ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)

14 februari 2012 ( *1 )

„Staatssteun — Door Franse Republiek aangemelde herstructureringssteun voor fabrikant van grote elektrische huishoudelijke apparaten — Beschikking waarbij steun onder voorwaarden verenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard — Kennelijke beoordelingsfouten — Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun voor ondernemingen in moeilijkheden”

In de gevoegde zaken T-115/09 en T-116/09,

Electrolux AB, gevestigd te Stockholm (Zweden), vertegenwoordigd door F. Wijckmans en H. Burez, advocaten,

verzoekster in zaak T-115/09,

Whirlpool Europe BV, gevestigd te Breda (Nederland), aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Tuytschaever en B. Bellen, vervolgens door H. Burez en F. Wijckmans, advocaten,

verzoekster in zaak T-116/09,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Flynn en C. Giolito als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door G. de Bergues en A.-L. Vendrolini, vervolgens door G. de Bergues en J. Gstalter als gemachtigden,

en door

Fagor France SA, gevestigd te Rueil-Malmaison (Frankrijk), vertegenwoordigd door J. Derenne en A. Müller-Rappard, advocaten,

interveniënten,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2009/485/EG van de Commissie van 21 oktober 2008 betreffende de steunmaatregel C 44/07 (ex N 460/07) die Frankrijk voornemens is ten uitvoer te leggen ten gunste van de onderneming FagorBrandt (PB 2009, L 160, blz. 11),

wijst HET GERECHT (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Pelikánová, president, K. Jürimäe (rapporteur) en M. van der Woude, rechters,

griffier: V. Nagy, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 juni 2011,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

1

Verzoekster in zaak T-115/09, Electrolux AB, en verzoekster in zaak T-116/09, Whirlpool Europe BV (hierna: „Whirlpool”), zijn beide werkzaam in de sector van de vervaardiging van en de handel in grote elektrische huishoudelijke apparaten. Electrolux en Whirlpool (hierna, gezamenlijk: „verzoeksters”) zijn concurrenten van Fagor France SA (hierna: „FagorBrandt”).

2

Op 21 oktober 2008 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen beschikking 2009/485/EG betreffende de steunmaatregel C 44/07 (ex N 460/07) die Frankrijk voornemens [wa]s ten uitvoer te leggen ten gunste van de onderneming FagorBrandt (PB 2009, L 160, blz. 11; hierna: „bestreden beschikking”), vastgesteld.

3

De bestreden beschikking bestaat uit zeven delen. In het eerste deel, met het opschrift „Procedure”, herinnert de Commissie er allereerst aan dat de Franse Republiek op 6 augustus 2007 een steunmaatregel ten gunste van FagorBrandt (hierna: „betrokken steun”) bij haar heeft aangemeld. De Commissie wijst er vervolgens op dat zij op 10 oktober 2007 de Franse Republiek in kennis heeft gesteld van haar besluit om de in artikel 88, lid 2, EG bedoelde procedure in te leiden. Het besluit tot inleiding van de procedure (hierna: „inleidingsbesluit”) is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB C 275, blz. 18), en de belanghebbenden zijn uitgenodigd om hun opmerkingen over de betrokken steun in te dienen. Naast de opmerkingen van FagorBrandt, heeft de Commissie opmerkingen ontvangen van twee van haar concurrenten, Electrolux en een onderneming die anoniem wenst te blijven (hierna: „tweede verzoekster”) (punten 1-5 van de bestreden beschikking).

4

In het tweede deel van de bestreden beschikking, met het opschrift „Beschrijving”, stelt de Commissie met name vast dat de steun in kwestie herstructureringssteun is ten bedrage van 31 miljoen EUR, en dat deze steun is toegekend door het Franse ministerie voor Economische en Financiële Zaken en Werkgelegenheid. Zij merkt voorts op dat FagorBrandt indirect eigendom is van een coöperatieve onderneming naar Spaans recht, Fagor Electrodomésticos S. Coop (hierna: „Fagor”), die, op haar beurt, deel uitmaakt van de groep coöperaties Mondragón Corporación Cooperativa. Volgens de Commissie had FagorBrandt in 2007 een omzet van 903 miljoen EUR en is zij actief in drie grote productgroepen: wasmachines, koelapparaten en kooktoestellen (punten 6-9 van de bestreden beschikking).

5

In het derde deel van de bestreden beschikking, met het opschrift „Redenen voor de inleiding van de procedure”, somt de Commissie de vijf redenen op die haar hebben aangezet tot het vaststellen van het inleidingsbesluit. Zij overweegt, in de eerste plaats, dat er gevaar kon bestaan voor omzeiling van het in punt 12 van de Communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PB 2004, C 244, blz. 2; hierna: „richtsnoeren”) neergelegde verbod op herstructureringssteun voor pas opgerichte ondernemingen, gelet op het feit dat FagorBrandt in januari 2002 was opgericht. In de tweede plaats bestond er gevaar voor omzeiling van de verplichting tot terugbetaling van de steun die aan FagorBrandt was toegekend op grond van de regeling vrijstelling van belasting op ondernemingswinsten, welke vrijstelling haar was verleend krachtens artikel 44 septies van de code général des impôts français (Frans algemeen wetboek van belastingen) (hierna: „steun ex 44 septies”) en waarvan de Commissie bij beschikking 2004/343/EG van 16 december 2003 betreffende een steunmaatregel die ten uitvoer werd gelegd door Frankrijk voor de overname van ondernemingen in moeilijkheden (PB 2004, L 108, blz. 38) de terugvordering had gelast. In de derde plaats heeft de Commissie haar twijfels ten aanzien van de levensvatbaarheid van FagorBrandt op lange termijn. Dienaangaande wenste zij, enerzijds, nadere informatie te ontvangen over de verwachte groei van de omzet van FagorBrandt in 2007, die 20 % hoger zou zijn dan de omzet in 2006. Anderzijds heeft de Commissie FagorBrandt verzocht om uit te leggen hoe zij de onverenigbare steun die haar Italiaanse dochteronderneming FagorBrandt Italia had ontvangen (hierna: „onverenigbare Italiaanse steun”) ging terugbetalen. In de vierde plaats betwijfelt de Commissie eveneens of de in het kader van het herstructureringsplan getroffen compenserende maatregelen wel toereikend waren. In de vijfde plaats betwijfelt de Commissie of de eigen bijdrage van FagorBrandt kon voldoen aan de in de punten 43 en 44 van de richtsnoeren gestelde voorwaarden. Enerzijds preciseert zij in dit verband dat de Franse autoriteiten de terugbetaling van de steun ex 44 septies niet in de herstructureringskosten hebben meegerekend. Anderzijds hebben de Franse autoriteiten verzuimd de herkomst van bepaalde, als eigen bijdrage van FagorBrandt aangeduide bedragen toe te lichten (punten 11-16 van de bestreden beschikking).

6

In het vierde en vijfde deel van de bestreden beschikking, met de opschriften „Opmerkingen van belanghebbenden” en „Opmerkingen van Frankrijk”, zet de Commissie, enerzijds, uiteen waarom Electrolux en de tweede verzoekster van mening zijn dat in casu niet is voldaan aan de in de richtsnoeren gestelde voorwaarden, met name omdat de betrokken steun de concurrentie vervalst, niet tot het minimum is beperkt, en dient om de verplichting tot terugbetaling van eerdere, door de Commissie onrechtmatig verklaarde steun te omzeilen. Anderzijds wijst de Commissie erop dat de Franse Republiek en FagorBrandt hebben betoogd dat laatstgenoemde voldoet aan alle in de richtsnoeren gestelde voorwaarden om voor de betrokken steun in aanmerking te komen (punten 17-33 van de bestreden beschikking).

7

In het zesde deel van de bestreden beschikking, met het opschrift „Beoordeling van de steun”, stelt de Commissie, ten eerste, vast dat geen van de partijen heeft betwist dat de maatregel steun vormde in de zin van artikel 87, lid 1, EG (punt 34 van de bestreden beschikking).

8

Ten tweede is de Commissie van mening dat de betrokken steun alleen kan worden beoordeeld volgens de richtsnoeren, hetgeen noch de Franse Republiek, noch de bij de administratieve procedure belanghebbenden hebben betwist (punten 35 en 36 van de bestreden beschikking).

9

Ten derde onderzoekt de Commissie of FagorBrandt volgens de richtsnoeren in aanmerking komt voor herstructureringssteun. In dat kader is zij, enerzijds, van mening dat FagorBrandt voldoet aan de voorwaarden van de punten 11 en 13 van de richtsnoeren, aangezien haar moeilijkheden te groot waren geworden om door Fagor te kunnen worden opgelost. Anderzijds blijkt uit de financiële analyse van FagorBrandt, opgericht in januari 2002, dat die onderneming in de eerste drie jaar van haar bestaan niet als een onderneming in moeilijkheden kon worden beschouwd (punten 37-43 van de bestreden beschikking).

10

Ten vierde wijst de Commissie er, enerzijds, op dat de financiële moeilijkheden van FagorBrandt niet hoofdzakelijk voortvloeien uit de terugbetaling van de onverenigbare steun ex 44 septies en dat die onderneming, bijgevolg, in aanmerking komt voor herstructureringssteun. Anderzijds merkt zij op dat, overeenkomstig het arrest van het Hof van 15 mei 1997, TWD/Commissie (C-355/95 P, Jurispr. blz. I-2549; hierna: „arrest Deggendorf”, punten 25 en 26), niets belet dat de betrokken steunverlening wordt opgeschort tot de terugvordering van de steun ex 44 septies (punten 44-50 van de bestreden beschikking).

11

Ten vijfde onderzoekt de Commissie het herstructureringsplan en komt zij tot de conclusie dat dat plan de levensvatbaarheid van de onderneming op lange termijn kan herstellen. In dat kader merkt zij, enerzijds, met name op dat de omzet van FagorBrandt in 2007 niet met de door die onderneming in haar herstructureringsplan verwachte 20 % is gestegen, maar met 16 %. Anderzijds wijst zij erop dat, gezien het feit dat het herstructureringsplan niet aangeeft hoe FagorBrandt de onverenigbare Italiaanse steun ging terugbetalen, de Franse autoriteiten hebben aangegeven dat de terugvordering van die steun niet van invloed is op de financiële situatie van de groep, aangezien het terug te betalen steunbedrag waarschijnlijk minder dan 1 miljoen EUR zal bedragen. De Commissie overweegt dienaangaande, onder afwijzing van de tijdens de administratieve procedure door de tweede verzoekster aangevoerde argumenten, dat de door de Franse Republiek na de vaststelling van het inleidingsbesluit voorgestelde aanvullende compenserende maatregelen niet in de weg staan aan het herstel van de levensvatbaarheid van FagorBrandt, zelfs indien die maatregelen de onderneming zullen verzwakken (punten 51-71 van de bestreden beschikking).

12

Ten zesde wijst de Commissie er in wezen op dat hoewel de betrokken steun een concurrentieverstoring veroorzaakt, verschillende factoren de negatieve gevolgen ervan beperken. Om te beginnen bedraagt het marktaandeel van FagorBrandt in Europa ten hoogste 5 %. Het gezamenlijke marktaandeel van Fagor en FagorBrandt in Europa beloopt maximaal 8 %. Bovendien hebben vier van haar concurrententen marktaandelen van 10 % of meer. Voorts vertegenwoordigt de betrokken steun minder dan 4 % van de Europese omzet van FagorBrandt. Bovendien zijn, gezien de ongunstige effecten van de steun op de voorwaarden waaronder het handelsverkeer tussen de lidstaten plaatsvindt, reële, niet onaanzienlijke compenserende maatregelen noodzakelijk, die evenwel beperkt van omvang mogen zijn. Dienaangaande is de Commissie van mening dat de maatregelen tot sluiting van twee productielocaties in Frankrijk niet als compenserende maatregelen mogen worden aangemerkt. Het afstoten, in maart 2004, van de onderneming Brandt Components kan volgens de Commissie daarentegen wél als compenserende maatregel worden aangemerkt. Aangezien die enkele maatregel evenwel onvoldoende moet worden geacht, is het volgens de Commissie noodzakelijk om de door de Franse autoriteiten voorgestelde aanvullende compenserende maatregelen te onderzoeken. Zij is van mening dat de maatregel bestaande in de stopzetting van de levering van koelapparaten, kooktoestellen en vaatwasmachines van het merk Vedette gedurende vijf jaar de voorkeur moet krijgen boven de verkoop van het merk. In dat verband komt zij tot de conclusie dat dankzij de stopzetting van de levering van die producten gedurende vijf jaar, en dankzij het afstoten van de dochteronderneming Brandt Components een buitensporige vervalsing van de mededinging in de zin van de punten 38 tot en met 40 van de richtsnoeren kan worden voorkomen (punten 72-95 van de bestreden beschikking).

13

Wat, ten zevende, de verplichting betreft om het bedrag en de intensiteit van de steun, overeenkomstig de artikelen 43 tot en met 45 van de richtsnoeren, te beperken tot het strikt noodzakelijke minimum, herinnert de Commissie eraan dat zij dienaangaande in punt 44 van het inleidingsbesluit twee punten van twijfel heeft genoemd. De Franse autoriteiten hebben die punten van twijfel in hun opmerkingen naar aanleiding van het inleidingsbesluit van de Commissie weggenomen. Enerzijds bestaat de eigen bijdrage van de begunstigde van de betrokken steun uit bankleningen, voor een bedrag van tussen de 30 en 35 miljoen EUR, die op de markt worden opgenomen en waarvoor voorraden eindproducten als zekerheid zijn gesteld. Anderzijds was de terugbetaling van de steun ex 44 septies, ter hoogte van een bedrag tussen de 25 en 30 miljoen EUR, inclusief rente, opgenomen in het herstructureringsplan. Zelfs indien de terugbetaling van de steun, met rente, zou zijn opgenomen als herstructureringskosten, dan zou dit er niet toe leiden dat de eigen bijdrage van de begunstigde zou afnemen tot onder de drempel van 50 %, het niveau dat bij punt 44 van de richtsnoeren wordt voorgeschreven. De Commissie is voorts van mening dat de groep ook na de toekenning van de steun en na voltooiing van de herstructurering nog een aanzienlijke schuldenlast zal hebben (punten 96-104 van de bestreden beschikking).

14

In het zevende deel van de bestreden beschikking, met het opschrift „Conclusie”, overweegt de Commissie dat de betrokken steun onder bepaalde voorwaarden verenigbaar kan worden verklaard met de gemeenschappelijke markt.

15

Het dispositief van de bestreden beschikking luidt als volgt:

„Artikel 1

De steun die Frankrijk voornemens is ten uitvoer te leggen ten behoeve van de onderneming FagorBrandt voor een bedrag van 31 miljoen EUR is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt onder de in artikel 2 genoemde voorwaarden.

Artikel 2

1.   De Franse autoriteiten zijn gehouden de uitkering van de in artikel 1 van deze beschikking bedoelde steun aan de onderneming FagorBrandt op te schorten zolang de in beschikking 2004/343/EG bedoelde onverenigbare steun niet is terugbetaald.

2.   Het herstructureringsplan van FagorBrandt dat door Frankrijk op 6 augustus 200[7] aan de Commissie is meegedeeld, wordt volledig ten uitvoer gelegd.

3.   FagorBrandt staakt de levering van koelapparaten, kooktoestellen en wasmachines van het merk Vedette gedurende een periode van vijf jaar, welke uiterlijk zeven maanden na de datum van kennisgeving van deze beschikking aanvangt.

4.   Om de naleving van de in de leden 1 tot en met 3 van dit artikel vastgelegde voorwaarden te waarborgen stelt Frankrijk de Commissie door middel van jaarlijkse verslagen in kennis van de stand van de herstructurering van FagorBrandt, de terugvordering van de in lid 1 beschreven onverenigbare steun, de uitkering van de verenigbare steun, en de tenuitvoerlegging van de compenserende maatregelen.

Artikel 3

Frankrijk deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen het heeft genomen om hieraan te voldoen.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de Franse Republiek.”

Procesverloop en conclusies van partijen

16

Bij verzoekschriften, neergelegd op 24 maart 2009 ter griffie van het Gerecht, hebben verzoeksters beroepen tot nietigverklaring van de bestreden beschikking ingesteld, respectievelijk in zaken T-115/09 en T-116/09.

17

Bij brieven, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 juni 2009, hebben verzoeksters verzocht, de Commissie in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang, in de zin van artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, te gelasten negen documenten of categorieën documenten over te leggen waarnaar de Commissie in haar verweerschrift in de zaken T-115/09 en T-116/09 heeft verwezen.

18

Bij brieven, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 juli 2009, hebben de Franse Republiek en FagorBrandt verzocht om te mogen tussenkomen ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie in de zaken T-115/09 en T-116/09.

19

Bij brieven, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 juli 2009, heeft de Commissie haar opmerkingen ingediend over de in punt 17 supra genoemde verzoeken van verzoeksters om overlegging van documenten. De Commissie betwist die verzoeken.

20

Bij brieven, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 augustus 2009, heeft Electrolux, in haar opmerkingen betreffende de in punt 18 supra genoemde verzoeken tot tussenkomst, het Gerecht verzocht om bepaalde, in bijlage 15 bij haar verzoekschrift vermelde financiële gegevens vertrouwelijk te behandelen ten opzichte van FagorBrandt en de Franse Republiek, aangezien die gegevens in wezen niet-gepubliceerde informatie bevatten die een strategisch belang voor haar heeft.

21

Bij beschikkingen van 22 september 2009 heeft de president van de Tweede kamer van het Gerecht de door de Franse Republiek en FagorBrandt ingediende verzoeken tot tussenkomst in de zaken T-115/09 en T-116/09 toegewezen. In die beschikkingen werd voor recht verklaard dat aangezien die verzoeken waren ingediend na afloop van het verstrijken van de in artikel 115, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bedoelde termijn van zes weken, de Franse Republiek en FagorBrandt de rechten toekomen als bedoeld in artikel 116, lid 6, van dit Reglement.

22

Bij brieven, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 september 2009, heeft FagorBrandt het Gerecht verzocht om toegang tot de dossiers in de zaken T-115/09 en T-116/09, en om afschriften of uittreksels van de daarin opgenomen documenten, onder voorbehoud van die documenten die vertrouwelijk werden behandeld.

23

Bij beslissing van 7 oktober 2009 heeft de president van de Tweede kamer van het Gerecht de in punt 22 supra genoemde verzoeken uit hoofde van artikel 116, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering, afgewezen.

24

Bij brieven, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 juni 2010, hebben verzoeksters een nieuw feit ingebracht, te weten een persmededeling van de Commissie van 5 mei 2010, waarin deze met name verklaarde niet „voldoende bewijzen” te hebben ontvangen op basis waarvan zij kon concluderen dat FagorBrandt op die datum de steun ex 44 septies had terugbetaald. De Commissie heeft op 22 juni 2010 haar opmerkingen over die brieven ingediend.

25

Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Vierde kamer. Daarop is de onderhavige zaak toegewezen aan die kamer.

26

Bij beschikking van de president van de Vierde kamer van 5 mei 2011 zijn, enerzijds, nadat partijen waren gehoord, de zaken T-115/09 en T-116/09 overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest, en is, anderzijds, het door Electrolux ingediende verzoek om vertrouwelijke behandeling ten opzichte van Whirlpool, ingewilligd.

27

Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan, heeft het in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering schriftelijke vragen gesteld aan partijen en heeft het de Commissie verzocht om bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

28

Partijen zijn ter terechtzitting van 29 juni 2011 in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.

29

Verzoeksters concluderen dat het Gerecht:

de bestreden beschikking zal vernietigen;

de Commissie zal verwijzen in de kosten.

30

De Commissie, ondersteund door de Franse Republiek en door FagorBrandt, concludeert dat het Gerecht:

de beroepen ongegrond zal verklaren;

verzoeksters zal verwijzen in de kosten.

In rechte

31

Verzoeksters baseren hun beroep op twee middelen.

32

Met hun eerste middel betogen verzoeksters in wezen dat in casu niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder herstructureringssteun verenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard. Verzoeksters verdelen dit middel in acht onderdelen. Volgens hen is niet voldaan aan: (i) het beginsel dat steun eenmalig dient te zijn, zoals neergelegd in de punten 5 en 72 tot en met 77 van de richtsnoeren, volgens welke herstructureringssteun niet kan worden toegekend binnen tien jaar na een eerdere toekenning van een dergelijke steun; (ii) de voorwaarde dat, overeenkomstig punt 8 van de richtsnoeren, herstructureringssteun niet mag dienen om ondernemingen in een sector met aanhoudende structurele overcapaciteit kunstmatig in leven te houden; (iii) de in punt 23 van de richtsnoeren neergelegde voorwaarde dat de Commissie rekening moet houden met eerder toegekende, onrechtmatige steun die niet in het kader van een onderzoek naar de toekenning van de herstructureringssteun is teruggevorderd; (iv) de in punt 33 van de richtsnoeren neergelegde voorwaarde dat de begunstigde van herstructureringssteun een onderneming in moeilijkheden moet zijn; (v) de in punt 12 van de richtsnoeren uiteengezette voorwaarde dat de begunstigde geen nieuw opgerichte onderneming mag zijn; (vi) de voorwaarde dat, krachtens de punten 34 en 35 van de richtsnoeren, het herstructureringsplan de levensvatbaarheid op lange termijn van de begunstigde dient te herstellen; (vii) de in de punten 38 tot en met 40 van de richtsnoeren neergelegde voorwaarde dat de compenserende maatregelen in verhouding moeten staan tot de door de betrokken steun veroorzaakte mededingingsverstorende effecten; (viii) de in punt 43 van de richtsnoeren neergelegde voorwaarde dat herstructureringssteun tot het minimum moet worden beperkt en de groep waartoe FagorBrandt behoort, een reële bijdrage aan het plan levert.

33

Met hun tweede middel betogen verzoeksters in wezen dat de Commissie in de bestreden beschikking haar in artikel 253 EG neergelegde motiveringsplicht op meerdere punten niet is nagekomen. Zij verdelen dit middel in drie onderdelen; (i) volgens Electrolux heeft de Commissie verzuimd om het bestaan van een structurele overcapaciteit op de markt te onderzoeken, hoewel Electrolux haar tijdens de administratieve procedure van het bestaan van een dergelijke overcapaciteit op de hoogte had gesteld. Volgens Whirlpool had de Commissie daarentegen de redenen moeten aangeven waarom zij het niet noodzakelijk heeft geacht om de concurrentieverstoring in andere lidstaten dan Frankrijk te beperken; (ii) volgens verzoeksters heeft de Commissie verzuimd de redenen te noemen waarom de bijdrage van de groep waartoe FagorBrandt behoort van voldoende hoog niveau was doordat het de hoogst mogelijke bijdrage was; (iii) volgens verzoeksters had de Commissie in de bestreden beschikking de redenen moeten aangeven waarom het niet nodig was om de gevolgen te onderzoeken van de terugbetaling van de steun ex 44 septies op het herstel van de levensvatbaarheid van FagorBrandt op lange termijn.

34

De Commissie, ondersteund door de Franse Republiek en door FagorBrandt, voert verweer tegen die twee middelen.

35

Het Gerecht acht het in de eerste plaats passend erop te wijzen dat vaststaat, zoals de Commissie in punt 36 van de bestreden beschikking van mening was, dat de verenigbaarheid van de herstructureringssteun moet worden getoetst aan artikel 87, lid 3, sub c, EG. Dienaangaande zal het Gerecht om te beginnen een uiteenzetting geven van de bepalingen die van toepassing zijn op de beoordelingsvrijheid van de Commissie bij de toetsing van de verenigbaarheid van herstructureringssteun met de gemeenschappelijke markt, alsmede van de toetsingsbevoegdheid van het Gerecht op dat gebied. In de tweede plaats zal het Gerecht zijn onderzoek van de door verzoeksters aangevoerde middelen beginnen met het zevende onderdeel van het eerste middel.

Relevante toepasselijke bepalingen met betrekking tot de toetsing van de toekenning van herstructureringssteun

36

Ten eerste kunnen krachtens artikel 87, lid 3 sub c, EG steunmaatregelen die beogen de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

37

Volgens vaste rechtspraak beschikt de Commissie bij de toepassing van artikel 87, lid 3, sub c, EG over een ruime beoordelingsvrijheid, waarvan de uitoefening een afweging van economische en sociale gegevens impliceert die in een communautair kader dient te geschieden (arresten Hof van 24 februari 1987, Deufil/Commissie, 310/85, Jurispr. blz. 901, punt 18, en 29 april 2004, Italië/Commissie, C-372/97, Jurispr. blz. I-3679, punt 83; arrest Gerecht van 15 juni 2005, Corsica Ferries France/Commissie, T-349/03, Jurispr. blz. II-2197, punt 137).

38

Bovendien kan de Commissie voor de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheden zichzelf gedragsregels stellen door middel van de vaststelling van handelingen als de kaderregeling ondernemingen in moeilijkheden, voor zover deze handelingen gedragsregels bevatten inzake de door haar te volgen praktijk en niet derogeren aan de normen van het Verdrag (zie arrest Gerecht van 30 januari 2002, Keller en Keller Meccanica/Commissie, T-35/99, Jurispr. blz. II-261, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39

In deze context zij wat het begrip herstructureringssteun betreft erop gewezen dat uit de punten 16 en 17 van de richtsnoeren in wezen volgt dat de Commissie van mening is dat dergelijke steun — anders dan reddingssteun, die bestaat in tijdelijke bijstand en is gericht op de uitvoering van onmiddellijke maatregelen — beoogt de levensvatbaarheid van een onderneming op langere termijn te herstellen.

40

Ten tweede wordt, volgens vaste rechtspraak, bij de rechterlijke toetsing van het gebruik van de beoordelingsvrijheid waarover de Commissie voor de toepassing van artikel 87, lid 3, sub c, EG beschikt, alleen nagegaan of de procedure- en motiveringsvoorschriften zijn nageleefd, of de vastgestelde feiten materieel juist zijn, en of er geen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting, van een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten of van misbruik van bevoegdheid (zie in die zin arrest Hof van 13 februari 2003, Spanje/Commissie, C-409/00, Jurispr. blz. I-1487, punt 93, en arrest Corsica Ferries France/Commissie, punt 37 supra, punt 138 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het komt het Gerecht daarentegen niet toe, zijn economische beoordeling in de plaats van die van de auteur van de beschikking te stellen (arrest Gerecht van 25 juni 1998, British Airways e.a./Commissie, T-371/94 en T-394/94, Jurispr. blz. II-2405, punt 79, en arrest Corsica Ferries France/Commissie, punt 37 supra, punt 138).

41

Bovendien dient het Gerecht tevens na te gaan of de vereisten die de Commissie voor zichzelf heeft gesteld, zoals omschreven in de richtsnoeren, zijn nageleefd (zie in die zin arrest Keller en Keller Meccanica/Commissie, punt 38 supra, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42

Daarentegen staat het niet aan de Unierechter om zich in de plaats van de Commissie te stellen, door in haar plaats een onderzoek uit te voeren waartoe zij in het geheel niet is overgegaan en te trachten de conclusies in te schatten waartoe zij aan het eind van dit onderzoek zou zijn gekomen (arrest Gerecht van 1 juli 2008, Deutsche Post/Commissie, T-266/02, Jurispr. blz. II-1233, punt 95; zie in die zin arrest Gerecht van 16 september 2004, Valmont/Commissie, T-274/01, Jurispr. blz. II-3145, punt 136).

43

Het is tegen de achtergrond van deze beginselen dat de onderhavige beroepen dienen te worden onderzocht.

Zevende onderdeel van het eerste middel: schending van de punten 38 tot en met 40 van de richtsnoeren, in verband met het feit dat de vastgestelde compenserende maatregelen niet in verhouding staan tot de mededingingsverstorende effecten van de betrokken steun

44

Wat de vaststelling betreft van compenserende maatregelen in het kader van de toekenning van herstructureringssteun, zij opgemerkt dat de punten 38 tot en met 40 van de richtsnoeren betrekking hebben op de „voorkoming van buitensporige vervalsing van de mededinging”. Krachtens die punten, en zoals de Commissie in haar schrifturen opmerkt, moeten compenserende maatregelen, ten eerste, worden vastgesteld om de negatieve effecten van de toekenning van herstructureringssteun op de mededinging en het handelsverkeer te beperken (punt 38 van de richtsnoeren). Ten tweede moeten die maatregelen „passend” zijn, in die zin dat zij niet resulteren in een aantasting van de marktstructuur (punt 39 van de richtsnoeren). Ten derde moeten zij in verhouding staan tot de mededingingsverstorende effecten van de steun. In dat verband moeten de maatregelen, in de eerste plaats, worden ingezet op de markt(en) waar de betrokken onderneming na de herstructurering een significante marktpositie zal behalen. In de tweede plaats moeten zij, ongeacht of zij worden ingezet vóór of na de toekenning van de staatssteun, integraal deel uitmaken van het herstructureringsplan. In de derde plaats mogen de maatregelen niet louter bestaan in het afschrijven of sluiten van verliesgevende activiteiten, aangezien dat niet leidt tot een inkrimping van capaciteit of aanwezigheid op de markt (punt 40 van de richtsnoeren).

45

Verzoeksters merken op dat compenserende maatregelen ingevolge de punten 38 en 40 van de richtsnoeren in wezen, enerzijds, in verhouding dienen te staan tot de mededingingsverstorende effecten van de herstructureringssteun en, anderzijds, moeten worden ingezet op de markt(en) waar de onderneming na de herstructurering een significante marktpositie zal behalen. Zij voeren dienaangaande drie hoofdgrieven aan. Met hun eerste grief betogen zij dat de door de Commissie vastgestelde compenserende maatregelen ontoereikend zijn, gelet op de belangrijke positie die FagorBrandt inneemt op de markten. In hun tweede grief stellen zij dat de afstoting van Brandt Components geen passende compenserende maatregel vormt. Met hun derde grief betogen zij dat de stopzetting van de levering van koelapparaten, kooktoestellen en vaatwasmachines van het merk Vedette gedurende vijf jaar, geen passende compenserende maatregel is, gezien de door de betrokken steun veroorzaakte mededingingsverstorende effecten.

46

De Commissie verweert zich tegen elk van die grieven.

47

In casu moet worden vastgesteld dat de Commissie zich, na in de punten 80 en 81 van de bestreden beschikking te hebben opgemerkt dat de maatregelen tot sluiting van twee fabrieken van FagorBrandt geen compenserende maatregelen vormen, in de punten 82 en 83 van de bestreden beschikking ter zake van de afstoting van Brandt Components op het volgende standpunt heeft gesteld:

„(82)

Daarentegen heeft de onderneming in maart 2004 haar dochteronderneming Brandt Components (fabriek te Nevers) aan de Oostenrijkse groep ATB verkocht voor een bedrag van [2-5] miljoen EUR. Dit betreft derhalve noch een afschrijving [...] noch de sluiting van een activiteit. Deze maatregel is daarom niet uitgesloten van de voornoemde bepaling in punt 40 van de richtsnoeren [...]. De activiteit die in maart 2004 werd afgestoten [...] had in 2003 nog een omzet van [25-45] miljoen EUR — [2-5] % van de omzet van de onderneming in 2003 — en had [250-500] werknemers — [5-10] % van de werknemers van de onderneming. De activiteit behelsde het ontwerp, de ontwikkeling, de productie en het op de markt brengen van elektromotoren voor wasmachines. Door deze afstoting is de aanwezigheid van de onderneming op de markt voor wasmachineonderdelen derhalve verminderd.

(83)

De Commissie erkent weliswaar dat deze maatregel een compenserende maatregel vormt, maar is niettemin van mening dat zij als zodanig niet in verhouding staat tot de mededingingsverstorende effecten van de [betrokken] steun. De Commissie merkt met name op dat de aanwezigheid van FagorBrandt op de markt voor grote elektrische huishoudelijke apparaten [...], de voornaamste markt waarop FagorBrandt aanwezig zal blijven, niet wordt ingekrompen.”

48

Voetnoot nr. 32 in de bestreden beschikking, waarnaar wordt verwezen in punt 83 van diezelfde beschikking, luidt als volgt:

„De Franse autoriteiten merken op dat de onderneming dankzij de activiteit van Brandt Components profiteerde van een sterke integratie van wasmachines van de hoogste kwaliteit, een marktsegment waarin de groep FagorBrandt historisch een sterke positie inneemt. Volgens de Franse autoriteiten wordt dit soort integratie met name nagestreefd voor innoverende producten of producten waarvoor een specifieke knowhow vereist is, en door de grote spelers van de sector in praktijk gebracht (bijvoorbeeld BSH of Miele). De Commissie merkt evenwel op dat de Franse autoriteiten de voornoemde beweringen niet hebben gestaafd met elementen op basis waarvan de Commissie met zekerheid kan vaststellen — laat staan het effect ervan kwantificeren — dat de afstoting van Brandt Components het vermogen van FagorBrandt om concurrerende wasmachines te ontwikkelen zal beperken en daarmee de aanwezigheid van de onderneming op de wasmachinemarkt zal reduceren. De Commissie kan derhalve niet concluderen dat de verkoop van Brandt Components een reëel effect heeft op de markt voor grote elektrische huishoudelijke apparaten.”

49

Enerzijds volgt dus uit de punten 82 en 83 van de bestreden beschikking en uit voetnoot 32 in diezelfde beschikking dat de Commissie heeft geoordeeld dat de afstoting van Brandt Components kan worden aangemerkt als compenserende maatregel, aangezien het hierbij niet gaat om het louter „afschrijven”, noch om het „sluiten van een activiteit”, en dat door deze afstoting „de aanwezigheid van de onderneming op de markt voor wasmachineonderdelen derhalve [is] verminderd”. Anderzijds was de Commissie eveneens van oordeel dat die compenserende maatregel de aanwezigheid van FagorBrandt op de voornaamste markt waarop die onderneming actief was, te weten die van grote elektrische huishoudelijke apparaten, niet verminderde, zodat die maatregel op zichzelf ontoereikend was om de uit de toekenning van de betrokken steun voortvloeiende concurrentieverstoring te beperken.

50

Gelet op de vaststellingen in de punten 47 tot en met 49 supra, acht het Gerecht het opportuun om allereerst de tweede grief van verzoeksters te onderzoeken, volgens welke de Commissie ten onrechte heeft geoordeeld dat de afstoting van Brandt Components een passende compenserende maatregel vormde.

51

In de eerste plaats staat vast dat de afstoting van Brandt Components heeft plaatsgevonden in maart 2004 en dat de Franse Republiek de betrokken steun op 6 augustus 2007, dus bijna drie en een half jaar na die afstoting, bij de Commissie heeft aangemeld. Dienaangaande kan derhalve worden opgemerkt dat die maatregel — hoewel de Franse Republiek, zoals de Commissie opmerkt, van mening was dat de afstoting van Brandt Components integraal deel uitmaakte van het door haar bij de Commissie aangemelde herstructureringsplan — bij de vaststelling ervan, in maart 2004, zoals verzoeksters opmerken, niet tot doel had, en evenmin tot gevolg had, dat de concurrentieverstoringen die teweeg waren gebracht door de toekenning van de door de Franse Republiek in haar aanmelding van 6 augustus 2007 voorgenomen steun, werden verminderd.

52

In dit verband moet verzoeksters argument dat uit het arrest Corsica Ferries France/Commissie, punt 37 supra (punt 225), volgt dat een compenserende maatregel kan worden vastgesteld vóór de tenuitvoerlegging van een herstructureringsplan, ongegrond worden verklaard. Zoals verzoeksters terecht opmerken, heeft het Gerecht, voor zover het in dat arrest oordeelde dat een compenserende maatregel kan worden vastgesteld vóór de tenuitvoerlegging van een herstructureringsplan, namelijk rekening gehouden met de specifieke omstandigheden waarin de betrokken maatregel, bijna een maand vóór de vaststelling van dat herstructureringsplan, werd getroffen, alsook met het feit dat die maatregel bijna een maand nadat dat plan bij de Commissie was aangemeld, ten uitvoer werd gelegd. De omstandigheden in de zaak die heeft geleid tot dat arrest, zijn dus niet vergelijkbaar met die van de onderhavige zaak, waarin de afstoting van Brandt Components heeft plaatsgevonden bijna drie en een half jaar vóórdat de herstructureringssteun voor en het herstructureringsplan van FagorBrandt zelfs maar waren aangemeld bij de Commissie.

53

In de tweede plaats dient echter, hoewel niet wordt betwist dat, zoals de Commissie heeft opgemerkt in punt 82 van de bestreden beschikking, de afstoting van Brandt Components heeft geleid tot een vermindering van de aanwezigheid van FagorBrandt op de markt voor wasmachineonderdelen, te worden opgemerkt dat geen van de partijen tijdens de administratieve procedure of voor het Gerecht heeft gesteld dan wel bewezen dat die afstoting heeft geleid tot een vermindering — hoe gering ook — van de ongunstige effecten van de betrokken steun op de mededinging op de voornaamste markt waarop FagorBrandt actief was. Integendeel, zoals uitdrukkelijk blijkt uit punt 83 van de bestreden beschikking en uit voetnoot 32 in diezelfde beschikking (zie punten 47 en 48 supra), achtte de Commissie het uitgesloten dat de afstoting van Brandt Components een „reëel effect” heeft gehad op de markt van wasmachines, die deel uitmaakt van de sector grote elektrische huishoudelijke apparaten, die de „voornaamste markt” is waarop FagorBrandt volgens de Commissie actief was.

54

In de derde plaats impliceerde, anders dan de Commissie in punt 82 van de bestreden beschikking van oordeel was, het feit dat de afstoting van Brandt Components niet louter bestond in het afschrijven of sluiten van activiteiten, niet dat het hierbij noodzakelijkerwijs ging om een compenserende maatregel die de negatieve effecten van de toekenning van de betrokken steun kon beperken. Aangezien, zoals is vastgesteld in de punten 52 en 53 supra, die maatregel niet tot doel had, en hoe dan ook niet tot gevolg had dat de negatieve effecten van de toekenning van de betrokken steun op het handelsverkeer en de mededinging werden verminderd, kon deze niet met recht als een compenserende maatregel worden aangemerkt.

55

Tegen de achtergrond van de in de punten 51 tot en met 54 supra geformuleerde overwegingen, moet worden vastgesteld dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door zich, in punt 83 van de bestreden beschikking, op het standpunt te stellen dat de afstoting van Brandt Components een compenserende maatregel vormde in de zin van de punten 38 tot en met 40 van de richtsnoeren. Derhalve moet worden onderzocht welke gevolgen een dergelijke fout heeft voor de gegrondheid van de analyse van de Commissie dat de in casu vastgestelde compenserende maatregelen de uit de toekenning van de betrokken steun voortvloeiende negatieve effecten op de mededinging zouden verminderen.

56

Om te beginnen zij opgemerkt dat de Commissie in punt 94 van de bestreden beschikking heeft geoordeeld:

„De compenserende maatregelen omvatten de stopzetting van de levering van bepaalde producten (kooktoestellen, koelapparaten en vaatwasmachines) van het merk Vedette [...] en de afstoting van Brandt Components. Het betreft weliswaar een reële (d.w.z. niet onaanzienlijke) inkrimping van de aanwezigheid [van FagorBrandt] op de markt, die echter van beperkte omvang is. Deze inkrimping is derhalve evenredig met de ernst van de vervalsing van de mededinging en de verstoring van het handelsverkeer welke in het voorafgaande zijn geanalyseerd.”

57

De Commissie sluit haar analyse in dat verband als volgt af:

„De Commissie meent dan ook dat dankzij deze maatregelen een buitensporige vervalsing van de mededinging in de zin van de punten 38 tot en met 40 van de richtsnoeren [...] kan worden voorkomen [...]”

58

Gelet op het voorgaande, moet worden vastgesteld dat aangezien de afstoting van Brandt Components, zoals is opgemerkt in punt 53 supra, geen enkel reëel effect had op de voornaamste markt waarop FagorBrandt actief was, de conclusie van de Commissie, die er in wezen op neerkomt dat de cumulatie van die compenserende maatregel met de maatregel bestaande in het gedurende vijf jaar stopzetten van de levering van bepaalde producten van het merk Vedette, de door de toekenning van de betrokken steun veroorzaakte negatieve effecten op de mededinging op evenredige wijze beperkte, noodzakelijkerwijs onjuist is. Dienaangaande moet enerzijds worden beklemtoond dat de Commissie in de bestreden beschikking, en zelfs voor het Gerecht, niet heeft gesteld, noch heeft aangetoond, dat de vaststelling van laatstgenoemde compenserende maatregel op zichzelf toereikend was om de uit de toekenning van de betrokken steun voortvloeiende negatieve effecten op de mededinging in overeenstemming met de vereisten gesteld in de punten 38 tot en met 40 van de richtsnoeren op evenredige wijze te beperken. Anderzijds staat het volgens de in punt 42 supra uiteengezette rechtspraak in ieder geval niet aan het Gerecht om zich in de plaats te stellen van de Commissie, door in haar plaats te onderzoeken of die compenserende maatregel op zichzelf toereikend was om de uit de toekenning van de betrokken steun voortvloeiende negatieve effecten op de mededinging te beperken, en tot de conclusies te komen die de Commissie uit dat onderzoek had moeten trekken.

59

In die omstandigheden en zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de eerste en derde grief van het zevende onderdeel van het eerste middel, dient de tweede grief van dat onderdeel, zoals opgeworpen door verzoeksters, te worden aanvaard, en moet worden geoordeeld dat de afstoting van Brandt Components geen passende compenserende maatregel vormt.

60

Onverminderd de voorgaande conclusie, acht het Gerecht het opportuun tevens, ten overvloede, het derde onderdeel van het eerste door verzoeksters aangevoerde middel te onderzoeken.

Derde onderdeel van het eerste middel: er is geen rekening gehouden met eerder toegekende, niet teruggevorderde steun

61

In het kader van het derde onderdeel van het eerste middel, voeren verzoeksters twee hoofdgrieven aan, die betrekking hebben op schending van punt 23 van de richtsnoeren, zoals dit door de Commissie ten uitvoer is gelegd onder verwijzing naar het arrest Deggendorf, punt 10 supra. Zij betogen dat de Commissie heeft verzuimd het effect te onderzoeken van de cumulatie van de betrokken steun met, ten eerste, de steun ex 44 septies, en, ten tweede, de onverenigbare Italiaanse steun, aangezien de twee laatstgenoemde steunbetalingen nog niet waren teruggevorderd.

62

De Commissie betwist die twee grieven.

63

Het Gerecht onderzoekt om te beginnen de tweede grief van verzoeksters, volgens welke de Commissie heeft verzuimd rekening te houden met het effect van de cumulatie van de betrokken steun met de onverenigbare Italiaanse steun.

64

Allereerst zij eraan herinnerd dat het Hof in het reeds aangehaalde arrest Deggendorf voor recht heeft verklaard dat de Commissie niet de grenzen overschrijdt van haar beoordelingsvrijheid, wanneer zij naar aanleiding van de aanmelding van een voornemen van steun door een lidstaat aan een onderneming, een beschikking geeft waarbij deze steun verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, maar onder voorbehoud dat de onderneming eerst een eerdere onrechtmatige steun terugbetaalt, zulks wegens de cumulerende werking van de betrokken steunmaatregelen (zie arrest gerecht van 8 september 2009, AceaElectrabel/Commissie, T-303/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 166 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65

Vervolgens zij eraan herinnerd dat punt 23 van de richtsnoeren, waar de Commissie, in de daarbij behorende voetnoot 14, verwijst naar het arrest Deggendorf, punt 10 supra, luidt als volgt:

„Wanneer voordien aan een onderneming in moeilijkheden onrechtmatige steun is toegekend ten aanzien waarvan de Commissie een negatieve beschikking heeft gegeven met een bevel tot terugvordering, en deze terugvordering niet heeft plaatsgevonden in overeenstemming met artikel 14 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG], wordt bij de beoordeling van aan dezelfde onderneming toe te kennen reddings- en herstructureringssteun rekening gehouden met, enerzijds, het eventuele cumulerende effect van de eerdere steun en de nieuwe steun en, anderzijds, met het feit dat de eerdere steun niet is terugbetaald [...]”

66

Enerzijds volgt dus uit het arrest Deggendorf, punt 10 supra, alsook uit punt 23 van de richtsnoeren, dat de Commissie, in het kader van haar onderzoek naar de verenigbaarheid van herstructureringssteun met de gemeenschappelijke markt, in beginsel moet onderzoeken wat het effect is van de cumulatie van die steun met eventuele eerdere steun die nog niet is teruggevorderd. Een dergelijk onderzoek vindt zijn rechtvaardiging in het feit dat de voordelen van de eerder toegekende onverenigbare, maar nog niet teruggevorderde, steun hun gevolgen blijven hebben voor de mededinging.

67

Anderzijds is de Commissie, wanneer zij de toekenning van de voorgenomen steun afhankelijk stelt van de voorwaarde dat een of meer eerdere steunbetalingen wordt/worden teruggevorderd, niet gehouden het cumulatieve effect van die steunbetalingen op de mededinging te onderzoeken. Het opleggen van die voorwaarde voorkomt dat het door de voorgenomen steun toegekende voordeel cumuleert met het voordeel uit eerdere steunbetalingen, aangezien de uit de toekenning van die eerdere steun voortvloeiende negatieve effecten op de mededinging kunnen worden opgeheven door het terugvorderen van de bedragen — inclusief de rente daarover — van die steun. Volgens de rechtspraak kan de terugvordering van steun — inclusief de rente daarover — het ongerechtvaardigde voordeel, bestaande in het feit dat de steunontvanger niet de rente hoeft te betalen die hij over het betrokken bedrag van de verenigbare steun zou hebben moeten betalen indien hij het betrokken bedrag, in afwachting van de beslissing van de Commissie, op de markt had moeten lenen, alsmede in de verbetering van zijn concurrentiepositie ten opzichte van andere marktdeelnemers tijdens de duur van de onrechtmatigheid, namelijk opheffen (arrest Hof van 12 februari 2008, CELF en ministre de la Culture et de la Communication, C-199/06, Jurispr. blz. I-469, punt 51).

68

In casu moet worden opgemerkt dat de Commissie, na — in punt 48 van de bestreden beschikking te hebben vastgesteld dat „niets een toepassing van de Deggendorf-benadering in de weg l[ee]k te staan, dat wil zeggen dat de [betrokken] steun verenigbaar wordt beschouwd mits de uitbetaling ervan wordt opgeschort tot de terugbetaling van de steun ex artikel 44 septies”, zich in punt 50 van die beschikking op het volgende standpunt heeft gesteld:

„[...] Punt 23 van de richtsnoeren [...] verplicht de Commissie om, bij de beoordeling van herstructureringssteun, rekening te houden, met, enerzijds, het eventuele cumulerende effect van de eerdere steun en de nieuwe steun en, anderzijds, met het feit dat de eerdere steun niet is terugbetaald’. Zoals in [...] voetnoot [14] in de richtsnoeren herstructureringssteun is aangegeven is deze bepaling gebaseerd op het [...] Deggendorf-arrest. In het onderhavige geval heeft Frankrijk de terugvordering van de steun ex artikel 44 septies in gang gezet alvorens nieuwe steun uit te keren. In onderhavige beschikking moet de Commissie, uit hoofde van [het] Deggendorf-[arrest], deze verbintenis omzetten in een voorwaarde voor de verenigbaarheid van de aangemelde steun. Aldus kan [de Commissie] verzekeren dat er geen sprake is van cumulering van eerder toegekende steun met nieuwe steun, en dat de eerdere steun zal worden terugbetaald, en hoeft zij bij de beoordeling van de nieuwe steun geen rekening meer te houden met het cumuleringseffect van de steun of met het feit dat de steun niet is terugbetaald.”

69

In dit kader dient, met name wat de onverenigbare Italiaanse steun betreft, ten eerste te worden opgemerkt dat vaststaat dat, zoals in wezen volgt uit punt 61 van de bestreden beschikking, de Italiaanse dochteronderneming van FagorBrandt aansprakelijk bleef voor een gedeelte van die steun, voor een bedrag van minder dan een miljoen EUR.

70

Ten tweede moet worden vastgesteld dat, zoals volgt uit het in punt 68 supra uiteengezette punt 50 van de bestreden beschikking, de Commissie enerzijds, anders dan bij de steun ex 44 septies, de toekenning van de betrokken steun in de bestreden beschikking niet afhankelijk heeft gesteld van de eerdere terugbetaling van de onverenigbare Italiaanse steun. Anderzijds volgt uit de bestreden beschikking dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het effect op de mededinging van de cumulatie van dat voordeel met het uit de toekenning van de betrokken steun voortvloeiende voordeel. De Commissie heeft immers in het kader van punt 6.6 van de bestreden beschikking, „Voorkoming van buitensporige vervalsing van de mededinging”, en inzonderheid in punt 76 van die beschikking niets anders onderzocht dan de elementen die „de negatieve gevolgen [beperken] van [de] concurrentieverstoring” die alleen al door toekenning van de betrokken steun worden veroorzaakt. Bovendien moet worden opgemerkt dat de compenserende maatregelen waarvan de verenigbaarheid van de betrokken steun met de gemeenschappelijke markt afhankelijk was gesteld, zoals volgt uit punt 94 van de bestreden beschikking, samenhangen met de alleen al door toekenning van die steun veroorzaakte concurrentieverstoring, zonder dat rekening is gehouden met het effect van de cumulatie van laatstgenoemde steun met de onverenigbare Italiaanse steun.

71

Aangezien de Commissie de toekenning van de betrokken steun niet afhankelijk heeft gesteld van de terugvordering van de onverenigbare Italiaanse steun, moest zij dus noodzakelijkerwijs het effect onderzoeken van de cumulatie van die twee steunbetalingen, hetgeen zij in casu heeft verzuimd. Die constatering geldt ook wanneer, zoals de Commissie in wezen heeft gesteld in punt 31 van het inleidingsbesluit en ter terechtzitting samen met de Franse Republiek en FagorBrandt heeft aangevoerd, zou moeten worden geoordeeld dat het voor de Commissie, krachtens het arrest Deggendorf, punt 10 supra, niet mogelijk was om de toekenning door de Franse Republiek van de betrokken steun afhankelijk te stellen van de eerdere terugvordering, door de Italiaanse Republiek, van de onverenigbare Italiaanse steun.

72

Gelet op het voorgaande moet dus worden vastgesteld dat de Commissie bij het door haar in casu verrichte onderzoek van de mededingingsverstoring, een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.

73

De in dit verband door de Commissie alsmede door FagorBrandt en de Franse Republiek aangevoerde argumenten kunnen niet afdoen aan deze conclusie.

74

Wat in de eerste plaats het door de Commissie in haar schrifturen en in antwoord op de vragen van het Gerecht ter terechtzitting aangevoerde argument betreft dat zij de invloed heeft onderzocht van de terugbetaling van het betrokken bedrag op de levensvatbaarheid van de herstructurering, dient te worden afgewezen als zijnde irrelevant. Het feit dat de Commissie, in punt 61 van de bestreden beschikking, heeft vastgesteld dat de terugbetaling van die steun volgens de Franse autoriteiten „normaal gesproken geen invloed zou hebben op de financiële situatie van de groep” staat los van, en heeft geen invloed op, het onderzoek dat de Commissie had moeten verrichten met betrekking tot het cumulatieve effect van de betrokken steunbetalingen op de mededinging en op de compenserende maatregelen die als gevolg daarvan moesten worden genomen.

75

In de tweede plaats kan het door de Commissie in haar schrifturen aangevoerde argument dat „het reële economische effect [van de onverenigbare Italiaanse steun] minimaal was”, niet rechtvaardigen dat het effect van de cumulatie van de betrokken steun met de onverenigbare Italiaanse steun niet in aanmerking is genomen.

76

Hoewel, zoals volgt uit de in punt 37 supra uiteengezette rechtspraak, de Commissie bij het onderzoek naar de verenigbaarheid van herstructureringssteun met de gemeenschappelijke markt beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid, ontslaat het feit dat het terug te betalen bedrag van een eerdere steunbetaling onbeduidend is in vergelijking met de voorgenomen steun, de Commissie immers niet van haar verplichting om, overeenkomstig het arrest Deggendorf, punt 10 supra, een onderzoek te verrichten naar het cumulatieve effect van die twee steunbetalingen op de mededinging. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het, volgens de in punt 42 supra uiteengezette rechtspraak, niet aan het Gerecht staat om een dergelijk onderzoek te verrichten en tot de conclusies te komen die de Commissie uit dat onderzoek had moeten trekken.

77

Derhalve dient de tweede grief van het derde onderdeel van het eerste middel te worden aanvaard, zonder dat de eerste grief van dat onderdeel behoeft te worden onderzocht.

78

De bestreden beschikking moet dus nietig worden verklaard zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de zes andere onderdelen van het eerste middel, noch over het tweede middel en, inzonderheid, het eerste onderdeel van dat laatste middel, ontleend aan het ontbreken van motivering van de bestreden beschikking betreffende het bestaan van een structurele overcapaciteit op de markt (zie punt 33 supra).

Verzoeken om maatregelen tot organisatie van de procesgang

79

Zoals is opgemerkt in de punten 17 en 19 supra, hebben verzoeksters verzocht, de Commissie in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang te gelasten bepaalde documenten of categorieën documenten over te leggen, tegen welk verzoek de Commissie zich heeft verweerd.

80

Aangezien, zoals is geconcludeerd in punt 78 supra, de bestreden beschikking nietig moet worden verklaard zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over gegrondheid van de door verzoeksters ingediende verzoeken om maatregelen tot organisatie van de procesgang, is er geen reden om op deze verzoeken, die hun belang hebben verloren, te beslissen.

Kosten

81

Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Voorts dragen, overeenkomstig artikel 87, lid 4, eerste en derde alinea, van dit reglement, de lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen hun eigen kosten en kan het Gerecht bepalen dat andere interveniënten dan de lidstaten, de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), de instellingen en de toezichthoudende Autoriteit van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) hun eigen kosten zullen dragen.

82

Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij worden verwezen in haar eigen kosten, alsmede in die van verzoeksters, overeenkomstig de vordering van laatstgenoemden.

83

De Franse Republiek en FagorBrandt, die geen memories hebben ingediend, dragen hun eigen kosten.

 

HET GERECHT (Vierde kamer)

rechtdoende, verklaart:

 

1)

Beschikking 2009/485/EG van de Commissie van 21 oktober 2008 betreffende de steunmaatregel C 44/07 (ex N 460/07) die Frankrijk voornemens is ten uitvoer te leggen ten gunste van de onderneming FagorBrandt, wordt nietig verklaard.

 

2)

De Europese Commissie wordt, behalve in haar eigen kosten, verwezen in de kosten van Electrolux AB en Whirlpool Europe BV.

 

3)

De Franse Republiek en FagorBrandt SA zullen hun eigen kosten dragen.

 

Pelikánová

Jürimäe

Van der Woude

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 februari 2012.

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Engels.