Zaak C‑210/09

Scott SA en Kimberly Clark SAS, voorheen Kimberly Clark SNC

tegen

Ville d’Orléans

(verzoek van de Cour administrative d’appel de Nantes om een prejudiciële beslissing)

„Staatssteun – Verordening (EG) nr. 659/1999 – Artikel 14, lid 3 – Terugvordering van steun – Doeltreffendheidsbeginsel – Betalingsbevelen met vormfout – Nietigverklaring”

Samenvatting van het arrest

Steunmaatregelen van de staten – Terugvordering van onrechtmatige steun – Toepassing van nationaal recht – Voorwaarden en grenzen

(Art.88, lid 2, EG; verordening nr. 659/1999 van de Raad, art. 14, lid 3)

Artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat het, ingeval de met de in geding zijnde steun overeenkomende bedragen reeds zijn teruggevorderd, niet in de weg staat aan de nietigverklaring door de nationale rechter wegens vormfout van betalingsbevelen tot terugvordering van de onwettige staatssteun, wanneer het nationale recht de mogelijkheid biedt om die vormfout te herstellen. Deze bepaling staat daarentegen eraan in de weg dat die bedragen, zelfs tijdelijk, opnieuw aan de ontvanger van deze steun worden betaald.

Artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999 is immers een uitdrukking van de eisen van het beginsel van doeltreffendheid, dat inhoudt dat een lidstaat die krachtens een beschikking van de Commissie onwettige steun moet terugvorderen, vrij de middelen kan kiezen waarmee hij die verplichting zal nakomen, mits de gekozen maatregelen geen afbreuk doen aan de strekking en de doeltreffendheid van het recht van de Unie.

Het toezicht door de nationale rechter op de formele wettigheid van een betalingsbevel ter terugvordering van onwettige staatssteun en de eventuele nietigverklaring van dat bevel op grond dat niet is voldaan aan de vormvereisten van het nationale recht, moeten worden beschouwd als niet anders dan een uitvloeisel van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, dat een algemeen beginsel van het recht van de Unie is. Een dergelijke nietigverklaring zou echter in beginsel kunnen leiden tot het recht van de in het gelijk gestelde steunontvanger om op de grondslag van het nationale recht te vorderen dat de met de reeds terugbetaalde steun overeenkomende bedragen hem opnieuw worden uitbetaald. Het nationale recht dient derhalve te beschikken over de nodige middelen om te voorkomen dat de nietigverklaring van een betalingsbevel automatisch leidt tot de onmiddellijke teruggave van het door de schuldenaar ter nakoming van dit bevel voldane bedrag. De bevoegde instantie moet dus in staat zijn, de vormfout in het bevel te regulariseren, zonder verplicht te zijn aan de steunontvanger, al was het slechts tijdelijk, de door hem ter nakoming van dat bevel terugbetaalde bedragen opnieuw te betalen.

(cf. punten 20‑21, 25, 27‑33 en dictum)







ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

20 mei 2010 (*)

„Staatssteun – Verordening (EG) nr. 659/1999 – Artikel 14, lid 3 – Terugvordering van steun – Doeltreffendheidsbeginsel – Betalingsbevelen met vormfout – Nietigverklaring”

In zaak C‑210/09,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Cour administrative d’appel de Nantes (Frankrijk) bij beslissing van 29 december 2008, ingekomen bij het Hof op 10 juni 2009, in de procedure

Scott SA,

Kimberly Clark SAS, voorheen Kimberly Clark SNC,

tegen

Ville d’Orléans,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, E. Juhász, G. Arestis, J. Malenovský en T. von Danwitz (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: R. Grass,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Scott SA en Kimberly Clark SAS, voorheen Kimberly Clark SNC, vertegenwoordigd door R. Sermier, avocat,

–        de stad Orléans, vertegenwoordigd door A. Lyon-Caen, avocat,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en B. Beaupère-Manokha als gemachtigden,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door M. Dowgielewicz als gemachtigde,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Stromsky en L. Flynn als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 14, lid 3, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Scott SA (hierna: „Scott”) en Kimberly Clark SAS, voorheen Kimberly Clark SNC (hierna: „Kimberly Clark”), en de stad Orléans over de rechtmatigheid van door laatstgenoemde uitgegeven betalingsbevelen voor de terugvordering van met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar verklaarde staatssteun.

 Toepasselijke bepalingen

 De wetgeving van de Unie

3        Punt 13 van de considerans van verordening nr. 659/1999 luidt als volgt:

„Overwegende dat in gevallen van niet met de gemeenschappelijke markt verenigbare onrechtmatige steun, de daadwerkelijke mededinging dient te worden hersteld; dat het hiertoe noodzakelijk is dat de steun, met inbegrip van de rente, onverwijld wordt teruggevorderd; dat het passend is de terugvordering overeenkomstig de procedures van nationaal recht te doen geschieden; dat de toepassing van die procedures niet, door verhindering van de onverwijlde en daadwerkelijke uitvoering van de beschikking van de Commissie, het herstel van daadwerkelijke mededinging mag beletten; dat de lidstaten daartoe dan ook alle nodige maatregelen moeten treffen om de effectiviteit van die beschikking te verzekeren.”

4        Onder de titel „Terugvordering van steun” bepaalt artikel 14 van deze verordening:

„1.      Indien negatieve beschikkingen worden gegeven in gevallen van onrechtmatige steun beschikt de Commissie dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen […] De Commissie verlangt geen terugvordering van de steun indien zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht.

[…]

3.      Onverminderd een beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel [242 EG], dient terugvordering onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures van de betrokken lidstaat te geschieden, voor zover die procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie toelaten. Daartoe nemen de betrokken lidstaten in geval van een procedure voor een nationale rechtbank alle nodige maatregelen, met inbegrip van voorlopige maatregelen, waarover zij binnen hun nationale rechtsstelsel beschikken om dit doel te bereiken, onverminderd de communautaire wetgeving.”

 De nationale wettelijke regeling

5        Artikel 4 van wet nr. 2000‑321 van 12 april 2000 inzake de rechten van de burgers in hun betrekkingen met de overheid (JORF van 13 april 2000, blz. 5846) luidt:

„Eenieder heeft in zijn contacten met een van de in artikel 1 genoemde overheidsinstanties recht om kennis te nemen van de voornaam, de achternaam, de functie en het kantooradres van de functionaris die is belast met het onderzoek van zijn verzoek of de behandeling van zijn zaak; deze gegevens staan vermeld in de tot hem gerichte correspondentie. Indien de openbare veiligheid of de veiligheid van personen dit vergen, blijft de functionaris anoniem.

Elk door een van de in artikel 1 genoemde overheidsinstanties genomen besluit vermeldt, naast de handtekening van de opsteller, in leesbare letters diens voornaam, achternaam en functie.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

6        In de loop van 1987 verkochten de stad Orléans en het departement Loiret aan de vennootschap Bouton Brochard Scott, waarvan de rechten thans zijn overgegaan op Scott, dat in handen is van Kimberly Clark, onder gunstige voorwaarden een stuk grond op het industrieterrein La Saussaye te Orléans. Daarnaast zegden deze twee overheden toe, de zuiveringsheffing volgens een voorkeurstarief te zullen berekenen.

7        Op 12 juli gaf de Commissie beschikking 2002/14/EG betreffende door Frankrijk verleende staatssteun ten behoeve van Scott Paper SA/Kimberly-Clark (PB L 12, blz. 1), waarbij de staatsteun in de vorm van de voorkeursprijs voor een terrein en van een voorkeurstarief voor de zuiveringsheffing met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar werd verklaard. Artikel 2 van deze beschikking bepaalt:

„1.      Frankrijk neemt alle nodige maatregelen om de in artikel 1 bedoelde en reeds onrechtmatig ter beschikking gestelde steun terug te vorderen van de begunstigde.

2.      De terugvordering heeft onverwijld plaats overeenkomstig de procedures van het nationale recht, voor zover die de onmiddellijke en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van deze beschikking mogelijk maken. [...]”

8        Scott en het departement Loiret stelden tegen beschikking 2002/14 beroepen in, die alleen betrekking hadden op het verzoek om terugvordering van de steun in de vorm van een voorkeursprijs voor het betrokken terrein. Voor zover de beschikking betrekking heeft op de staatssteun in de vorm van een voorkeurstarief voor de zuiveringsheffing, de enige steun die in de onderhavige zaak aan de orde is, is daartegen dus geen beroep ingesteld bij een rechterlijke instantie van de Europese Unie.

9        Op 5 december 2001 gaf de stad Orléans voor de terugvordering van de steun in de vorm van een voorkeurstarief voor de zuiveringsheffing de drie betalingsbevelen waarop het hoofdgeding betrekking heeft (hierna: „de in geding zijnde betalingsbevelen”). Deze vertonen de zegels van het stadhuis, een handtekening en de vermelding „de gevolmachtigde, namens de burgemeester”, maar vermelden niet het onderwerp waarvoor de burgemeester zijn bevoegdheid heeft gedelegeerd aan de gevolmachtigde die deze bevelen heeft ondertekend, noch diens voor- en achternaam.

10      Tegen de in geding zijnde betalingsbevelen stelden Scott en Kimberly-Clark beroepen in bij het Tribunal administratif d’Orléans.

11      In verband met de automatische opschortende werking van dergelijke beroepen op grond van de nationale wettelijke regeling, te weten artikel L 1617‑5, lid 1, tweede alinea, van de Code général des collectivités territoriales (algemene wet territoriale overheden), werd de executoriale werking van deze betalingsbevelen opgeschort en zijn zij vooralsnog niet ten uitvoer gelegd.

12      Inmiddels was de Franse Republiek bij het arrest van het Hof van 5 oktober 2006, Commissie/Frankrijk (C‑232/05, Jurispr. blz. I‑10071), veroordeeld wegens niet-nakoming van haar verplichtingen krachtens artikel 249, vierde alinea, EG en de artikelen 2 en 3 van beschikking 2002/14. Het Hof stelde in punt 53 van dit arrest met name vast dat de opschortende werking van beroepen tegen betalingsbevelen tot terugvordering van onverschuldigd betaalde staatsteun een procedure vormt die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999 en dat de bepaling waarbij in deze opschortende werking werd voorzien dus buiten toepassing had moeten worden gelaten.

13      Op 9 januari 2007 verwierp het Tribunal administratif d’Orléans de beroepen van Scott en Kimberly Clark, waarna zij op 7 februari 2007 de hoofdsom van de door hen ten onrechte ontvangen steun terugbetaalden.

14      Op 8 maart 2007 stelden Scott en Kimberly Clark hoger beroep in bij de Cour administrative d’appel de Nantes, waarbij zij zich onder meer beriepen op schending van artikel 4 van wet nr. 2000‑321, in die zin dat aan het bepaalde in de tweede alinea van dat artikel niet was voldaan, aangezien de voor- en achternaam van de ondertekenaar van de in geding zijnde betalingsbevelen niet op die bevelen was vermeld.

15      Op 8 december 2008 betaalden Scott en Kimberly Clark de rente terug die zij hadden ontvangen over de periode van 1990 tot 1 juni 2008 en op 24 maart 2009 voldeden zij de rente over de periode tussen 1 juni en 8 december 2008.

16      De verwijzende rechter stelt vast dat de in geding zijnde betalingsbevelen niet voldoen aan de vormvereisten van artikel 4 van wet nr. 2000‑321 en dat dit kan leiden tot nietigverklaring van deze bevelen. In verband daarmee ondervindt de verwijzende rechter twijfel over de verenigbaarheid van een eventuele nietigverklaring van die bevelen wegens vormfout met het bepaalde in artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999.

17      De Cour administrative d’appel de Nantes heeft daarop de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„[Staat] de eventuele nietigverklaring van betalingsbevelen tot terugvordering van de steun die de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 12 juli 2000 onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard, door de Franse administratieve rechter wegens schending van voor deze bevelen geldende wettelijke vormvoorschriften, gelet op de mogelijkheid voor de bevoegde bestuursinstantie om de vormfout in deze bevelen te herstellen, in strijd met artikel 14, lid 3, van verordening [nr. 659/1999] in de weg aan de onmiddellijke en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van [beschikking 2002/14]?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

18      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de nietigverklaring door de nationale rechter wegens een vormfout van betalingsbevelen tot terugvordering van de in geding zijnde staatssteun, gezien de mogelijkheid voor de bevoegde instantie om die fout te herstellen. 

19      In casu zijn de betalingsbevelen gegeven om de tenuitvoerlegging van beschikking 2002/14 te verzekeren. Artikel 2 van de beschikking verplicht de Franse Republiek om ingevolge artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999 alle nodige maatregelen te nemen om de onrechtmatig ter beschikking gestelde steun terug te vorderen van de begunstigde ondernemingen en bepaalt dat de terugvordering onverwijld moet plaatsvinden overeenkomstig de procedures van het nationale recht, voor zover die de onmiddellijke en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van deze beschikking mogelijk maken.

20      Zoals het Hof in punt 49 van het arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, heeft geconstateerd, is artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999 een uiting van de eisen van het reeds eerder in de rechtspraak neergelegde beginsel van doeltreffendheid (zie arresten van 2 februari 1989, Commissie/Duitsland, 94/87, Jurispr. blz. 175, punt 12; 20 maart 1997, Alcan Deutschland, C‑24/95, Jurispr. blz. I‑1591, punt 24, en 12 december 2002, Commissie/Duitsland, C‑209/00, Jurispr. blz. I‑11695, punten 32‑34), zodat deze rechtspraak voor de toepassing van die bepaling relevant is.

21      Overeenkomstig dit doeltreffendheidsbeginsel, zoals op het gebied van staatssteunmaatregelen in vaste rechtspraak geconcretiseerd, kan een lidstaat die krachtens een beschikking van de Commissie onwettige steun moet terugvorderen, vrij de middelen kiezen waarmee hij die verplichting zal uitvoeren, mits de gekozen maatregelen geen afbreuk doen aan de strekking en de doeltreffendheid van het recht van de Unie (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Alcan Deutschland, punt 24, en Commissie/Duitsland, punt 34, alsook arrest van 7 juli 2009, Commissie/Griekenland, C‑369/07, Jurispr. blz. I‑00000, punt 67).

22      Een lidstaat kan een dergelijke terugvorderingsverplichting slechts vervullen indien de door hem getroffen maatregelen de normale concurrentievoorwaarden die zijn vervalst door de toekenning van de onwettige steun waarvan de terugvordering in een beschikking van de Commissie is gelast, kunnen herstellen (zie in die zin arrest van 12 december 2002, Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 35).

23      In casu heeft artikel 4 van wet nr. 2000‑321 tot doel, zoals de Franse regering in haar schriftelijke opmerkingen aangeeft, om door de opheffing van de anonimiteit in de relatie tussen de overheid en de burger, de bestuurlijke transparantie te versterken en het mogelijk te maken, te verifiëren of de administratieve beslissing is genomen door een bevoegde instantie. Zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing is de verwijzende rechter van oordeel dat de in geding zijnde betalingsbevelen in strijd zijn met dit artikel 4 en bijgevolg op die grond nietig moeten worden verklaard.

24      Derhalve moet worden nagegaan of de toepassing van deze nationale bepalingen, rekening houdend met hun algemene nationaalrechtelijke context (zie in die zin arresten van 14 december 1995, Peterbroeck, C‑312/93, Jurispr. blz. I‑4599, punt 14, Van Schijndel en Van Veen, C‑430/93 en C‑431/93, Jurispr. blz. I‑4705, punt 19, en 7 juni 2007, Van der Weerd e.a., C‑222/05-C‑225/05, Jurispr. blz. I‑4233, punt 33), niet in overeenstemming te brengen is met het vereiste van onmiddellijke en daadwerkelijke terugvordering van de steun, zoals voorgeschreven in artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999 en zoals uitgelegd aan de hand van hetgeen naar voren komt uit de in de punten 21 en 22 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

25      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het toezicht door de nationale rechter op de formele wettigheid van een betalingsbevel ter terugvordering van onwettige staatssteun en de eventuele nietigverklaring van dat bevel op grond dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 4 van wet nr. 2000‑321, moeten worden beschouwd als niet anders dan een uitvloeisel van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een algemeen beginsel van het recht van de Unie is (zie arrest van 13 maart 2007, Unibet, C‑432/05, Jurispr. blz. I‑2271, punt 37 en aangehaalde rechtspraak).

26      Bijgevolg is de nietigverklaring van een betalingsbevel weliswaar op zich niet discutabel, maar benadrukt moet worden dat een dergelijke nietigverklaring in beginsel zou kunnen leiden tot het recht van de in het gelijk gestelde steunontvanger om op de grondslag van het nationale recht te vorderen dat de met de reeds terugbetaalde steun overeenkomende bedragen hem opnieuw worden uitbetaald, en deze mogelijke consequentie moet derhalve worden afgezet tegen de verplichtingen van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999.

27      Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat de bevoegde instantie waarvan de in geding zijnde betalingsbevelen afkomstig zijn, bevoegd is om de aan die bevelen klevende vormfout te herstellen; uit deze bevoegdheid kan worden afgeleid dat de nietigverklaring van de in geding zijnde betalingsbevelen niet noodzakelijk leidt tot de teruggave aan de betrokken ondernemingen van de bedragen die zij uit hoofde van die bevelen hebben voldaan. Voorts hebben de Franse regering en de Commissie in hun schriftelijke opmerkingen verklaard dat het Franse recht beschikt over de nodige middelen om te voorkomen dat de nietigverklaring van een betalingsbevel automatisch leidt tot de onmiddellijke teruggave van het door de schuldenaar ter nakoming van dit bevel voldane bedrag. Aldus zal de bevoegde instantie in staat zijn, de vormfout in die bevelen te herstellen, zonder verplicht te zijn aan verzoeksters in het hoofdgeding, al was het slechts tijdelijk, de door hen ter nakoming van die bevelen terugbetaalde bedragen opnieuw te betalen.

28      Wat betreft de wijze waarop deze middelen door de bevoegde instantie of de nationale rechter moeten worden toegepast, moet eraan worden herinnerd dat volgens artikel 14, lid 3, tweede zin, van verordening nr. 659/1999 de betrokken lidstaten in geval van een procedure voor een nationale rechtbank alle nodige maatregelen, met inbegrip van voorlopige maatregelen, nemen waarover zij binnen hun nationale rechtsstelsel beschikken om de onmiddellijke en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie te garanderen.

29      Uit dien hoofde zijn de bevoegde instantie en de nationale rechter krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999 met name verplicht om de volle werking van de beschikking tot terugvordering van de onwettige steun te garanderen en te komen tot een oplossing die in overeenstemming is met het doel dat met die beschikking wordt nagestreefd, namelijk te waarborgen dat de steunontvanger niet, zelfs niet tijdelijk, beschikt over middelen die met de reeds terugbetaalde steun overeenkomen.

30      Indien het herstel van de in geding zijnde betalingsbevelen plaatsvindt in omstandigheden die garanderen dat de reeds terugbetaalde steun niet, zelfs niet tijdelijk, opnieuw aan de ontvangers wordt betaald in geval van nietigverklaring van die bevelen door de verwijzende rechter, dan heeft die nietigverklaring geen reële consequenties voor de tenuitvoerlegging van beschikking 2002/14. De steunontvangers beschikken dan immers zelfs niet tijdelijk over bedragen overeenkomend met de reeds door hen terugbetaalde steun, zodat zij verstoken blijven van het hun niet toekomend concurrentievoordeel dat zij zouden hebben wanneer die bedragen hun opnieuw werden betaald. De nietigverklaring op zich van de in geding zijnde betalingsbevelen staat dus niet in de weg aan de onmiddellijke en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van deze beschikking, zoals die wordt geëist door artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999.

31      Indien echter de nietigverklaring van de in geding zijnde betalingsbevelen, zelfs tijdelijk, zou leiden tot het opnieuw betalen van de door de ontvangers reeds terugbetaalde steun, dan zouden zij wederom beschikken over bedragen, afkomstig van onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaarde steun, en zouden zij als gevolg daarvan het hun niet toekomende concurrentievoordeel genieten. Aldus zou het onmiddellijk en blijvend herstel van de eerdere toestand teniet worden gedaan en zou het verzoeksters in het hoofdgeding niet toekomende concurrentievoordeel worden gereconstrueerd.

32      Een dergelijke consequentie zou onverenigbaar zijn met beschikking 2002/14, die de terugvordering van onwettige steun voorschrijft, en met de verplichtingen die daaruit voortvloeien krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999.

33      Gelet op het voorgaande moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999 aldus moet worden uitgelegd dat het, ingeval de met de betrokken steun overeenkomende bedragen reeds zijn teruggevorderd, niet in de weg staat aan de nietigverklaring door de nationale rechter wegens vormfout van betalingsbevelen tot terugvordering van de onwettige staatssteun, wanneer het nationale recht de mogelijkheid biedt om die vormfout te herstellen. Deze bepaling staat er daarentegen aan in de weg dat die bedragen, zelfs tijdelijk, opnieuw aan de ontvanger van deze steun worden betaald.

 Kosten

34      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 14, lid 3, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat het, ingeval de met de betrokken steun overeenkomende bedragen reeds zijn teruggevorderd, niet in de weg staat aan de nietigverklaring door de nationale rechter wegens vormfout van betalingsbevelen tot terugvordering van de onwettige staatssteun, wanneer het nationale recht de mogelijkheid biedt om die vormfout te herstellen. Deze bepaling staat er daarentegen aan in de weg dat die bedragen, zelfs tijdelijk, opnieuw aan de ontvanger van deze steun worden betaald.

ondertekeningen


* Procestaal: Frans.