5.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/14


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Haparanda tingsrätt (Zweden) op 27 december 2010 — Åklagaren/Hans Åkerberg Fransson

(Zaak C-617/10)

2011/C 72/24

Procestaal: Zweeds

Verwijzende rechter

Haparanda tingsrätt

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Åklagaren

Verwerende partij: Hans Åkerberg Fransson

Prejudiciële vragen

1)

Het Zweedse recht vereist een duidelijke grondslag in het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”) of de rechtspraak van het Europees Hof van de rechten van de mens (hierna: „EHRM”), voor het buiten toepassing laten door een nationale rechter van nationale bepalingen die een schending kunnen zijn van het ne bis in idem-beginsel in de zin van artikel 4 van het Zevende aanvullende EVRM-protocol en dus ook een schending kunnen opleveren van artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000 (hierna: „EU-Handvest”). Is een dergelijke nationaalrechtelijke voorwaarde voor het buiten toepassing laten van nationale bepalingen verenigbaar met het Unierecht en in het bijzonder met de algemene beginselen ervan, waaronder de voorrang en de directe werking van het Unierecht?

2)

Valt een ontvankelijkverklaring van een aanklacht van belastingfraude binnen het ne bis in idem-beginsel in de zin van artikel 4 van het Zevende aanvullende EVRM-protocol en artikel 50 van het EU-Handvest, wanneer de verweerder voorheen in een administratieve procedure een bepaalde vergrijpboete (belastingtoeslag) is opgelegd voor het verstrekken van dezelfde onjuiste inlichtingen?

3)

Is voor het antwoord op de tweede vraag van belang dat deze sancties aldus moeten worden gecoördineerd dat de gewone rechter de straf in de strafrechtelijke procedure kan verminderen gelet op de aan verweerder voor het verstrekken van dezelfde onjuiste inlichtingen reeds opgelegde belastingtoeslag?

4)

In bepaalde omstandigheden kan het in het kader van het in de tweede vraag vermelde ne bis in idem-beginsel toegestaan zijn verdere sancties in een nieuwe procedure op te leggen voor hetzelfde gedrag dat is onderzocht en leidde tot strafoplegging aan betrokkene. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, is aan de voorwaarden krachtens het ne bis in idem-beginsel voldaan voor de oplegging van verschillende sancties in afzonderlijke procedures wanneer de omstandigheden van de zaak in de latere procedure opnieuw en zelfstandig worden onderzocht?

5)

Het Zweedse stelsel van oplegging van een belastingtoeslag en onderzoek van de aansprakelijkheid wegens belastingfraude in afzonderlijke procedures is gemotiveerd door een aantal redenen van algemeen belang, waarop hierna nader wordt ingegaan. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, is dan een stelsel als het Zweedse verenigbaar met het ne bis in idem-beginsel, wanneer een stelsel zou kunnen worden ingevoerd, dat niet onder het ne bis in idem-beginsel zou vallen, zonder noodzaak af te zien van de oplegging van een belastingtoeslag of van een beslissing over de aansprakelijkheid voor belastingfraude door, indien de aansprakelijkheid wegens belastingfraude relevant is, de beslissing over de oplegging van een belastingtoeslag van het Skatteverk en in voorkomend geval van rechters in bestuurszaken over te dragen aan gewone rechters bij het onderzoek van de aanklacht van belastingfraude?