ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

9 juni 2010 ( *1 )

In zaak T-138/09,

Félix Muñoz Arraiza, wonende te Logroño (Spanje), vertegenwoordigd door J. Grimau Muñoz en J. Villamor Muguerza, advocaten,

verzoeker,

tegen

Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM), vertegenwoordigd door J. F. Crespo Carrillo als gemachtigde,

verweerder,

andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniënt voor het Gerecht:

Consejo Regulador de la Denominación de Origen Calificada Rioja, gevestigd te Logroño, vertegenwoordigd door J. I. Martínez De Torre, advocaat,

betreffende een beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 29 januari 2009 (zaak R 721/2008-2) inzake een oppositieprocedure tussen de Consejo Regulador de la Denominación de Origen Calificada Rioja en Félix Muñoz Arraiza,

wijst HET GERECHT (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras (rapporteur), kamerpresident, M. Prek en V. M. Ciucă, rechters,

griffier: E. Coulon,

gezien het op 7 april 2009 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

gezien de op 28 juli 2009 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van het BHIM,

gezien de op 17 juli 2009 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van interveniënt,

gelet op de omstandigheid dat geen van de partijen om vaststelling van een terechtzitting heeft verzocht binnen een maand na de betekening van de sluiting van de schriftelijke behandeling, en dus op rapport van de rechter-rapporteur overeenkomstig artikel 135 bis van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is besloten om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

1

Op 12 november 2004 heeft verzoeker, Félix Muñoz Arraiza, bij het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) een gemeenschapsmerkaanvraag ingediend krachtens verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), zoals gewijzigd [vervangen door verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1)].

2

De inschrijvingsaanvraag betreft het woordteken RIOJAVINA.

3

De waren en diensten waarvoor deze aanvraag werd ingediend, behoren tot de klassen 29, 30 en 35 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij zijn, na de afbakening die tijdens de procedure voor het BHIM heeft plaatsgevonden, omschreven als volgt:

klasse 29: „Conserven, eetbare oliën en vetten afkomstig uit de streek Rioja”;

klasse 30: „Azijn, koffie, thee, cacao, suiker, rijst, tapioca, sago, koffiesurrogaten, meel en graanpreparaten, brood, banketbakkers- en suikerbakkerswaren, consumptie-ijs, honing, melassestroop, gist, rijsmiddelen, zout, mosterd, sausen (waaronder sausen voor salades), specerijen, ijs”;

klasse 35: „Commercieel alleenrecht, vertegenwoordiging, groothandel en detailhandel, export, import; al het voorafgaande met betrekking tot conserven, eetbare oliën en vetten, azijn, koffie, thee, cacao, suiker, rijst, tapioca, sago, koffiesurrogaten, meel- en graanpreparaten, brood, banketbakkers- en suikerbakkerswaren, consumptie-ijs, honing, melassestroop, gist, rijsmiddelen, zout, mosterd, sausen (waaronder sausen voor salades), specerijen en ijs”.

4

De gemeenschapsmerkaanvraag is in het Blad van gemeenschapsmerken nr. 44/2005 van 31 oktober 2005 gepubliceerd.

5

Op 9 november 2005 heeft interveniënt, de Consejo Regulador de la Denominación de Origen Calificada Rioja (hierna: „CRD”), op grond van artikel 42 van verordening nr. 40/94 (thans artikel 41 van verordening nr. 207/2009) oppositie ingesteld tegen de inschrijving van het aangevraagde merk voor de in punt 3 hierboven bedoelde waren en diensten.

6

De oppositie was gebaseerd op de volgende oudere merken:

collectief gemeenschapsmerk nr. 226118, dat hieronder is afgebeeld:

Image

internationaal merk nr. 655291, dat hieronder is afgebeeld:

Image

de overige merken nrs. 1310420, 1697823, 1697824, 1762252, 1762253, 1805183, 1927658, 2114068, 2114069, 2196310, 2261844, 188572, 6/1983, 92335, 470948, 177233, 655291 en 1511318.

7

De oppositie, die was gebaseerd op alle waren en diensten die door de oudere inschrijvingen worden aangeduid en meer bepaald, wat het onderhavige beroep betreft, op wijn, behorend tot klasse 33, was gericht tegen alle waren en diensten waarop de merkaanvraag betrekking had.

8

Ter onderbouwing van zijn oppositie heeft de CRD zich met name beroepen op de relatieve weigeringsgrond van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 [thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009].

9

Op 19 maart 2008 heeft de oppositieafdeling de oppositie gedeeltelijk toegewezen op basis van die bepaling, voor zover deze oppositie was gericht tegen de volgende waren en diensten waarop de merkaanvraag betrekking had:

azijn, behorend tot klasse 30;

commercieel alleenrecht, vertegenwoordiging, groothandel en detailhandel, export, import, al het voorafgaande met betrekking tot azijn, behorend tot klasse 35.

10

De oppositieafdeling heeft de oppositie afgewezen voor alle overige waren en diensten waarop de merkaanvraag betrekking had, op grond dat er geen sprake was van overeenstemming van deze waren en diensten met de waren die door de oudere merken worden aangeduid.

11

Op 5 mei 2008 heeft verzoeker krachtens de artikelen 57 tot en met 62 van verordening nr. 40/94 (thans de artikelen 58 tot en met 64 van verordening nr. 207/2009) bij het BHIM beroep ingesteld tegen de beslissing van de oppositieafdeling, voor zover deze beslissing de oppositie gedeeltelijk toewees voor bepaalde waren en diensten.

12

Bij beslissing van 29 januari 2009 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de tweede kamer van beroep van het BHIM het standpunt van de oppositieafdeling bevestigd en dat beroep verworpen.

13

Wat de vergelijking van de waren en diensten betreft, heeft de kamer van beroep evenals de oppositieafdeling geoordeeld dat er een geringe mate van overeenstemming van azijn en wijn bestaat. Zij heeft bovendien geoordeeld dat het commercieel alleenrecht, de vertegenwoordiging, de groothandel en detailhandel, de export en de import, al het voorafgaande met betrekking tot azijn, eveneens een geringe mate van overeenstemming met wijn vertoont, om de redenen die de oppositieafdeling in haar beslissing heeft uiteengezet en die verzoeker niet heeft bestreden voor de kamer van beroep.

14

Wat de vergelijking van de tekens betreft, heeft de kamer van beroep, die uitsluitend het oudere collectieve gemeenschapsmerk nr. 226118 in aanmerking heeft genomen omdat dit merk dezelfde waren aanduidt en hetzelfde dominerende bestanddeel „rioja” bezit als het oudere internationale merk nr. 655291, de beoordeling van de oppositieafdeling dat de conflicterende merken een hoge mate van overeenstemming vertonen op visueel, fonetisch en begripsmatig vlak, bevestigd.

15

De kamer van beroep heeft geoordeeld dat de geringe mate van soortgelijkheid van de aangeduide waren en diensten wordt gecompenseerd door de hoge mate van overeenstemming van de conflicterende merken, zodat de Europese consument gemakkelijk kan denken dat de betrokken azijn en de betrokken diensten, die onder het merk RIOJAVINA worden verhandeld, afkomstig zijn van dezelfde ondernemingen die eigenaar zijn van wijnmakerijen waar wijn wordt geproduceerd die onder het oudere merk nr. 226118 wordt verhandeld, welk risico des te groter is omdat de Rioja-wijnen een reputatie genieten.

16

De kamer van beroep heeft opgemerkt dat de omstandigheid dat verzoeker houder is van een ouder Spaans merk RIOJAVINA om azijn aan te duiden, dat gelijk is aan het aangevraagde gemeenschapsmerk, niet eraan in de weg staat dat het oudere merk nr. 226118 van de CRD zijn juridische kwalificatie en werking bezit als merk dat ouder is dan het aangevraagde gemeenschapsmerk, en zich niet ertegen verzet dat de CRD zich op dit oudere merk beroept ter onderbouwing van de oppositie.

17

De gestelde omstandigheid dat het Spaanse merk RIOJAVINA van verzoeker heeft bestaan naast het oudere merk nr. 226118 van de CRD, houdt niet in dat er geen sprake was van verwarring in Spanje en daaruit blijkt vooral niet dat er geen sprake kan zijn van verwarringsgevaar in de overige lidstaten van de Europese Unie.

Conclusies van partijen

18

Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:

de bestreden beslissing te vernietigen en de inschrijving van het aangevraagde merk voor de klassen 29, 30 en 35 te aanvaarden;

het BHIM te verwijzen in de kosten.

19

Het BHIM en de CRD concluderen dat het het Gerecht behage:

het beroep te verwerpen;

verzoeker te verwijzen in de kosten.

In rechte

20

Verzoeker voert één middel aan, ontleend aan schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94.

21

Om te beginnen heeft het onderhavige beroep, gelet op de omstandigheid dat het BHIM de oppositie slechts gedeeltelijk heeft toegewezen en de beoordeling van de kamer van beroep om redenen van proceseconomie was beperkt tot de vergelijking van het aangevraagde merk met het oudere merk nr. 226118 alleen, uitsluitend betrekking op het bestaan van een gevaar voor verwarring tussen enerzijds het woordmerk RIOJAVINA, dat is aangevraagd voor „azijn”, behorend tot klasse 30, en „commercieel alleenrecht, vertegenwoordiging, groothandel en detailhandel, export, import; al het voorafgaande met betrekking tot azijn”, behorend tot klasse 35, en anderzijds het oudere merk nr. 226118 van de CRD, dat is ingeschreven voor wijn, behorend tot klasse 33.

22

Het oudere merk nr. 226118 is een collectief gemeenschapsmerk in de zin van artikel 64 van verordening nr. 40/94 (thans artikel 66 van verordening nr. 207/2009). Overeenkomstig de bepalingen van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 40/94 juncto artikel 64, lid 3, van deze verordening (thans artikel 66, lid 3, van verordening nr. 207/2009), komt dit merk zoals elk gemeenschapsmerk in aanmerking voor bescherming tegen elke aantasting die zou voortvloeien uit de inschrijving van een gemeenschapsmerk waarbij gevaar voor verwarring bestaat.

23

Verzoeker betoogt echter dat er in casu geen sprake kan zijn van verwarringsgevaar. In de eerste plaats immers is de CRD, die een administratieve eenheid en meer bepaald een gedecentraliseerde instelling van het Spaanse ministerie van Milieu, Landbouw- en zeemilieu is, die belast is met het toezicht op de kwaliteit van de Rioja-wijn, en niet een producent van Rioja-wijn, geen onderneming waarmee verzoeker kan trachten te concurreren. In de tweede plaats kan moeilijk worden ingezien hoe een consument kan denken dat de waren van verzoeker van een dergelijke administratieve eenheid afkomstig zijn.

24

Wat het eerste punt betreft, dient te worden opgemerkt dat indien verzoeker van mening was dat het oudere merk niet normaal was gebruikt door de houder ervan of, gelet op de omstandigheid dat het om een collectief merk gaat, door een ieder die het mag gebruiken [zie artikel 65, lid 2, en artikel 68 van verordening nr. 40/94 (thans respectievelijk artikel 67, lid 2, en artikel 70 van verordening nr. 207/2009)], hij overeenkomstig artikel 43, lid 2, van verordening nr. 40/94 (thans artikel 42, lid 2, van verordening nr. 207/2009) moest verzoeken om bewijs van het normale gebruik van dit merk. Aangezien hij geen verzoek in die zin heeft ingediend, kan verzoeker niet betwisten dat het oudere merk nr. 226118 kan worden gebruikt om de waren aan te duiden waarvoor het is ingeschreven, te weten wijn.

25

Wat het tweede punt betreft, is er sprake van verwarringsgevaar wanneer het publiek kan denken dat de betrokken waren of diensten van dezelfde onderneming of van economisch verbonden ondernemingen afkomstig zijn [zie arrest Gerecht van 9 juli 2003, Laboratorios RTB/BHIM — Giorgio Beverly Hills (GIORGIO BEVERLY HILLS), T-162/01, Jurispr. blz. II-2821, punt 30, en aldaar aangehaalde rechtspraak].

26

Bijgevolg is de precieze commerciële herkomst die het relevante publiek zal toekennen aan de waren of diensten die door elk van de twee conflicterende merken worden aangeduid, weinig relevant voor de vraag of er gevaar voor verwarring van deze merken bestaat. Van belang is de vraag of het relevante publiek deze commerciële herkomst in beide gevallen als dezelfde zou kunnen waarnemen.

27

In casu vormt het oudere merk nr. 226118 voor het relevante publiek, dat bestaat uit zowel het grote publiek in het algemeen als het gespecialiseerde publiek van de Unie, een aanduiding van de commerciële herkomst van de wijn die dit merk draagt. Ongeacht de precieze commerciële herkomst van deze waren, dat wil zeggen zonder dat hoeft te worden bepaald of dit publiek zal denken dat de door het oudere merk aangeduide wijn afkomstig is van de CRD of van een onderneming, kan a priori niet worden uitgesloten dat wanneer er sprake is van gelijkheid of overeenstemming van de conflicterende merken en van gelijkheid of soortgelijkheid van de waren en diensten die zij aanduiden, diezelfde commerciële herkomst door ditzelfde publiek wordt toegekend aan de waren en diensten die door het aangevraagde merk worden aangeduid, hetgeen zou betekenen dat er gevaar voor verwarring bestaat.

28

Anders dan verzoeker beweert, betekent de omstandigheid dat de CRD geen Rioja-wijn produceert, bijgevolg op zich geenszins dat er geen sprake kan zijn van gevaar voor verwarring.

29

Er dient dus te worden onderzocht of, zoals verzoeker beweert, de kamer van beroep ten onrechte de beoordeling van de oppositieafdeling inzake het bestaan van verwarringsgevaar in de onderhavige zaak heeft bevestigd.

30

Volgens artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 wordt na oppositie door de houder van een ouder merk inschrijving van het aangevraagde merk geweigerd wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met dit oudere merk en betrekking heeft op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan op het grondgebied waarop het oudere merk wordt beschermd. Gevaar voor verwarring omvat het gevaar voor associatie met het oudere merk.

31

Het is vaste rechtspraak dat er sprake is van verwarringsgevaar wanneer het publiek kan denken dat de betrokken waren of diensten van dezelfde onderneming of van economisch verbonden ondernemingen afkomstig zijn. Blijkens diezelfde rechtspraak dient het verwarringsgevaar globaal te worden beoordeeld, met inachtneming van de wijze waarop het relevante publiek de betrokken tekens en waren of diensten waarneemt en van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de onderlinge samenhang tussen de overeenstemming van de tekens en de soortgelijkheid van de waren of diensten waarop zij betrekking hebben [zie arrest GIORGIO BEVERLY HILLS, punt 25 hierboven, punten 30-33, en aldaar aangehaalde rechtspraak].

32

Volgens de rechtspraak dient in het kader van de globale beoordeling van het verwarringsgevaar rekening te worden gehouden met de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument van de betrokken waren- of dienstencategorie. Er dient ook rekening mee te worden gehouden dat het aandachtsniveau van de gemiddelde consument kan variëren naargelang van de categorie waren of diensten waarom het gaat [zie arrest Gerecht van 13 februari 2007, Mundipharma/BHIM — Altana Pharma (RESPICUR), T-256/04, Jurispr. blz. II-449, punt 42, en aldaar aangehaalde rechtspraak].

33

Gelet op de aard van de aan de orde zijnde waren en diensten is het relevante publiek, zoals reeds in punt 27 hierboven is vermeld, zowel het publiek in het algemeen als het gespecialiseerde publiek van de Unie.

34

Wat in de eerste plaats de vergelijking van de waren betreft, heeft de kamer van beroep terecht geconcludeerd dat er een geringe mate van overeenstemming van azijn en wijn bestaat.

35

Ook al is azijn, anders dan wijn, geen drank, kunnen deze waren immers allebei worden gebruikt bij de bereiding van voeding. Bovendien komt azijn doorgaans voort uit de azijnzure gisting van wijn.

36

In dit verband doet het argument van verzoeker dat azijn kan worden geproduceerd uit andere hydro-alcoholische oplossingen dan wijn en dat zo diverse soorten azijn kunnen worden verkregen (ciderazijn, fruitazijn, alcoholazijn, graanazijn, moutazijn, honingazijn, melkweiazijn), niet af aan de omstandigheid dat, zoals de kamer van beroep heeft geconstateerd en zonder dat dit voor het Gerecht is betwist, de meest geproduceerde en verbruikte azijn wijnazijn is. Verzoeker heeft overigens uitdrukkelijk zijn bedoeling te kennen gegeven om onder het aangevraagde merk wijnazijn op de markt te brengen.

37

De verwijzingen van verzoeker naar de regels voor de productie (keuze van de gebruikte druifsoorten) en de rijping (opslag in eiken vaten en minimumduur van de rijping) van Rioja-wijnen, die nuttig kunnen zijn om een onderscheid te maken tussen Rioja-wijnen en andere wijnen, zijn daarentegen totaal irrelevant voor de enige vraag die in casu aan de orde is, te weten of azijn en wijn soortgelijke waren zijn.

38

Het arrest van het Gerecht van 15 februari 2007, Bodegas Franco-Españolas/BHIM — Companhia Geral da Agricultura das Vinhas do Alto Douro (ROYAL) (T-501/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), waarnaar wordt verwezen, heeft betrekking op een zaak die totaal verschilt van de onderhavige zaak en doet niet af aan de gegrondheid van de beoordeling van de kamer van beroep.

39

Dat het Gerecht in die zaak, die betrekking had op een vermeend gevaar voor verwarring van een merk ROYAL, dat was aangevraagd voor Rioja-wijn, met een ouder merk ROYAL FEITORIA, dat was ingeschreven voor portwijn, heeft geoordeeld dat Rioja-wijn en portwijn weliswaar beide alcoholhoudende dranken zijn, maar slechts een geringe mate van soortgelijkheid vertonen omdat zij notoire verschillen hebben waarmee de gemiddelde consument goed bekend is (de eerste wijn wordt tijdens de maaltijd gedronken, terwijl de tweede wijn als aperitief of digestief wordt gedronken), betekent immers geenszins dat het BHIM in casu voor azijn en wijn ten onrechte heeft vastgesteld dat voldoende elementen erop wezen dat deze laatste waren soortgelijk zijn, zij het in geringe mate.

40

Gelet op het voorgaande doen de argumenten van verzoeker niet af aan de gegrondheid van de beoordeling van de kamer van beroep over het bestaan van een geringe mate van soortgelijkheid van azijn en wijn.

41

Met betrekking tot de diensten waarop de merkaanvraag betrekking heeft en waarvoor de oppositie is toegewezen, te weten „commercieel alleenrecht, vertegenwoordiging, groothandel en detailhandel, export, import; al het voorafgaande met betrekking tot azijn”, behorend tot klasse 35, heeft de kamer van beroep de vaststellingen van de oppositieafdeling dat deze diensten ook een geringe mate van soortgelijkheid met wijn vertonen, in wezen omdat de verhandelingsactiviteiten binnen de ondernemingen van de azijn- en de wijnsector aanvullend en bijkomend zijn, bevestigd.

42

Evenals het BHIM stelt het Gerecht vast dat verzoeker geen enkel argument aanvoert dat deze beoordeling van de kamer van beroep aan de orde stelt met betrekking tot de diensten, aangezien verzoeker uitsluitend de beoordeling van de kamer van beroep met betrekking tot de waren (azijn en wijn) betwist.

43

Bovendien heeft de kamer van beroep, gelet op de nauwe band tussen een waar en de verhandeling ervan, na juist te hebben vastgesteld dat er een geringe mate van soortgelijkheid van azijn en wijn is, terecht ook geconcludeerd dat er sprake is van eenzelfde mate van soortgelijkheid van de verhandelingsdiensten waarvan uitdrukkelijk is gespecificeerd dat deze „met betrekking tot azijn” zijn — te weten „commercieel alleenrecht, vertegenwoordiging, groothandel en detailhandel, export, import; al het voorafgaande met betrekking tot azijn”, behorend tot klasse 35 — en wijn.

44

Verzoeker heeft dus niet aangetoond dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat de waren en diensten waarop de merkaanvraag betrekking had en waarvoor de oppositie was toegewezen, soortgelijk zijn, zij het in geringe mate, met de waar waarop het oudere merk betrekking heeft.

45

Wat in de tweede plaats de vergelijking van de tekens betreft, dient de globale beoordeling van het verwarringsgevaar, wat de visuele, fonetische of begripsmatige overeenstemming van de conflicterende tekens betreft, te berusten op de totaalindruk die door deze tekens wordt opgeroepen, waarbij in het bijzonder rekening dient te worden gehouden met hun onderscheidende en dominerende bestanddelen. De perceptie van de merken die de gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten heeft, speelt een beslissende rol bij de globale beoordeling van dit gevaar. In dit verband neemt de gemiddelde consument een merk gewoonlijk waar als een geheel en let hij niet op de verschillende details ervan (zie arrest Hof van 12 juni 2007, BHIM/Shaker, C-334/05 P, Jurispr. blz. I-4529, punt 35, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46

Bij de beoordeling van de overeenstemming van twee merken mag niet slechts één bestanddeel van een samengesteld merk in de beschouwing worden betrokken en worden vergeleken met een ander merk. Bij een dergelijke vergelijking moeten de betrokken merken juist elk in hun geheel worden onderzocht, hetgeen niet uitsluit dat de totaalindruk die een samengesteld merk bij het relevante publiek nalaat, in bepaalde omstandigheden door een of meerdere bestanddelen ervan kan worden gedomineerd (zie arrest BHIM/Shaker, punt 45 hierboven, punt 41, en aldaar aangehaalde rechtspraak). Alleen wanneer alle andere bestanddelen van het merk te verwaarlozen zijn, kan de overeenstemming op basis van enkel het dominerende bestanddeel worden beoordeeld (arrest BHIM/Shaker, reeds aangehaald, punt 42, en arrest Hof van 20 september 2007, Nestlé/BHIM, C-193/06 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 42). Dit kan onder meer het geval zijn wanneer dit bestanddeel op zichzelf het beeld van dit merk dat bij het relevante publiek in herinnering blijft, kan domineren, zodat alle andere bestanddelen van het merk verwaarloosbaar zijn voor de door dit merk opgeroepen totaalindruk (arrest Nestlé/BHIM, reeds aangehaald, punt 43).

47

In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep zich om redenen van proceseconomie beperkt tot een vergelijking van het aangevraagde merk met het oudere gemeenschapsmerk nr. 226118. Bij deze vergelijking heeft zij zich aangesloten bij de beoordeling van de oppositieafdeling dat deze merken op visueel, fonetisch en begripsmatig vlak een hoge mate van overeenstemming vertonen.

48

In dit verband heeft de kamer van beroep terecht geoordeeld dat het woordelement „rioja”, dat de twee conflicterende merken gemeen hebben, het dominerende bestanddeel van elk van deze merken is. Dit bestanddeel trekt immers de aandacht van het relevante publiek, zowel door de plaats ervan in deze merken (aan het begin van het aangevraagde merk en in het midden van het oudere merk), als door de — door partijen niet betwiste — reputatie die het geniet in het grootste deel van de Unie in verband met de Rioja-wijn.

49

Met betrekking tot de visuele overeenstemming dient, in wezen zoals de kamer van beroep, erop te worden gewezen dat de aanwezigheid in de conflicterende merken van het woordelement „rioja” — dit element komt aan het begin van het aangevraagde merk voor en is, wat het oudere gemeenschapsmerk nr. 226118 betreft, schuin en in grote letters in het midden van dit merk gedrukt — zorgt voor een zo niet hoge, op zijn minst aanzienlijke mate van visuele overeenstemming, ook al zijn er andere, minder belangrijke, bestanddelen aanwezig die de conflicterende merken van elkaar onderscheiden, te weten het woordelement „vina” aan het eind van het aangevraagde merk en de verschillende woord- en beeldelementen die in het oudere merk nr. 226118 het centrale element „rioja” omgeven.

50

De diverse verwijzingen van partijen naar bepaalde concrete modaliteiten voor de aanbrenging van de conflicterende merken op de aan de orde zijnde waren, waarbij verzoeker verwijst naar de aanbrenging van het oudere merk op grotere etiketten of op het achterste gedeelte van de flessen, en de CRD zich beroept op de grafische vormgeving die concreet door verzoeker wordt gebruikt voor het drukken van het aangevraagde woordmerk, zijn irrelevant voor de beoordeling van de visuele overeenstemming van de conflicterende merken, die plaatsvindt op basis van de tekens zoals die zijn ingeschreven of aangevraagd bij het BHIM.

51

Met betrekking tot de fonetische overeenstemming dient, in wezen zoals de kamer van beroep, te worden opgemerkt dat er een hoge mate van fonetische overeenstemming van de conflicterende merken bestaat omdat zij het woordelement „rioja” gemeen hebben. Het bestanddeel „vina” van het aangevraagde merk, dat zich aan het eind van het merk bevindt en daardoor fonetisch minder relevant is, doet niet aanzienlijk af aan deze fonetische overeenstemming. De vier bestanddelen „consejo”, „regulador”, „denominacion origen” en „calificada”, die op de vier zijden van het oudere merk zijn geplaatst en, voor twee daarvan, verticaal zijn geplaatst en dus moeilijk leesbaar zijn, zijn duidelijk bijkomstig in dit merk.

52

Met betrekking tot de begripsmatige overeenstemming dient de beoordeling van de kamer van beroep die in wezen inhoudt dat er een hoge mate van begripsmatige overeenstemming bestaat, te worden bevestigd. De term „riojavina” van het aangevraagde merk en de term „rioja” in het oudere merk, die zelf begripsmatig wordt versterkt door de afbeelding van een tros druiven en een wingerdblad, verwijzen immers voor het relevante publiek rechtstreeks naar wijnbouwproducten en meer bepaald naar de Rioja-wijn.

53

Uit het voorgaande volgt dat de kamer van beroep terecht heeft geconcludeerd dat er geen hoge mate van overeenstemming van de conflicterende merken bestaat.

54

Wat in de derde plaats de globale beoordeling van het verwarringsgevaar betreft, veronderstelt deze beoordeling een zekere onderlinge samenhang tussen de in aanmerking te nemen factoren, met name tussen de overeenstemming van de merken en de soortgelijkheid van de waren of diensten die zij aanduiden. Zo kan een geringe mate van soortgelijkheid van de aangeduide waren of diensten worden gecompenseerd door een hoge mate van overeenstemming van de merken, en omgekeerd [arrest Hof van 29 september 1998, Canon, C-39/97, Jurispr. blz. I-5507, punt 17; arrest Gerecht van 14 december 2006, Mast-Jägermeister/BHIM — Licorera Zacapaneca (VENADO met kader e.a.), T-81/03, T-82/03 en T-103/03, Jurispr. blz. II-5409, punt 74].

55

In casu wordt, zoals de kamer van beroep heeft geoordeeld, de geringe mate van soortgelijkheid van de betrokken waren en diensten gecompenseerd door de hoge mate van overeenstemming van de conflicterende merken, zodat het relevante publiek kan denken dat azijn en de onder het merk RIOJAVINA voorgestelde diensten inzake de verhandeling van azijn dezelfde commerciële herkomst hebben als wijn die onder het oudere gemeenschapsmerk nr. 226118 wordt verhandeld.

56

De omstandigheid dat verzoeker houder zou zijn van een Spaans merk RIOJAVINA en sinds meer dan 50 jaar onder dit merk azijn zou hebben verhandeld in Spanje, toont, gesteld dat deze bewezen is, geenszins aan dat er geen gevaar voor verwarring bij de Spaanse consument bestaat over de commerciële herkomst van de onder dit merk verhandelde azijn. Bovendien is het publiek ten aanzien waarvan het verwarringsgevaar wordt onderzocht, hoe dan ook niet het Spaanse publiek, maar, ruimer, het publiek van de Unie.

57

Met betrekking tot het argument dat de CRD het gebruik van het woord „rioja” niet kan trachten te monopoliseren in een sector, te weten die van azijn, waar hij geen enkele activiteit kan ontwikkelen, dient eraan te worden herinnerd dat artikel 12, sub b, van verordening nr. 40/94 (thans artikel 12, sub b, van verordening nr. 207/2009) bepaalt dat „[h]et aan het gemeenschapsmerk verbonden recht […] de houder niet toe[staat] een derde te verbieden om in het economisch verkeer gebruik te maken […] van aanduidingen inzake […] plaats van herkomst […] van de waren […] voor zover er sprake is van gebruik volgens de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel”.

58

Evenzo bepaalt artikel 64, lid 2, van verordening nr. 40/94 (thans artikel 66, lid 2, van verordening nr. 207/2009), volgens hetwelk „[i]n afwijking van artikel 7, lid 1, sub c, […] collectieve gemeenschapsmerken in de zin van lid 1 ook [kunnen] bestaan uit tekens of aanduidingen die in de handel kunnen wijzen op de plaats van herkomst van de waren of diensten”, dat „[e]en collectief merk […] de merkhouder niet toe[staat] een derde te verbieden om in het economisch verkeer deze tekens of aanduidingen te gebruiken, voor zover er sprake is van gebruik volgens de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel” en dat „met name […] een dergelijk merk niet [kan] worden ingeroepen tegen een derde die gerechtigd is een geografische benaming te gebruiken”.

59

Anders dan verzoeker lijkt te suggereren, beoogt de door de CRD ingestelde oppositieprocedure echter geenszins het gebruik van het woord „rioja” in strijd met voormelde bepalingen te monopoliseren, ongeacht of het om azijn of enige andere waar gaat.

60

Deze door de CRD ingestelde procedure heeft uitsluitend tot doel, de CRD er via artikel 8, lid 1, van verordening nr. 40/94 van te verzekeren dat de intellectuele-eigendomsrechten die voortvloeien uit de inschrijving van het oudere gemeenschapsmerk nr. 226118 worden beschermd tegen elke aantasting die het gevolg zou zijn van de inschrijving van een gemeenschapsmerk waarbij gevaar voor verwarring bestaat.

61

De gestelde omstandigheid dat de CRD zich niet heeft verzet tegen de inschrijving van andere gemeenschapsmerken die het woord „rioja” bevatten, waaronder een merk dat waren aanduidt die tot klasse 30 (azijn) behoren, is irrelevant voor de beoordeling van de enige vraag die in casu aan de orde is, te weten of er, zoals het BHIM in het kader van de door de CRD ingestelde oppositieprocedure tegen het door verzoeker aangevraagde merk heeft vastgesteld, een gevaar voor verwarring van dit aangevraagde merk met het oudere merk nr. 226118 bestaat.

62

Aangezien het BHIM, anders dan verzoeker betoogt, geen vergissing heeft begaan door vast te stellen dat er in casu verwarringsgevaar in de zin van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 bestaat, moet het enige middel van verzoeker, volgens hetwelk deze bepaling is geschonden, worden afgewezen.

63

Bijgevolg dient het onderhavige beroep, zonder dat behoeft te worden ingegaan op het verzoek van verzoeker inzake „[de aanvaarding van] de inschrijving van het aangevraagde merk voor de klassen 29, 30 en 35”, in zijn geheel te worden verworpen.

Kosten

64

Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vorderingen van het BHIM en de CRD te worden verwezen in hun kosten.

 

 

HET GERECHT (Vijfde kamer),

 

rechtdoende, verklaart:

 

1)

Het beroep wordt verworpen.

 

2)

Félix Muñoz Arraiza wordt verwezen in de kosten.

 

Vilaras

Prek

Ciucă

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 9 juni 2010.

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Spaans.