BESCHIKKING VAN HET HOF (Eerste kamer)

14 mei 2008 ( *1 )

In zaak C-109/07,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Prud’homie de pêche de Martigues (Frankrijk) bij beslissing van 17 december 2006, ingekomen bij het Hof op 20 februari 2007, in de procedure

Jonathan Pilato

tegen

Jean-Claude Bourgault,

geeft

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, A. Tizzano (rapporteur), A. Borg Barthet, E. Levits en J.-J. Kasel, rechters,

advocaat-generaal: V. Trstenjak,

griffier: R. Grass,

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

Beschikking

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging en de geldigheid van artikel 11 bis van verordening (EG) nr. 894/97 van de Raad van 29 april 1997 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden (PB L 132, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1239/98 van de Raad van 8 juni 1998 (PB L 171, blz. 1; hierna: „verordening nr. 894/97”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de kapiteins van twee bij het Quartier des affaires maritimes (dienst maritieme zaken) de Martigues ingeschreven vissersvaartuigen, te weten J. Pilato en J.-C. Bourgault, over het gebruik door deze laatste van een vistuig genaamd „thonaille”.

Toepasselijke bepalingen

Gemeenschapsregeling

3

Artikel 11 bis van verordening nr. 894/97 bepaalt:

„1.   Vanaf 1 januari 2002 mag geen enkel vaartuig nog één of meer drijfnetten aan boord hebben bestemd voor de vangst van de in bijlage VIII vermelde soorten of met deze netten vissen.

2.   Vanaf 1 januari 2002 mogen de met drijfnetten verrichte vangsten van de in bijlage VIII vermelde soorten niet meer aan wal gebracht worden.

3.   Tot en met 31 december 2001 mogen vissersvaartuigen alleen één of meer in lid 1 bedoelde drijfnetten aan boord hebben of voor de visserij gebruiken, als daartoe een vergunning is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan zij de vlag voeren. […]

[…]”

4

Een van de in bijlage VIII bij deze verordening vermelde soorten is de tonijn.

Nationale regeling

5

De Prud’homie de pêche (publiekrechtelijke beroepsvereniging van vissers) de Martigues wordt geregeld door het besluit van 19 november 1859 houdende regeling van de kustvisserij in het vijfde maritieme arrondissement, zoals gewijzigd bij besluit nr. 90-95 van 25 januari 1990 (JORF van 27 januari 1990, blz. 1155; hierna: „besluit van 1859”).

6

Volgens artikel 5 van het besluit van 1859 zijn alle als zelfstandige werkende vissers die hun beroep gedurende een jaar hebben uitgeoefend in het ambtsgebied van de prud’homie waarbij zij zich hebben aangemeld, lid van de communauté de prud’hommes.

7

Volgens artikel 7 van dit besluit worden de als lekenrechters optredende prud’hommes gekozen uit de leden van de communauté die gedurende tien jaar de visserij hebben beoefend.

8

Artikel 17 van dit besluit bepaalt:

„De lekenrechters-vissers hebben de volgende bevoegdheden:

1.

Zij nemen als enigen, uitsluitend en zonder mogelijkheid van hoger beroep, herziening of cassatie kennis van alle geschillen tussen vissers die binnen hun ambtsgebied bij het vissen en het manoeuvreren en bij daarmee verband houdende handelingen zijn ontstaan.

In het kader daarvan, en om zo veel mogelijk vechtpartijen, schade en ongevallen te voorkomen, zijn zij, onder het gezag van de commissaris van de Inscription maritime, met name belast met de volgende aangelegenheden:

 

het gebruik van de zee en van het maritiem openbaar domein door de vissers regelen;

 

voor elke soort visserij de visgronden, beurtrollen, toedelingen bij loting of bij wege van verhuur, de aanlegplaatsen en de plaatsen van vertrek bepalen;

 

bepalen in welke volgorde de vissers hun netten overdag en tijdens de nacht mogen uitwerpen;

 

bepalen op welke uren van de dag en de nacht bepaalde vormen van visserij plaats moeten maken voor andere;

 

ten slotte, alle maatregelen van orde en alle voorzorgsmaatregelen treffen die wegens de verscheidenheid en het aantal ervan in dit besluit niet worden genoemd.

2.

Zij behartigen de belangen van de communauté.

3.

Overeenkomstig artikel 16 van de wet van 9 januari 1852 werken zij mee aan het opsporen en vaststellen van inbreuken op het gebied van de kustvisserij.”

9

Artikel 18 van het decreet van 1859 bepaalt dat de lekenrechters, alvorens in functie te treden, voor de vrederechter van hun woonplaats de volgende eed afleggen:

„Ik zweer de functie van lekenrechter-visser getrouw te vervullen en de verordeningen betreffende de kustvisserij nauwgezet te doen toepassen, de bevelen van mijn hiërarchieke meerderen op te volgen en de inbreuken op de verordeningen zonder vooringenomenheid aan te geven.”

10

In artikel 22 van het besluit van 1859, dat de afzetting van de lekenrechters regelt, wordt bepaald:

„De lekenrechters-vissers kunnen door de directeur van de Inscription maritime worden afgezet na een onderzoek door de administrateur van de Inscription maritime.

De prud’homie kan door de minister belast met de koopvaardij worden ontbonden op voorstel van de directeur van de Inscription maritime. […]

Een afgezette lekenrechter kan pas drie jaar na zijn afzetting opnieuw worden gekozen.

[…]”

11

Artikel 24 van het besluit van 1859, dat de procedure op tegenspraak voor de prud’homie de pêche regelt, bepaalt onder meer dat de lekenrechters onder geheimhouding beraadslagen.

12

Artikel 25, eerste alinea, van het besluit van 1859 bepaalt dat „de uitspraken van de lekenrechters onmiddellijk uitvoerbaar zijn”.

13

Artikel 26 van het besluit van 1859 luidt als volgt:

„Wanneer hij het nodig acht, woont de administrateur van de Inscription maritime of zijn gemachtigde de zittingen en beraadslagingen van het gerecht bij, maar alleen om zich ervan te vergewissen dat alles volgens de regels verloopt.”

14

Ten slotte bepaalt artikel 27 van het besluit van 1859:

„Wanneer twee colleges van lekenrechters zich bevoegd achten om kennis te nemen van eenzelfde zaak, wordt het bevoegdheidsconflict via de hiërarchische weg aan de directeur van de Inscription maritime voorgelegd.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de eerste prud’homme van de Prud’homie de pêche de Martigues op 12 juni 2006 heeft vastgesteld dat Bourgault een vistuig genaamd „thonaille” aan boord had, waarmee hij vijftien tonijnen had gevangen.

16

Op 6 december 2006 heeft Pilato bij de Prud’homie de pêche de Martigues een klacht ingediend tegen Bourgault. Daarin stelde hij dat de „thonaille” een „drijfnet” in de zin van artikel 11 bis van verordening nr. 894/97 is, waarvan het gebruik is verboden. Pilato voerde aan dat de omstandigheid dat Bourgault vijftien tonijnen had gevangen met een verboden vistuig, hem schade had berokkend doordat vis op de markt is gebracht die met ongeoorloofde middelen is gevangen tegen een kostprijs die lager ligt dan bij visserij volgens de regels het geval zou zijn geweest. Om die redenen heeft hij de Prud’homie de pêche de Martigues verzocht om een uitspraak over de vergoeding van de schade die hij heeft geleden door de oneerlijke mededinging van Bourgault.

17

Op 17 december 2007 heeft Bourgault op de terechtzitting voor de Prud’homie de pêche de Martigues de hem ten laste gelegde feiten erkend, doch enerzijds betwist dat de „thonaille” een „drijfnet” in de zin van artikel 11 bis van verordening nr. 894/97 is, en anderzijds de geldigheid van die bepaling in twijfel getrokken.

18

In die omstandigheden heeft de Prud’homie de pêche de Martigues de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Moet artikel 11 bis van [verordening nr. 894/97] aldus worden uitgelegd dat het in die bepaling neergelegde verbod eveneens ziet op drijfnetten die door het drijfanker waaraan zij zijn bevestigd, niet of nauwelijks meedrijven?

2)

Is artikel 11 bis, leden 1 en 2, van [verordening nr. 894/97] geldig voor zover die bepaling:

a)

een loutere milieudoelstelling lijkt na te streven, hoewel de rechtsgrondslag ervan [artikel 43 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 37 EG)] is[;]

b)

geen omschrijving geeft van het begrip ‚drijfnet’ en de werkingssfeer ervan dus niet duidelijk vaststelt[;]

c)

niet duidelijk is gemotiveerd[;]

d)

geen rekening houdt met de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens, de milieuomstandigheden in de verschillende regio’s van de Gemeenschap, en met de voordelen en lasten die voortvloeien uit het daarbij vastgestelde verbod[;]

e)

niet evenredig is aan het nagestreefde doel[;]

f)

discriminerend is doordat zij uiteenlopende geografische, economische en sociale omstandigheden gelijk behandelt[;]

g)

niet voorziet in enige uitzondering ten behoeve van vissers die kleinschalige visserij bedrijven zoals vissen met de ‚thonaille’, die niet alleen een traditionele visserijtechniek in het Middellandse Zeegebied is, maar eveneens van vitaal belang is voor de bevolking die haar aanwendt, en bovendien zeer selectief is?”

De bevoegdheid van het Hof

19

Om te beginnen moet worden nagegaan of de Prud’homie de pêche de Martigues een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 234 EG is, en of het Hof derhalve bevoegd is de hem voorgelegde vragen te beantwoorden.

20

Zonder formeel een exceptie van onbevoegdheid op te werpen hebben de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen immers aangevoerd dat zij betwijfelen of het verwijzende orgaan wel een rechterlijke instantie is, met name gelet op de regeling inzake de afzetting van de lekenrechters-vissers, de inhoud van eed die dezen moeten afleggen voor zij in functie treden, en de omstandigheid dat de prud’homie bepaalde functies onder het gezag van de commissaris van de Inscription maritime uitoefent.

21

De Franse regering stelt daarentegen dat de Prud’homie de pêche de Martigues voldoet aan alle criteria die in de communautaire rechtspraak zijn geformuleerd om te worden aangemerkt als „rechterlijke instantie van een der lidstaten” in de zin van artikel 234 EG, met name aan het criterium van onafhankelijkheid van het verwijzende orgaan.

22

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, volgens vaste rechtspraak, het Hof, om te beoordelen of het verwijzende orgaan een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 234 EG is, hetgeen uitsluitend door het gemeenschapsrecht wordt bepaald, rekening houdt met een samenstel van factoren, zoals de wettelijke grondslag van het orgaan, het permanente karakter, de verplichte rechtsmacht, het uitspraak doen na een procedure op tegenspraak, de toepassing door het orgaan van de regelen van het recht, alsmede de onafhankelijkheid van het orgaan (zie met name arresten van 17 september 1997, Dorsch Consult, C-54/96, Jurispr. blz. I-4961, punt 23; 31 mei 2005, Syfait e.a., C-53/03, Jurispr. blz. I-4609, punt 29, en 14 juni 2007, Häupl, C-246/05, Jurispr. blz. I-4673, punt 16).

23

Wat meer bepaald de onafhankelijkheid van het verwijzende orgaan betreft, dit vereiste houdt in dat het orgaan wordt beschermd tegen tussenkomsten of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van zijn leden in aan hen voorgelegde geschillen in gevaar zouden kunnen brengen (arrest van 19 september 2006, Wilson, C-506/04, Jurispr. blz. I-8613, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24

Het Hof heeft ook de gelegenheid gehad te preciseren dat voor deze waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid regels nodig zijn, onder andere met betrekking tot de samenstelling van het orgaan, de benoeming, de ambtstermijn en de gronden voor verschoning, wraking en afzetting van zijn leden, die het mogelijk maken elke legitieme twijfel omtrent de onvatbaarheid van dit orgaan voor externe factoren en omtrent zijn neutraliteit ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen uit de geest van de justitiabelen te bannen (zie in die zin arrest Dorsch Consult, reeds aangehaald, punt 36; arresten van 4 februari 1999, Köllensperger en Atzwanger, C-103/97, Jurispr. blz. I-551, punten 20-23, en 29 november 2001, De Coster, C-17/00, Jurispr. blz. I-9445, punten 18-21, en arrest Wilson, reeds aangehaald, punt 53). Om de voorwaarde van onafhankelijkheid van het verwijzende orgaan vervuld te achten, eist de rechtspraak met name dat de gevallen waarin de leden van dit orgaan kunnen worden afgezet, in uitdrukkelijke wetsbepalingen worden genoemd (zie in die zin arrest Köllensperger en Atzwanger, reeds aangehaald, punt 21, en arrest van 30 mei 2002, Schmid, C-516/99, Jurispr. blz. I-4573, punt 41).

25

In het onderhavige geval blijkt uit het besluit van 1859 en uit de bij het Hof ingediende opmerkingen dat de lekenrechters-vissers, althans voor een aantal activiteiten, onder toezicht van de overheid staan.

26

In artikel 17, lid 1, van het besluit van 1859 wordt immers uitdrukkelijk bepaald dat de lekenrechters-vissers een aantal functies „onder het gezag van de commissaris van de Inscription maritime” uitoefenen. Voorts is volgens artikel 27 van dit besluit een lid van de Inscription maritime bevoegd om eventuele bevoegdheidsconflicten tussen verschillende prud’homies de pêche te beslechten.

27

Verder dient erop te worden gewezen dat artikel 18 van het besluit eist dat de lekenrechters-vissers een eed afleggen waarin zij onder meer zweren „de bevelen van [hun] hiërarchieke meerderen op te volgen”.

28

Verder blijkt niet dat voor de afzetting van de lekenrechters-vissers bijzondere waarborgen gelden die elke legitieme twijfel omtrent de onvatbaarheid van dit orgaan voor externe factoren wegnemen.

29

Volgens artikel 22 van het besluit van 1859 kunnen de lekenrechters-vissers immers gewoon na een onderzoek door de directeur van de Inscription maritime worden afgezet, en in dat artikel noch in enig ander artikel van het besluit wordt gepreciseerd op welke gronden een eventuele afzetting kan plaatsvinden.

30

In die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de Prud’homie de pêche de Martigues voldoet aan de voorwaarde van onafhankelijkheid van het verwijzende orgaan, zoals die in de punten 23 en 24 van de onderhavige beschikking is geformuleerd.

31

Mitsdien is de Prud’homie de pêche de Martigues geen rechterlijke instantie in de zin van artikel 234 EG. Bijgevolg moet overeenkomstig de artikelen 92, lid 1, en 103, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering worden vastgesteld dat het Hof kennelijk onbevoegd is om te antwoorden op de gestelde vragen.

Kosten

32

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een voor de Prud’homie de pêche de Martigues gerezen incident te beschouwen, zodat deze laatste over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof van Justitie (Eerste kamer) beschikt:

 

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is kennelijk onbevoegd om te antwoorden op de vragen die de Prud’homie de pêche de Martigues bij beslissing van 17 december 2006 heeft gesteld.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Frans.