Zaak C‑271/10

Vereniging van Educatieve en Wetenschappelijke Auteurs (VEWA)

tegen

Belgische Staat

(verzoek van de Raad van State om een prejudiciële beslissing)

„Richtlijn 92/100/EEG – Auteursrechten en naburige rechten – Openbare uitlening – Vergoeding van auteurs – Passend inkomen”

Samenvatting van het arrest

Harmonisatie van wetgevingen – Auteursrecht en naburige rechten – Verhuur- en uitleenrecht voor beschermde werken – Richtlijn 92/100 – Vergoeding voor auteurs bij openbare uitlening

(Richtlijn 92/100 van de Raad, art. 5, lid 1

Artikel 5, lid 1, van richtlijn 92/100 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom verzet zich tegen een wettelijke regeling die een stelsel invoert waarbij de vergoeding die bij openbare uitlening aan de auteurs verschuldigd is, uitsluitend wordt berekend op basis van het aantal in de openbare instellingen ingeschreven leners en een per jaar per lener vastgesteld forfaitair bedrag.

Aangezien de vergoeding de compensatie vormt voor het nadeel dat auteurs ondervinden als gevolg van het feit dat hun werken zonder hun toestemming worden gebruikt, kan de hoogte van deze vergoeding niet worden bepaald zonder dat in het minst acht wordt geslagen op de bestanddelen van een dergelijk nadeel. Daar dit nadeel resulteert uit openbare uitlening, dat wil zeggen de terbeschikkingstelling van beschermde zaken door voor het publiek toegankelijke instellingen, moet bij de bepaling van de hoogte van de verschuldigde vergoeding rekening worden gehouden met de omvang van deze terbeschikkingstelling, zowel wat het aantal ingeschreven leners als wat het aantal door een openbare-uitleeninstelling ter beschikking gestelde beschermde zaken betreft.

(cf. punten 37‑39, 43 en dictum)







ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

30 juni 2011 (*)

„Richtlijn 92/100/EEG – Auteursrechten en naburige rechten – Openbare uitlening – Vergoeding van auteurs – Passend inkomen”

In zaak C‑271/10,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Raad van State (België) bij beslissing van 17 mei 2010, ingekomen bij het Hof op 31 mei 2010, in de procedure

Vereniging van Educatieve en Wetenschappelijke Auteurs (VEWA)

tegen

Belgische Staat,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: D. Šváby, president van de Zevende kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, R. Silva de Lapuerta, E. Juhász, J. Malenovský (rapporteur) en T. von Danwitz, rechters,

advocaat-generaal: V. Trstenjak,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 maart 2011,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Vereniging van Educatieve en Wetenschappelijke Auteurs (VEWA), vertegenwoordigd door Y. Nelissen Grade en S. Verbeke, advocaten,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door T. Materne en J.‑C. Halleux als gemachtigden, bijgestaan door C. Doutrelepont en K. Lemmens, advocaten,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door N. Díaz Abad als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. van Beek en J. Samnadda als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het begrip „vergoeding” die aan rechthebbenden op auteursrechten voor openbare uitlening wordt betaald, als bedoeld in artikel 5, lid 1, van richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB L 346, blz. 61), thans artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB L 376, blz. 28).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een beroep dat is ingesteld door de Vereniging van Educatieve en Wetenschappelijke Auteurs (VEWA) tegen de Belgische Staat, tot nietigverklaring van het Koninklijk besluit van 25 april 2004 betreffende de vergoedingsrechten voor openbare uitlening van de auteurs, vertolkende of uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en producenten van eerste vastleggingen van films (hierna: „koninklijk besluit”).

 Toepasselijk recht

 Recht van de Unie

3        De zevende, de veertiende, de vijftiende en de achttiende overweging van de considerans van richtlijn 92/100 luiden:

„Overwegende dat het creatieve en artistieke werk van auteurs en uitvoerende kunstenaars een passend inkomen noodzakelijk maakt als basis voor verder creatief en artistiek werk en dat de investeringen die met name voor de productie van fonogrammen en films vereist zijn, bijzonder hoog en riskant zijn en dat de mogelijkheid om dit inkomen veilig te stellen en deze investering terug te verdienen, alleen daadwerkelijk kan worden gegarandeerd door een passende juridische bescherming van de betrokken rechthebbenden;

[...]

Overwegende dat, wanneer de door een voor het publiek toegankelijke instelling verrichte uitlening aanleiding geeft tot een betaling waarvan het bedrag niet hoger is dan hetgeen noodzakelijk is om de huishoudelijke kosten van de instelling te dekken, er geen sprake is van direct of indirect economisch of commercieel voordeel in de zin van deze richtlijn;

Overwegende dat een regeling moet worden ingevoerd die een niet voor afstand vatbaar recht op een billijke vergoeding waarborgt aan auteurs en uitvoerende kunstenaars [...];

[...]

Overwegende dat ook de rechten van ten minste de auteurs ten aanzien van openbare uitlening moeten worden beschermd door een bijzondere regeling in te voeren; dat evenwel elke op grond van artikel 5 van deze richtlijn genomen maatregel moet overeenstemmen met het gemeenschapsrecht, inzonderheid met artikel 7 van het EEG-Verdrag”.

4        Artikel 1, leden 1 tot en met 3, van richtlijn 92/100 bepaalt:

„1.      Overeenkomstig dit hoofdstuk en onverminderd artikel 5 stellen de lidstaten een recht in om de verhuur en uitlening van originelen en kopieën van auteursrechtelijk beschermde werken en anderszins beschermde zaken als omschreven in artikel 2, lid 1, toe te staan of te verbieden.

2.      In deze richtlijn wordt onder ‚verhuur’ verstaan: het voor gebruik ter beschikking stellen voor een beperkte tijd en tegen een direct of indirect economisch of commercieel voordeel.

3.      In deze richtlijn wordt onder ‚uitlening’ verstaan: het voor gebruik ter beschikking stellen voor een beperkte tijd en zonder direct of indirect economisch of commercieel voordeel, indien dat plaatsvindt via voor het publiek toegankelijke instellingen.”

5        Artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/100 luidt:

„Wanneer een auteur of een uitvoerend kunstenaar zijn verhuurrecht betreffende een fonogram of betreffende het origineel dan wel een kopie van een film heeft overgedragen of afgestaan aan een fonogram- of filmproducent, behoudt hij het recht op een billijke vergoeding voor de verhuur.”

6        Volgens artikel 5, leden 1 tot en met 3, van richtlijn 92/100 geldt:

„1.      De lidstaten kunnen ten aanzien van openbare uitlening afwijken van het in artikel 1 bedoelde uitsluitende recht, mits ten minste de auteurs een vergoeding krijgen voor deze uitlening. Met inachtneming van hun doelstellingen voor bevordering van culturele activiteiten, kunnen de lidstaten de hoogte van deze vergoeding vrij vaststellen.

2.      Wanneer de lidstaten het in artikel 1 bedoelde uitsluitende uitleenrecht betreffende fonogrammen, films en computerprogramma’s niet toepassen, voeren zij ten minste voor de auteurs een vergoeding in.

3.      De lidstaten kunnen bepaalde categorieën instellingen vrijstellen van betaling van de in de leden 1 en 2 bedoelde vergoeding.”

7        Artikel 8, lid 2, van richtlijn 92/100 bepaalt:

„De lidstaten stellen een recht in om ervoor te zorgen dat een enkele billijke vergoeding wordt uitgekeerd door de gebruiker, wanneer een voor handelsdoeleinden uitgegeven fonogram of een reproductie daarvan wordt gebruikt voor uitzending via de ether of voor enigerlei mededeling aan het publiek, en dat deze vergoeding wordt verdeeld tussen de betrokken uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen. [...]”

 Nationaal recht

 Wet van 30 juni 1994

8        De Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (Belgisch Staatsblad van 27 juli 1994, blz. 19297), in de sinds 2005 geldende versie; (hierna: „wet van 30 juni 1994”), voert richtlijn 92/100 uit.

9        Artikel 23, § 1, van deze wet luidt:

„De auteur kan de uitlening van werken van letterkunde, databanken, fotografische werken, partituren van muziekwerken, geluidswerken en audiovisuele werken niet verbieden wanneer die uitlening geschiedt met een educatief of cultureel doel door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht.”

10      Artikel 47, § 1, van deze wet bepaalt:

„De uitvoerende kunstenaar en de producent kunnen de uitlening van fonogrammen en van eerste vastleggingen van films niet verbieden, wanneer die uitlening geschiedt met een educatief of cultureel doel door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht.”

11      Artikel 62, §§ 1 en 2, van de wet van 30 juni 1994 bepaalt:

„§ 1. In geval van uitlening van werken van letterkunde, databanken, fotografische werken of partituren van muziekwerken onder de voorwaarden genoemd in artikel 23, hebben de auteur en de uitgever recht op een vergoeding.

§ 2.      In geval van uitlening van geluidswerken of audiovisuele werken onder de voorwaarden genoemd in de artikelen 23 en 47, hebben de auteur, de uitvoerende kunstenaar en de producent recht op een vergoeding.”

12      Artikel 63, eerste en derde alinea, van deze wet luidt:

„Na raadpleging van de instellingen en vennootschappen voor het beheer van de rechten bepaalt de Koning het bedrag van de in artikel 62 bedoelde vergoedingen. [...]

[...]

Bij de vaststelling van de in artikel 62 bedoelde vergoeding bepaalt de Koning, na raadpleging van de Gemeenschappen en, in voorkomend geval, op hun initiatief, voor sommige categorieën van instellingen die door de overheid zijn erkend of opgericht, een vrijstelling of een forfaitair vastgesteld bedrag per uitlening.”

 Koninklijk besluit

13      Het koninklijk besluit geeft uitvoering aan artikel 5 van richtlijn 92/100.

14      Artikel 4, eerste tot en met derde alinea, van het koninklijk besluit luidt:

„Het bedrag van de vergoedingen bedoeld in artikel 62 van de wet [van 30 juni 1994] bedraagt forfaitair 1 EUR per jaar en per volwassen persoon ingeschreven in de uitleeninstellingen bepaald in artikel 2, voor zover hij ten minste een uitlening genoten heeft gedurende de referentieperiode.

Het bedrag van de vergoedingen bedoeld in artikel 62 van de wet bedraagt forfaitair 0,5 EUR per jaar en per minderjarig persoon ingeschreven in de uitleeninstellingen bepaald in artikel 2, voor zover hij ten minste een uitlening genoten heeft gedurende de referentieperiode.

Wanneer een persoon in meer dan een uitleeninstelling ingeschreven is, is het bedrag voor die persoon slechts eenmaal verschuldigd.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

15      VEWA is een Belgische vennootschap voor het beheer van auteursrechten.

16      Op 7 juli 2004 heeft VEWA beroep tot nietigverklaring van het koninklijk besluit ingesteld bij de Raad van State.

17      Ter onderbouwing van haar beroep stelt VEWA met name dat artikel 4 van het koninklijk besluit, waar het een forfaitaire vergoeding van 1 EUR per jaar en per persoon vaststelt, indruist tegen de bepalingen van richtlijn 92/100 die verlangen dat voor uitlening of verhuur een „billijke vergoeding” wordt betaald.

18      De verwijzende rechter wijst erop dat in de artikelen 4, lid 1, en 8, lid 2, van richtlijn 92/100 sprake is van een „billijke vergoeding”, terwijl artikel 5, lid 1, van deze richtlijn slechts gewag maakt van een „vergoeding”. Hij stelt verder dat het Hof weliswaar reeds het begrip „billijke vergoeding” als bedoeld in artikel 8, lid 2, van deze richtlijn heeft uitgelegd (arrest van 6 februari 2003, SENA, C‑245/00, Jurispr. blz. I‑1251), en uitspraak heeft gedaan over artikel 5, lid 3, van richtlijn 92/100, dat ziet op de mogelijkheid om bepaalde categorieën instellingen van de verplichting tot betaling van een vergoeding vrij te stellen (arrest van 26 oktober 2006, Commissie/Spanje, C‑36/05, Jurispr. blz. I‑10313), maar zich nog nooit heeft uitgesproken over het begrip „vergoeding” in artikel 5, lid 1, van deze richtlijn.

19      Daarop heeft de Raad van State de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Verzet artikel 5, lid 1, van richtlijn [92/100], thans artikel 6, lid 1, van richtlijn [2006/115], [...] zich tegen een nationale bepaling die als vergoeding een forfaitair bedrag van 1 EUR per volwassen persoon per jaar en van 0,5 EUR per minderjarige persoon per jaar vaststelt?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

20      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 1, van richtlijn 92/100 zich verzet tegen een wettelijke regeling als die in het hoofdgeding, die een stelsel invoert waarbij de vergoeding die bij openbare uitlening aan auteurs is verschuldigd uitsluitend wordt berekend op basis van het aantal in de openbare instellingen ingeschreven leners en een per jaar per lener vastgesteld forfaitair bedrag.

21      Er zij meteen aan herinnerd dat auteurs volgens artikel 1, lid 1, van richtlijn 92/100 een uitsluitend recht hebben om uitlening toe te staan of te verbieden. Aangaande meer bepaald het openbare-uitleenrecht bepaalt artikel 5, lid 1, van richtlijn 92/100 evenwel dat de lidstaten van dit uitsluitende recht kunnen afwijken.

22      Aangezien de toepassing van deze facultatieve afwijking een inbreuk op het uitsluitende recht van de auteurs betekent doordat hun het recht wordt ontnomen om een bepaalde vorm van uitlening toe te staan of te verbieden, wordt deze mogelijkheid afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de auteurs een vergoeding voor die uitlening krijgen.

23      Teneinde, om te beginnen, uit te maken wie de bij openbare uitlening aan auteurs verschuldigde vergoeding moet betalen, zij benadrukt dat uitlening in artikel 1, lid 3, van richtlijn 92/100 wordt gedefinieerd als het voor gebruik ter beschikking stellen van zaken voor een beperkte tijd en zonder economisch of commercieel voordeel, indien dat plaatsvindt via voor het publiek toegankelijke instellingen. Uit deze definitie en het doel van deze richtlijn kan worden afgeleid dat het ter beschikking stellen van zaken door openbare instellingen die de uitlening daarvan mogelijk maken, de activiteit is die aan de verplichting tot betaling van de aan auteurs verschuldigde vergoeding ten grondslag ligt, en niet de concrete uitlening van bepaalde zaken door in dergelijke instellingen ingeschreven personen. Bijgevolg moet de aan auteurs verschuldigde vergoeding in beginsel worden betaald door de instellingen die deze zaken ter beschikking stellen.

24      Deze conclusie wordt impliciet bevestigd door artikel 5, lid 3, van richtlijn 92/100, op grond waarvan de lidstaten bepaalde categorieën uitleeninstellingen van betaling van de vergoeding kunnen vrijstellen.

25      Wat voorts het begrip vergoeding betreft, heeft het Hof al geoordeeld dat met het oog op de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en het beginsel van gelijke behandeling, als algemene regel dient te gelden dat de bewoordingen van een gemeenschapsrechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling (zie met name arrest van 9 november 2000, Yiadom, C‑357/98, Jurispr. blz. I‑9265, punt 26, en arrest SENA, reeds aangehaald, punt 23).

26      Dit is het geval bij het begrip „vergoeding” in artikel 5, lid 1, van richtlijn 92/100, dat in deze richtlijn niet wordt gedefinieerd (zie met betrekking tot het begrip „billijke vergoeding” naar analogie reeds aangehaald arrest SENA, punt 24).

27      Aangaande de context van het begrip vergoeding zij erop gewezen dat richtlijn 92/100 niet de enige tekst op het gebied van intellectuele eigendom is en dat dit begrip, gelet op de vereisten die voortvloeien uit de eenheid en de samenhang van de rechtsorde van de Unie, moet worden uitgelegd in het licht van de in het geheel van de richtlijnen betreffende intellectuele eigendom neergelegde regels en beginselen, zoals die door het Hof zijn uitgelegd.

28      In dit verband heeft het Hof bij de uitlegging van het begrip „billijke compensatie” voor de reproductie door kopiëren voor privégebruik als bedoeld in artikel 5, lid 2, sub b, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10), reeds geoordeeld dat deze compensatie tot doel heeft de auteurs naar behoren te vergoeden voor het gebruik dat zonder hun toestemming van hun beschermde werken wordt gemaakt, zodat zij moet worden beschouwd als compensatie voor het nadeel dat de auteur als gevolg van de reproductiehandeling ondervindt (zie in die zin arrest van 21 oktober 2010, Padawan, C‑467/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 39 en 40).

29      Hoewel de communautaire wetgever in het kader van richtlijn 92/100, waar hij voorziet in een afwijking van het uitsluitende recht van de auteurs, het woord „vergoeding” en niet het woord „compensatie” zoals in richtlijn 2001/29 heeft gebruikt, heeft ook het begrip „vergoeding” tot doel, een schadevergoeding voor de auteurs in te voeren, aangezien zij in een vergelijkbare situatie moet worden betaald, namelijk wanneer werken zonder de toestemming van de auteurs worden gebruikt voor openbare uitlening, zodat zij nadeel lijden.

30      Voorts zij erop gewezen dat in artikel 5, lid 1, van richtlijn 92/100 slechts sprake is van een „vergoeding”, terwijl artikel 4, lid 1, van deze richtlijn, dat de verhuur betreft, systematisch een „billijke vergoeding” vermeldt. Het begrip „billijke vergoeding” wordt ook gebruikt in artikel 8, lid 2, van deze richtlijn, dat ziet op de uitzending en de mededeling aan het publiek. Dit verschil qua formulering alleen al impliceert dat deze twee begrippen niet op dezelfde wijze moeten worden uitgelegd.

31      Verder blijkt uit de achttiende overweging van de considerans van richtlijn 92/100 dat voor openbare uitlening een bijzondere regeling moet worden ingevoerd om de rechten van de auteurs te beschermen. Bijgevolg wordt de regeling inzake openbare uitlening geacht zich te onderscheiden van de andere in deze richtlijn vastgestelde regelingen. Hetzelfde moet gelden voor de verschillende aspecten van die regelingen, waaronder dat van de vergoeding van de auteurs.

32      Wat ten slotte de hoogte van de vergoeding betreft, zij erop gewezen dat het Hof aangaande het begrip „billijke vergoeding” in artikel 8, lid 2, van richtlijn 92/100 reeds heeft geoordeeld dat deze vergoeding impliceert dat de billijkheid ervan met name moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de waarde van het gebruik van een beschermde zaak in het handelsverkeer (zie in die zin reeds aangehaald arrest SENA, punt 37).

33      Zoals in punt 23 van het onderhavige arrest is uiteengezet, heeft de uitlening overeenkomstig artikel 1, lid 3, van richtlijn 92/100 evenwel geen direct of indirect economisch of commercieel doel. In die omstandigheden kan het gebruik van een beschermde zaak bij openbare uitlening niet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de waarde ervan in het handelsverkeer. Bijgevolg zal het bedrag van de vergoeding noodzakelijkerwijs geringer zijn dan dat van een billijke vergoeding of zal het zelfs forfaitair kunnen worden vastgesteld teneinde de terbeschikkingstelling van alle betrokken beschermde zaken te compenseren.

34      Dit gezegd zijnde, moet de vast te stellen vergoeding conform de zevende overweging van de considerans van richtlijn 92/100 het de auteurs mogelijk maken een passend inkomen te ontvangen. Het kan dus niet om een zuiver symbolisch bedrag gaan.

35      Aangaande meer bepaald de criteria voor de vaststelling van de hoogte van de bij openbare uitlening aan auteurs verschuldigde vergoeding, zij in herinnering gebracht dat er geen enkele objectieve reden is voor de vaststelling door de gemeenschapsrechter van precieze methodes ter bepaling van een uniforme vergoeding, waardoor het Hof zich noodzakelijkerwijs in de plaats zou moeten stellen van de lidstaten, waaraan richtlijn 92/100 geen enkel bijzonder criterium oplegt. Het staat dus uitsluitend aan de lidstaten om op hun grondgebied de meest relevante criteria vast te stellen om er binnen de door het gemeenschapsrecht en met name door richtlijn 92/100 gestelde grenzen voor te zorgen dat dit communautaire begrip wordt geëerbiedigd (zie naar analogie reeds aangehaald arrest SENA, punt 34).

36      In dit verband laten de bewoordingen van artikel 5, lid 1, van richtlijn 92/100 de lidstaten een ruime beoordelingsmarge. Zij kunnen de hoogte van de bij openbare uitlening aan auteurs verschuldigde vergoeding namelijk vaststellen rekening houdend met hun eigen doelstellingen voor bevordering van culturele activiteiten.

37      Aangezien de vergoeding, zoals in de punten 28 en 29 van het onderhavige arrest is geconstateerd, de compensatie vormt voor het nadeel dat auteurs ondervinden als gevolg van het feit dat hun werken zonder hun toestemming worden gebruikt, kan de hoogte van deze vergoeding evenwel niet worden bepaald zonder dat in het minst acht wordt geslagen op de bestanddelen van een dergelijk nadeel. Daar dit nadeel resulteert uit openbare uitlening, dat wil zeggen de terbeschikkingstelling van beschermde zaken door voor het publiek toegankelijke instellingen, moet bij de bepaling van de hoogte van de verschuldigde vergoeding rekening worden gehouden met de omvang van deze terbeschikkingstelling.

38      Hoe meer beschermde zaken door een openbare-uitleeninstelling ter beschikking worden gesteld, des te groter is namelijk de aantasting van de auteursrechten. Bij de vaststelling van de hoogte van de door een dergelijke instelling te betalen vergoeding moet dan ook het aantal aan het publiek ter beschikking gestelde zaken in aanmerking worden genomen, zodat grote openbare-uitleeninstellingen een hogere vergoeding dienen te betalen dan kleinere instellingen.

39      Evenzeer relevant is voorts het betrokken publiek, te weten het aantal bij een uitleeninstelling ingeschreven leners. Hoe meer personen tot de beschermde zaken toegang hebben, des te groter is namelijk de aantasting van de rechten van de auteurs. Bijgevolg moet bij de bepaling van de hoogte van de aan de auteurs te betalen vergoeding tevens rekening worden gehouden met het aantal bij die instelling ingeschreven leners.

40      In het hoofdgeding staat vast dat het bij het koninklijk besluit ingevoerde stelsel rekening houdt met het aantal in de openbare-uitleeninstellingen ingeschreven leners, maar niet met het aantal aan het publiek ter beschikking gestelde zaken. Zodoende wordt niet voldoende rekening gehouden met de omvang van het door de auteurs geleden nadeel, en evenmin met het beginsel dat de auteurs een vergoeding moeten ontvangen die gelijkstaat met een passend inkomen als bedoeld in de zevende overweging van de considerans van richtlijn 92/100.

41      Voorts bepaalt artikel 4, derde alinea, van dit besluit dat wanneer een persoon in meer dan een uitleeninstelling ingeschreven is, de vergoeding voor die persoon slechts eenmaal verschuldigd is. Dienaangaande heeft VEWA ter terechtzitting uiteengezet dat 80 % van de instellingen in de Franse Gemeenschap van België te kennen geeft dat een groot gedeelte van hun lezers ook bij andere uitleeninstellingen is ingeschreven en dat bij de betaling van de vergoeding van de betrokken auteur met deze lezers dus geen rekening wordt gehouden.

42      In die omstandigheden kan dat stelsel ertoe leiden dat vele instellingen feitelijk nagenoeg worden vrijgesteld van de verplichting tot betaling van enige vergoeding. Een dergelijke feitelijke vrijstelling is echter niet in overeenstemming met artikel 5, lid 3, van richtlijn 92/100, zoals uitgelegd door het Hof. Volgens die bepaling kan slechts een beperkt aantal categorieën instellingen die op grond van artikel 5, lid 1, van richtlijn 92/100 potentieel een vergoeding dienen te betalen, van deze verplichting worden vrijgesteld (zie reeds aangehaald arrest Commissie/Spanje, punt 32).

43      Gelet op een en ander moet de gestelde vraag bijgevolg aldus worden beantwoord dat artikel 5, lid 1, van richtlijn 92/100 zich verzet tegen een wettelijke regeling als die in het hoofdgeding, die een stelsel invoert waarbij de vergoeding die bij openbare uitlening aan de auteurs verschuldigd is uitsluitend wordt berekend op basis van het aantal in de openbare instellingen ingeschreven leners en een per jaar per lener vastgesteld forfaitair bedrag.

 Kosten

44      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 5, lid 1, van richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom, verzet zich tegen een wettelijke regeling als die in het hoofdgeding, die een stelsel invoert waarbij de vergoeding die bij openbare uitlening aan de auteurs verschuldigd is uitsluitend wordt berekend op basis van het aantal in de openbare instellingen ingeschreven leners en een per jaar per lener vastgesteld forfaitair bedrag.

ondertekeningen


* Procestaal: Nederlands.