van oordeel dat eveneens moet worden nagegaan of artikel 13 van de machtigingsrichtlijn voldoet aan de in de rechtspraak van het Hof vastgestelde voorwaarden om rechtstreekse werking te hebben. Volgens het Tribunal Supremo wijst de rechtspraak van het Hof betreffende de rechtstreekse werking van artikel 11, lid 2, van richtlijn 97/13 in die richting.

20

In deze omstandigheden heeft het Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld, die gelijkluidend zijn in de drie zaken C-55/11, C-57/11 en C-58/11:

„1)

Moet artikel 13 van [de machtigingsrichtlijn] aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan een vergoeding voor rechten om faciliteiten te installeren op het gemeentelijke publieke domein kan worden gevraagd aan ondernemingen die geen exploitant van het netwerk zijn maar het gebruiken voor de levering van mobieletelefoniediensten?

2)

Indien de heffing als verenigbaar wordt beschouwd met artikel 13 van [de machtigingsrichtlijn], voldoen de omstandigheden waarin de bestreden plaatselijke verordening de vergoeding oplegt aan de vereisten van objectiviteit, evenredigheid en non-discriminatie van dit artikel, en aan de noodzaak om het optimale gebruik van de betrokken hulpbronnen te waarborgen?

3)

Heeft artikel 13 van [de machtigingsrichtlijn] rechtstreekse werking?”

21

Bij beschikking van de president van het Hof van 18 maart 2011 zijn de zaken C-55/11, C-57/11 en C-58/11 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.

Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling

22

De gemeente Tudela heeft bij brief, ingekomen ter griffie van het Hof op 25 april 2012, verzocht om de mondelinge behandeling te heropenen, op grond dat de conclusie van de advocaat-generaal van 22 maart 2012 op onjuiste premissen is gebaseerd.

23

Volgens vaste rechtspraak kan het Hof krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering de mondelinge behandeling heropenen indien het van oordeel is dat het onvoldoende is ingelicht of dat de zaak moet worden onderzocht op basis van een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden (zie onder meer arresten van 26 juni 2008, Burda, C-284/06, Jurispr. blz. I 4571, punt 37, en 22 september 2011, Interflora en Interflora British Unit, C-323/09, Jurispr. blz. I-8625, punt 22).

24

In casu is het Hof van oordeel dat het over alle noodzakelijke gegevens beschikt om de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden en dat de zaak niet hoeft te worden onderzocht op basis van een argument waarover geen discussie heeft plaatsgevonden voor het Hof.

25

In deze omstandigheden dient het verzoek van de gemeente Tudela tot heropening van de mondelinge behandeling te worden afgewezen.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

De eerste vraag

26

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een nationale regeling waarbij een heffing wordt opgelegd voor het gebruik van het gemeentelijke publieke domein, niet alleen aan de ondernemingen die eigenaar zijn van de op dit domein opgezette telefonienetwerken, maar ook aan de ondernemingen die gebruiks-, toegangs- of interconnectierechten hebben op deze netwerken, gerechtvaardigd wordt door de door artikel 13 van de machtigingsrichtlijn aan de lidstaten geboden mogelijkheid om „rechten om faciliteiten te installeren op, boven of onder openbare of particuliere eigendom” aan vergoedingen te onderwerpen teneinde rekening te houden met de noodzaak om een optimale verdeling van deze faciliteiten te verzekeren.

27

De verwijzende rechter wenst meer bepaald van het Hof te vernemen of een dergelijke heffing niet alleen kan worden opgelegd aan de exploitant die gerechtigd is om faciliteiten te installeren op, over of onder openbaar eigendom in de zin van artikel 11, lid 1, van de kaderrichtlijn en die verplicht kan zijn om deze faciliteiten met andere ondernemingen te delen in de zin van artikel 12 van deze richtlijn en artikel 12 van de toegangsrichtlijn, maar ook aan de exploitanten die deze faciliteiten gebruiken om mobieletelefoniediensten te leveren.

28

Vooraf zij vastgesteld dat de lidstaten in het kader van de toepassing van de machtigingsrichtlijn geen andere heffingen of vergoedingen voor de levering van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten kunnen opleggen dan die waarin deze richtlijn voorziet (zie naar analogie arresten van 18 juli 2006, Nuova società di telecomunicazioni, C-339/04, Jurispr. blz. I-6917, punt 35, en 10 maart 2011, Telefónica Móviles España, C-85/10, Jurispr. blz. I-1575, punt 21).

29

Zoals blijkt uit de punten 30 tot en met 32 van de considerans en de artikelen 12 en 13 van de machtigingsrichtlijn, zijn de lidstaten dus enkel bevoegd om ofwel administratieve bijdragen ter dekking van de totale administratieve kosten voor het beheer, het toezicht op de naleving en de toepassing van de algemene vergunningsregeling op te leggen, ofwel vergoedingen voor te schrijven voor de gebruiksrechten voor radiofrequenties of nummers of rechten om faciliteiten te installeren op, boven of onder openbare of particuliere eigendom.

30

In het hoofdgeding lijkt de verwijzingsrechter uit te gaan van de premisse dat de betrokken heffingen niet onder artikel 12 van deze richtlijn en evenmin onder het begrip vergoedingen voor gebruiksrechten voor radiofrequenties of nummers in de zin van artikel 13 van deze richtlijn vallen. De vraag is dus enkel of de mogelijkheid voor de lidstaten om krachtens dit artikel 13 de „rechten om faciliteiten te installeren op, boven of onder openbare of particuliere eigendom” aan vergoedingen te onderwerpen de mogelijkheid omvat om het systeem van de vergoedingen zoals dit in het hoofdgeding aan de orde is, toe te passen op exploitanten die niet de eigenaar zijn van deze faciliteiten, maar hier gebruik van maken om mobieletelefoniediensten te leveren, en aldus het publieke domein gebruiken.

31

Weliswaar is het begrip „installatie van faciliteiten op, boven of onder openbare of particuliere eigendom” niet als zodanig in de machtigingsrichtlijn omschreven en is hierin evenmin bepaald wie de vergoeding voor de rechten om deze faciliteiten te installeren verschuldigd is, maar uit artikel 11, lid 1, eerste streepje, van de kaderrichtlijn volgt dat de rechten om faciliteiten te installeren op, boven of onder openbare of particuliere eigendom worden verleend aan de onderneming die gemachtigd is om openbare telecommunicatienetwerken aan te bieden, dat wil zeggen aan de onderneming die gemachtigd is om de noodzakelijke faciliteiten op, onder of boven de grond te installeren.

32

Voorts verwijzen de termen „faciliteiten” en „installatie”, zoals de advocaat-generaal in de punten 52 en 54 van haar conclusie heeft opgemerkt, respectievelijk naar de fysieke infrastructuur die de levering van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten mogelijk maakt, en naar de fysieke plaatsing ervan op de betrokken openbare of particuliere eigendom.

33

Hieruit volgt dat enkel de houder van de rechten om faciliteiten te installeren, die tevens eigenaar is van de faciliteiten die op, boven of onder de betrokken openbare of particuliere eigendom zijn geïnstalleerd, de in artikel 13 van de machtigingsrichtlijn bedoelde vergoeding voor deze rechten verschuldigd kan zijn.

34

Bijgevolg kan niet worden aanvaard dat een vergoeding zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is wordt geïnd als een „vergoeding voor rechten om faciliteiten te installeren op, boven of onder openbare of particuliere eigendom” in de zin van artikel 13 van de machtigingsrichtlijn, voor zover deze vergoeding wordt gevraagd aan ondernemingen die niet de eigenaar van deze faciliteiten zijn, maar hier gebruik van maken om mobieletelefoniediensten te leveren, en aldus het publieke domein gebruiken.

35

Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 13 van de machtigingsrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een vergoeding voor rechten om faciliteiten te installeren op, boven of onder openbare of particuliere eigendom wordt gevraagd aan ondernemingen die niet de eigenaar zijn van deze faciliteiten, maar deze gebruiken om mobieletelefoniediensten te leveren.

Tweede en derde vraag

36

Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeft enkel nog te worden geantwoord op de derde vraag van de verwijzende rechter, waarmee deze in wezen wenst te vernemen of artikel 13 van de machtigingsrichtlijn rechtstreekse werking heeft, zodat een particulier zich er in omstandigheden als die van het hoofdgeding voor de nationale rechter op kan beroepen.

37

Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat particulieren volgens vaste rechtspraak van het Hof in alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, zich voor de nationale rechter op deze bepalingen kunnen beroepen tegenover de staat, hetzij wanneer deze heeft verzuimd deze richtlijn binnen de gestelde termijn om te zetten in nationaal recht, hetzij wanneer hij deze richtlijn onjuist heeft omgezet (zie in die zin arresten van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C-397/01-C-403/01, Jurispr. blz. I-8835, punt 103; 17 juli 2008, Arcor e.a., C-152/07-C-154/07, Jurispr. blz. I-5959, punt 40, en 24 januari 2012, Dominguez, C-282/10, punt 33).

38

Zoals de advocaat-generaal in de punten 48, 97 en 98 van haar conclusie heeft opgemerkt, voldoet artikel 13 van de machtigingsrichtlijn aan deze criteria. Dit artikel bepaalt immers onvoorwaardelijk en in nauwkeurige bewoordingen dat de lidstaten in drie specifieke gevallen rechten aan een vergoeding kunnen onderwerpen, namelijk wanneer het gaat om rechten om radiofrequenties of nummers te gebruiken of om rechten om faciliteiten te installeren op, boven of onder openbare of particuliere eigendom.

39

Bijgevolg moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 13 van de machtigingsrichtlijn rechtstreekse werking heeft, zodat particulieren zich voor de nationale rechter rechtstreeks op dit artikel kunnen beroepen om op te komen tegen de toepassing van een hiermee strijdige overheidsbeslissing.

Kosten

40

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 13 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn) moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een vergoeding voor rechten om faciliteiten te installeren op, boven of onder openbare of particuliere eigendom wordt gevraagd aan ondernemingen die niet de eigenaar zijn van deze faciliteiten, maar deze gebruiken om mobieletelefoniediensten te leveren.

 

2)

Artikel 13 van richtlijn 2002/20 heeft rechtstreekse werking, zodat particulieren zich voor de nationale rechter rechtstreeks op dit artikel kunnen beroepen om op te komen tegen de toepassing van een hiermee strijdige overheidsbeslissing.

 

ondertekeningen


( *1 )   Procestaal: Spaans.