Zaak C-553/07

College van burgemeester en wethouders van Rotterdam

tegen

M. E. E. Rijkeboer

[verzoek van de Raad van State (Nederland) om een prejudiciële beslissing]

„Bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van persoonsgegevens — Richtlijn 95/46/EG — Bescherming van persoonlijke levenssfeer — Uitwissing van gegevens — Recht op toegang tot gegevens en tot informatie over ontvangers van gegevens — Termijn voor uitoefening van recht op toegang”

Conclusie van advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer van 22 december 2008   I ‐ 3891

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 7 mei 2009   I ‐ 3919

Samenvatting van het arrest

Harmonisatie van wetgevingen – Bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van persoonsgegevens – Richtlijn 95/46

(Richtlijn 95/46 van het Europees Parlement en de Raad, art. 12, sub a)

Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als geformuleerd in artikel 1, punt 1, van richtlijn 95/46 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, impliceert dat de betrokkene zich ervan kan vergewissen dat zijn persoonsgegevens juist en rechtmatig worden verwerkt, dat wil met name zeggen dat de hem betreffende basisgegevens juist zijn en dat zij worden verstrekt aan gemachtigde ontvangers. Zoals in punt 41 van de considerans van de richtlijn wordt uiteengezet, moet de betrokkene over het recht beschikken om toegang te verkrijgen tot de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en hemzelf betreffen, zodat hij de nodige controles kan verrichten.

Artikel 12, sub a, van richtlijn 95/46 verlangt van de lidstaten dat zij niet alleen voor het heden, maar ook voor het verleden voorzien in een recht op toegang tot informatie over de ontvangers of de categorieën ontvangers van de gegevens en tot de inhoud van de verstrekte informatie. Het staat aan de lidstaten, een termijn voor de bewaring van deze informatie en een daarop afgestemde toegang daartoe vast te stellen die een juist evenwicht vormen tussen, enerzijds, het belang van de betrokkene om zijn persoonlijke levenssfeer te beschermen, met name via de bij de richtlijn voorziene mogelijkheden om de voor de verwerking verantwoordelijke in te schakelen en zich tot de rechter te wenden, en, anderzijds, de last die de verplichting tot bewaring van die informatie inhoudt voor de voor de verwerking verantwoordelijke.

Een regeling waarbij informatie over de ontvangers of de categorieën ontvangers van de gegevens en over de inhoud van de verstrekte gegevens slechts één jaar wordt bewaard en de toegang tot die informatie dienovereenkomstig wordt beperkt, terwijl de basisgegevens veel langer worden bewaard, vormt geen juist evenwicht tussen het belang en de verplichting in kwestie, tenzij wordt aangetoond dat een langere bewaring van deze informatie een buitensporige last zou inhouden voor de voor de verwerking verantwoordelijke. Het staat aan de nationale rechter, de nodige controles te verrichten.

(cf. punten 49, 70 en dictum)