19.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 55/2


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 7 december 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Beroep te Brussel — België) — Vlaamse federatie van verenigingen van Brood- en Banketbakkers, Ijsbereiders en Chocoladebewerkers „VEBIC” VZW/Raad voor de Mededinging, Minister van Economie

(Zaak C-439/08) (1)

(Mededingingsbeleid - Nationale procedure - Interventie van nationale mededingingsautoriteiten in procedures in rechte - Nationale mededingingsautoriteit van gemengde aard met zowel gerechtelijke als bestuurlijke karaktertrekken - Beroep tegen beslissing van dergelijke autoriteit - Verordening (EG) nr. 1/2003)

2011/C 55/03

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hof van Beroep te Brussel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Vlaamse federatie van verenigingen van Brood- en Banketbakkers, Ijsbereiders en Chocoladebewerkers „VEBIC” VZW

Verwerende partijen: Raad voor de Mededinging, Minister van Economie

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hof van Beroep te Brussel — Uitlegging van de artikelen 2, 5, 15, lid 1, en 35, lid 3, verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1, blz. 1) — Indiening door de nationale mededingingsautoriteiten van schriftelijke opmerkingen en middelen, feitelijk en rechtens, in het kader van een beroepsprocedure tegen hun beslissing — Pluraliteit van autoriteiten in een lidstaat

Dictum

Artikel 35 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die een nationale mededingingsautoriteit niet de bevoegdheid verleent om als verwerende partij deel te nemen aan een procedure in rechte tegen een van haar beslissingen. Het staat aan de nationale mededingingsautoriteiten om de noodzaak en het nut van interventie voor een doeltreffende toepassing van het mededingingsrecht van de Unie af te wegen. Het nuttig effect van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU wordt echter in gevaar gebracht wanneer de nationale mededingingsautoriteit stelselmatig niet verschijnt in dergelijke procedures in rechte.

Bij gebreke van een regeling van de Unie blijven de lidstaten overeenkomstig het beginsel van procedurele autonomie bevoegd om het orgaan of de organen van de nationale mededingingsautoriteit aan te wijzen dat/die als verwerende partij kan/kunnen deelnemen aan een voor een nationale rechter gevoerde procedure tegen een beslissing van die autoriteit, met dien verstande dat de eerbiediging van de grondrechten en de doeltreffendheid van het mededingingsrecht van de Unie ten volle dienen te worden gewaarborgd.


(1)  PB C 313 van 6.12.2008.