ARREST VAN HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen)

12 mei 2010 (*)

„Hogere voorziening – Openbare dienst – Aanwerving – Algemeen vergelijkend onderzoek – Besluit houdende afwijzing van kandidaat voor mondeling examen – Weigering van Commissie om gevolg te geven aan maatregel tot organisatie van procesgang”

In zaak T‑560/08 P,

betreffende een hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 14 oktober 2008, Meierhofer/Commissie (F‑74/07, JurAmbt. blz. I‑A‑1‑0000 en II-A-2‑0000), en strekkende tot vernietiging van dat arrest,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Currall en B. Eggers als gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat,

rekwirante,

andere partij in de procedure:

Stefan Meierhofer, wonende te München (Duitsland), vertegenwoordigd door H.‑G. Schiessl, advocaat,

verzoeker in eerste aanleg,

wijst

HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen),

samengesteld als volgt: M. Jaeger (rapporteur), president, A. W. H. Meij en M. Vilaras, rechters,

griffier: B. Pastor, adjunct-griffier,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 januari 2010,

het navolgende

Arrest

1        In haar krachtens artikel 9 van bijlage I bij het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie ingestelde hogere voorziening vraagt de Commissie van de Europese Gemeenschappen om vernietiging van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 14 oktober 2008, Meierhofer/Commissie (F‑74/07, JurAmbt. blz. I‑A-1‑0000 en II‑A‑2‑0000; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/26/05 van 19 juni 2007 houdende bevestiging dat verzoeker in eerste aanleg niet was geslaagd voor het mondelinge examen van dat vergelijkend onderzoek, nietig is verklaard.

 Voorgeschiedenis van het geding en toepasselijke bepalingen

2        Blijkens het bestreden arrest (punten 8 tot en met 11) heeft Stefan Meierhofer, verzoeker in eerste aanleg, die de Duitse nationaliteit heeft, deelgenomen aan algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/26/05 (hierna: „vergelijkend onderzoek”), waarvan de aankondiging is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 20 juli 2005 (PB C 178 A, blz. 3). Na te zijn geslaagd voor de voorselectietoetsen en het schriftelijk examen, heeft hij op 29 maart 2007 deelgenomen aan het mondeling examen.

3        Bij brief van 10 mei 2007 heeft de voorzitter van de jury van het vergelijkend onderzoek Meierhofer meegedeeld dat hij 24,5 punten had behaald voor het mondeling examen en dus niet het vereiste minimum van 25/50, zodat hij niet op de reservelijst kon worden geplaatst (hierna: „besluit van 10 mei 2007”).

4        Meierhofer heeft bij brief van 11 mei 2007 een verzoek om een heronderzoek van het besluit van 10 mei 2007 ingediend, met het argument, onder verwijzing naar het verslag dat hij zelf had opgesteld na het mondeling examen, dat hij ten minste 80 % van de vragen tijdens dat examen juist had beantwoord. Hij verzocht derhalve om een toetsing van de puntenwaardering van zijn mondeling examen alsook, subsidiair, om uitleg van de cijfers die hij voor elk van de in dat examen gestelde vragen had behaald.

5        Bij brief van 19 juni 2007 heeft de voorzitter van de jury van het vergelijkend onderzoek Meierhofer meegedeeld dat de jury na heronderzoek van zijn examen geen aanleiding had gezien om de uitslag te wijzigen (hierna: „besluit van 19 juni 2007”). In die brief heeft de jury ook aangegeven dat, enerzijds, Meierhofer op het punt van specifieke kennis meer ontoereikende dan toereikende antwoorden had gegeven en dat, anderzijds, het mondeling examen volgens de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek aangegeven criteria was verlopen en dat, gelet op het geheim van de werkzaamheden van de jury zoals voorgeschreven door artikel 6 van bijlage III bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Ambtenarenstatuut”), de kandidaten geen beoordelingsschema kon worden verstrekt, noch de uitsplitsing van hun voor het mondeling examen behaalde cijfers.

6        De aankondiging van vergelijkend onderzoek bevat in titel „B., „Verloop van het vergelijkend onderzoek”, de volgende regels met betrekking tot het mondeling examen en de plaatsing op de reservelijst:

„3. Mondeling examen – Puntenwaardering

e)      Onderhoud met de jury in de hoofdtaal van de kandidaat op basis waarvan de jury zich een oordeel wil kunnen vormen over de geschiktheid van de kandidaat voor het uitoefenen van de in punt A.I omschreven functie. Bij dit onderhoud komen met name de specifieke kennis op het werkgebied en de kennis over de Europese Unie, de Europese instellingen en het Europese beleid aan de orde. Ook wordt de kennis van de tweede taal getest. Tevens wordt nagegaan of de kandidaat zich binnen het Europese openbare ambt zal kunnen aanpassen aan een multiculturele werkomgeving.”

7        Voorts bepaalt artikel 6 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut:

„De werkzaamheden van de jury zijn geheim.”

 Procedure in eerste aanleg en bestreden arrest

8        Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken op 3 juli 2007, heeft Meierhofer dat Gerecht gevraagd om de besluiten van 10 mei 2007 en 19 juni 2007 nietig te verklaren en de Commissie een reeks maatregelen te gelasten.

9        In het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang, waartoe was besloten op grond van artikel 55 van zijn Reglement voor de procesvoering, heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken in het rapport ter voorbereiding van de terechtzitting dat op 7 februari 2008 aan partijen is gezonden, de Commissie verzocht vóór de terechtzitting in te dienen:

„a)      het beoordelingsschema en de uitsplitsing van de cijfers voor het mondeling examen [...] van verzoeker, waarnaar wordt verwezen in het besluit van 19 juni 2007 waarbij zijn verzoek om een heronderzoek is afgewezen,

b)      alle andere gegevens over de beoordeling van de kwaliteit van verzoekers prestatie tijdens het mondeling examen,

c)      een geanonimiseerde lijst met de puntenwaardering van de andere kandidaten aan wie een onvoldoende voor het mondeling examen is gegeven,

d)      de berekeningen die hebben geleid tot de exacte uitslag van 24,5/50 punten voor verzoekers mondeling examen.”

10      In datzelfde rapport ter voorbereiding van de terechtzitting werd gepreciseerd dat bovenvermelde documenten aan Meierhofer zouden worden verstrekt voor zover dat in overeenstemming was met het beginsel dat de werkzaamheden van de jury geheim zijn en/of na weglating, in voorkomend geval, van bepaalde passages waarvan bekendmaking inbreuk zou maken op dat beginsel.

11      In antwoord op deze maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft de Commissie bij op 18 februari 2008 ter griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken binnengekomen schrijven een geanonimiseerde tabel toegezonden met de onvoldoendes van de kandidaten die niet waren geslaagd voor het mondeling examen, zoals gevraagd in het rapport ter voorbereiding van de terechtzitting, sub c. De Commissie heeft echter niet de in dat rapport sub a, b en d genoemde documenten overgelegd, waarbij zij in wezen aanvoerde dat, daar niet is aangetoond dat inbreuk is gemaakt op de voor de werkzaamheden van de jury geldende regels, het aan de motiveringsplicht ontleende middel op zich niet rechtvaardigde dat, gelet op het geheim van de werkzaamheden van de jury, de andere gevraagde gegevens en documenten werden overgelegd.

12      In punt 16 in fine van het bestreden arrest heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken het volgende opgemerkt:

„Voorts heeft de Commissie opgemerkt dat zij niet gehouden was dergelijke gegevens en documenten over te leggen, of het Gerecht [voor ambtenarenzaken] daartoe nu gelast door middel van maatregelen tot organisatie van de procesgang, zoals in casu, of door middel van maatregelen van instructie.”

13      Meierhofer heeft op 20 maart 2008 bij de griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken opmerkingen ingediend over de tot de Commissie gerichte maatregelen tot organisatie van de procesgang, en met name over haar reactie op die maatregelen.

14      Bij brief van 19 mei 2008 heeft de Commissie op die opmerkingen geantwoord, daar haar pas ter terechtzitting van 23 april 2008 een kopie van die opmerkingen was gegeven.

15      In het bestreden arrest heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken om te beginnen vastgesteld dat het beroep moest worden beschouwd als uitsluitend gericht tegen het besluit van 19 juni 2007. Wanneer een kandidaat van een vergelijkend onderzoek om een heronderzoek van een door de jury vastgesteld besluit verzoekt, vormt het besluit dat de jury na heronderzoek van de situatie van de kandidaat neemt immers het bezwarend besluit (punten 19 en 20 van het bestreden arrest). Vervolgens heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken, na Meierhofers eerste middel, ontleend aan schending van de motiveringsplicht, te hebben onderzocht en aanvaard (punten 30 tot en met 55 van het bestreden arrest), het besluit van 19 juni 2007 nietig verklaard en de Commissie verwezen in de kosten. De andere vorderingen van Meierhofer heeft het echter afgewezen op grond dat de rechter kennelijk onbevoegd is om bevelen tot de instellingen te richten.

16      Met het oog op deze hogere voorziening moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat het Gerecht voor ambtenarenzaken eraan heeft herinnerd dat elk individueel besluit dat overeenkomstig het Ambtenarenstatuut wordt genomen en dat bezwarend is, met redenen moet worden omkleed, en dat de motiveringsplicht tot doel heeft, enerzijds de rechter in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van het besluit en anderzijds aan de betrokkene de noodzakelijke gegevens te verschaffen om uit te maken of het besluit al dan niet gegrond is en hem in staat te stellen te beoordelen of het instellen van beroep opportuun is. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati (C‑254/95 P, Jurispr. blz. I‑3423, punten 24‑28), heeft het hier echter aan toegevoegd dat, wat de besluiten van een jury van een vergelijkend onderzoek betreft, de motiveringsplicht in overeenstemming moet worden gebracht met de eerbiediging van het in artikel 6 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut geformuleerde beginsel volgens hetwelk de werkzaamheden van de jury geheim zijn, welk geheim is ingevoerd teneinde de onafhankelijkheid en onbevangenheid van de jury’s te waarborgen. De eerbiediging van dit geheim brengt dus mee dat de opvattingen van de individuele juryleden niet ruchtbaar mogen worden en dat gegevens, verband houdende met beoordelingen, de kandidaten persoonlijk dan wel in vergelijking met andere kandidaten betreffende, niet aan de openbaarheid mogen worden prijsgegeven, alsook dat het vereiste van motivering van de besluiten van de jury van een vergelijkend onderzoek rekening moet houden met de aard van de betrokken werkzaamheden die, in de fase van het onderzoek naar de bekwaamheden van de kandidaten, vooral vergelijkend van aard zijn en derhalve worden gedekt door het geheim van die werkzaamheden (punten 30 en 31 van het bestreden arrest).

17      Het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft beklemtoond dat volgens de rechtspraak „de mededeling van de voor de verschillende examens behaalde cijfers” een afdoende motivering vormt van de besluiten van de jury (arrest Parlement/Innamorati, reeds aangehaald in punt 16 hierboven, punt 31; arresten Gerecht van 21 mei 1996, Kaps/Hof van Justitie, T‑153/95, JurAmbt. blz. I‑A‑233 en II‑663, punt 81; 2 mei 2001, Giulietti e.a./Commissie, T‑167/99 en T‑174/99, JurAmbt. blz. I‑A‑93 en II‑441, punt 81; 23 januari 2003, Angioli/Commissie, T‑53/00, JurAmbt. blz. I‑A‑13 en II‑73, punt 69, en 31 mei 2005, Gibault/Commissie, T‑294/03, JurAmbt. blz. I‑A‑141 en II‑635, punt 39 (punt 32 van het bestreden arrest).

18      In de tweede plaats heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken de draagwijdte van de betrokken rechtspraak gepreciseerd (punt 34 van het bestreden arrest).

19      Bovendien heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken verwezen naar de rechtspraak op het gebied van afwijzing in de schriftelijke fase van een vergelijkend onderzoek, op grond waarvan de kandidaat in de praktijk een volledige verklaring krijgt van de redenen voor zijn afwijzing, doordat hem niet alleen de verschillende deelcijfers worden verstrekt, maar ook de motivering van het onvoldoende deelcijfer dat tot verdere uitsluiting van het vergelijkend onderzoek heeft geleid, en andere gegevens (arresten Gerecht van 25 juni 2003, Pyres/Commissie, T‑72/01, JurAmbt. blz. I‑A‑169 en II‑861, punt 70, 7 september 2003, Alexandratos en Panagiotou/Raad, T‑233/02, JurAmbt. blz. I‑A‑201 en II‑989, punt 31, en 14 juli 2005, Le Voci/Raad, T‑371/03, JurAmbt. blz. I‑A‑209 en II‑957, punten 115‑117; arresten Gerecht voor ambtenarenzaken van 13 december 2007, Van Neyghem/Commissie, F‑73/06, JurAmbt. blz. I‑A‑1‑0000 en II‑A‑2‑0000, punten 72, 79 en 80, en 4 september 2008, Dragoman/Commissie, F‑147/06, JurAmbt. blz. I‑A‑1‑0000 en II‑A‑2‑0000, punten 21, 82 en 83) (punt 39 van het bestreden arrest).

20      In dit verband heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken beklemtoond dat ook al mogen de correctoren van de schriftelijke examens, anders dan de juryleden die deelnemen aan het mondeling examen, niet bekend zijn bij de betrokkenen en worden zij dus beschermd tegen de inmenging en druk waarnaar het in punt 16 hierboven aangehaalde arrest Parlement/Innamorati verwijst, dit geen objectieve rechtvaardiging vormt voor het bestaan van grote verschillen tussen de motiveringsvereisten bij afwijzing in de schriftelijke fase, zoals die vereisten voortvloeien uit de in punt 39 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak, en die welke volgens de Commissie gelden bij afwijzing voor het mondeling examen, die in casu zouden inhouden dat verzoeker slechts zijn onvoldoende deelcijfer werd meegedeeld.

21      In de derde plaats heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken opgemerkt dat hoewel het resultaat van het met elkaar in evenwicht brengen van de motiveringsplicht en de eerbiediging van het beginsel van het geheim van de werkzaamheden van de jury, met name op het punt van de vraag of de mededeling van één onvoldoende deelcijfer aan de kandidaat die voor het mondeling examen is afgewezen aan die verplichting voldoet, meestal uitvalt in het voordeel van het beginsel van het geheim van de werkzaamheden van de jury, dit anders kan zijn wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden, en dit temeer daar de recente rechtspraak betreffende verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, op een ontwikkeling in de richting van meer transparantie duidt (zie in die zin arresten Hof van 18 december 2007, Zweden/Commissie, C‑64/05 P, Jurispr. blz. I‑11389, en 1 juli 2008, Zweden en Turco/Raad, C‑39/05 P en C‑52/05 P, Jurispr. blz. I‑4723) (punt 40 van het bestreden arrest).

22      In de vierde plaats heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken de verschillende redenen uiteengezet waarom ervan moest worden uitgegaan dat er in de onderhavige zaak sprake was van bijzondere omstandigheden in de zin van punt 21 hierboven (punten 42‑48 van het bestreden arrest).

23      In de vijfde plaats heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken gevolgen verbonden aan het bestaan van die bijzondere omstandigheden en geoordeeld dat, ook al vormde de mededeling aan verzoeker van het onvoldoende deelcijfer dat hem voor het mondeling examen was toegekend, namelijk het cijfer 24,5/50, meer dan enkel een aanzet tot motivering, die volgens de rechtspraak (zie arrest Gerecht van 6 november 1997, Berlingieri Vinzek/Commissie, T‑71/96, JurAmbt. blz. I‑A‑339 en II‑921, punt 79) in de loop van het geding nader kon worden gepreciseerd, dit cijfer alleen evenwel ontoereikend was om in de omstandigheden van het geval volledig aan de motiveringsplicht te voldoen. De weigering van de Commissie tot verstrekking van elke aanvullende informatie bracht volgens het Gerecht voor ambtenarenzaken derhalve schending van die verplichting mee (punt 49 van het bestreden arrest).

24      Ofschoon het Gerecht voor ambtenarenzaken toegaf dat het niet aan hem stond om te bepalen welke informatie de Commissie aan de betrokkene moest verstrekken om te voldoen aan haar motiveringsplicht, merkte het met name op dat bepaalde aanvullende gegevens, zoals de tussentijdse cijfers voor elk van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vastgestelde beoordelingscriteria en de beoordelingsformulieren na het onleesbaar maken van de passages die onder het geheim van de werkzaamheden van de jury vielen, aan Meierhofer hadden kunnen worden verstrekt zonder de opvattingen van de individuele juryleden of de gegevens, verband houdende met beoordelingen, de kandidaten persoonlijk dan wel in vergelijking met andere kandidaten betreffende, openbaar te maken (punten 50 en 51 van het bestreden arrest).

25      Ten slotte heeft het vastgesteld dat de weigering van de Commissie om deze gegevens zelfs alleen aan het Gerecht te verstrekken, ertoe heeft geleid dat het Gerecht zijn toezicht niet volledig kon uitoefenen (punt 51 van het bestreden arrest).

26      Overigens heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken beklemtoond dat het volgen van de redenering van de Commissie dat gegevens als in punt 25 hierboven bedoeld irrelevant zouden zijn, erop zou neerkomen dat de rechter van de Unie elke mogelijkheid tot toetsing van de puntenwaardering van het mondeling examen wordt ontnomen. Hoewel het Gerecht voor ambtenarenzaken zijn oordeel niet in de plaats kan stellen van dat van de juryleden, moet het evenwel kunnen nagaan, gelet op de motiveringsplicht, of zij verzoeker hebben beoordeeld op basis van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek neergelegde beoordelingscriteria en of er geen fout is geslopen in de berekening van het cijfer van betrokkene; ook moet het Gerecht voor ambtenarenzaken een beperkte toetsing kunnen uitoefenen met betrekking tot het verband tussen de in woorden uitgedrukte beoordeling van de juryleden en de door hen toegekende cijfers (arrest Hof van 16 juni 1987, Kolivas/Commissie, 40/86, Jurispr. blz. 2643, punt 11; arresten Gerecht voor ambtenarenzaken Van Neyghem/Commissie, aangehaald in punt 19 hierboven, punt 86, en 11 september 2008, Coto Moreno/Commissie, F‑127/07, JurAmbt. blz. I‑A‑1‑0000 en II‑A-2‑0000, punten 34 en 36). Daartoe moet het Gerecht voor ambtenarenzaken overgaan tot de maatregelen tot organisatie van de procesgang die hem passend lijken, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, waarbij het in voorkomend geval de verwerende instelling erop wijst dat de antwoorden aan de betrokkene slechts worden verstrekt voor zover dit verenigbaar is met het beginsel dat de werkzaamheden van de jury geheim zijn (punt 52 van het bestreden arrest).

27      In de zesde en laatste plaats heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken akte genomen van de weigering van de Commissie om hem de gegevens te verstrekken die hij in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang had gevraagd en is het, aangezien het de redenen die de Commissie ter rechtvaardiging van die weigering had aangevoerd niet overtuigend achtte, tot de conclusie gekomen dat het besluit van 19 juni 2007 nietig moest worden verklaard, omdat er sprake was van schending van de motiveringsplicht (punten 53‑55 van het bestreden arrest).

 Hogere voorziening

 Procesverloop en conclusies van partijen

28      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 december 2008, heeft de Commissie de onderhavige hogere voorziening ingesteld.

29      Nadat Meierhofer op 17 maart 2009 de memorie van antwoord had ingediend, heeft de Commissie bij brief van 6 april 2009 gevraagd om overeenkomstig artikel 143, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een memorie van repliek te mogen indienen.

30      Nadat de president van de kamer voor hogere voorzieningen van het Gerecht dit verzoek bij beslissing van 15 april 2009 had ingewilligd, heeft de tweede memoriewisseling plaatsgevonden, waarna de schriftelijke behandeling op 20 juli 2009 is afgesloten.

31      Bij brief van 18 augustus 2009 heeft de Commissie op grond van artikel 146 van het Reglement voor de procesvoering een met redenen omkleed verzoek ingediend om in het kader van de mondelinge fase van de procedure te worden gehoord.

32      Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (kamer voor hogere voorzieningen) dit verzoek ingewilligd en de mondelinge behandeling geopend.

33      Partijen zijn ter terechtzitting van 13 januari 2010 in hun pleidooien en in hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord.

34      De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

–        het bestreden arrest te vernietigen;

–        elke partij te verwijzen in haar eigen kosten.

35      Meierhofer concludeert dat het het Gerecht behage:

–        de hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren;

–        subsidiair, de hogere voorziening ongegrond te verklaren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten van de beide procedures.

36      Ter terechtzitting heeft Meierhofer zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid op grond van de te late instelling van de hogere voorziening ingetrokken, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal.

 In rechte

 Ontvankelijkheid

37      Om te beginnen en ofschoon Meierhofer niet langer betoogt dat de onderhavige hogere voorziening te laat is ingesteld, moet eraan worden herinnerd dat de beroepstermijnen van openbare orde zijn en niet door de partijen of de rechter naar believen kunnen worden ingeroepen, aangezien zij zijn ingesteld teneinde met betrekking tot de rechtens bestaande situaties duidelijkheid en zekerheid te waarborgen. Derhalve kan het Gerecht toch, zelfs ambtshalve, nagaan of een beroep binnen de gestelde termijn is ingesteld (zie arrest Gerecht van 28 januari 2004, OPTUC/Commissie, T‑142/01 en T‑283/01, Jurispr. blz. II‑329, punt 30, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38      De termijn van twee maanden waarbinnen de Commissie hogere voorziening tegen het bestreden arrest kon indienen is beginnen te lopen vanaf de ontvangst van dat arrest op 16 oktober 2008. Vermeerderd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen overeenkomstig artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, is deze termijn dus op 26 december 2008 om middernacht verstreken. De op 19 december 2008 ter griffie van het Gerecht binnengekomen hogere voorziening is dus tijdig ingesteld.

39      Voorts stelt Meierhofer in de memorie van antwoord dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is op grond dat de Commissie geen procesbelang meer heeft, daar zij met de mededeling aan hem van de tussentijdse cijfers voor zijn mondeling examen, reeds heeft voldaan aan de verplichtingen die het bestreden arrest voor haar inhield.

40      In repliek betwist de Commissie deze exceptie en zij baseert zich daarvoor op de uit artikel 233 EG voortvloeiende verplichting om het bestreden arrest uit te voeren alsmede op het feit dat artikel 9, tweede alinea, van bijlage I bij het Statuut van het Hof de mogelijkheid voor een gemeenschapsinstelling om een hogere voorziening in te stellen niet afhankelijk stelt van het bestaan van procesbelang.

41      Dienaangaande zij er om te beginnen aan herinnerd dat volgens de vaste rechtspraak betreffende hogere voorzieningen die de verwerende instelling in eerste aanleg instelt tegen een beslissing waarin de ambtenaar in het gelijk is gesteld, de ontvankelijkheid van de hogere voorziening afhangt van het bestaan van procesbelang, dat onderstelt dat de uitslag van de hogere voorziening in het voordeel van de rekwirant kan zijn (arresten Hof van 13 juli 2000, Parlement/Richard, C‑174/99 P, Jurispr. blz. I‑6189, punt 33, en 3 april 2003, Parlement/Samper, C‑277/01 P, Jurispr. blz. I‑3019, punt 28).

42      De Commissie beroept zich dus ten onrechte op de rechtspraak dat de instellingen van de Unie op grond van artikel 56, derde alinea, van het Statuut van het Hof geen belang hoeven aan te tonen om hogere voorziening te kunnen instellen en op het feit dat het niet aan de rechter van de Unie staat om de keuzes te controleren die de instellingen in dat opzicht maken. Diezelfde rechtspraak herinnert er immers duidelijk aan dat die bepaling van het Statuut van het Hof niet geldt voor geschillen tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden (arrest Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr. blz. I‑4125, punten 171 en 172).

43      In casu moet worden opgemerkt dat de Commissie wel degelijk een procesbelang heeft.

44      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Gerecht voor ambtenarenzaken in het bestreden arrest het besluit van 19 juni 2007 nietig heeft verklaard, omdat er sprake was van schending van de motiveringsplicht (zie punt 27 hierboven). Hieruit volgt dat de Commissie, om aan dat arrest te voldoen en daaraan volledig uitvoering te geven, een nieuw besluit diende te nemen om de naam van Meierhofer al dan niet op de reservelijst van het vergelijkend onderzoek te plaatsen. Dit nieuwe besluit zou het besluit van 19 juni 2007, dat bij het bestreden arrest nietig is verklaard, vervangen.

45      Vastgesteld zij dat de Commissie dat besluit niet heeft genomen. Na het bestreden arrest heeft zij Meierhofer weliswaar de tussentijdse cijfers van zijn mondelinge examen meegedeeld, doch de brief waarin die cijfers werden meegedeeld bevat geen enkel formeel besluit om de naam van de betrokkene al dan niet op de reservelijst op te nemen. Wordt het bestreden arrest niet vernietigd, dan zal de Commissie dus dat nieuwe besluit moeten vaststellen, waartegen Meierhofer eventueel in een nieuw beroep kan opkomen. Wordt de hogere voorziening daarentegen gegrond verklaard en het bestreden arrest vernietigd, dan blijven alle gevolgen van het besluit van 19 juni 2007 in stand en zal het in het licht van de middelen die Meierhofer in het beroep heeft aangevoerd, opnieuw moeten worden onderzocht.

46      De mededeling van de tussentijdse cijfers is weliswaar onomkeerbaar, doch in het tweede, in punt 45 hierboven genoemde geval is het niet noodzakelijk om te onderzoeken of er een maatregel van instructie moet worden vastgesteld om die cijfers over te leggen. Dit zou echter slechts tot gevolg hebben dat het middel ontleend aan schending van de motiveringsplicht, dat Meierhofer in het beroep in eerste aanleg heeft aangevoerd, eventueel zonder voorwerp raakt. De andere middelen die hij in datzelfde beroep heeft aangevoerd, maar die door het Gerecht voor ambtenarenzaken niet zijn onderzocht, moeten in dat geval echter worden onderzocht.

47      Voorts biedt de vernietiging van het bestreden arrest de Commissie in elk geval een zeker voordeel, aangezien zij, indien het beroep in eerste aanleg uiteindelijk wordt verworpen, in dat geval wordt gevrijwaard van elke vordering van Meierhofer tot vergoeding van de schade die hij als gevolg van het besluit van 19 juni 2007 zou hebben geleden (zie in die zin arresten Parlement/Richard, aangehaald in punt 41 hierboven, punt 34, en Parlement/Samper, aangehaald in punt 41 hierboven, punt 31).

48      In het licht van de voorgaande overwegingen, moet de door Meierhofer opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen.

 Ten gronde

49      Tot staving van de hogere voorziening voert de Commissie in wezen drie middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan miskenning van de omvang van de motiveringsplicht, het tweede aan de onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de controle van de beoordeling van de juryleden en het derde aan schending van bepaalde procedureregels in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang die in eerste aanleg zijn getroffen en de beoordeling van het bewijs.

50      Het derde middel moet eerst worden onderzocht.

 Argumenten van partijen

51      De Commissie betoogt dat het Gerecht voor ambtenarenzaken ten onrechte heeft geoordeeld dat zij algemeen had geweigerd om de gevraagde documenten over te leggen. Zij heeft echter slechts gesteld dat die documenten irrelevant waren voor het aan het Gerecht voor ambtenarenzaken voorgelegde geschil en beklemtoond dat het om bijzonder gevoelige documenten ging. Zowel ter terechtzitting als in haar opmerkingen van 19 mei 2008 heeft zij het Gerecht voor ambtenarenzaken derhalve gevraagd om de overlegging van die documenten te vragen door middel van een maatregel van instructie in de vorm van een beschikking, in plaats van bij een op grond van artikel 55 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken vastgestelde maatregel tot organisatie van de procesgang.

52      Ofschoon het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, in tegenstelling tot dat van het Gerecht, niet voorziet in de mogelijkheid om een maatregel van instructie vast te stellen waarbij partijen wordt gelast om documenten over te leggen, zou artikel 24 van het Statuut van het Hof, dat van toepassing is op het Gerecht voor ambtenarenzaken, laatstgenoemd Gerecht de mogelijkheid hebben geboden een dergelijke beschikking te geven, aangezien dat artikel onder meer bepaalt dat de rechter van de Unie partijen kan verzoeken alle stukken over te leggen en alle inlichtingen te verstrekken welke hij wenselijk acht.

53      De Commissie voegt hieraan toe dat artikel 44, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken een bepaling bevat op grond waarvan het in casu mogelijk was geweest een beschikking te geven die tegemoet kwam aan haar bezorgdheid als gevolg van het gevoelige karakter van de gevraagde documenten. Ter terechtzitting voor het Gerecht heeft zij echter toegegeven dat zij zich voor het Gerecht voor ambtenarenzaken niet uitdrukkelijk op die bepaling heeft beroepen.

54      In repliek stelt Meierhofer in de eerste plaats dat een hogere voorziening voor het Gerecht slechts gebaseerd kan zijn op middelen ontleend aan procedurele onregelmatigheden die in eerste aanleg zijn begaan en die afbreuk doen aan de belangen van de betrokken partij.

55      Afgezien van de vraag of het Gerecht voor ambtenarenzaken al dan niet in staat is om een maatregel van instructie vast te stellen als door de Commissie is gevraagd, heeft het ontbreken daarvan op geen enkele wijze afbreuk gedaan aan de belangen van de Commissie, omdat de vaststelling en de uitvoering van die maatregel het Gerecht voor ambtenarenzaken er hoogstens van zou hebben overtuigd dat de prestatie van Meierhofer correct was beoordeeld. De overlegging van de gevraagde documenten zou echter niets hebben gewijzigd aan het feit dat het besluit van 19 juni 2007 onvoldoende was gemotiveerd om te rechtvaardigen dat Meierhofer niet op de reservelijst van het vergelijkend onderzoek was geplaatst.

56      In de tweede plaats heeft de eventuele procedurefout die het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft gemaakt geen enkel gevolg gehad, aangezien de Commissie, zich verschuilend achter de aan artikel 6 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut ontleende vertrouwelijkheidsplicht, niet de gevraagde documenten heeft overgelegd.

57      In de derde plaats betoogt Meierhofer dat het Gerecht voor ambtenarenzaken niet verplicht is om een maatregel tot organisatie van de procesgang of van instructie te treffen, daar artikel 55, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering slechts voorziet in de „mogelijkheid” om maatregelen tot organisatie van de procesgang te gelasten en artikel 58, lid 1, van datzelfde reglement bepaalt dat tot maatregelen van instructie wordt besloten door het Gerecht voor ambtenarenzaken. In antwoord op verschillende vragen van het Gerecht heeft Meierhofer ter terechtzitting overigens gepreciseerd dat de maatregelen tot organisatie van de procesgang en van instructie zijns inziens hetzelfde doel beogen, namelijk de rechter in staat te stellen om te beschikken over alle stukken die voor de behandeling van een zaak nodig zijn. De vorm ervan is derhalve niet van bijzonder belang.

58      Ten slotte verleent artikel 44, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken partijen geen enkel subjectief recht, aangezien het dat Gerecht slechts verbiedt om stukken die door de wederpartij als vertrouwelijk worden beschouwd aan de andere partij mede te delen alvorens zich te hebben uitgesproken over de vertrouwelijkheid van die stukken.

 Beoordeling door het Gerecht

59      In de eerste plaats moet worden beklemtoond dat, zoals in punt 49 van het bestreden arrest is uiteengezet, het besluit van 19 juni 2007 niet volledig verstoken is van motivering, aangezien Meierhofer wel zijn onvoldoende eindcijfer was meegedeeld, maar dat het ontoereikend was gemotiveerd. In de loop van het geding konden dus aanvullende preciseringen worden gegeven waardoor het middel ontleend aan het ontbreken van motivering zonder voorwerp was geraakt, met dien verstande echter dat de Commissie niet een volledig nieuwe motivering mag geven voor de aanvankelijk onjuiste motivering (zie in die zin arresten Gerecht Berlingieri Vinzek/Commissie, aangehaald in punt 23 hierboven, punt 79, en 28 april 2004, Pascall/Raad, T‑277/02, JurAmbt. blz. I‑A‑137 en II‑621, punt 31).

60      In de tweede plaats is het juist dat het proces-verbaal van de terechtzitting voor het Gerecht voor ambtenarenzaken geen enkele aanwijzing bevat over hoe de Commissie zou hebben gereageerd indien het Gerecht voor ambtenarenzaken een maatregel van instructie had vastgesteld om de overlegging van de betrokken documenten te gelasten. Het Gerecht kan op grond van dit proces-verbaal dus niet nagaan wat de Commissie hierover ter terechtzitting heeft gezegd. Uit de punten 20 tot en met 23 van de opmerkingen van de Commissie van 19 mei 2008 blijkt echter duidelijk dat haar weigering om de betrokken documenten over te leggen, gezien het gevoelige karakter ervan, alleen betrekking kon hebben op de maatregelen die het Gerecht voor ambtenarenzaken daadwerkelijk had getroffen, namelijk de maatregelen tot organisatie van de procesgang, zonder evenwel vooruit te lopen op de reactie van de Commissie op een door het Gerecht voor ambtenarenzaken gelaste maatregel van instructie.

61      In de derde plaats zij opgemerkt dat de beoordeling van de opportuniteit om een maatregel tot organisatie van de procesgang of een maatregel van instructie te treffen toekomt aan de rechter, en niet aan partijen, maar laatstgenoemden in het kader van een hogere voorziening eventueel de in eerste aanleg gemaakte keuze kunnen betwisten.

62      Aan deze redenering wordt niet afgedaan door het arrest van het Gerecht van 27 oktober 1994, Fiatagri en New Holland Ford/Commissie (T‑34/92, Jurispr. blz. II‑905), waarop de Commissie zich beroept. In punt 27 van dit arrest heeft het Gerecht weliswaar geoordeeld dat, daar de verzoekers geen enkele aanwijzing hadden gegeven die het voor alle handelingen van de instellingen geldende vermoeden van geldigheid kon aantasten, het niet de gevraagde maatregelen van instructie kon gelasten, doch het heeft zich hierbij niet uitgesproken over de opportuniteit om de door de verzoekers gevraagde maatregelen van instructie te treffen. Dit arrest bevestigt dus tenminste impliciet maar noodzakelijkerwijs dat het aan de rechter, en niet aan de partijen, staat om te beoordelen of de vaststelling van een maatregel van instructie noodzakelijk is voor de beslissing die de rechterlijke instantie moet geven, hetgeen de Commissie in casu lijkt te ontkennen. Ofschoon een partij van de rechter van de Unie niet mag eisen dat hij een maatregel van instructie treft, neemt dit echter niet weg dat de rechter uit het ontbreken in het dossier van bepaalde elementen geen gevolgen mag trekken zolang hij niet de middelen heeft uitgeput waarin zijn Reglement voor de procesvoering voorziet om de overlegging daarvan door de betrokken partij te verkrijgen.

63      In de vierde plaats moet worden vastgesteld dat, zoals de Commissie ter terechtzitting voor het Gerecht in herinnering heeft gebracht, het beroep in eerste aanleg was ingesteld vóór 1 november 2007, de datum waarop het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor Ambtenarenzaken overeenkomstig artikel 121 daarvan in werking is getreden. Daar het onderzoek van het dossier echter is begonnen met de verzending aan partijen van het rapport ter voorbereiding van de terechtzitting op 7 februari 2008, staat vast dat dit volledig heeft plaatsgevonden onder dat Reglement voor de procesvoering. Er moet daarom kort worden herinnerd aan de verschillen tussen het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken en dat van het Gerecht, wat de maatregelen tot organisatie van de procesgang en de maatregelen van instructie betreft.

64      Een van de criteria die het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken hanteert om onderscheid te maken tussen deze twee categorieën maatregelen lijkt te zijn gebaseerd op het feit dat de maatregelen tot organisatie van de procesgang (voorzien in de artikelen 55 en 56 van dit reglement) altijd gericht zijn tot de partijen, terwijl de maatregelen van instructie (voorzien in de artikelen 57 en 58 van dat reglement) ook gericht kunnen zijn tot derden. Het betreft hier een ander criterium dan het Gerecht heeft ontwikkeld in zijn rechtspraak, namelijk dat de maatregelen tot organisatie van de procesgang (voorzien in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering) tot doel hebben het goede verloop van de schriftelijke en mondelinge behandeling te verzekeren en de bewijsvoering te vergemakkelijken, alsmede de punten te bepalen, ten aanzien waarvan partijen hun betoog moeten aanvullen, of die instructie behoeven, terwijl de maatregelen van instructie (voorzien in de artikelen 65‑67 van het Reglement voor de procesvoering) tot doel hebben de juistheid van de door een partij ter ondersteuning van haar middelen aangevoerde feiten te bewijzen (arrest Gerecht van 18 januari 2005, Entorn/Commissie, T‑141/01, Jurispr. blz. II‑95, punten 129 en 130).

65      Met betrekking tot de vorm van de maatregelen preciseert artikel 56 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken dat de maatregelen tot organisatie van de procesgang door de griffier ter kennis van partijen worden gebracht. Volgens artikel 58, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken geldt dit ook voor de maatregelen van instructie, met uitzondering van die welke betrekking hebben op getuigenbewijs, deskundigenonderzoek en plaatsopneming, die bij beschikking moeten worden getroffen.

66      Hieruit volgt dat het derde hoofdstuk van de tweede titel van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, in tegenstelling tot het derde hoofdstuk van de tweede titel van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, geen expliciete rechtsgrondslag bevat om een beschikking te geven waarbij één van de partijen wordt gelast om bij wijze van maatregel van instructie documenten over te leggen.

67      Zonder dat het nodig is een uitspraak te doen over de vraag of het Gerecht voor ambtenarenzaken op grond van artikel 24 van het Statuut van het Hof wel een dergelijke beschikking kan geven, moet worden vastgesteld dat deze mogelijkheid althans in bepaalde omstandigheden is voorzien in artikel 44, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, welke bepaling volgens artikel 56 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken overigens „onverminderd” geldt.

68      Artikel 44, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken luidt:

„Indien het Gerecht [voor ambtenarenzaken] ten aanzien van een of meer partijen het vertrouwelijke karakter moet toetsen van een stuk dat relevant kan zijn voor een beslissing over een geschil, wordt dat stuk vóór het einde van deze toetsing niet aan de partijen meegedeeld. Het Gerecht [voor ambtenarenzaken] kan bij beschikking de overlegging van dit document vragen.”

69      Een soortgelijke bepaling is opgenomen in artikel 67, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, met uitzondering van de vermelding bij beschikking, die overbodig zou zijn, aangezien in artikel 66, lid 1, tweede alinea, van dit reglement reeds wordt bepaald dat die maatregelen bij beschikking worden getroffen.

70      Hieruit volgt dat het Gerecht voor ambtenarenzaken in artikel 44, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering een instrument heeft om te reageren op situaties, zoals die waarvan in casu sprake is, waarin één der partijen niet wil dat vertrouwelijke informatie in stukken die zij wordt gevraagd over te leggen krachtens het beginsel van hoor en wederhoor aan de andere partij wordt doorgegeven.

71      Op grond van deze bepaling kan immers bij beschikking om de overlegging van vertrouwelijke stukken worden gevraagd, waarbij het Gerecht voor ambtenarenzaken verplicht is om na te gaan of de partij die zich op het vertrouwelijke karakter van die stukken beroept zich mag verzetten tegen de kennisgeving ervan aan de andere partij en de eindbeslissing door de rechter moet worden genomen.

72      Hieruit volgt dat het ondanks de verschillen tussen het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en dat van het Gerecht voor ambtenarenzaken voor laatstgenoemd Gerecht mogelijk blijft om dezelfde procedure te volgen als die welke door het Gerecht wordt gevolgd, volgens welke de rechter, wanneer een partij hem meedeelt dat zij geen gevolg kan geven aan maatregelen tot organisatie van de procesgang, aangezien bepaalde gevraagde stukken vertrouwelijk zijn, een beschikking kan geven om die partij te gelasten de betrokken stukken over te leggen, waarbij echter wordt bepaald dat zij in dat stadium niet aan de wederpartij zullen worden gegeven (zie in die zin arresten Gerecht van 8 juli 2008, Franchet en Byk/Commissie, T‑48/05, Jurispr. blz. II‑1585, punten 54 en 55, en 18 maart 2009, Shanghai Excell M & E Enterprise en Shanghai Adeptech Precision/Raad, T‑299/05, Jurispr. blz. II‑0000, punten 24‑26).

73      In dit verband moet weliswaar worden opgemerkt dat noch het Statuut van het Hof noch het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, evenmin als de Reglementen voor de procesvoering van het Hof en het Gerecht overigens, voorzien in de mogelijkheid om een sanctie op te leggen indien geen gevolg wordt gegeven aan die beschikking, zodat op die weigering alleen kan worden gereageerd doordat de rechterlijke instantie daaraan gevolgen verbindt in de beslissing die een einde maakt aan het geding (zie in die zin arresten Hof van 10 juni 1980, M./Commissie, 155/78, Jurispr. blz. 1797, punten 20 en 21), hetgeen het Gerecht voor ambtenarenzaken in het bestreden arrest heeft gedaan.

74      Dit neemt echter niet weg dat het Gerecht voor ambtenarenzaken alvorens dit te kunnen doen verplicht was om alle hem ter beschikking staande instrumenten te gebruiken om de overlegging van de betrokken stukken te verkrijgen. Dit geldt temeer daar de Commissie, afgezien van het betoog dat die stukken niet relevant zouden zijn, haar weigering duidelijk had gemotiveerd met een beroep op het vertrouwelijke karakter van die stukken.

75      Het is weliswaar de taak van het Gerecht voor ambtenarenzaken, en niet van de Commissie, om na te gaan of dat vertrouwelijke karakter daadwerkelijk verhinderde dat de betrokken stukken in het dossier werden opgenomen en aan de wederpartij werden gegeven, doch dit neemt niet weg dat het Gerecht voor ambtenarenzaken gebruik had moeten maken van de daartoe in zijn Reglement voor de procesvoering voorziene bepaling.

76      Het stond de Commissie dus vrij om voor het Gerecht voor ambtenarenzaken aan te dringen op het vermeende vertrouwelijke karakter van de haar gevraagde stukken. In dergelijke omstandigheden had het Gerecht voor ambtenarenzaken gebruik moeten maken van de bepaling in zijn Reglement voor de procesvoering op grond waarvan het in voorkomend geval rekening kan houden met dat vertrouwelijke karakter en zo nodig de juiste maatregelen kan treffen om de bescherming daarvan te verzekeren.

77      Dat de Commissie, zoals zij ter terechtzitting voor het Gerecht in antwoord op een vraag van het Gerecht heeft toegegeven, in eerste aanleg nooit uitdrukkelijk heeft verwezen naar artikel 44, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, heeft geen gevolg, aangezien het Gerecht voor ambtenarenzaken op eigen initiatief het juiste procedurele instrument diende te kiezen om het onderzoek van het dossier adequaat af te ronden. Zoals de Commissie tijdens die terechtzitting eveneens heeft gesteld, zonder door Meierhofer te zijn weersproken, biedt voormeld artikel van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken in casu de mogelijkheid om een beschikking te geven waarin de overlegging van een zogenoemd vertrouwelijk stuk wordt gevraagd.

78      In het licht van de voorgaande overwegingen moet het derde middel van de hogere voorziening worden aanvaard, zodat het bestreden arrest op die grond moet worden vernietigd, zonder dat de twee andere middelen van de hogere voorziening behoeven te worden onderzocht.

 Verwijzing van de zaak naar het Gerecht voor ambtenarenzaken

79      Volgens artikel 13, lid 1, van bijlage I bij het Statuut van het Hof vernietigt het Gerecht de beslissing van het Gerecht voor ambtenarenzaken in geval van gegrondheid van de hogere voorziening en doet het de zaak zelf af. Het verwijst de zaak voor afdoening naar het Gerecht voor ambtenarenzaken wanneer deze niet in staat van wijzen is.

80      Daar het Gerecht voor ambtenarenzaken in casu ten gronde uitspraak heeft gedaan over slechts één van de door Meierhofer aangevoerde middelen, is het Gerecht van oordeel dat de onderhavige zaak niet in staat van wijzen is, zodat deze naar het Gerecht voor ambtenarenzaken moet worden verwezen.

81      Daar de zaak naar het Gerecht voor ambtenarenzaken wordt verwezen, moet de beslissing over de kosten van deze hogere voorziening worden aangehouden.

HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 14 oktober 2008, Meierhofer/Commissie (F‑74/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), wordt vernietigd.

2)      De zaak wordt verwezen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken.

3)      De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

Jaeger

Meij

Vilaras

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 mei 2010.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.