Zaak C‑496/08 P

Pilar Angé Serrano e.a.

tegen

Europees Parlement

„Hogere voorziening – Ambtenaren – Slagen voor interne vergelijkende onderzoeken voor overgang van categorie onder oud Statuut – Inwerkingtreding van nieuw Statuut – Overgangsregels voor indeling in rang – Exceptie van onwettigheid – Verkregen rechten – Gewettigd vertrouwen – Gelijke behandeling – Beginsel van goed bestuur en zorgplicht”

Samenvatting van het arrest

1.        Ambtenaren – Loopbaan – Invoering van nieuwe structuur bij verordening nr. 723/2004 – Verkregen rechten – Slagen voor intern vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie vóór 1 mei 2004

(Art. 336 VWEU; Ambtenarenstatuut, bijlage XIII, art. 2, 8 en 10; verordening nr. 723/2004 van de Raad)

2.        Ambtenaren – Loopbaan – Invoering van nieuwe structuur bij verordening nr. 723/2004 – Betwisting van rechtmatigheid van nieuwe statutaire bepaling

(Art. 336 VWEU; Ambtenarenstatuut, bijlage XIII, art. 2, lid 1, 8, lid 1, en 10, leden 1, 2 en 3; verordening nr. 723/2004 van de Raad)

3.        Ambtenaren – Loopbaan – Invoering van nieuwe structuur bij verordening nr. 723/2004 – Schending van gelijkheidsbeginsel – Geen

(Art. 336 VWEU; Ambtenarenstatuut, bijlage XIII, art. 2 en 10; verordening nr. 723/2004 van de Raad)

1.        Aangezien de rechtsverhouding tussen de ambtenaren en de administratie statutair en niet contractueel van aard is, kunnen de rechten en de verplichtingen van de ambtenaar door de wetgever op elk moment, met inachtneming van de uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende vereisten, worden gewijzigd. De wijziging is van toepassing op de toekomstige gevolgen van onder de gelding van de oude regeling ontstane situaties, behoudens in geval van verkregen rechten, dat wil zeggen rechten waarvan het rechtscheppende feit zich vóór de wetswijziging heeft voorgedaan.

Ambtenaren die loopbaanprogressie hebben gemaakt dankzij hun slagen voor een onder de gelding van het oude Statuut georganiseerd intern vergelijkend onderzoek, hebben dus het recht op eerbiediging van de aldus onder de gelding van dat Statuut bereikte vooruitgang verkregen. Een dergelijk recht impliceert echter alleen dat op hen, onder meer wat bevordering betreft, dezelfde statutaire behandeling wordt toegepast als die welke geldt voor alle ambtenaren van de nieuwe rang waarin zij zijn ingedeeld.

De ruime beoordelingsvrijheid waarover de wetgever beschikt om de noodzakelijke statutaire wijzigingen aan te brengen, onder meer om de rangenstructuur voor de ambtenaren te wijzigen, geeft hem niet de bevoegdheid, wijzigingen aan te brengen die inzonderheid geen verband houden met die noodzaak of die de bekwaamheden die de rangen worden geacht te weerspiegelen, niet in aanmerking nemen. Daarmee is de wetgever echter nog niet verplicht, streng de hand te houden aan de verhouding tussen die rangen vóór de statutaire wijziging. Ambtenaren kunnen zich dan ook niet op beweerde verkregen rechten op indeling in een onder de gelding van het oude Statuut verkregen hogere rang beroepen ten betoge dat de artikelen 2 en 8 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut onrechtmatig zijn.

(cf. punten 82‑87)

2.        Ambtenaren kunnen zich niet op het vertrouwensbeginsel beroepen om op te komen tegen de toepassing van een nieuwe statutaire bepaling, met name niet op een gebied waarop de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, zoals de nieuwe loopbaanstructuur die is ingevoerd bij verordening nr. 723/2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden.

(cf. punt 93)

3.        Ambtenaren die onder de gelding van het oude Statuut zijn geslaagd voor een intern vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie, bevinden zich niet in dezelfde rechtspositie en feitelijke situatie als ambtenaren die niet voor een dergelijk vergelijkend onderzoek zijn geslaagd. De eersten hebben, overeenkomstig de statutaire regels, betere loopbaanperspectieven verworven dan de laatsten, en hiermee is rekening gehouden in de overgangsbepalingen van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut.

Nu de gemeenschapswetgever immers bij de vaststelling van een nieuw Statuut het voorheen geldende loopbaanstelsel volledig heeft hervormd, kon hij, aangezien hij de mogelijkheid heeft statutaire wijzigingen in te voeren, niet gehouden zijn, de hiërarchie van rangen van het oude Statuut geheel identiek over te nemen. In dit verband is een vergelijking van de hiërarchieke rangen vóór en na de hervorming van het Statuut op zich niet bepalend om te beoordelen of het nieuwe Statuut het beginsel van gelijke behandeling eerbiedigt.

Het nieuwe Statuut differentieert de loopbaan van de ambtenaren die onder de gelding van het oude Statuut tot de diverse rangen van de hiërarchie behoorden, en waarborgt degenen die zijn geslaagd voor een vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie, loopbaanperspectieven die verschillen van die van ambtenaren die niet voor hetzelfde vergelijkend onderzoek zijn geslaagd. Inzonderheid waarborgt de overgangsregeling, met name artikel 10, leden 1 en 2, van bijlage XIII bij het Statuut, via de regel inzake de blokkering van loopbaanprogressie en de regel inzake de vaststelling van bevorderingspercentages voor de diverse rangen, betere loopbaanperspectieven aan de ambtenaren in hogere rangen onder de gelding van het oude Statuut en, bijgevolg, aan degenen die in rang zijn gestegen na te zijn geslaagd voor een vergelijkend onderzoek voor overgang van rang.

(cf. punten 102, 105‑106)







ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

4 maart 2010 (*)

„Hogere voorziening – Ambtenaren – Slagen voor interne vergelijkende onderzoeken voor overgang van categorie onder oud Statuut – Inwerkingtreding van nieuw Statuut – Overgangsregels voor indeling in rang – Exceptie van onwettigheid – Verworven rechten – Gewettigd vertrouwen – Gelijke behandeling – Beginsel van goed bestuur en zorgplicht”

In zaak C‑496/08 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 17 november 2008,

Pilar Angé Serrano, ambtenaar van het Europees Parlement, woonachtig te Luxemburg (Luxemburg),

Jean-Marie Bras, ambtenaar van het Europees Parlement, woonachtig te Luxemburg (Luxemburg),

Adolfo Orcajo Teresa, ambtenaar van het Europees Parlement, woonachtig te Brussel (België),

Dominiek Decoutere, ambtenaar van het Europees Parlement, woonachtig te Wolwelange (Luxemburg),

Armin Hau, ambtenaar van het Europees Parlement, woonachtig te Luxemburg (Luxemburg),

Francisco Javier Solana Ramos, ambtenaar van het Europees Parlement, woonachtig te Brussel (België),

allen vertegenwoordigd door E. Boigelot, advocaat,

rekwiranten,

andere partijen bij de procedure:

Europees Parlement, vertegenwoordigd door L. G. Knudsen en K. Zejdová als gemachtigden,

verweerder in eerste aanleg,

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bauer en K. Zieleśkiewicz als gemachtigden,

interveniënt in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Tweede kamer, C. Toader (rapporteur), C. W. A. Timmermans, K. Schiemann en L. Bay Larsen, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: R. Grass,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Met hun hogere voorziening verzoeken Angé Serrano, Bras, Orcajo Teresa, Decoutere, Hau en Solana Ramos om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 18 september 2008, Angé Serrano e.a./Parlement (T‑47/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht heeft afgewezen hun beroepen tegen de besluiten waarbij ieder van hen opnieuw in rang is ingedeeld (hierna: „litigieuze besluiten”), vastgesteld na de inwerkingtreding van verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 124, blz. 1).

I –  Toepasselijke bepalingen

A –  Relevante bepalingen van het Statuut in de tot 30 april 2004 geldende versie

2        Artikel 45, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, zoals geldend tot 30 april 2004 (hierna: „oud Statuut”), bepaalde:

„De overgang van een ambtenaar naar een andere groep of een hogere categorie kan alleen plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek.

[…]”

B –  Relevante bepalingen van het Statuut in de per 1 mei 2004 geldende versie

3        Het oude Statuut is gewijzigd bij de op 1 mei 2004 in werking getreden verordening nr. 723/2004.

4        Artikel 5 van het Statuut, in de per 1 mei 2004 geldende versie (hierna: „nieuw Statuut” of „Statuut”), bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.      De ambten waarop dit Statuut van toepassing is, zijn in twee functiegroepen ingedeeld naargelang van de aard en het niveau van de werkzaamheden waarmee zij overeenkomen, te weten de functiegroep ‚administrateurs’ […] en de functiegroep ‚assistenten’ […]

2.      […] De functiegroep AST omvat elf rangen, die overeenkomen met functies met een uitvoerend en technisch karakter en kantoorfuncties.”

5        Artikel 6, leden 1 en 2, van het nieuwe Statuut luidt als volgt:

„1.      Het aantal ambten per rang en functiegroep is vastgesteld in de lijst van het aantal ambten die voor elke instelling aan de desbetreffende afdeling van de begroting is gehecht.

2.      Om te zorgen voor de gelijkwaardigheid tussen een gemiddelde loopbaan onder de loopbaanstructuur vóór 1 mei 2004 (‚oude loopbaanstructuur’) en een gemiddelde loopbaan onder de loopbaanstructuur vanaf 1 mei 2004 (‚nieuwe loopbaanstructuur’), en onverminderd het beginsel van bevordering op grond van verdienste zoals neergelegd in artikel 45 van het Statuut, garandeert de lijst van het aantal ambten dat voor elke instelling het aantal vacatures in elke rang op 1 januari van elk jaar gelijk is aan het aantal ambtenaren in actieve dienst die zich op 1 januari van het jaar daarvoor in de lagere rang bevonden, vermenigvuldigd met de in bijlage I, punt B, voor die rang vastgestelde percentages. Deze percentages gelden als gemiddelde over een periode van vijf jaar, ingaande op 1 mei 2004.

[…]”

6        Het nieuwe Statuut voorziet in een overgangsregeling, die is beschreven in bijlage XIII. De overwegingen die aan de invoering van deze overgangsregeling ten grondslag liggen zijn uiteengezet in punt 37 van de considerans van verordening nr. 723/2004, die luidt:

„Er dient te worden voorzien in overgangsmaatregelen om de nieuwe regeling en maatregelen geleidelijk te kunnen toepassen en tegelijkertijd de rechten die het personeel had verworven in het kader van het communautaire systeem van voor de inwerkingtreding van deze wijzigingen van het Statuut intact te laten en rekening te houden met hun legitieme verwachtingen.”

7        Artikel 1 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut bepaalt:

„1.      Gedurende de periode van 1 mei 2004 tot en met 30 april 2006 worden de alinea’s 1 en 2 van artikel 5 van het Statuut vervangen door:

‚1.      De ambten die onder dit Statuut vallen, zijn, naar aard en niveau van de werkzaamheden waarmee zij overeenkomen, ingedeeld in vier categorieën, die in afdalende hiërarchische volgorde worden aangeduid met de letters A*, B*, C* en D*.

2.      Categorie A* omvat twaalf rangen, categorie B* negen rangen, categorie C* zeven rangen en categorie D* vijf rangen.’

2.      Een verwijzing naar de datum van aanwerving moet gezien worden als een verwijzing naar de datum van indiensttreding.”

8        Artikel 2, lid 1, van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut bepaalt het volgende:

„1.      Onverminderd artikel 8 worden op 1 mei 2004 de rangen van de ambtenaren die zich in een van de in artikel 35 van het Statuut genoemde standen bevinden, als volgt gewijzigd:

Oude rang

Nieuwe (voorlopige) rang

Oude rang

Nieuwe (voorlopige) rang

Oude rang

Nieuwe (voorlopige) rang

Oude rang

Nieuwe (voorlopige) rang

A 1

A*16

           

A 2

A*15

           

A 3/LA 3

A*14

           

A 4/LA 4

A*12

           

A 5/LA 5

A*11

           

A 6/LA 6

A*10

B 1

B*10

       

A 7/LA 7

A*8

B 2

B*8

       

A 8/LA 8

A*7

B 3

B*7

C 1

C*6

   
   

B 4

B*6

C 2

C*5

   
   

B 5

B*5

C 3

C*4

D 1

D*4

       

C 4

C*3

D 2

D*3

       

C 5

C*2

D 3

D*2

           

D 4

D*1

[…]”

9        Artikel 8, lid 1, van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut is als volgt geformuleerd:

„1.      De bij artikel 2, lid 1, vastgestelde voorlopige rangen worden met ingang van 1 mei 2006 als volgt gewijzigd:

Oude (voorlopige) rang

Nieuwe rang

Oude (voorlopige) rang

Nieuwe rang

A*16

AD 16

   

A*15

AD 15

   

A*14

AD 14

   

A*13

AD 13

   

A*12

AD 12

   

A*11

AD 11

B*11

AST 11

A*10

AD 10

B*10

AST 10

A*9

AD 9

B*9

AST 9

A*8

AD 8

B*8

AST 8

A*7

AD 7

B*7 / C*7

AST 7

A*6

AD 6

B*6 / C*6

AST 6

A*5

AD 5

B*5 / C*5 / D*5

AST 5

   

B*4 / C*4 / D*4

AST 4

   

B*3 / C*3 / D*3

AST 3

   

C*2 / D*2

AST 2

   

C*1 / D*1

AST 1

[…]”

10      Artikel 10 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut bepaalt in de leden 1 tot en met 3:

„1.      Ambtenaren die vóór 1 mei 2004 een functie in categorie C of D vervullen, worden met ingang van 1 mei 2006 geplaatst in de loopbaan die bevordering mogelijk maakt:

a)      voor de vroegere categorie C, tot en met rang AST 7;

b)      voor de vroegere categorie D, tot en met de rang AST 5;

2.      Voor deze ambtenaren luiden vanaf 1 mei 2004 en in afwijking van het bepaalde in bijlage I, deel B, van het Statuut de in artikel 6, lid 2, van het Statuut bedoelde percentages als volgt:

Loopbaan C

Rang

1 mei 2004 tot:

Na 30.4.2010

 

30.4.2005

30.4.2006

30.4.2007

30.4.2008

30.4.2009

30.4.2010

 

C*/AST 7

C*/AST 6

5 %

5 %

5 %

10 %

15 %

20 %

20 %

C*/AST 5

22 %

22 %

22 %

22 %

22 %

22 %

22 %

C*/AST 4

22 %

22 %

22 %

22 %

22 %

22 %

22 %

C*/AST 3

25 %

25 %

25 %

25 %

25 %

25 %

25 %

C*/AST 2

25 %

25 %

25 %

25 %

25 %

25 %

25 %

C*/AST 1

25 %

25 %

25 %

25 %

25 %

25 %

25 %


Loopbaan D

Rang

1 mei 2004 tot:

Na 30.4.2010

 

30.4.2005

30.4.2006

30.4.2007

30.4.2008

30.4.2009

30.4.2010

 

D*/AST 5

D*/AST 4

5 %

5 %

5 %

10 %

10 %

10 %

10 %

D*/AST 3

22 %

22 %

22 %

22 %

22 %

22 %

22 %

D*/AST 2

22 %

22 %

22 %

22 %

22 %

22 %

22 %

D*/AST 1


3.      Ambtenaren op wie het bepaalde in lid 1 van toepassing is, kunnen zonder enige beperking toetreden tot de functiegroep ‚assistenten’ mits zij voor een algemeen vergelijkend onderzoek zijn geslaagd of een andere procedure hebben gevolgd. […]”

II –  Voorgeschiedenis van het geding zoals deze uit het bestreden arrest blijkt

11      Verzoekers zijn ambtenaren van het Europees Parlement.

12      Blijkens punt 23 van het bestreden arrest zijn zij toen het oude Statuut nog gold geslaagd voor interne vergelijkende onderzoeken voor overgang van categorie. Daardoor is Angé Serrano overgegaan van rang C 1 naar rang B 5, Bras van rang D 1 naar rang C 5, Decoutere van rang C 3 naar rang B 5, Hau, tijdelijk functionaris in rang C 1, naar rang B 4, Orcajo Teresa van rang D 1 naar rang C 5 en Solana Ramos van rang C 1 naar rang B 5. Voor al deze ambtenaren heeft de overgang naar de nieuwe rang plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut.

13      Rekwiranten hebben de litigieuze besluiten in de loop van de eerste week van de maand mei 2004 ontvangen, in de vorm van ongedateerde brieven afkomstig van de directeur-generaal personeelszaken van het Parlement. Zij worden daarin in kennis gesteld van hun voorlopige rang per 1 mei 2004. Ingevolge die besluiten is de rang B 5 van Angé Serrano gewijzigd in B*5, de rang C 5 van Bras in C*2, de rang B 5 van Decoutere in B*5, de rang B 4 van Hau in B*6, de rang C 4 van Orcajo Teresa in C*3 en de rang B 4 van Solana Ramos in B*6.

14      Bovenvermelde voorlopige rangen van rekwiranten zijn per 1 mei 2006, dat wil zeggen aan het einde van de bij het nieuwe Statuut ingevoerde overgangsperiode, op basis van artikel 8, lid 1, van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut een tweede keer gewijzigd. Zo moest de voorlopige rang B*5 van Angé Serrano worden gewijzigd in AST 5, de voorlopige rang C*2 van Bras in AST 2, de voorlopige rang B*5 van Decoutere in AST 5, de voorlopige rang B*6 van Hau in AST 6, de voorlopige rang C*3 van Orcajo Teresa in AST 3 en de voorlopige rang B*6 van Solana Ramos in AST 6.

15      Elk der rekwiranten heeft tussen 13 mei en 30 juli 2004 tegen de litigieuze besluiten een klacht ingediend voor zover daarbij hun indeling in voorlopige rang per 1 mei 2004 werd vastgesteld. Die klachten zijn bij besluiten die rekwiranten tussen 27 oktober en 25 november 2004 ter kennis zijn gebracht, afgewezen.

III –  De procedure voor het Gerecht

16      Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 januari 2005, hebben rekwiranten beroep ingesteld, strekkende tot, in de eerste plaats, nietigverklaring van de litigieuze besluiten en van elke handeling ten vervolge op en/of betreffende die besluiten, daaronder begrepen handelingen die na de instelling van het onderhavige beroep tot stand waren gekomen, en, in de tweede plaats, veroordeling van het Parlement tot betaling aan iedere rekwirant van schadevergoeding die ex æquo et bono op 60 000 EUR voor iedere rekwirant werd geraamd, onder voorbehoud van vermeerdering en/of vermindering van eis in de loop van de procedure.

17      Bij beschikking van 6 april 2005 van de president van de Derde kamer van het Gerecht is de Raad van de Europese Unie toegelaten tot interventie aan de zijde van het Parlement.

18      In de loop van de procedure voor het Gerecht heeft het Bureau van het Parlement bij besluit van 13 februari 2006 zijn goedkeuring gehecht aan het voorstel van de secretaris-generaal strekkende onder meer tot herindeling van de ambtenaren die onder de gelding van het oude Statuut naar een andere categorie waren overgegaan, maar die op 1 mei 2004 nog de basisbezoldiging van de oude categorie ontvingen. Ter uitvoering van dat besluit zijn individuele besluiten genomen betreffende Angé Serrano, Bras en Orcajo Teresa, waarbij Angé Serrano is ingedeeld in de voorlopige rang B*6, Bras in de voorlopige rang C*4 en Orcajo Teresa in de voorlopige rang C*4, ingaand, voor al deze ambtenaren, op 1 mei 2004.

IV –  Het bestreden arrest

A –  Ontvankelijkheid

19      In zijn verweerschrift voor het Gerecht had het Parlement meerdere excepties van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, betreffende onder meer het procesbelang van enkele van de rekwiranten.

1.     Het procesbelang van Decoutere

20      Het Parlement heeft betoogd dat indien Decoutere in de loop van het jaar 2002 niet van categorie C was overgegaan naar categorie B na te zijn geslaagd voor het interne vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie, zijn loopbaan als volgt zou zijn geëvalueerd: zijn rang C 3 zou in rang C*4 zijn gewijzigd op 1 mei 2004, die vervolgens zou zijn gewijzigd in AST 4 op 1 mei 2006. Hieruit volgt dat indien Decoutere geen overgang van categorie had genoten, zijn rang op 1 mei 2006 minder hoog zou zijn geweest dan zijn huidige rang, te weten AST 5. Hij heeft er bijgevolg geen belang bij, het hem betreffende litigieuze besluit tot herindeling aan te vechten.

21      Het Gerecht heeft deze exceptie verworpen met de verklaring dat de overgang van categorie van Decoutere als gevolg van diens slagen voor genoemd vergelijkend onderzoek niet werd weerspiegeld in zijn indeling in de voorlopige rang B*5 en vervolgens in rang AST 5 op 1 mei 2006. Het bewijs hiervoor zou zijn dat, terwijl Decoutere na zijn overgang naar categorie B een hogere rang had dan de ambtenaren van de rang C 1 die niet waren geslaagd voor een vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie, hij vanaf 1 mei 2006 een lagere rang had dan die andere ambtenaren. Laatstgenoemden hadden de rang AST 6, terwijl Decoutere slechts de rang AST 5 had.

2.     Het procesbelang van Hau

22      Het Parlement betoogt dat Hau geen procesbelang heeft omdat hij niet is overgegaan van categorie C naar categorie B overeenkomstig artikel 45, lid 2, van het oude Statuut, aangezien hij tijdelijk functionaris in de rang C was voordat hij als ambtenaar in de categorie B werd aangeworven na te zijn geslaagd voor het interne vergelijkend onderzoek.

23      Het Gerecht heeft deze exceptie verworpen met het oordeel dat, ook al staat vast dat Hau tijdelijk functionaris in de rang C 1 was op het moment waarop hij slaagde voor het vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie C naar categorie B, het Parlement tijdelijk functionarissen tot interne vergelijkende onderzoeken voor overgang van categorie heeft toegelaten. Bijgevolg heeft Hau aan een dergelijk vergelijkend onderzoek kunnen deelnemen op voet van gelijkheid met ambtenaren van categorie C. Volgens het Gerecht is Hau dan ook door dat vergelijkend onderzoek gestegen van categorie C naar categorie B, net als de ambtenaren die voor dat vergelijkend onderzoek waren geslaagd en naar die categorie waren overgegaan. Het heeft dus geoordeeld dat Hau door het slagen voor het vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie geen toegang had verleend tot indeling in een hogere rang ten opzichte van ambtenaren van de oude categorie C die niet voor een dergelijk vergelijkend onderzoek waren geslaagd.

3.     Het zonder voorwerp raken van het verzoek om nietigverklaring van de litigieuze besluiten wat Angé Serrano, Bras en Orcajo Teresa betreft

24       Het Parlement heeft te kennen gegeven dat het verzoek om nietigverklaring van de litigieuze besluiten met betrekking tot Angé Serrano, Bras en Orcajo Teresa wat hun betreft zonder voorwerp was geraakt, daar die besluiten in de loop van de procedure voor het Gerecht zijn vervangen door de individuele besluiten van 20 maart 2006, waarbij deze rekwiranten met terugwerkende kracht de door hen gewenste indeling hebben gekregen.

25      Het Gerecht heeft opgemerkt dat de besluiten van 20 maart 2006 de grieven die de drie betrokken rekwiranten tegen de in hun geval genomen litigieuze besluiten hadden aangevoerd inderdaad niet volledig verhielpen, voor zover zij niet de indeling in een hogere rang herstelden die rekwiranten onder het oude Statuut hadden ten opzichte van de ambtenaren die onder de gelding van het oude Statuut niet waren geslaagd voor een vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie.

26      Het Gerecht heeft deze door het Parlement opgeworpen exceptie evenwel aanvaard. Het heeft geoordeeld dat de besluiten van 20 maart 2006, ook al trokken zij de litigieuze besluiten niet met zoveel woorden in, deze in hun gevolgen vervangen jegens de drie betrokken rekwiranten daar zij met terugwerkende kracht per 1 mei 2004 van toepassing zijn. De litigieuze besluiten met betrekking tot deze rekwiranten hebben dus opgehouden te bestaan wat hun betreft op het moment waarop zij door de besluiten van 20 maart 2006 zijn vervangen.

27      Bijgevolg, aldus het Gerecht, is het doel van het verzoek om nietigverklaring, te weten de ongedaanmaking van de litigieuze besluiten, wat de drie voormelde rekwiranten betreft bereikt door de vaststelling en de toepassing met terugwerkende kracht van de individuele besluiten van 20 maart 2006. Voor het overige heeft het Gerecht er akte van genomen dat rekwiranten ter terechtzitting hadden verklaard dat het zich niet meer hoefde uit te spreken over de nietigverklaring van de litigieuze besluiten betreffende Angé Serrano, Bras en Orcajo Teresa.

B –  Ten gronde

1.     Het verzoek om nietigverklaring

28      Tot staving van hun verzoek om nietigverklaring van de litigieuze besluiten hebben rekwiranten meerdere middelen aangevoerd, die zijn ontleend aan, in de eerste plaats, onwettigheid van de artikelen 2 en 8 van bijlage XIII bij het Statuut, in de tweede plaats, schending van het beginsel van goed bestuur en van de zorgplicht door het Parlement en, in de derde plaats tot slot, schending van de artikelen 6, 45 en 45 bis van bijlage XIII bij het Statuut, schending van het beginsel van bevordering op grond van verdienste en kennelijk onjuiste beoordeling door het Parlement.

29      Eenvoudigheidshalve zal alleen de beoordeling door het Gerecht die in het kader van deze hogere voorziening wordt betwist, in herinnering worden gebracht.

30      Ter ondersteuning van de tegen de artikelen 2 en 8 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut opgeworpen exceptie van onwettigheid hebben rekwiranten zich beroepen op schending van verworven rechten, van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel en van het beginsel van gelijke behandeling. In hoofdzaak hebben verzoekers betoogd dat de in bijlage XIII bij het nieuwe Statuut voorziene overgangsmaatregelen hun probleem, te weten de terugzetting in hun loopbaan die zij menen te hebben ondergaan, niet hebben verholpen, noch bescherming hebben geboden voor hun verworven rechten wat betreft hun indeling in een hogere rang dan de ambtenaren die niet waren geslaagd voor een vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie toen het oude Statuut nog gold.

31      Met betrekking tot verworven rechten heeft het Gerecht in herinnering gebracht dat een ambtenaar zich slechts op een verworven recht kan beroepen indien het rechtscheppende feit daarvan zich heeft voorgedaan onder de gelding van een bepaald Statuut voorafgaand aan de wijziging van de statutaire bepalingen (arrest Hof van 19 maart 1975, Gillet/Commissie, 28/74, Jurispr. blz. 463, punt 5). In een systeem als dat van het communautaire ambtenarenrecht, waarin de hiërarchie tussen ambtenaren aan wijzigingen onderhevig is, vormt volgens het Gerecht de indeling in een hogere rang die sommige ambtenaren op een bepaald moment van hun loopbaan ten opzichte van anderen hebben verworven, geen verworven recht dat moet worden beschermd door de bepalingen van het Statuut zoals die na 1 mei 2004 in werking zijn getreden.

32      Het Gerecht staat evenwel op het standpunt dat ambtenaren die vóór die datum zijn geslaagd voor een intern vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie, erop mogen vertrouwen dat het Statuut hun betere loopbaanperspectieven biedt dan de perspectieven die het biedt aan ambtenaren die onder de gelding van het oude Statuut niet voor een dergelijk vergelijkend onderzoek zijn geslaagd, en dat dergelijke perspectieven voor hen verworven rechten vormen die in het nieuwe Statuut moeten worden beschermd. In casu zou uit de herindelingscriteria van de artikelen 2 en 8 van de bijlage bij het nieuwe Statuut niet noodzakelijkerwijs blijken dat de loopbaanperspectieven van ambtenaren die voor een dergelijk vergelijkend onderzoek zijn geslaagd, niet beter zijn dan die waarop ambtenaren die niet voor die vergelijkende onderzoeken zijn geslaagd mogen rekenen. Integendeel, bijlage XIII bij het nieuwe Statuut, inzonderheid artikel 10 daarvan, bevat bepalingen die tussen de ambtenaren onderscheid maken op basis van de categorie waartoe zij vóór 1 mei 2004 behoorden en voorzien in mogelijkheden voor loopbaanprogressie die variëren afhankelijk van de categorie waartoe de ambtenaren onder de gelding van het oude Statuut behoorden.

33      Aangaande de bescherming van het gewettigd vertrouwen heeft het Gerecht verklaard dat een ambtenaar niet met een beroep op het vertrouwensbeginsel kan opkomen tegen de wettigheid van een nieuwe regeling, op een gebied waarop de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt (arrest Gerecht van 11 februari 2003, Leonhardt/Parlement, T‑30/02, JurAmbt. blz. I‑A-41 en II‑265, punt 55). Dit is het geval bij de wijziging van het loopbaanstelsel van de ambtenaren en bij de vaststelling van met die wijziging gepaard gaande overgangsregels, daaronder begrepen de regels voor indeling in rang die zijn vervat in de artikelen 2 en 8 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut.

34      Wat de aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel ontleende grief betreft heeft het Gerecht verklaard dat de schrifturen van rekwiranten niet doen uitkomen in hoeverre dit beginsel in de artikelen 2 en 8 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut niet zou worden geëerbiedigd en dat hoe dan ook deze grief ongegrond is aangezien de ambtenaren geen recht hebben op behoud van het Statuut zoals dat bestond op het moment waarop zij zijn aangeworven (arrest Leonhardt/Parlement, reeds aangehaald, punt 55).

35      Tot staving van de grief die zij ontlenen aan schending van het beginsel van gelijke behandeling hebben rekwiranten te kennen gegeven dat, na de nieuwe indeling in rang, ambtenaren die in een lagere categorie waren ingedeeld dan die van rekwiranten, op 1 mei 2006 zijn ingedeeld in een rang die hoger is dan of gelijk is aan die van rekwiranten. Bovendien zou Decoutere ten opzichte van de voor hetzelfde vergelijkende onderzoek geslaagde ambtenaren verschillend zijn ingedeeld.

36      Het Gerecht heeft op dit punt verklaard dat geen sprake is van schending van het beginsel van gelijke behandeling wanneer ambtenaren die vóór 1 mei 2004 zijn geslaagd voor een intern vergelijkend onderzoek voor overgang van rang worden ingedeeld in een rang die lager is dan of gelijk is aan ambtenaren die niet voor een dergelijk vergelijkend onderzoek zijn geslaagd. Gelet op de ingrijpende wijziging van het loopbaanstelsel is de vergelijking van de hiërarchische rang van de ambtenaren vóór en na die datum op zich niet bepalend voor de vraag, of de artikelen 2 en 8 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut het beginsel van gelijke behandeling schenden. Hoe dan ook zouden de ambtenaren die waren geslaagd voor het vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie dankzij de bepalingen waarvan zij de onwettigheid inroepen betere loopbaanperspectieven hebben verkregen.

37      Met betrekking tot het tweede onderdeel van dit middel, te weten de situatie van Decoutere, die verklaart ten onrechte verschillend te zijn behandeld ten opzichte van de overige geslaagden voor hetzelfde vergelijkend onderzoek, heeft het Gerecht vastgesteld dat de overige kandidaten onder de gelding van het oude Statuut als ambtenaar waren aangeworven en dat Decoutere zich derhalve niet in dezelfde rechtspositie bevond als deze laatsten.

2.     De schadevordering

38      Tot staving van hun schadevordering hebben rekwiranten uiteengezet dat ten vervolge op een eventuele nietigverklaring van de litigieuze besluiten, hun beweerde materiële en immateriële schade moest worden vergoed door uitkering van alle bedragen die zij zouden hebben ontvangen indien zij waren ingedeeld in de daadwerkelijk bij hun functie behorende rang.

39      Het Gerecht heeft het verzoek van Angé Serrano, Bras en Orcajo Teresa enerzijds en dat van Decoutere, Hau en Solana Ramos anderzijds afzonderlijk behandeld.

40      Met betrekking tot de eerste groep van deze ambtenaren heeft het Gerecht vastgesteld dat, los van de beweerde onrechtmatigheid van de litigieuze besluiten aangaande de ambtenaren waarover het zich niet heeft uitgesproken, op zijn minst één van de voorwaarden voor het ontstaan van aansprakelijkheid niet vervuld was. Wat de beweerde materiële schade betreft heeft het geoordeeld dat de herindeling die heeft plaatsgevonden dankzij de in de loop van de gerechtelijke procedure vastgestelde besluiten, niet tot een hogere bezoldiging uit hoofde van de voorlopige rangen heeft geleid en dat rekwiranten in die omstandigheden het bestaan van de ingeroepen materiële schade niet hebben aangetoond. Bovendien heeft het Gerecht aangaande de beweerde immateriële schade geconstateerd dat het Parlement, door de litigieuze besluiten vast te stellen, ten aanzien van rekwiranten slechts artikel 2, lid 1, van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut heeft toegepast en dat in die omstandigheden het beginsel van goed bestuur en de zorgplicht niet waren geschonden. Tot slot heeft het erop gewezen dat rekwiranten, doordat het Parlement de besluiten van 20 maart 2006 heeft vastgesteld en met terugwerkende kracht heeft toegepast, toegang hebben gekregen tot hogere rangen dan de rangen waarin zij op grond van de litigieuze besluiten waren ingedeeld.

41      Met betrekking tot de tweede groep rekwiranten heeft het Gerecht verklaard dat er in casu een nauw verband bestaat tussen het verzoek om nietigverklaring en de schadevordering voor de hun door de voorlopige indeling berokkende materiële en immateriële schade. Daar de ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring aangevoerde middelen zijn verworpen, zou het Parlement bijgevolg geen onrechtmatigheid kunnen worden verweten waarvoor de Europese Gemeenschap jegens die drie rekwiranten aansprakelijk kan worden gesteld.

V –  Conclusies van partijen voor het Hof

42      Met hun hogere voorziening verzoeken rekwiranten het Hof:

–        de hogere voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren, en bijgevolg

–        met betrekking Angé Serrano, Bras en Orcajo Teresa, het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarin enerzijds is geoordeeld dat op de eerste vordering van deze partijen niet behoeft te worden beslist, en anderzijds hun schadevordering is afgewezen, en

–        met betrekking tot Decoutere, Hau en Solana Ramos, de punten 2 en 4 van het dictum van het bestreden arrest, houdende verwerping van hun beroep met de beslissing dat zij hun eigen kosten zullen dragen, en de desbetreffende rechtsoverwegingen te vernietigen.

43      Rekwiranten verzoeken het Hof voorts, de zaak zelf af te doen en het aanvankelijke beroep van rekwiranten in zaak T‑47/05 toe te wijzen door:

–        de besluiten waarbij zij in rang zijn ingedeeld na de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut, nietig te verklaren;

–        het Parlement te veroordelen tot betaling van schadevergoeding die ex æquo et bono wordt geraamd op 60 000 EUR voor iedere rekwirant;

–        in elk geval, verweerder te verwijzen in de kosten.

44      Tot slot verzoeken zij het Hof, in elk geval verweerder in de kosten van beide instanties te verwijzen.

45      In zijn verweerschrift heeft het Parlement incidenteel beroep ingesteld. Het verzoekt het Hof:

–        het incidentele beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden arrest te vernietigen voor zover het de conclusies strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen van Decoutere en Hau verwerpt;

–        de hogere voorziening ongegrond te verklaren voor het overige, en

–        rekwiranten te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure.

46      De Raad verzoekt het Hof:

–        de hogere voorziening ongegrond te verklaren;

–        rekwiranten in de kosten te verwijzen.

VI –  De hogere voorziening

47      Met hun hogere voorziening werpen rekwiranten twee afzonderlijke groepen middelen aan. De eerste groep betreft de beoordeling door het Gerecht van de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de vorderingen van Angé Serrano, Bras en Orcajo Teresa, de tweede groep de beoordeling door het Gerecht van de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de vorderingen van Decoutere, Hau en Solana Ramos.

48      In zijn incidentele beroep komt het Parlement op tegen het deel van het bestreden arrest dat betrekking heeft op de verwerping van de door hem in eerste aanleg opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep en op het ontbreken van procesbelang van Decoutere en Hau.

A –  Het deel van het bestreden arrest betreffende Angé Serrano, Bras en Orcajo Teresa

1.     Het deel van het bestreden arrest betreffende de constatering dat op het verzoek om nietigverklaring niet hoefde te worden beslist

a)     Argumenten van partijen

49      Rekwiranten voeren twee middelen aan, ontleend aan respectievelijk een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht en onvoldoende en tegenstrijdige motivering van het bestreden arrest.

50      Zij zetten uiteen dat volgens beslissingen van het Hof in zaken die vergelijkbaar zijn met de thans aan de orde zijnde, waarin de bestreden handeling hangende de procedure is gewijzigd, het voortbestaan van procesbelang van de verzoekende partij kan voortvloeien uit het gevaar voor herhaling van de beweerdelijk onrechtmatige handeling van een gemeenschapsinstelling. Dienaangaande beroepen rekwiranten zich onder meer op de arresten van 24 juni 1986, AKZO Chemie en AKZO Chemie UK/Commissie (53/85, Jurispr. blz. 1965, punt 21), en 26 april 1988, Apesco/Commissie (207/86, Jurispr. blz. 2151, punt 16). Zij zijn van oordeel dat het voortbestaan van procesbelang van een verzoekende partij ook kan voortvloeien uit de omstandigheid dat hij belang heeft bij vergoeding van de schade die is veroorzaakt door het besluit dat niet meer geldt. Dienaangaande beroepen zij zich onder meer op de arresten van 5 maart 1980, Könecke Fleischwarenfabrik/Commissie (76/79, Jurispr. blz. 665, punt 9), 31 maart 1998, Frankrijk e.a./Commissie (C‑68/94 en C‑30/95, Jurispr. blz. I‑1375, punt 74), en 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie (C‑362/05 P, Jurispr. blz. I‑4333, punt 42).

51      Zij beklemtonen voorts dat in casu de in de loop van de procedure voor het Gerecht vastgestelde herindelingsbesluiten de in eerste aanleg aangevoerde bezwaren niet geheel verhelpen, inzonderheid niet wat betreft de onwettigheid van de artikelen 2 en 8 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut, en de aantasting van hun rechten gedeeltelijk laat voortbestaan door de niet-eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling, van hun verworven rechten en van de rechtszekerheid. Niet alleen trekken die besluiten de litigieuze besluiten met betrekking tot de betrokken rekwiranten niet formeel en uitdrukkelijk in, zij herstellen evenmin de indeling in de hogere rang waarvoor die rekwiranten onder de gelding van het oude Statuut in aanmerking kwamen en die door de toepassing van de litigieuze besluiten verloren is gegaan.

52      Het Parlement antwoordt dat volgens de door rekwiranten ingeroepen rechtspraak het voorwerp van het beroep, evenals het procesbelang, in de loop van de procedure moet voortduren, terwijl het resultaat van het beroep de verzoekende partij een voordeel moet kunnen verschaffen (arrest Wunenburger/Commissie, reeds aangehaald, punt 42). Dit is in casu niet het geval. De nieuwe besluiten hebben immers hetzelfde voorwerp als de litigieuze waarvoor zij met terugwerkende kracht in de plaats komen, en het Gerecht kan alleen maar de eerste besluiten nietig verklaren, zonder deze in plaats van de instelling te kunnen vervangen. Voor het overige is er geen gevaar voor herhaling van het beweerdelijk onrechtmatige optreden, nu de nieuwe besluiten de indelingen hebben gewijzigd.

53      Het Parlement zet voorts uiteen dat, zoals blijkt uit het bestreden arrest, de betrokken rekwiranten ter terechtzitting hebben toegegeven dat zij er geen belang meer bij hebben dat het Gerecht zich uitspreekt over de nietigverklaring van de besluiten wat hen aangaat. Deze rekwiranten hebben evenmin hun conclusies in de loop van de procedure voor het Gerecht gewijzigd en de besluiten van 20 maart 2006, die de litigieuze besluiten vervangen, aangevochten.

54      Aangaande tot slot de gevolgen van de constatering dat op de beroepen niet hoefde te worden beslist wat de schadevordering betreft, is het Parlement van oordeel dat het Gerecht heeft besloten, los van de beoordeling van de rechtmatigheid van de litigieuze besluiten te onderzoeken of was voldaan aan de twee andere cumulatieve voorwaarden voor aansprakelijkheid van de Europese Gemeenschappen en heeft kunnen constateren dat rekwiranten hoe dan ook het bestaan van materiële en immateriële schade niet hadden aangetoond.

b)     Beoordeling door het Hof

55      Blijkens punt 90 van het bestreden arrest, dat dienaangaande door de hogere voorziening niet aan de orde is gesteld, moeten rekwiranten, door ermee in te stemmen dat het Gerecht zich niet meer hoefde uit te spreken over hun verzoek om nietigverklaring, worden geacht dit onderdeel van hun conclusies te hebben laten vallen. Daar het Gerecht dus niet meer over dit onderdeel van de conclusies was aangezocht, kon het alleen maar akte nemen van de ter terechtzitting afgelegde verklaring. Zoals het Parlement overigens in zijn verweerschrift heeft uiteengezet, hebben rekwiranten niet getracht hun conclusies voor het Gerecht opnieuw te formuleren door de besluiten van 20 maart 2006 aan de orde te stellen. Die rekwiranten hebben er daarentegen de voorkeur aan gegeven, tegen die besluiten beroep in te stellen bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie.

56      Deze vaststelling volstaat op zich om het bestreden arrest op dit punt te rechtvaardigen, zodat dit middel van de hogere voorziening ongegrond moet worden geacht.

2.     De afwijzing van de schadevordering

a)     Argumenten van partijen

57      Tot staving van hun middel dat is gericht tegen de afwijzing door het Gerecht van hun schadevordering beroepen Angé Serrano, Bras en Orcajo Teresa zich op onvoldoende motivering van het bestreden arrest op het punt van de immateriële schade die zij menen te hebben geleden. Volgens hen zijn de grieven die zij in hun inleidend verzoekschrift uit hoofde van hun schadevordering hebben aangevoerd, op dat punt veel ruimer dan de grieven die het Gerecht in het bestreden arrest heeft onderzocht en omvatten zij mede de onzekerheid waarin zij zijn geplaatst en de gevolgen voor hun loopbaan en voor hun beroeps- en gezinsleven. De uiterst beknopte beoordeling door het Gerecht van dit onderdeel van de conclusies houdt geen rekening met de nieuwe elementen van de schade met betrekking tot de vaststelling van de nieuwe indelingsbesluiten. De vervanging van de litigieuze besluiten in de loop van de procedure was geen passend en afdoende herstel van de immateriële schade van de drie rekwiranten, voor zover zij in een toestand van bezorgdheid en onzekerheid over het verloop van hun loopbaan blijven verkeren.

58      Het Parlement geeft te kennen dat rekwiranten geen onderscheid maken tussen de beweerdelijk geleden schade, veroorzaakt door de litigieuze besluiten, en de schade die volgens hen blijft bestaan als gevolg van hun herindeling in rang bij de besluiten waarbij de litigieuze besluiten zijn vervangen. In casu zou het Gerecht, ook in de veronderstelling dat nog steeds sprake was van schade, een dergelijke schade onmogelijk hebben kunnen beoordelen zonder ten gronde een onderzoek te hebben ingesteld naar de nieuwe besluiten betreffende de indeling in rang van die drie rekwiranten. Hoe dan ook hebben rekwiranten door die besluiten tot herindeling volgens het Parlement vooruitgang in hun respectieve loopbaan gemaakt.

b)     Beoordeling door het Hof

59      In punt 168 van het bestreden arrest heeft het Gerecht allereerst in herinnering gebracht dat in het kader van een door een ambtenaar ingediende schadevordering voor aansprakelijkheid van de Gemeenschap moet zijn voldaan aan een reeks voorwaarden betreffende de onrechtmatigheid van de aan de betrokken instelling verweten gedraging, het daadwerkelijk bestaan van de gestelde schade en het bestaan van een causaal verband tussen de gedraging van de instelling en de ingeroepen schade. Evenzo heeft het in punt 169 van het bestreden arrest eraan herinnerd dat deze drie voorwaarden voor aansprakelijkheid van de Gemeenschap cumulatief zijn, zodat, wanneer aan één voorwaarde niet is voldaan, de Gemeenschap niet aansprakelijk kan worden gesteld.

60      Aangaande de immateriële schade die Angé Serrano, Bras en Orcajo Teresa beweren te hebben geleden doordat het Parlement het beginsel van goed bestuur en de zorgplicht zou hebben geschonden, heeft het Gerecht onder meer in punt 175 van het bestreden arrest geoordeeld dat het Parlement, door alleen maar de litigieuze besluiten op de bepalingen van het Statuut te baseren, voormeld beginsel en voormelde verplichting niet heeft geschonden, waarna het heeft geconcludeerd dat de onrechtmatigheid van de gedraging die tot de beweerdelijk geleden immateriële schade zou hebben geleid derhalve niet was aangetoond.

61      Daarmee heeft het Gerecht de afwijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade rechtens genoegzaam gemotiveerd. De enkele constatering door het Gerecht dat de beweerde onrechtmatige gedraging niet was vastgesteld, vormde voldoende grond, nu aan een van de drie in punt 169 van het bestreden arrest in herinnering gebrachte cumulatieve voorwaarden niet was voldaan, voor afwijzing van genoemd verzoek. Het Gerecht hoefde zijn arrest dan ook niet nader te motiveren door zich bovendien uit te spreken over het bestaan van beweerde immateriële schade.

62      Dit middel van de hogere voorziening moet derhalve ongegrond worden verklaard.

B –  Het deel van het bestreden arrest betreffende Decoutere, Hau en Solana Ramos

1.     Ontvankelijkheid van het beroep van Decoutere en Hau

a)     Argumenten van partijen

63      In zijn incidentele hogere voorziening brengt het Parlement met betrekking tot Decoutere in herinnering dat deze rekwirant in rang B is ingedeeld nadat hij was geslaagd voor het vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie en dat deze rekwirant zich derhalve in een situatie bevond die identiek was aan alle ambtenaren die bij de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut onder de gelding van het oude Statuut de rang B hadden. Het Parlement beklemtoont dat, anders dan het Gerecht heeft vastgesteld, die ambtenaar vóór het interne vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie, in rang C 3 was ingedeeld en na voor dat vergelijkend onderzoek te zijn geslaagd in de rang B 5, vervolgens B*5 en tot slot AST 7. Bij de herindeling van de rekwirant onder de gelding van het nieuwe Statuut is dus uitgegaan van zijn indeling in rang B en niet in rang C van het oude Statuut. Het Parlement betoogt in hoofdzaak dat Decoutere na de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut dezelfde loopbaanprogressie heeft gehad als de ambtenaren die de rang B van het oude Statuut hadden bereikt en dat deze rekwirant dus niet is gediscrimineerd ten opzichte van die ambtenaren.

64      Met betrekking tot Hau zet het Parlement uiteen dat het Gerecht ten onrechte heeft geconstateerd dat die rekwirant zich in dezelfde situatie bevond als de overige rekwiranten. Op het moment waarop hij deelnam aan het vergelijkend onderzoek was Hau immers tijdelijk functionaris en doordat hij daarvoor is geslaagd is hij niet overgegaan van categorie, maar is hij in plaats van tijdelijk functionaris ambtenaar geworden. Het Gerecht heeft de situatie van Hau volgens het Parlement onjuist gekwalificeerd, daar deze rekwirant, na te zijn geslaagd voor het vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie, niet een hogere rang, maar een wijziging van zijn statutaire positie is toegekend.

65      Rekwiranten betogen dat het Parlement enkel de reeds in eerste aanleg aangevoerde argumenten weergeeft en feitelijke vaststellingen aan de orde stelt. Het middel moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Ten gronde zijn zij van oordeel dat het bestreden arrest op het punt van de verwerping van de exceptie van niet-ontvankelijkheid naar behoren is gemotiveerd.

b)     Beoordeling door het Hof

66      Met betrekking tot Decoutere moet worden opgemerkt dat het Gerecht in de punten 68 tot en met 70 van het bestreden arrest de in eerste aanleg door het Parlement opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft verworpen met de constatering dat die rekwirant procesbelang had. Het heeft uiteengezet dat deze rekwirant, die van rang C 3 was overgegaan naar rang B 5, op 1 mei 2006 een lagere rang had dan die van de ambtenaren van rang C 1 die niet voor een vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie waren geslaagd onder de gelding van het oude Statuut.

67      Dienaangaande moet worden vastgesteld dat het Gerecht geen onjuistheid heeft begaan door in de punten 68 tot en met 70 van het bestreden arrest uiteen te zetten dat de door Decoutere in eerste aanleg aangevoerde grief betrekking heeft op de omstandigheid dat zijn volgens de regels van het nieuwe Statuut vastgestelde indeling de overgang van categorie als gevolg van het slagen voor het vergelijkend onderzoek niet weergeeft, en dat met die grief bijgevolg aan de orde wordt gesteld dat het slagen voor het vergelijkend onderzoek beweerdelijk niet in aanmerking is genomen gelet op de indeling van de collega’s van rekwirant die onder de gelding van het oude Statuut in dezelfde categorie waren ingedeeld en die niet voor hetzelfde vergelijkend onderzoek zijn geslaagd.

68      Zoals het Gerecht heeft geoordeeld, heeft Decoutere hoofdzakelijk aan de orde gesteld dat, beweerdelijk door de voorlopige indelingsregels van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut, de hiërarchische verhoudingen die onder de gelding van het oude Statuut waren ontstaan zijn gewijzigd.

69      Hieruit volgt dat het Gerecht, voor zover het litigieuze besluit betreffende Decoutere deze rekwirant geen genoegdoening verschaft wat deze grief betreft, de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het Parlement terecht heeft verworpen.

70      Dit middel van de incidentele hogere voorziening is dan ook ongegrond.

71      Met betrekking tot Hau heeft het Gerecht verklaard dat die rekwirant, als tijdelijk functionaris, op voet van gelijkheid met ambtenaren aan het vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie heeft deelgenomen en als gevolg van het hem betreffende litigieuze besluit de indeling in een hogere rang dan die van de ambtenaren van de oude categorie C die niet voor een dergelijk vergelijkend onderzoek waren geslaagd, heeft gemist. Hij heeft derhalve procesbelang.

72      Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de argumenten van het Parlement over de ontvankelijkheid van het beroep van Hau niet het procesbelang van rekwirant en bijgevolg niet de ontvankelijkheid van het beroep van deze laatste aan de orde stellen, maar betrekking hebben op de gegrondheid van dit beroep, inzonderheid het recht van rekwirant om, ten vervolge op zijn slagen voor het vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie, een behandeling met betrekking tot zijn loopbaanprogressie te krijgen die verschilt van de behandeling van ambtenaren die vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut in rang C waren ingedeeld. Deze argumenten zijn dus niet gericht tegen de ontvankelijkheid van het door Hau ingestelde beroep.

73      Het Gerecht heeft het beroep van Hau dus terecht ontvankelijk verklaard.

74      Blijkens het voorgaande moeten de middelen van de incidentele hogere voorziening worden afgewezen en moet deze in haar geheel worden verworpen.

2.     De verwerping van de exceptie van onwettigheid van de artikelen 2 en 8 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut

a)     De middelen ontleend aan schending van verworven rechten

i)     Argumenten van partijen

75      Rekwiranten merken op dat, anders dan het Gerecht – ontoereikend gemotiveerd – heeft geoordeeld, de afschaffing van de oude indeling in rang bij het nieuwe Statuut verworven rechten aantast. Hun indeling in een hogere rang wordt in feite gelijkgesteld met een bevordering die vóór de hervorming van het Statuut heeft plaatsgevonden. Rekwiranten betwisten eveneens de beoordelingen door het Gerecht in de punten 113 tot en met 118 van het bestreden arrest, betreffende de beweerde betere loopbaanvooruitzichten die zij zouden hebben vergeleken met de ambtenaren die niet voor een vergelijkend onderzoek waren geslaagd. Zij wijzen er ook op dat, anders dan de situatie van de rekwiranten in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 22 december 2008, Centeno Mediavilla e.a./Commissie (C‑443/07 P, nog niet gepubliceerd in de jurisprudentie), die geen ambtenaar waren bij de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut en die derhalve slechts een vooruitzicht op aanstelling als ambtenaar hadden, rekwiranten in de onderhavige zaak reeds ambtenaar waren en waren geslaagd voor een intern vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie, hetgeen hun verworven recht op een hogere rang heeft doen ontstaan.

76      Dienaangaande betoogt het Parlement dat de loopbaan van rekwiranten, ook na de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut, zich sneller heeft ontwikkeld dan die van hun collega’s die niet waren geslaagd voor een intern vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie. Door de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut zijn hun rechten dus geenszins aangetast.

77      Volgens de Raad zijn een rechtspositie en feitelijke situatie van een groep ambtenaren, afgebakend ten opzichte van die van een andere groep ambtenaren en niet in absolute termen, onvoldoende stabiel en definitief om te kunnen worden gekwalificeerd als verworven recht. Bovendien is de hiërarchie tussen ambtenaren steeds aan wijzigingen onderhevig, terwijl aan de loopbaanvooruitzichten altijd onzekerheden kleven. Op dit gebied kan dan ook niet worden gesproken van verworven rechten. Volgens de Raad is het Gerecht dus tot een onjuiste conclusie gekomen door te erkennen dat rekwiranten een verworven recht op loopbaanprogressie hebben. De situatie van rekwiranten was ten tijde van de hervorming van het Statuut vaag bepaald en kon geen recht vormen dat beperkingen meebracht voor de beoordelingsmarge van de wetgever zoals deze door het Hof is erkend in het arrest Centeno Mediavilla e.a./Commissie, reeds aangehaald.

ii)  Beoordeling door het Hof

78      In punt 107 van het bestreden arrest heeft het Gerecht onder meer geoordeeld dat de indeling in een hogere rang die sommige ambtenaren ten opzichte van anderen op een moment in hun loopbaan hebben verworven, geen verworven recht vormt dat door het nieuwe Statuut moet worden beschermd.

79      In punt 109 van het bestreden arrest heeft het voorts vastgesteld dat, vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut, Decoutere, Hau en Solana Ramos, na te zijn geslaagd voor de interne vergelijkende onderzoeken voor overgang van categorie, in hun loopbaan zijn vooruitgegaan. Zo waren zij in een hogere rang geplaatst vergeleken met de ambtenaren die niet na te zijn geslaagd voor een dergelijk onderzoek in een hogere categorie waren geplaatst.

80      Op basis van deze vaststelling heeft het Gerecht in punt 110 van het bestreden arrest geoordeeld dat de betere loopbaanperspectieven die rekwiranten onder de gelding van het oude Statuut hadden verworven ten opzichte van de ambtenaren die niet voor dezelfde vergelijkende onderzoeken waren geslaagd, verworven rechten vormen die door het nieuwe Statuut moeten worden beschermd.

81      Vervolgens heeft het in de punten 114 tot en met 117 van het bestreden arrest uiteengezet dat, dankzij de bevorderingsregels in artikel 10 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut, de wetgever mechanismen heeft ingevoerd om in de loopbaan van de ambtenaren te differentiëren op basis van de categorie waartoe zij onder de gelding van het oude Statuut behoorden. Het Gerecht heeft geoordeeld dat die regels het mogelijk hebben gemaakt, de eerbiediging van verworven rechten te waarborgen.

82      Dienaangaande zij in herinnering gebracht dat volgens de rechtspraak van het Hof de rechtsverhouding tussen de ambtenaren en de administratie statutair en niet contractueel van aard is. Dit betekent dat de rechten en de verplichtingen van de ambtenaar door de wetgever op elk moment, met inachtneming van de uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende vereisten, kunnen worden gewijzigd (arrest Centeno Mediavilla e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

83      In beginsel zijn wetten waarbij een wettelijke bepaling wordt gewijzigd, zoals de verordeningen tot wijziging van het Statuut, behoudens uitzondering, van toepassing op de toekomstige gevolgen van onder de gelding van de oude regeling ontstane situaties (zie in die zin arrest van 29 juni 1999, Butterfly Music, C‑60/98, Jurispr. blz. I‑3939, punt 24, en arrest Centeno Mediavilla e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 61).

84      Dit is alleen anders voor situaties die onder de gelding van de vroegere regeling zijn ontstaan en definitief tot stand zijn gekomen en die verworven rechten in het leven roepen (zie in die zin arresten van 14 april 1970, Brock, 68/69, Jurispr. blz. 171, punt 7; 5 december 1973, SOPAD, 143/73, Jurispr. blz. 1433, punt 8, en 10 juli 1986, Licata/ESC, 270/84, Jurispr. blz. 2305, punt 31, en arrest Centeno Mediavilla e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 62). Een recht wordt als verworven beschouwd wanneer het rechtscheppende feit ervan zich vóór de wetswijziging heeft voorgedaan (arrest Centeno Mediavilla e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 63).

85      In casu moet worden vastgesteld dat rekwiranten, die loopbaanprogressie hebben gemaakt dankzij hun slagen voor het interne vergelijkend onderzoek, het recht op eerbiediging van de aldus onder de gelding van het oude Statuut bereikte vooruitgang hebben verworven. Anders dan zij beweren, impliceert een dergelijk recht echter alleen dat op hen, onder meer wat bevordering betreft, dezelfde statutaire behandeling wordt toegepast als die welke geldt voor alle ambtenaren van de nieuwe rang waarin zij zijn ingedeeld.

86      De ruime beoordelingsvrijheid waarover de wetgever beschikt om onder de voorwaarden die in de punten 82 en 83 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, de noodzakelijke statutaire wijzigingen aan te brengen, onder meer om de rangenstructuur voor de ambtenaren te wijzigen, geeft hem niet de bevoegdheid, wijzigingen aan te brengen die inzonderheid geen verband houden met die noodzaak of die de bekwaamheden die de rangen worden geacht te weerspiegelen niet in aanmerking nemen. Daarmee is de wetgever echter nog niet verplicht, streng de hand te houden aan de verhouding tussen die rangen vóór de statutaire wijziging.

87      Rekwiranten kunnen zich dan ook niet op beweerde verworven rechten op indeling in een onder de gelding van het oude Statuut verkregen hogere rang beroepen ten betoge dat de artikelen 2 en 8 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut onwettig zijn.

88      Nu de wetgever, zoals het Gerecht in punt 114 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, in dat nieuwe Statuut bepalingen heeft opgenomen die de loopbaanprogressie van die ambtenaren differentieert door rekening te houden met de categorie waartoe zij onder de gelding van het oude Statuut behoorden, kunnen rekwirante niet betogen dat het Gerecht, dat zijn beoordeling genoegzaam heeft gemotiveerd, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door hun middel ontleend aan schending van verworven rechten te verwerpen.

b)     Het middel ontleend aan schending van het vertrouwensbeginsel

i)     Argumenten van partijen

89      Met betrekking tot de schending van het vertrouwensbeginsel betogen rekwiranten dat het Gerecht ten onrechte, en ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat zij er zonder verworven rechten niet op mochten vertrouwen dat een bestaande situatie zou worden gehandhaafd. Deze twee beginselen hebben niet dezelfde draagwijdte, daar het vertrouwensbeginsel een andere bron heeft als de verkrijging van bedoelde rechten. Bovendien hebben rekwiranten in de onderhavige zaak, anders dan de rekwiranten in de zaak Centeno Mediavilla e.a./Commissie, reeds aangehaald, hun verwachtingen in termen van loopbaanprogressie gebaseerd op het slagen voor een vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie en, derhalve, op een vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut verkregen situatie. Indien werd aanvaard dat de wetgever een dergelijke verwachting buiten beschouwing kan laten, zou hij boven het algemene beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen worden geplaatst.

90      Dienaangaande merkt de Raad op dat de loopbaanperspectieven van rekwiranten geen voldoende stabiele situatie vormen om als verworven te kunnen worden beschouwd. Bovendien kunnen particulieren zich volgens het arrest Centeno Mediavilla e.a./Commissie, reeds aangehaald, op dat beginsel niet beroepen om de wettigheid van een nieuwe bepaling in het ambtenarenrecht te betwisten.

ii)  Beoordeling door het Hof

91      In punt 121 van het bestreden arrest heeft het Gerecht op de in punt 34 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte gronden geoordeeld dat rekwiranten het vertrouwensbeginsel niet kunnen inroepen om de wettigheid van een statutaire bepaling aan de orde te stellen.

92      Een dergelijke – voldoende gemotiveerde – beoordeling van de draagwijdte van het vertrouwensbeginsel berust niet op een onjuiste opvatting van het recht.

93      Particulieren kunnen zich immers niet op het vertrouwensbeginsel beroepen om op te komen tegen de toepassing van een nieuw rechtsvoorschrift, met name op een gebied als het onderhavige, waarop de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt (zie onder meer arrest van 19 november 1998, Spanje/Raad, C‑284/94, Jurispr. blz. I‑7309, punt 43, en arrest Centeno Mediavilla e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 91).

94      Hieruit volgt dat de argumenten van rekwiranten betreffende de schending van het vertrouwensbeginsel ongegrond zijn.

c)     Het middel ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling

i)     Argumenten van partijen

95      Volgens rekwiranten heeft het Gerecht het beginsel van gelijke behandeling onjuist uitgelegd door te overwegen dat, gesteld al dat zij door de litigieuze besluiten een nadeel in termen van loopbaan ondervinden ten opzichte van hun collega’s die niet zijn geslaagd voor een vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie, van schending van dat beginsel geen sprake kan zijn. Het Gerecht heeft daarmee, en met een ontoereikende motivering, geoordeeld dat verschillende situaties gelijk mogen worden behandeld. Het heeft voorts ten onrechte geconstateerd dat de betrokken overgangsregels aan de vereisten van de eerbiediging van genoemd beginsel voldoen.

96      Overigens heeft het Gerecht wat de situatie van Decoutere betreft ten onrechte geweigerd aan de orde te stellen dat deze rekwirant, op basis van inzonderheid de artikelen 2, lid 1, 4 en 5 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut, anders is behandeld dan ambtenaren die voor hetzelfde vergelijkend onderzoek zijn geslaagd en zich daardoor in dezelfde rechtspositie bevinden.

97      Het Parlement en de Raad zetten uiteen dat het Gerecht op goede gronden heeft verklaard dat het loopbaansysteem bij het nieuwe Statuut ingrijpend is gewijzigd, maar dat dit voorziet in voordelen voor ambtenaren die vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut in een hogere rang zijn geplaatst. De Raad wijst er bovendien op dat de indeling in het nieuwe hiërarchiestelsel op zich niet bepalend is voor de beoordeling of de wetgever onderscheid in termen van loopbaanperspectieven heeft willen maken tussen ambtenaren die onder de gelding van het oude Statuut zijn geslaagd voor een vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie en ambtenaren die daar niet voor zijn geslaagd.

98      Met betrekking tot de situatie van Decoutere merken het Parlement en de Raad op dat de uitlegging die het Gerecht aan de betrokken bepalingen heeft gegeven, bevestiging vindt in het reeds aangehaalde arrest Centeno Mediavilla e.a./Commissie, waarin het Hof heeft verklaard dat ambtenaren die op twee verschillende data zijn aangeworven, niet kunnen worden geacht zich in dezelfde rechtspositie te bevinden.

ii)  Beoordeling door het Hof

99      Blijkens de rechtspraak van het Hof is er sprake van schending van het beginsel van gelijke behandeling, dat op het ambtenarenrecht van toepassing is, wanneer twee categorieën personen van wie de rechtspositie en de feitelijke situatie niet wezenlijk verschillen, bij hun aanwerving verschillend worden behandeld en dat verschil in behandeling niet objectief gerechtvaardigd is (zie in die zin arrest van 11 januari 2001, Martínez del Peral Cagigal/Commissie, C‑459/98 P, Jurispr. blz. I‑135, punt 50, en arrest Centeno Mediavilla e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 76).

100    Evenzo dient de wetgever in beginsel bij de vaststelling van regels die onder meer op het gebied van het ambtenarenrecht gelden, het algemene beginsel van gelijke behandeling te eerbiedigen (arrest Centeno Mediavilla e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 78).

101    Zoals het Gerecht op goede gronden in punt 142 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, wordt volgens de rechtspraak het beginsel van gelijke behandeling ook geschonden wanneer twee verschillende situaties gelijk worden behandeld (zie in die zin arrest van 11 september 2007, Lindorfer/Raad, C‑227/04 P, Jurispr. blz. I‑6767, punt 63).

102    Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 145 van het bestreden arrest vastgesteld dat de rekwiranten die onder de gelding van het oude Statuut zijn geslaagd voor een intern vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie, zich niet in dezelfde rechtspositie en feitelijke situatie bevinden als ambtenaren die niet voor een dergelijk vergelijkend onderzoek zijn geslaagd. Bovendien heeft het in de punten 146 en 147 van het bestreden arrest geoordeeld dat de eersten, overeenkomstig de statutaire regels, betere loopbaanperspectieven hebben verworven dan de laatsten, en dat hiermee rekening is gehouden in de overgangsbepalingen van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut.

103    Anders dan rekwiranten betogen, berust deze beoordeling, waarvan de motivering zoals die in punt 37 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht afdoende is, niet op een onjuiste rechtsopvatting.

104    In dit verband moet immers worden vastgesteld dat rekwiranten enkel betogen dat de betrokken overgangsregeling geen bepalingen bevat die inzonderheid betrekking hebben op de categorie ambtenaren die onder de gelding van het oude Statuut zijn geslaagd voor een vergelijkend onderzoek en dat, hoe dan ook, de betere loopbaanperspectieven die zij onder het nieuwe Statuut hebben niet substantieel en zeker zijn.

105    Deze argumenten tonen niet aan dat het nieuwe Statuut jegens die ambtenaren het beginsel van gelijke behandeling niet eerbiedigt. Nu de gemeenschapswetgever immers, zoals uit punt 86 van het onderhavige arrest blijkt, bij de vaststelling van een nieuw Statuut het voorheen geldende loopbaanstelsel volledig heeft hervormd, kon hij, aangezien hij de mogelijkheid heeft statutaire wijzigingen in te voeren, niet gehouden zijn, de hiërarchie van rangen van het oude Statuut geheel identiek over te nemen. In dit verband is een vergelijking van de hiërarchieke rangen vóór en na de hervorming van het Statuut op zich niet bepalend om te beoordelen of het nieuwe Statuut het beginsel van gelijke behandeling eerbiedigt.

106    Anders dan rekwiranten betogen, differentieert het nieuwe Statuut de loopbaan van de ambtenaren die onder de gelding van het oude Statuut tot de diverse rangen van de hiërarchie behoorden en waarborgt het degenen die zijn geslaagd voor een vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie loopbaanperspectieven die verschillen van die van ambtenaren die niet voor hetzelfde vergelijkend onderzoek zijn geslaagd. Inzonderheid waarborgt de overgangsregeling, met name artikel 10, leden 1 en 2, van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut, via de regel inzake de blokkering van loopbaanprogressie en de regel inzake de vaststelling van bevorderingspercentages voor de diverse rangen, betere loopbaanperspectieven aan de ambtenaren in hogere rangen onder de gelding van het oude Statuut en, bijgevolg, aan degenen die in rang zijn gestegen na te zijn geslaagd voor een vergelijkend onderzoek voor overgang van rang.

107    Met betrekking tot Decoutere tot slot heeft het Gerecht in de punten 152 tot en met 155 van het bestreden arrest overwogen dat deze rekwirant zich niet in dezelfde rechtspositie bevond als een andere ambtenaar, die voor hetzelfde vergelijkend onderzoek was geslaagd, maar als ambtenaar was aangeworven onder de gelding van het nieuwe Statuut, terwijl Decoutere na dat vergelijkend onderzoek onder de gelding van het oude Statuut was aangeworven en in een nieuwe rang ingedeeld. Daarmee heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en het bestreden arrest rechtens genoegzaam gemotiveerd.

108    Twee ambtenaren die in een nieuwe rang zijn ingedeeld onder de gelding van verschillende statutaire regels, bevinden zich daardoor immers in verschillende situaties (zie naar analogie, arrest Centeno Mediavilla e.a./Commissie, reeds aangehaald, punten 79 en 80).

109    Uit bovenstaande overwegingen volgt dat rekwiranten niet kunnen beweren dat het Gerecht de exceptie van onwettigheid van de artikelen 2 en 8 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut ten onrechte heeft verworpen en dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd.

3.     De afwijzing van de schadevordering

110    Voor zover rekwiranten naar hun argumenten betreffende het deel van het bestreden arrest waarin deze exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt behandeld verwijzen om ook de punten 177 tot en met 180 van het bestreden arrest betreffende de schadevordering te betwisten, moet ook dit middel van de principale hogere voorziening ongegrond worden geacht.

111    Nu geen van de door rekwiranten ingeroepen middelen gegrond is, moet de principale hogere voorziening wel worden verworpen.

VII –  Kosten

112    Overeenkomstig artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

113    Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 118 dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 69, lid 3, van dit Reglement kan het Hof echter de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen. Daar rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld en het Parlement in het ongelijk is gesteld, dient elk der partijen de eigen kosten te dragen.

114    Overeenkomstig artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering, dat eveneens op grond van artikel 118 van dat Reglement van toepassing is, dragen de instellingen die in het geding zijn tussengekomen hun eigen kosten. Derhalve zal de Raad zijn eigen kosten dragen.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart:

1)      De principale hogere voorziening wordt verworpen.

2)      De incidentele hogere voorziening wordt verworpen.

3)      Angé Serrano, Bras, Orcajo Teresa, Decoutere, Hau en Solana Ramos, het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie zullen hun eigen kosten dragen.

ondertekeningen


* Procestaal: Frans.