Zaak C‑327/10

Hypoteční banka a.s.

tegen

Udo Mike Lindner

(verzoek van de Okresní soud v Chebu om een prejudiciële beslissing)

„Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Overeenkomst voor onroerend krediet, afgesloten door consument met nationaliteit van andere lidstaat dan waar die bank is gevestigd – Wettelijke regeling van lidstaat volgens welke tegen consument wiens woonplaats onbekend is, vordering kan worden ingeleid bij rechterlijke instantie van die staat”

Samenvatting van het arrest

1.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 44/2001 – Werkingssfeer – Bepaling van internationale bevoegdheid van gerecht van lidstaat

(Verordening nr. 44/2001 van de Raad)

2.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 44/2001 – Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten – Gerecht van lidstaat waar consument woont – Ontbreken van gekende woonplaats – Bevoegdheid van gerecht van laatste gekende woonplaats – Voorwaarden

(Verordening nr. 44/2001 van de Raad, art. 16, lid 2, en 59)

3.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 44/2001 – Nationale bepaling op grond waarvan procedure kan worden gevoerd tegen persoon zonder gekende woonplaats – Toelaatbaarheid – Voorwaarden

(Verordening nr. 44/2001 van de Raad)

1.        Verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat de toepassing van de regels van die verordening veronderstelt dat de situatie aan de orde in het geding dat aanhangig is bij een gerecht van een lidstaat, vragen doet rijzen over de bepaling van de internationale bevoegdheid van dat gerecht. Een dergelijke situatie doet zich voor wanneer bij een gerecht van een lidstaat een vordering is ingesteld tegen een staatsburger van een andere lidstaat waarvan de woonplaats dat gerecht onbekend is.

Hoewel de bevoegdheidsregels van verordening nr. 44/2001 geen rekening houden met de vreemde nationaliteit van een partij in een geding, moet niettemin een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de vraag onder welke voorwaarden de bevoegdheidsregels van die verordening moeten worden toegepast, en anderzijds de vraag aan de hand van welke criteria de internationale bevoegdheid overeenkomstig deze regels wordt bepaald. De vreemde nationaliteit van de verweerder kan immers vragen doen rijzen over de bepaling van de internationale bevoegdheid van de rechterlijke instantie waarbij de zaak aanhangig is.

(cf. punten 31‑32, 35, dictum 1)

2.        Verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat in een situatie waarin een consument die partij is bij een overeenkomst voor een langlopende lening voor een onroerend goed die gepaard gaat met een verplichting de medecontractant te informeren over elke adreswijziging, en die zijn woonplaats verlaat voordat tegen hem een vordering wegens schending van zijn contractuele verplichtingen wordt ingesteld, de gerechten van de lidstaat waar zich de laatste bekende woonplaats van de consument bevindt, bevoegd zijn om krachtens artikel 16, lid 2, van die verordening kennis te nemen van die vordering indien zij er niet in slagen om overeenkomstig artikel 59 van die verordening de huidige woonplaats van de verweerder te bepalen, en evenmin over afdoende aanwijzingen beschikken om de conclusie te rechtvaardigen dat de verweerder zijn woonplaats werkelijk buiten het grondgebied van de Unie heeft.

(cf. punt 55, dictum 2)

3.        Verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen de toepassing van een bepaling van het interne procesrecht van een lidstaat die ter vermijding van een situatie waarin de eiser de toegang tot de rechter wordt ontzegd, de mogelijkheid biedt een procedure te voeren tegen en in afwezigheid van een persoon met onbekende verblijfplaats, mits de rechter bij wie de zaak aanhangig is, alvorens uitspraak te doen, zich ervan heeft vergewist dat alle stappen die nodig zijn om de verweerder te vinden, met spoed en te goeder trouw zijn ondernomen.

(cf. punt 55, dictum 2)







ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

17 november 2011 (*)

„Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Overeenkomst voor onroerend krediet, afgesloten door consument met nationaliteit van andere lidstaat dan die waar bank is gevestigd – Wettelijke regeling van lidstaat volgens welke tegen consument wiens woonplaats onbekend is, vordering kan worden ingeleid bij rechterlijke instantie van die staat”

In zaak C‑327/10,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Okresní soud v Chebu (Tsjechië) bij beslissing van 1 juni 2010, ingekomen bij het Hof op 5 juli 2010, in de procedure

Hypoteční banka a.s.

tegen

Udo Mike Lindner,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, M. Safjan (rapporteur), A. Borg Barthet, J.‑J. Kasel en M. Berger, rechters,

advocaat-generaal: V. Trstenjak,

griffier: K. Sztranc-Sławiczek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 mei 2010,

gelet op de opmerkingen van:

–        Hypoteční banka a.s., vertegenwoordigd door J. Hrouzek, advocaat,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

–        de Deense regering, vertegenwoordigd door C. Vang als gemachtigde,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en B. Beaupère-Manokha als gemachtigden,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door Z. Fehér Miklós, K. Szíjjártó en K. Molnár als gemachtigden,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Wissels als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Šimerdová en A.‑M. Rouchaud-Joët als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 september 2011,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 81 VWEU, de artikelen 16, lid 2, 17, punt 3, en 24 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), en artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Hypoteční banka a.s. (hierna: „Hypoteční banka”) en U. M. Lindner, wiens huidige woonplaats onbekend is, ertoe strekkende de betaling te verkrijgen van een bedrag van ongeveer 4,4 miljoen Tsjechische kronen (CZK) aan achterstallige betalingen van een hypothecaire lening die Hypoteční banka aan Lindner heeft toegekend.

 Toepasselijke bepalingen

 Wettelijke regeling van de Unie

 Verordening nr. 44/2001

3        Punt 2 van de considerans van verordening nr. 44/2001 luidt als volgt:

„Sommige verschillen in de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen bemoeilijken de goede werking van de interne markt. Bepalingen die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook de vereenvoudiging van de formaliteiten met het oog op een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is, zijn onontbeerlijk.”

4        Artikel 2 van die verordening bepaalt:

„1.      Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.

2.      Voor degenen die niet de nationaliteit bezitten van de lidstaat waar zij woonplaats hebben, gelden de regels voor de rechterlijke bevoegdheid die op de eigen onderdanen van die lidstaat van toepassing zijn.”

5        Artikel 3 van die verordening stelt:

„1.      Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.

2.      Tegen hen kan in het bijzonder geen beroep worden gedaan op de in bijlage I opgenomen nationale bevoegdheidsregels.”

6        Artikel 4 van diezelfde verordening bepaalt:

„1.      Indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, wordt de bevoegdheid in elke lidstaat geregeld door de wetgeving van die lidstaat, onverminderd de artikelen 22 en 23.

2.      Tegen deze verweerder kan ieder, ongeacht zijn nationaliteit, die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, aldaar op dezelfde voet als de eigen onderdanen van die staat een beroep doen op de bevoegdheidsregels die daar van kracht zijn, met name de regels van bijlage I.”

7        Afdeling 4 van hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001, met als opschrift „Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten”, omvat de artikelen 15 tot en met 17.

8        Artikel 16, lid 2, van die verordening bepaalt:

„De rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de wederpartij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.”

9        Artikel 17 van diezelfde verordening luidt als volgt:

„Van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten:

[...]

3.      waarbij een consument en zijn wederpartij, die op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten woonplaats of hun gewone verblijfplaats in dezelfde lidstaat hebben, de gerechten van die lidstaat bevoegd verklaren, tenzij het recht van die lidstaat dergelijke overeenkomsten verbiedt.”

10      Artikel 24 van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van deze verordening, is het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 22 bij uitsluiting bevoegd is.”

11      Hoofdstuk II van die verordening omvat een afdeling 8 met als opschrift „Toetsing van de bevoegdheid en de ontvankelijkheid”. Leden 1 en 2 van het daarin opgenomen artikel 26 luiden als volgt:

„1.      Wanneer de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat voor een gerecht van een andere lidstaat wordt opgeroepen en niet verschijnt, verklaart het gerecht zich ambtshalve onbevoegd indien zijn bevoegdheid niet berust op deze verordening.

2.      Het gerecht is verplicht zijn uitspraak aan te houden zolang niet vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, te ontvangen, of dat daartoe al het nodige is gedaan.”

12      Hoofdstuk III van diezelfde verordening, met als opschrift „Erkenning en tenuitvoerlegging”, omvat artikel 34, dat in zijn punt twee bepaalt dat een beslissing niet wordt erkend „indien [...] het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, betekend of meegedeeld is, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was”.

13      Artikel 59 van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„1.      Om vast te stellen of een partij woonplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat bij een van welks gerechten een zaak aanhangig is, past het gerecht zijn intern recht toe.

2.      Indien een partij geen woonplaats heeft in de lidstaat bij een van welks gerechten een zaak aanhangig is, past het gerecht voor de vaststelling of zij een woonplaats heeft in een andere lidstaat, het recht van die lidstaat toe.”

 Richtlijn 93/13

14      Volgens artikel 1, lid 1, ervan strekt richtlijn 93/13 tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument.

15      Artikel 6, lid 1, van die richtlijn bepaalt:

„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

 Nationale regeling

16      § 29, lid 3, van het Tsjechische wetboek van burgerlijke rechtsvordering (hierna: „wetboek van burgerlijke rechtsvordering”), in de versie die gold op 30 juni 2009, bepaalt dat, indien hij geen andere maatregelen neemt, de voorzitter van de kamer een mandataris ad litem kan aanduiden voor een partij zonder bekende woonplaats, aan wie de betekening op een bekend adres in het buitenland niet mogelijk was, die geestesziek is, of die om andere medische redenen niet louter tijdelijk niet aan de procedure kan deelnemen, of die zich niet begrijpelijk kan uitdrukken.

17      De verwijzende rechter merkt op dat het Ústavní soud (grondwettelijk hof) in een arrest van 31 maart 2005 zich met betrekking tot de persoon van de mandataris ad litem van een verweerder met onbekend adres als volgt heeft uitgesproken:

„De functie van mandataris ad litem werd ingesteld om, tot zijn ultieme consequenties, de belangen van de afwezige partij te verdedigen zoals een contractuele vertegenwoordiger dat zou doen. Indien de partij bij de procedure haar eigen vertegenwoordiger heeft gekozen, is die partij zelf verantwoordelijk voor haar keuze en voor de concrete stappen in de procedure. Wanneer echter de rechtbank een mandataris ad litem aanstelt als vertegenwoordiger van de partij bij de procedure, is zij ervoor verantwoordelijk, via de mandataris ad litem, dat de rechten en rechtmatige belangen van die partij worden verzekerd. De rechtbank is daarbij verplicht de mandataris ad litem van zijn functie te ontheffen wanneer zij vaststelt dat die mandataris ad litem zijn rol in de procedure helemaal niet [...], dan wel op onbevredigende wijze vervult.”

18      Volgens § 89a, eerste zin, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, in de versie die gold ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, kunnen de partijen bij een handelsgeding schriftelijk een andere territoriaal bevoegde rechtbank van eerste aanleg aanduiden, tenzij de wet in een uitsluitende bevoegdheid voorziet.

19      Volgens § 173, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering moet de aanmaning tot betaling persoonlijk aan de verwerende partij worden betekend. Elke andere vorm van betekening is uitgesloten.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

20      Met de op 16 september 2008 bij de verwijzende rechter ingestelde vordering verlangt Hypoteční banka, een vennootschap naar Tsjechisch recht met zetel in Praag (Tsjechië), de veroordeling van Lindner, Duits onderdaan, tot betaling aan verzoekster van het bedrag van 4 383 584, 60 CZK, vermeerderd met vertragingsrente, aan achterstallige schulden uit een hypotheeklening die aan verweerder was toegekend op grond van een op 19 augustus 2005 gesloten overeenkomst (hierna: „overeenkomst”).

21      In artikel VIII, punt 8, van de overeenkomst werd onder verwijzing naar § 89a van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering tussen Hypoteční banka en Lindner overeengekomen dat „voor eventuele geschillen die uit de overeenkomst voortvloeien [...] het gerecht met algemene bevoegdheid van de bank, bepaald door haar zetel zoals die ten tijde van het instellen van de vordering in het handelsregister is ingeschreven, bevoegd [zal] zijn.”

22      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Lindner op de datum van de afsluiting van de overeenkomst zijn woonplaats in Mariánské Lázně (Tsjechië) moest hebben. De woonplaats van de consument was met andere woorden meer dan 150 kilometer verwijderd van Praag, waar het door de contractpartijen aangeduide „gerecht met algemene bevoegdheid van de bank” zetelt.

23      Volgens Hypoteční banka heeft zij echter toch de vordering aanhangig gemaakt bij de „rechter met algemene bevoegdheid van de verweerder” en niet bij het „gerecht met algemene bevoegdheid van de zetel van de bank”, omdat zij op de datum van de instelling van de vordering, omwille van redenen buiten haar wil, het origineel van de overeenkomst niet aan de rechter kon overleggen en zo niet kon voldoen aan het wettelijke vereiste om bij laatstbedoeld gerecht een vordering in te stellen.

24      Op 16 oktober 2008 wees de verwijzende rechter de vordering toe door een bevel tot betalen af te geven. Hierdoor werd enerzijds verweerder verplicht aan de eiseres het door haar gevorderde bedrag, verhoogd met vertragingsrente, te betalen, en werd anderzijds verweerder veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten. Omdat dit bevel tot betalen echter niet, zoals vereist door § 173, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, aan de verweerder persoonlijk kon worden betekend, heeft de verwijzende rechter dit bevel bij beschikking van 8 september 2009 ingetrokken.

25      Verweerder verbleef op geen enkel van de bij de verwijzende rechter bekende adressen. De verwijzende rechter slaagde er evenmin in om een andere verblijfplaats van de verweerder op het Tsjechische grondgebied vast te stellen. Bij beslissing van 3 juni 2009 werd daarom aan de verweerder, die werd beschouwd als een persoon met onbekend adres, overeenkomstig § 29, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering een mandataris ad litem toegewezen.

26      Bij memorie van 26 oktober 2009, die het eerste door de mandataris ad litem opgestelde procedurestuk was van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding, wierp de mandataris ad litem voor wat de vertragingrente betreft fundamentele bezwaren op tegen de door Hypoteční banka geformuleerde aanspraken.

27      Daarop heeft het Okresní soud v Chebu de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Heeft het feit dat een van de partijen bij een gerechtelijke procedure onderdaan is van een andere staat dan die waar de betrokken procedure loopt, een grensoverschrijdend gevolg in de zin van artikel 81 VWEU, dat een van de voorwaarden is voor de toepasselijkheid van verordening (EG) nr. 44/2001?

2)      Verzet verordening nr. 44/2001 zich tegen de toepassing van een bepaling van het nationale recht die het mogelijk maakt een procedure in te leiden tegen personen met onbekende verblijfplaats?

3)      Indien vraag 2 ontkennend wordt beantwoord, kan het feit dat de door het gerecht aangestelde mandataris ad litem van de verweerder ten gronde een standpunt heeft ingenomen dan als onderwerping van de verweerder aan de bevoegdheid van het plaatselijke gerecht in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 worden beschouwd, zelfs indien het voorwerp van het geschil een vordering op grond van een consumentenovereenkomst is en de gerechten van Tsjechië overeenkomstig artikel 16, lid 2, van verordening nr. 44/2001 niet bevoegd zouden zijn om dat geschil te beslechten?

4)      Kan een overeenkomst inzake de relatieve bevoegdheid van een bepaald gerecht worden beschouwd als grondslag voor de internationale bevoegdheid van het gekozen gerecht in de zin van artikel 17, punt 3, van verordening nr. 44/2001, en zo ja, is dat ook het geval wanneer het gaat om een overeenkomst tot aanwijzing van de relatief bevoegde rechter die ongeldig is wegens strijdigheid met artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 De eerste vraag

28      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat de voorwaarden voor de toepassing van de in die verordening opgenomen bevoegdheidsregels vervuld zijn wanneer een van de partijen die betrokken zijn bij de gerechtelijke procedure een onderdaan is van een andere lidstaat dan die waar deze procedure loopt.

29      Hierbij moet worden opgemerkt dat, zoals het geval was bij het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dat verdrag (hierna: „Executieverdrag”), waarvan de uitlegging eveneens geldt voor verordening nr. 44/2001 wanneer de bepalingen van deze instrumenten van de Unie als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt (zie arrest van 16 juli 2009, Zuid-Chemie, C‑189/08, Jurispr. blz. I‑6917, punt 18), de toepassing van de bevoegdheidsregels van die verordening het bestaan van een element van vreemdelingschap vereist.

30      Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld wat het Executieverdrag betreft, kan het internationale karakter van een rechtsverhouding voortvloeien uit de omstandigheid dat de situatie die aan de orde is in een geding, vragen doet rijzen over de bepaling van de bevoegdheid van gerechten in de internationale rechtsorde (zie arrest van 1 maart 2005, Owusu, C‑281/02, Jurispr. blz. I‑1383, punt 26).

31      De bevoegdheidsregels van verordening nr. 44/2001 houden geen rekening met de vreemde nationaliteit van een partij in een geding. Zoals de advocaat-generaal echter in punt 65 van haar conclusie heeft opgemerkt, moet een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de vraag onder welke voorwaarden de bevoegdheidsregels van die verordening moeten worden toegepast, en anderzijds de vraag op basis van welke criteria de internationale bevoegdheid als gevolg van deze regels wordt bepaald.

32      Het is vanzelfsprekend dat onder omstandigheden zoals die van het hoofdgeding de vreemde nationaliteit van de verweerder vragen kan oproepen over de bepaling van de internationale bevoegdheid van de rechterlijke instantie waarbij de zaak aanhangig is.

33      In een situatie zoals die van het hoofdgeding zouden de gerechten van de lidstaat waarvan de verweerder de nationaliteit bezit zich namelijk evengoed bevoegd kunnen achten, zelfs indien de verweerder in die staat geen bekende vaste woonplaats heeft. In deze omstandigheden zou de toepassing van de uniforme bevoegdheidsregels van verordening nr. 44/2001 in plaats van de regels die in de verschillende lidstaten gelden, dus in overeenstemming zijn met het vereiste van rechtszekerheid en met het doel van deze verordening dat erin bestaat zo veel mogelijk de bescherming van verweerders die hun vaste woonplaats op het grondgebied van de Europese Unie hebben te waarborgen.

34      Hieruit volgt dat in een situatie zoals die van het hoofdgeding, waarin de verweerder een vreemde nationaliteit heeft en geen bekende vaste woonplaats heeft in de staat waar het geschil bij een rechterlijke instantie aanhangig is gemaakt, de bevoegdheidsregels van verordening nr. 44/2001 van toepassing zijn.

35      Gelet op wat voorafgaat, moet op de eerste vraag worden geantwoord dat verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat de toepassing van de bevoegdheidsregels van die verordening veronderstelt dat de situatie aan de orde in het geding dat aanhangig is bij een gerecht van een lidstaat, vragen doet rijzen over de bepaling van de internationale bevoegdheid van dat gerecht. Een dergelijke situatie doet zich voor in een zaak zoals die van het hoofdgeding, waarin bij een gerecht van een lidstaat een vordering is ingesteld tegen een onderdaan van een andere lidstaat waarvan de woonplaats bij dat gerecht onbekend is.

 De tweede vraag

36      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale bepaling van een lidstaat die het mogelijk maakt een vordering in te leiden tegen personen met een onbekende woonplaats.

37      Om deze vraag te beantwoorden moet vooraf worden opgemerkt dat verordening nr. 44/2001 evenmin als het Executieverdrag tot doel heeft alle procedureregels van de lidstaten te uniformiseren, maar wel om de rechterlijke bevoegdheden voor de beslechting van geschillen in burgerlijke en handelszaken in de relaties tussen deze staten te regelen, en de uitvoering van rechterlijke beslissingen te vergemakkelijken (zie in die zin arrest van 5 februari 2004, DFDS Torline, C‑18/02, Jurispr. blz. I‑1417, punt 23).

38      Bij ontbreken in verordening nr. 44/2001 van een bepaling die in een zaak zoals die in het hoofdgeding, waarin de vaste woonplaats van de verweerder onbekend is, uitdrukkelijk de rechterlijke bevoegdheid bepaalt, dient vooraf te worden onderzocht of, en in voorkomend geval krachtens welke bepaling, die verordening toch toepassing kan vinden en of daaruit een criterium kan worden afgeleid waarop een rechterlijke bevoegdheid kan worden gebaseerd.

39      Waar het in het hoofdgeding gaat om een vordering die tegen de consument werd ingesteld door de andere partij bij de overeenkomst, zij herinnerd aan artikel 16, lid 2, van die verordening dat bepaalt dat een dergelijke vordering enkel kan worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat waar de consument zijn woonplaats heeft.

40      Een nationale rechter die zich heeft uit te spreken over een vordering ingesteld tegen een consument dient dus allereerst, overeenkomstig artikel 59, lid 1, van verordening nr. 44/2001, met toepassing van het eigen recht, na te gaan of de verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van zijn lidstaat.

41      Indien de nationale rechter, zoals in het hoofdgeding, vervolgens tot de conclusie komt dat de verweerder in het hoofdgeding geen woonplaats heeft op het grondgebied van zijn lidstaat, dient hij na te gaan of de verweerder zijn woonplaats in een andere lidstaat heeft. Overeenkomstig artikel 59, lid 2, van die verordening past hij daarbij het recht van die andere lidstaat toe.

42      Indien ten slotte de nationale rechter er nog steeds niet in slaagt te bepalen waar de consument zijn woonplaats heeft, en hij evenmin beschikt over afdoende aanwijzingen voor de vaststelling dat de consument daadwerkelijk zijn woonplaats buiten de Europese Unie heeft, in welk geval artikel 4 van verordening nr. 44/2001 toepassing zou vinden, moet worden nagegaan of artikel 16, lid 2, van de verordening aldus kan worden uitgelegd dat, in een zaak zoals thans aan de orde, de daarin vervatte regel dat de rechterlijke instanties bevoegd zijn van de lidstaat op wiens grondgebied de consument zijn woonplaats heeft, eveneens doelt op de laatst bekende woonplaats van de consument.

43      Een dergelijke oplossing lijkt in overeenstemming met de logica van die verordening en past in het kader van het daarbij ingevoerde systeem.

44      In de eerste plaats is die oplossing namelijk in overeenstemming met het doel van verordening nr. 44/2001, namelijk de versterking van de rechtsbescherming van personen die in de Unie wonen, door het voor de eiser gemakkelijker te maken te bepalen bij welke rechter hij een vordering kan instellen en het tegelijkertijd voor de verweerder mogelijk te maken te weten voor welke rechter hij redelijkerwijs kan worden gedaagd (zie met name arrest van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a., C‑509/09 en C‑161/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 50).

45      Terwijl zij de voorrang geeft aan de toepassing van de uniforme regels die zijn vastgesteld door verordening nr. 44/2001 boven de afwijkende nationale regels, vermijdt die oplossing in de tweede plaats dat de onmogelijkheid om de werkelijke woonplaats van de verweerder vast te stellen, de bepaling van een bevoegd gerecht verhindert, waardoor de eiser zijn recht op een beroep in rechte zou verliezen. Een dergelijke situatie kan zich met name voordoen in een zaak zoals die van het hoofdgeding, waarin een consument die, op grond van artikel 16, lid 2, van die verordening had moeten worden gedaagd voor de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft, die woonplaats heeft verlaten voordat de vordering tegen hem werd ingesteld.

46      Het criterium van de laatst bekende woonplaats van de consument voor de toepassing van artikel 16, lid 2, van verordening nr. 44/2001 laat ten slotte toe een juist evenwicht te verzekeren tussen de rechten van de verzoeker en die van de verweerder in precies die zaken, zoals die van het hoofdgeding, waar de verweerder de plicht had zijn medecontractant te informeren over elke adreswijziging die zich zou voordoen na de ondertekening van de overeenkomst voor een langlopende lening voor een onroerend goed.

47      Uit een en ander volgt dus, dat in een situatie zoals die van het hoofdgeding, waar een consument die partij is bij een overeenkomst voor een langlopende lening voor een onroerend goed die gepaard gaat met een verplichting de medecontractant te informeren over elke adreswijziging, zijn woonplaats verlaat voordat tegen hem een vordering wordt ingesteld wegens schending van zijn contractuele verplichtingen, de gerechten van de lidstaat waar zich de laatst bekende woonplaats van de consument bevindt, bevoegd zijn om krachtens artikel 16, lid 2, van verordening 44/2001 kennis te nemen van die vordering indien zij er niet in slagen om, overeenkomstig artikel 59 van de verordening, de huidige woonplaats van de verweerder te bepalen, en evenmin over afdoende aanwijzingen beschikken om de vaststelling te rechtvaardigen dat de verweerder zijn woonplaats werkelijk buiten het grondgebied van de Unie heeft.

48      Wat nu de vereisten betreft waaraan moet worden voldaan tijdens de procedure die daaruit voortvloeit, zij eraan herinnerd dat de bepalingen van verordening nr. 44/2001 ingegeven zijn door de bedoeling erover te waken dat binnen het kader van de door de verordening beoogde doelstellingen, tijdens de procedures die leiden tot gerechtelijke uitspraken de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd (zie arrest van 21 mei 1980, Denilauler, 125/79, Jurispr. blz. 1553, punt 13, en arrest van 2 april 2009, Gambazzi, C‑394/07, Jurispr. blz. I‑2563, punt 23).

49      Het vereiste dat de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd, zoals ook neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doet echter niet af aan het feit dat ook de eiser het recht heeft om de zaak voor een gerecht te brengen om over de gegrondheid van zijn aanspraken uitspraak te doen.

50      In dit verband heeft het Hof in punt 29 van het reeds aangehaalde arrest Gambazzi geoordeeld dat de grondrechten, zoals de eerbiediging van de rechten van de verdediging, niet absoluut zijn, maar kunnen worden onderworpen aan beperkingen. Deze beperkingen moeten evenwel daadwerkelijk beantwoorden aan doelstellingen van algemeen belang die door de betrokken maatregel worden nagestreefd en mogen uit het oogpunt van het nagestreefde doel geen buitensporige inbreuk op bedoelde rechten vormen.

51      Wat dat betreft moet in herinnering worden gebracht dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het streven om situaties te vermijden waarbij een eiser de toegang tot de rechter wordt ontzegd omdat de verblijfplaats van de verweerder onbekend is, een dergelijke doelstelling van algemeen belang uitmaakt (zie in die zin arrest Gambazzi, reeds aangehaald, punten 31‑33). Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om te onderzoeken of de nationale bepaling deze doelstelling van algemeen belang daadwerkelijk nastreeft.

52      Wat betreft het vereiste dat een onevenredige beperking van de rechten van de verdediging moet worden vermeden, moet worden opgemerkt dat dit vereiste in het bijzonder geldt voor de uitlegging van artikel 26, lid 2, van verordening nr. 44/2001. Deze bepaling moet aldus worden uitgelegd dat wanneer niet vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het gedinginleidende stuk te ontvangen, een krachtens die verordening bevoegd gerecht de procedure slechts geldig kan voortzetten indien alle mogelijke maatregelen werden genomen om de verweerder de mogelijkheid te geven zich te verdedigen. Het gerecht waarbij de zaak aanhangig is moet zich ervan vergewissen dat alle stappen die nodig zijn om de verweerder te vinden, met spoed en te goeder trouw zijn ondernomen.

53      Zelfs indien aan deze voorwaarden is voldaan, kan de mogelijkheid om de procedure voort te zetten zonder medeweten van de verweerder het recht van verdediging van de verweerder echter beperken, doordat, zoals in het hoofdgeding, de vordering wordt betekend aan de mandataris ad litem die is aangewezen door de rechter bij wie de zaak aanhangig is. Die beperking is echter gerechtvaardigd in het licht van het recht van een eiser op een daadwerkelijke bescherming, aangezien bij ontstentenis van een dergelijke procedure dit recht een dode letter zou blijven.

54      Anders dan de verweerder die de mogelijkheid werd ontzegd om zich doeltreffend te verdedigen, maar die zijn recht van verweer geldend kan maken door zich overeenkomstig artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 te verzetten tegen de erkenning van de tegen hem uitgesproken rechterlijke beslissing (zie in die zin arrest van 11 juni 1985, Debaecker en Plouvier, 49/84, Jurispr. blz. 1779, punt 11), loopt de eiser namelijk het gevaar verstoken te blijven van elke mogelijkheid van beroep in rechte.

55      Op de tweede vraag moet dus worden geantwoord dat verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat:

–        in een situatie zoals die van het hoofdgeding, waarin een consument die partij is bij een overeenkomst voor een langlopende lening voor een onroerend goed die gepaard gaat met een verplichting de medecontractant te informeren over elke adreswijziging, en die zijn woonplaats verlaat voordat tegen hem een vordering wordt ingesteld wegens schending van zijn contractuele verplichtingen, de gerechten van de lidstaat waar zich de laatst bekende woonplaats van de consument bevindt bevoegd zijn om krachtens artikel 16, lid 2, van de verordening, kennis te nemen van die vordering indien zij er niet in slagen om overeenkomstig artikel 59 van de verordening de huidige woonplaats van de verweerder te bepalen, en evenmin over afdoende aanwijzingen beschikken om de vaststelling te rechtvaardigen dat de verweerder zijn woonplaats werkelijk buiten het grondgebied van de Unie heeft;

–        die verordening zich niet verzet tegen de toepassing van een bepaling van het interne procesrecht van een lidstaat die ter vermijding van een situatie waarin de eiser de toegang tot de rechter wordt ontzegd, de mogelijkheid biedt een procedure te voeren tegen en in afwezigheid van een persoon met onbekende verblijfplaats, mits de rechter bij wie de zaak aanhangig is, alvorens uitspraak te doen, zich ervan heeft vergewist dat alle stappen die nodig zijn om de verweerder te vinden, met spoed en te goeder trouw zijn ondernomen.

56      Gelet op de antwoorden op de eerste en de tweede vraag, behoeven de derde en de vierde vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

57      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat de toepassing van de bevoegdheidsregels van die verordening veronderstelt dat de situatie aan de orde in het geding dat aanhangig is bij een gerecht van een lidstaat, vragen doet rijzen over de bepaling van de internationale bevoegdheid van dat gerecht. Een dergelijke situatie doet zich voor in een zaak zoals die van het hoofdgeding, waarin bij een gerecht van een lidstaat een vordering is ingesteld tegen een onderdaan van een andere lidstaat waarvan de woonplaats bij dat gerecht onbekend is.

2)      Verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat

–        in een situatie zoals die van het hoofdgeding, waarin een consument die partij is bij een overeenkomst voor een langlopende lening voor een onroerend goed die gepaard gaat met een verplichting de medecontractant te informeren over elke adreswijziging, en die zijn woonplaats verlaat voordat tegen hem een vordering wordt ingesteld wegens schending van zijn contractuele verplichtingen, de gerechten van de lidstaat waar zich de laatst bekende woonplaats van de consument bevindt bevoegd zijn om krachtens artikel 16, lid 2, van de verordening, kennis te nemen van die vordering indien zij er niet in slagen om overeenkomstig artikel 59 van de verordening de huidige woonplaats van de verweerder te bepalen, en evenmin over afdoende aanwijzingen beschikken om de vaststelling te rechtvaardigen dat de verweerder zijn woonplaats werkelijk buiten het grondgebied van de Unie heeft;

–        die verordening zich niet verzet tegen de toepassing van een bepaling van het interne procesrecht van een lidstaat die ter vermijding van een situatie waarin de eiser de toegang tot de rechter wordt ontzegd, de mogelijkheid biedt een procedure te voeren tegen en in afwezigheid van een persoon met onbekende verblijfplaats, mits de rechter bij wie de zaak aanhangig is, alvorens uitspraak te doen, zich ervan heeft vergewist dat alle stappen die nodig zijn om de verweerder te vinden, met spoed en te goeder trouw zijn ondernomen.

ondertekeningen


* Procestaal: Tsjechisch.