Zaak C‑375/07

Staatssecretaris van Financiën

tegen

Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods Trading BV

(verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing)

„Verzoek om prejudiciële beslissing – Geldigheid van indelingsverordening – Uitlegging van bijlage bij verordening (EG) nr. 1196/97 – Artikelen 220 en 239 van douanewetboek – Artikelen 871 en 905 van verordening (EEG) nr. 2454/93 – Gedroogde vellen vervaardigd van rijstmeel, zout en water – Tariefindeling – Navordering van invoerrechten – Kwijtscheldingsprocedure – Vergissing van douaneautoriteiten die kon worden ontdekt – Klaarblijkelijke nalatigheid van importeur”

Samenvatting van het arrest

1.        Gemeenschappelijk douanetarief – Tariefposten – Gedroogde vellen vervaardigd van rijstmeel, zout en water

(Verordening nr. 2658/87 van de Raad, bijlage I; verordeningen van de Commissie nr. 1196/97 en nr. 1624/97)

2.        Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer

(Art. 230, vijfde alinea, 234 EG en 249 EG; verordening nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad; verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 220 en 239)

1.        Vellen, vervaardigd van rijstmeel, zout en water die gedroogd zijn doch geen warmtebehandeling hebben ondergaan, vallen onder postonderverdeling 1905 90 20 van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, in de versie die voortvloeit uit verordening nr. 1624/97.

Enerzijds komt de verwijzing naar rijstpapier („rice paper”) of „gedroogde” producten uitdrukkelijk voor in de tekst van verschillende taalversies van postonderverdeling 1905 90 20 van de gecombineerde nomenclatuur, terwijl post 1901 slechts een restpost is, die enkel producten betreft die in de gecombineerde nomenclatuur noch elders worden genoemd noch elders onder begrepen zijn. Anderzijds is, zoals volgt uit de lezing van verschillende taalversies van de gecombineerde nomenclatuur en uit de toelichtingen van de Commissie, die verwijzen naar de toelichtingen van het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, het feit dat het product „gebakken” is, geen noodzakelijk kenmerk voor indeling van een goed in postonderverdeling 1905 90 20.

Bovendien volgt uit al deze elementen tezamen dat de geldigheid van verordening nr. 1196/97 houdende indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur, niet is aangetast.

(cf. punten 47‑53, dictum 1‑2)

2.        Wanneer bij de Commissie door een lidstaat een verzoek om kwijtschelding van invoerrechten is ingediend in de zin van artikel 239 van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening nr. 82/97, en de Commissie reeds een beschikking heeft gegeven die feitelijke en juridische beoordelingen bevat in een specifiek geval van invoerverrichtingen, zijn deze beoordelingen ingevolge artikel 249 EG bindend voor alle instanties van de lidstaat tot wie deze beschikking is gericht, daaronder begrepen zijn rechterlijke instanties die dat geval moeten toetsen aan artikel 220 van genoemde verordening.

De vereisten in verband met de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht, ter waarborging waarvan aan de Commissie beslissingsbevoegdheid op het gebied van de navordering van douanerechten is toegekend, gebieden immers dat, met betrekking tot dezelfde invoerverrichtingen van een marktdeelnemer, een beschikking van de Commissie waarin deze zich uitspreekt over het bestaan van „klaarblijkelijke nalatigheid” van deze marktdeelnemer, niet haar werking kan worden ontnomen door een latere beslissing van een nationale rechter over de vraag of de vergissing van de nationale douaneautoriteiten door diezelfde marktdeelnemer „kon worden ontdekt”. Wanneer dus een nationale rechter bij wie een beroep is ingesteld tegen een besluit inzake de navordering van invoerrechten, in de loop van de bij hem ingeleide procedure kennisneemt van een beroep bij de Commissie in de zin van artikel 220 of artikel 239 van het douanewetboek, moet deze rechter voorkomen dat beslissingen worden genomen die in tegenspraak zijn met een beschikking die de Commissie ter uitvoering van deze artikelen beoogt te geven.

Indien de importeur binnen de termijn van artikel 230, vijfde alinea, EG een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld tegen de beschikking waarbij de Commissie heeft beslist op het verzoek om kwijtschelding van rechten in de zin van artikel 239 van deze verordening, dient de nationale rechter te beoordelen of hij de behandeling van de zaak moet schorsen om de definitieve beslissing op dat beroep tot nietigverklaring af te wachten dan wel zelf het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een prejudiciële vraag ter beoordeling van de geldigheid moet stellen.

(cf. punten 62, 64-66, 68, dictum 3)







ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

20 november 2008 (*)

„Verzoek om prejudiciële beslissing – Geldigheid van indelingsverordening – Uitlegging van bijlage bij verordening (EG) nr. 1196/97 – Artikelen 220 en 239 van douanewetboek – Artikelen 871 en 905 van verordening (EEG) nr. 2454/93 – Gedroogde vellen vervaardigd van rijstmeel, zout en water – Tariefindeling – Navordering van invoerrechten – Kwijtscheldingsprocedure – Vergissing van douaneautoriteiten die kon worden ontdekt – Klaarblijkelijke nalatigheid van importeur”

In zaak C‑375/07,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij beslissing van 13 juli 2007, ingekomen bij het Hof op 3 augustus 2007, in de procedure

Staatssecretaris van Financiën,

tegen

Heuschen & Schrouff Oriental Foods Trading BV,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J.‑C. Bonichot, J. Makarczyk, P. Kūris en C. Toader (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: V. Trstenjak,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 mei 2008,

gelet op de opmerkingen van:

–        Heuschen & Schrouff Oriental Foods Trading BV, vertegenwoordigd door H. de Bie, advocaat,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Wissels, C. ten Dam en M. Mol als gemachtigden,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Georgiadis, Z. Chatzipavlou en I. Pouli als gemachtigden,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door G. Albenzio, avvocato dello Stato,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia, bijgestaan door F. Tuytschaever, advocaat,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 september 2008,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft in de eerste plaats de tariefpost die van toepassing is op de invoer van rijstpapier, alsmede de eventuele ongeldigheid van verordening (EG) nr. 1196/97 van de Commissie van 27 juni 1997 houdende indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur (PB L 170, blz. 13; hierna: „indelingsverordening”), en in de tweede plaats de prerogatieven van de nationale rechter bij wie een beroep is ingesteld tegen een besluit inzake de navordering van invoerrechten, wanneer de Commissie van de Europese Gemeenschappen reeds bepaalde feitelijke en juridische beoordelingen heeft gegeven met betrekking tot de betrokken invoerverrichtingen.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Staatssecretaris van Financiën en Heuschen & Schrouff Oriental Foods Trading BV (hierna: „H & S”) inzake de tariefindeling van rijstvellen, ook wel „rijstpapier” genoemd.

 Rechtskader

 Gemeenschapsrecht

 Regeling inzake de tariefindeling van rijstpapier

3        Bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), is een volledige nomenclatuur vastgelegd van de goederen die in de Europese Gemeenschap worden in‑ of uitgevoerd (hierna: „GN”). Deze nomenclatuur is opgenomen in bijlage I bij deze verordening.

4        In casu kwamen de GN-postonderverdelingen 1901 90 99 en 1905 90 20, in de versie die voortvloeit uit verordening (EG) nr. 1624/97 van de Commissie van 13 augustus 1997 tot wijziging van bijlage I bij verordening nr. 2658/87 (PB L 224, blz. 16), in aanmerking voor toepassing.

5        De GN-posten 1901 en 1905 en de bijbehorende postonderverdelingen luiden in de Franse taalversie als volgt:

„1901

Extraits de malt; préparations alimentaires de farines, semoules, amidons, fécules ou extraits de malt, ne contenant pas de cacao [...], non dénommées ni comprises ailleurs; préparations alimentaires de produits nos 0401 à 0404, ne contenant pas DE CACAO [...], non dénommées ni comprises ailleurs:

[...]

 

1901 90 99

– – – autres:


[...]

1905

Produits de la boulangerie, de la pâtisserie ou de la biscuiterie, même additionnés de cacao; hosties, cachets vides des types utilisés pour médicaments, pains à cacheter, pâtes séchées de farine, d’amidon ou de fécule en feuilles et produits similaires:

[...]

 

1905 90

– autres:

[...]

 

1905 90 20

– – Hosties, cachets vides des types utilisés pour médicaments, pains à cacheter, pâtes séchées de farine, d’amidon ou de fécule en feuilles et produits similaires.”


6        In de Nederlandse taalversie van de GN luidt de omschrijving van post 1905 en de bijbehorende postonderverdelingen als volgt:

„1905 

Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten; ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten van meel of van zetmeel:

[...]

 

1905 90 

– andere:

[...]

 

1905 90 20

– – ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten, van meel of van zetmeel.”


7        Ter waarborging van de uniforme toepassing van de GN in de Gemeenschap, kan de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 9, lid 1, sub a, eerste gedachtestreepje, van verordening nr. 2658/87 verordeningen tot indeling van specifieke goederen in de GN vaststellen.

8        Volgens de bijlage bij de indelingsverordening vallen „voedselbereiding[en] in de vorm van droge, doorschijnende vellen, met verschillende afmetingen, vervaardigd van rijstmeel, zout en water” onder GN-postonderverdeling 1905 90 20. Tevens is in deze bijlage gepreciseerd dat „[d]e vellen, na weken in water [...], meestal [worden] gebruikt om daarvan de ‚wikkels’ voor loempia’s en dergelijke te vervaardigen”.

9        Het op 14 juni 1983 te Brussel gesloten Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna: „GS”) en het daarbij behorende protocol van wijziging van 24 juni 1986 (hierna: „GS-verdrag”) zijn namens de Europese Economische Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 (PB L 198, blz. 1).

10      Krachtens artikel 3, lid 1, van het GS-verdrag verbindt elke verdragsluitende partij zich om haar tariefnomenclatuur en haar statistieknomenclaturen in overeenstemming te doen zijn met het GS, om alle posten en onderverdelingen ervan, zonder enige toevoeging of wijziging, alsmede de daarop betrekking hebbende numerieke codes te gebruiken, en om de volgorde van nummering van het GS in acht te nemen. Ingevolge diezelfde bepaling verbindt iedere verdragsluitende partij zich tevens om de algemene regels voor de interpretatie van het GS, alsmede alle aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken en de aanvullende aantekeningen op de onderverdelingen van het GS toe te passen en de draagwijdte daarvan niet te wijzigen.

11      De Internationale Douaneraad, thans de Werelddouaneorganisatie, die is ingesteld bij het op 15 december 1950 te Brussel gesloten internationale verdrag houdende oprichting van voornoemde raad, keurt, onder de in artikel 8 van het GS-verdrag bepaalde voorwaarden, de door het comité voor het GS vastgestelde toelichtingen en indelingsadviezen goed.

12      De toelichting van de Commissie op GN-postonderverdeling 1905 90 20 verwijst naar „letter B van de GS-toelichting op post 1905.”

13      De GS-toelichting op post 1905 luidt als volgt:

„[...]

A)      Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten.

[...]

B)      Ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten, van meel of van zetmeel.

Deze post heeft betrekking op een groep van meel‑ of zetmeelproducten, die meestal gebakken zijn en voorkomen in schijfjes of in bladen of vellen. Zij worden voor verschillende doeleinden gebruikt.

[...]

Tot deze post behoort eveneens ouwel in dunne bladen of vellen van gebakken en gedroogd meel‑ of zetmeeldeeg. Deze vellen worden gebruikt als bodem en deklaag voor gebak en suikergoed, vooral voor noga. [...]”

 Regeling inzake het afzien van boeking achteraf en inzake de kwijtschelding van invoerrechten

–       Het afzien van boeking achteraf van douanerechten

14      Artikel 220, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 (PB 1997, L 17, blz. 1; hierna: „douanewetboek”) bepaalt:

„2.      [...] tot boeking achteraf [wordt niet] overgegaan wanneer:

[...]

b)      het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan;

[...]”

15      Artikel 869 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1677/98 van de Commissie van 29 juli 1998 (PB L 212, blz. 18; hierna: „uitvoeringsverordening”) bepaalt:

„De douaneautoriteiten beslissen zelf om niet over te gaan tot boeking achteraf van niet geïnde rechten:

[...]

b)      wanneer zij van oordeel zijn dat aan alle in artikel 220, lid 2, sub b, van het [douane]wetboek bedoelde voorwaarden is voldaan en voor zover het ten gevolge van een zelfde vergissing van de betreffende belanghebbende niet geïnde bedrag, dat in voorkomend geval uit verscheidene invoer‑ of uitvoerverrichtingen voortvloeit, lager is dan 50 000 [EUR].

[...]”

16      Artikel 871 van de uitvoeringsverordening luidt als volgt:

„Wanneer de douaneautoriteiten, in andere dan de in artikel 869 bedoelde gevallen, van oordeel zijn dat aan de in artikel 220, lid 2, sub b, van het wetboek bedoelde voorwaarden is voldaan of twijfels hebben omtrent de toepasbaarheid van de criteria van deze bepaling op het betreffende geval, leggen zij dit geval aan de Commissie voor opdat het wordt behandeld overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 872 tot en met 876. Het aan de Commissie toegezonden dossier dient alle voor een volledig onderzoek van het voorgelegde geval noodzakelijke gegevens te bevatten. Het dossier moet bovendien een door de belanghebbende ondertekende verklaring bevatten waarin deze bevestigt dat hij kennis heeft genomen van het dossier en daaraan niets wenst toe te voegen of waarin hij alle aanvullende elementen vermeldt die zijns inziens in het dossier moeten worden opgenomen.

De Commissie bevestigt onverwijld de ontvangst van het dossier aan de betrokken lidstaat.

Wanneer blijkt dat de door de lidstaat medegedeelde gegevens voor de Commissie ontoereikend zijn om haar in staat te stellen met kennis van zaken uitspraak te doen over het haar voorgelegde geval, kan zij om toezending van aanvullende informatie verzoeken.”

17      In artikel 873, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening wordt bepaald:

„Na raadpleging van een groep van deskundigen bestaande uit vertegenwoordigers van alle lidstaten die in het kader van het Comité bijeenkomen teneinde het betrokken geval te onderzoeken, neemt de Commissie een beschikking waarbij zij vaststelt dat hetzij de onderzochte situatie van zodanige aard is dat niet behoeft te worden overgegaan tot boeking achteraf van de betreffende rechten, hetzij dat deze situatie niet van dien aard is.”

–       Terugbetaling of kwijtschelding van douanerechten

18      Artikel 239 van het douanewetboek bepaalt:

„1.      Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan ook worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238:

–        welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld;

–        welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.

2.      Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten om de in lid 1 genoemde redenen wordt toegestaan indien bij het betrokken douanekantoor [...] een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.”

19      In artikel 905 van de uitvoeringsverordening wordt bepaald:

„1.      Wanneer de beschikkende douaneautoriteit, die een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding uit hoofde van artikel 239, lid 2, van het wetboek ontvangt, niet in staat is om op grond van artikel 899 te beslissen én indien de aanvraag vergezeld is van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van een bijzondere situatie die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, legt de lidstaat waaronder deze autoriteit ressorteert het geval voor aan de Commissie ter behandeling overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 906 tot en met 909.

Behalve in geval van twijfel kan de douaneautoriteit die het besluit moet nemen zelf tot de kwijtschelding of terugbetaling van de rechten overgaan, wanneer zij van oordeel is dat aan de voorwaarden van artikel 239, lid 1, van het wetboek is voldaan, mits het bedrag ten gevolge van eenzelfde buitengewone situatie die eventueel op meer in‑ of uitvoertransacties betrekking heeft, per bedrijf niet hoger is dan 50 000 [EUR].

De uitdrukking ‚belanghebbende’ dient te worden opgevat in dezelfde betekenis als in artikel 899.

In alle andere gevallen wijst de beschikkende douaneautoriteit het verzoek af.

2.      Het aan de Commissie voorgelegde dossier moet alle gegevens bevatten die nodig zijn voor een volledig onderzoek van het voorgelegde geval. Het dossier bevat bovendien een door de persoon die het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding indient, ondertekende verklaring welke luidt dat deze persoon kennis heeft kunnen nemen van het dossier, alsmede, hetzij de vermelding dat deze persoon niets aan het dossier heeft toe te voegen, hetzij een opgave van alle bijkomende elementen die naar het oordeel van die persoon van belang zijn om in het dossier te worden opgenomen.

De Commissie stelt de betrokken lidstaat onverwijld in kennis van de ontvangst van dit dossier.

Wanneer blijkt dat de door de lidstaat medegedeelde gegevens ontoereikend zijn om de Commissie in staat te stellen met volledige kennis van zaken uitspraak te doen over het haar voorgelegde geval, kan deze om de mededeling van aanvullende gegevens verzoeken.

[...]”

20      In artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening wordt bepaald:

„Na raadpleging van een groep van deskundigen bestaande uit vertegenwoordigers van alle lidstaten die in het kader van het comité bijeenkomen teneinde het betrokken geval te onderzoeken, neemt de Commissie een beschikking waarbij zij vaststelt dat de onderzochte bijzondere situatie de terugbetaling of de kwijtschelding al dan niet rechtvaardigt.”

 Nationaal recht

21      Artikel 8:72, lid 4, van de Algemene Wet Bestuursrecht bepaalt:

„Indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, kan zij het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van haar uitspraak, dan wel kan zij bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

22      H & S is een Nederlandse productie‑ en handelsonderneming die oosterse levensmiddelen levert aan met name restauranthouders. Daarvoor voert zij sedert verschillende jaren rijstpapier van oorsprong uit Vietnam in.

23      H & S voerde dit product reeds in 1996 in onder GN-postonderverdeling 1901 90 99. Deze tariefindeling is door de Nederlandse douaneautoriteiten (hierna: „douaneautoriteiten”) herhaaldelijk correct bevonden, ook na controles en analyses van monsters van de ingevoerde ladingen.

24      Op 27 juni 1997 heeft de Commissie de indelingsverordening vastgesteld, die bepaalt dat de betrokken producten in feite onder GN-postonderverdeling 1905 90 20 vallen. Deze verordening is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen op 28 juni 1997 en is in werking getreden op 19 juli 1997.

25      H & S bleef het rijstpapier echter onder GN-postonderverdeling 1901 90 99 invoeren en de douaneautoriteiten bleven haar aangiften ook aanvaarden, voor het laatst op 14 juli 1997 en 16 maart 1998. Vervolgens hebben zij diezelfde 16 maart ontdekt dat de indeling onjuist was en deze vennootschap meegedeeld dat het product onder de door de indelingsverordening voorgeschreven post, te weten GN-postonderverdeling 1905 90 20, viel. Nadien heeft H & S haar levensmiddelen onder laatstgenoemde post aangegeven.

26      In 2000 hebben de douaneautoriteiten H & S meegedeeld dat zij voor het tijdvak van 25 november 1997 tot en met 2 februari 1998 zouden overgaan tot navordering van de rechten die hadden moeten worden voldaan uit hoofde van GN-postonderverdeling 1905 90 20.

27      Daarop heeft H & S een verzoek om kwijtschelding van deze rechten ingediend. Op 17 juni 2004 heeft de Commissie, na op 19 september 2002 een verzoek in de zin van artikel 905 van de uitvoeringsverordening te hebben ontvangen, beschikking REM 19/2002 gegeven, waarbij werd vastgesteld dat de kwijtschelding van invoerrechten in een bepaald geval niet gerechtvaardigd was (hierna: „beschikking van 17 juni 2004”). Deze beschikking is door H & S aangevochten in het kader van een op 23 september 2004 bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen ingesteld beroep tot nietigverklaring. Tegen het arrest van het Gerecht van 30 november 2006, Heuschen & Schrouff Oriental Foods/Commissie (zaak T‑382/04), waarbij dit beroep werd verworpen, is door H & S hogere voorziening ingesteld, die ter griffie van het Hof is ingeschreven onder nummer C‑38/07 P.

28      Op 22 november 2000 hebben de douaneautoriteiten aan H & S een navordering ten bedrage van 645 399,50 NLG (292 869,52 EUR) betekend. Nadat H & S bezwaar had ingediend, heeft de Inspecteur de uitnodigingen tot betaling gehandhaafd, met uitzondering van een uitnodiging tot betaling van een bedrag van 13 650,30 NLG wegens de ongedaanmaking van één douaneaangifte.

29      Op 29 maart 2001 heeft H & S beroep ingesteld bij de Tariefcommissie, waarvoor in de loop van de procedure het Gerechtshof te Amsterdam in de plaats is getreden. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft op 7 december 2004 het beroep gegrond verklaard en zowel de uitspraak van de Inspecteur als de uitnodigingen tot betaling vernietigd. Deze rechterlijke instantie heeft weliswaar bevestigd dat de rijstvellen onder GN-postonderverdeling 1905 90 20 vielen, doch was van oordeel dat de onjuiste toepassing van GN-postonderverdeling 1901 90 99 het gevolg was van een vergissing van de douaneautoriteiten, die redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door H & S, zodat overeenkomstig artikel 220 van het douanewetboek kon worden besloten om niet over te gaan tot navordering van de aldus niet-voldane invoerrechten.

30      Daarop heeft de Staatssecretaris van Financiën bij de verwijzende rechter beroep in cassatie ingesteld, waarmee hij opkomt tegen de wijze waarop het Gerechtshof te Amsterdam artikel 220 van het douanewetboek heeft toegepast, terwijl H & S incidenteel beroep in cassatie heeft ingesteld om te doen vaststellen dat haar producten in werkelijkheid onder GN-postonderverdeling 1901 90 99 vielen.

31      Blijkens de verwijzingsbeschikking staat vast dat de ingevoerde producten zijn vervaardigd van rijstmeel, water en zout, die worden vermengd en gekneed tot deeg, dat vervolgens wordt gewalst en gedroogd. Deze producten zijn niet geschikt voor consumptie zonder dat zij vooraf een warmtebehandeling hebben ondergaan.

32      Aangaande het incidenteel beroep in cassatie stelt de verwijzende rechter vast dat GN-post 1905, volgens de GS-toelichting, niet zozeer wordt gekenmerkt door het feit dat hij betrekking heeft op gebakken producten, als wel door het feit dat hij ziet op producten die een dunne vorm hebben.

33      Met een beroep op de rechtspraak van het Hof kan evenwel ook worden beargumenteerd dat de GN-posten 1901 en 1905 zich van elkaar onderscheiden doordat de eerste post ziet op niet-gebakken producten en de tweede op gebakken levensmiddelen.

34      Aangezien de indelingsverordening de rijstvellen zonder voorbehoud indeelt onder GN-post 1905, acht de Hoge Raad der Nederlanden het nodig aan het Hof vragen te stellen over de geldigheid ervan.

35      Aangaande het principale beroep in cassatie stelt deze rechterlijke instantie vast dat het Gerechtshof te Amsterdam in zijn uitspraak van 7 december 2004 heeft aanvaard dat de drie criteria voor de vaststelling of de vergissing van de douaneautoriteiten kon worden ontdekt, waaraan moet worden voldaan voor de toepassing van artikel 220 van het douanewetboek, waren vervuld, ofschoon de Commissie op 17 juni 2004 had geoordeeld dat aan diezelfde voorwaarden niet was voldaan wat de beoordeling betreft van de zorgvuldigheid van de ondernemer voor toepassing van artikel 239 van dit wetboek, hetgeen het Gerecht heeft bevestigd in zijn reeds aangehaalde arrest Heuschen & Schrouff Oriental Foods/Commissie, waarbij het beroep van H & S tegen de beschikking van 17 juni 2004 werd verworpen.

36      Volgens de verwijzende rechter gaat het om de vraag welk oordeel een nationale douaneautoriteit dient te volgen wanneer de Commissie en de nationale rechter twee tegenstrijdige standpunten innemen over de beoordeling van de drie bovengenoemde criteria. Meer specifiek gaat het om de vraag hoe de bevoegdheid van de nationale rechter zich verhoudt tot die van de Commissie wat de toepassing van deze criteria betreft.

37      De verwijzende rechter merkt op dat wanneer de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat aan de in het douanewetboek voorziene voorwaarden kan zijn voldaan, zij de zaak voorleggen aan de Commissie, die beslist of al dan niet moet worden overgegaan tot navordering van invoerrechten (artikel 220 van het douanewetboek) of dat kwijtschelding ervan gerechtvaardigd is (artikel 239 van ditzelfde wetboek). In dat geval zou de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht verzekerd zijn.

38      Dit is evenwel niet het geval wanneer de douaneautoriteiten oordelen dat de voorwaarden van artikel 220 van het douanewetboek niet zijn vervuld. In dat geval verlaten zij zich niet op de Commissie en is het derhalve aan de nationale rechter om, indien de belanghebbende beroep instelt tegen het besluit van deze autoriteiten, te beoordelen of al dan niet is voldaan aan de voorwaarden om niet over te gaan tot navordering. De uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht kan dan worden gewaarborgd door de prejudiciële procedure. Wanneer de beslissing van de nationale rechter evenwel vatbaar is voor hoger beroep, rust op laatstgenoemde evenwel geen verplichting om de behandeling van de zaak te schorsen teneinde een prejudiciële vraag te stellen.

39      Daarop heeft de Hoge Raad der Nederlanden besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende vragen te stellen:

„1)      Vallen vellen als omschreven in de bijlage bij [de indelings]verordening [...] onder [GN-]post 1905 [...] indien het betreft vellen, vervaardigd van rijstmeel, zout en water, die gedroogd zijn doch geen warmtebehandeling hebben ondergaan?

2)      Is, gelet op het antwoord op de vorige vraag, de [indelings]verordening geldig?

3)      Moet artikel 871 van de [uitvoerings]verordening [...] aldus worden uitgelegd dat, indien ingevolge artikel 871, lid 1, voornoemd, op de douaneautoriteit de verplichting zou rusten om een geval voor te leggen aan de Commissie, alvorens te kunnen besluiten tot het afzien van een boeking achteraf in dat geval, de nationale rechter die oordeelt over een beroep van de belastingschuldige tegen het besluit van de douaneautoriteit om (wel) over te gaan tot boeking achteraf, niet de macht heeft de boeking achteraf te vernietigen op grond van zijn bevinding dat is voldaan aan de in artikel 220, lid 2, sub b, [van het douanewetboek] bedoelde voorwaarden voor het achterwege (moeten) laten van de boeking achteraf, welke bevinding niet wordt ondersteund door de Commissie?

4)      Indien het antwoord op vraag 3 luidt dat de omstandigheid dat aan de Commissie enige beslissingsbevoegdheid is toegekend op het gebied van de navordering van douanerechten, geen beperking meebrengt van de bevoegdheid van de nationale rechter die heeft te oordelen over een beroep inzake navordering van douanerechten, houdt dan het gemeenschapsrecht een andere voorziening in die een uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht waarborgt bij het in een concreet geval uiteenlopen van beoordelingen door de Commissie en door de nationale rechter naar de criteria die in het kader van artikel 220 van het [douanewetboek] worden gehanteerd om uit te maken of een vergissing van de douaneautoriteit door een belastingschuldige kan worden ontdekt?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste en tweede vraag

40      Met zijn eerste twee vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of vellen, gemaakt van rijstmeel, zout en water, die zijn gedroogd, doch geen warmtebehandeling hebben ondergaan, onder GN-postonderverdeling 1905 90 20 vallen en, in voorkomend geval, of de indelingsverordening geldig is.

 Bij het Hof ingediende opmerkingen

41      H & S is van mening dat GN-post 1905 enkel betrekking heeft op producten die gebakken zijn en direct kunnen worden geconsumeerd, zoals het Hof in punt 12 van het arrest van 11 augustus 1995, Uelzena Milchwerke (C‑12/94, Jurispr. blz. I‑2397), te verstaan heeft gegeven. Derhalve dient de indelingsverordening ongeldig te worden verklaard.

42      De Nederlandse, de Griekse en de Italiaanse regering, alsmede de Commissie, menen dat GN-post 1905 niet specifiek betrekking heeft op gebakken producten of producten die geschikt zijn voor directe consumptie, en dat de indeling van rijstvellen in GN-postonderverdeling 1905 90 20 niet in strijd is met de gecombineerde nomenclatuur. Volgens hen is de indelingsverordening dus geldig.

 Antwoord van het Hof

43      Het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen moet in de regel worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze met name in de tekst van de tariefpost en in de aantekeningen bij de afdeling of het hoofdstuk zijn omschreven (arrest van 18 juli 2007, Olicom, C‑142/06, Jurispr. blz. I‑6675, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44      In dit opzicht vormen zowel de aantekeningen bij de hoofdstukken van het gemeenschappelijk douanetarief als de toelichtingen bij het GS belangrijke middelen ter verzekering van een uniforme toepassing van dit tarief en kunnen zij derhalve als waardevolle hulpmiddelen bij de uitlegging ervan worden beschouwd (arrest Olicom, reeds aangehaald, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45      Zoals verzoekster in het hoofdgeding betoogt, worden in de Nederlandse versie van de tekst van GN-post 1905, anders dan in sommige andere taalversies, niet uitdrukkelijk genoemd: deeg van meel of zetmeel in bladen en andere, soortgelijke producten, die „gedroogd” dienen te zijn. Deze taalversie maakt namelijk enkel melding van producten in de vorm van bladen.

46      Niettemin brengt volgens vaste rechtspraak het vereiste van een uniforme uitlegging van de gemeenschapsverordeningen mee, dat de tekst van een bepaling in geval van twijfel niet op zichzelf kan worden beschouwd, maar moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in de andere officiële talen (arrest van 11 november 1999, Söhl & Söhlke, C‑48/98, Jurispr. blz. I‑7877, punt 46).

47      Aangaande GN-post 1901, waarop H & S zich beroept, moet worden vastgesteld dat de bewoordingen ervan duidelijk aangeven dat deze enkel betrekking heeft op bereidingen voor menselijke consumptie van meel, gries, griesmeel, zetmeel of moutextract die in de GN noch elders worden genoemd noch elders onder begrepen zijn. Deze post is dus een restpost, die geen producten kan omvatten waarvan de omschrijving overeenstemt met andere posten van het betrokken hoofdstuk van de GN. Verder stemt GN-postonderverdeling 1901 90 99, waaronder de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen zijn aangegeven, overeen met „andere” producten, dat wil zeggen, met producten die niet kunnen worden ingedeeld onder een andere postonderverdeling van deze restpost 1901.

48      Zoals de advocaat-generaal in de punten 43 en 44 van haar conclusie opmerkt, komt de verwijzing naar rijstpapier („rice paper”) of „gedroogde” producten uitdrukkelijk voor in de tekst van verschillende taalversies van GN-postonderverdeling 1905 90 20.

49      Vervolgens wordt, anders dan H & S in haar schriftelijke opmerkingen voor het Hof betoogt, in geen enkele taalversie melding gemaakt van het vereiste dat de producten die onder bovengenoemde postonderverdeling vallen noodzakelijkerwijs gebakken moeten zijn. De enige verwijzing naar de staat van de producten die onder GN-post 1905, en meer bepaald onder GN-postonderverdeling 1905 90 20, vallen, betreft namelijk het feit dat zij een „gedroogde” vorm hebben.

50      De toelichting van de Commissie op laatstgenoemde postonderverdeling verwijst naar „letter B van de GS-toelichting op post 1905”. Zoals de Nederlandse regering heeft benadrukt, hebben deze toelichtingen betrekking op een aantal meel‑ of zetmeelproducten die meestal gebakken zijn, over het algemeen voorkomen in schijfjes of in bladen of vellen en op zeer uiteenlopende wijzen worden gebruikt. Volgens de toelichtingen van de Commissie en het GS is dus het feit dat het product „gebakken” is, geen noodzakelijk kenmerk voor indeling van een goed in GN-postonderverdeling 1905 90 20.

51      Ten slotte kan uit punt 12 van het reeds aangehaalde arrest Uelzena Milchwerke, niet worden afgeleid dat het Hof de toepassing van GN-post 1905 heeft willen beperken tot „gebakken” producten. In dit punt heeft het Hof weliswaar geoordeeld dat een goed slechts in post 1905 „Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren [...]”, alsmede in de postonderverdeling 1905 30 „koekjes en biscuits, gezoet; wafels en wafeltjes” kan worden ingedeeld indien het ten minste één keer is gebakken. Dit oordeel betreft evenwel slechts de eerste categorie van producten die worden genoemd in de tekst van post 1905, te weten die van „[b]rood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten”, waarop letter A van de GS-toelichting op post 1905 betrekking heeft.

52      Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de indeling van voedselbereidingen in de vorm van droge, doorschijnende vellen, met verschillende afmetingen, vervaardigd van rijstmeel, zout en water onder GN-postonderverdeling 1905 90 20 in overeenstemming is met de tekst van deze postonderverdeling.

53      Op de eerste twee vragen dient derhalve te worden geantwoord dat:

–        vellen, vervaardigd van rijstmeel, zout en water die gedroogd zijn doch geen warmtebehandeling hebben ondergaan, vallen onder GN-postonderverdeling 1905 90 20;

–        bij het onderzoek van de gestelde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de indelingsverordening kunnen aantasten.

 Derde en vierde vraag

54      Met zijn derde en vierde vraag, die tezamen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, wanneer de Commissie zich in een specifiek geval reeds heeft uitgesproken over de voorwaarden voor toepassing van artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek, de nationale rechter bij wie het besluit tot navordering van de in die zaak aan de orde zijnde invoerrechten wordt betwist, is gebonden aan deze beschikking van de Commissie, wanneer hij ditzelfde geval toetst aan artikel 220 van dit wetboek.

 Bij het Hof ingediende opmerkingen

55      H & S is van mening dat de nationale rechter die uitspraak doet over de voorwaarden voor toepassing van artikel 220 van het douanewetboek op een specifiek geval, niet gebonden kan zijn aan een beschikking van de Commissie die dit geval toetst aan artikel 239 van ditzelfde douanewetboek, aangezien de prejudiciële verwijzing de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht waarborgt.

56      De Nederlandse, de Griekse en de Italiaanse regering, alsmede de Commissie menen dat een dergelijke beschikking van de Commissie bindend is voor de nationale rechter en dat deze rechter, indien hij hiervan wil afwijken, hetzij de behandeling van de zaak moet schorsen tot de definitieve uitspraak van de communautaire rechterlijke instanties waarbij een beroep tot nietigverklaring tegen deze beschikking is ingesteld, hetzij het Hof prejudiciële vragen moet stellen ter beoordeling van de geldigheid.

 Antwoord van het Hof

57      Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de in de artikelen 220 en 239 van het douanewetboek voorziene procedures hetzelfde doel hebben, te weten de betaling achteraf van in‑ of uitvoerrechten te beperken tot die gevallen waarin een dergelijke betaling gerechtvaardigd is en verenigbaar met een zo fundamenteel beginsel als het vertrouwensbeginsel (zie arrest van 1 april 1993, Hewlett Packard France, C‑250/91, Jurispr. blz. I‑1819, punt 46, alsmede arrest Söhl & Söhlke, reeds aangehaald, punt 54).

58      Hieruit volgt dat de voorwaarden die gelden voor de toepassing van deze artikelen, te weten, onder meer, wat artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek betreft, dat er van de zijde van de belanghebbende geen sprake is van klaarblijkelijke nalatigheid, en, wat artikel 220 van ditzelfde wetboek betreft, dat de douaneautoriteiten geen vergissing hebben begaan die de belastingschuldige redelijkerwijs kon ontdekken, op dezelfde wijze moeten worden uitgelegd (zie in die zin arrest Söhl & Söhlke, reeds aangehaald, punt 54).

59      Derhalve dienen, gelijk het Hof reeds heeft geoordeeld, om te beoordelen of een marktdeelnemer blijk heeft gegeven van „klaarblijkelijke nalatigheid” in de zin van artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek, de criteria die in het kader van artikel 220 van het douanewetboek worden gehanteerd om uit te maken of een vergissing van de douaneautoriteit door een ondernemer kan worden ontdekt, op overeenkomstige wijze te worden toegepast (zie arrest Söhl & Söhlke, reeds aangehaald, punten 55 en 56, en arrest van 13 maart 2003, Nederland/Commissie, C‑156/00, Jurispr. blz. I‑2527, punt 92).

60      Wanneer de douaneautoriteiten in het kader van de in de artikelen 871 en 905 van de uitvoeringsverordening voorziene procedures van oordeel zijn dat aan de voorwaarden van de artikelen 220, lid 2, sub b, en 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek is voldaan, leggen zij, of de lidstaat waaronder zij ressorteren, behalve in de in de artikelen 869 en 899 van deze verordening genoemde gevallen, de zaak voor aan de Commissie, zodat deze kan vaststellen of deze voorwaarden daadwerkelijk zijn vervuld.

61      In dit verband blijkt dat, uitgezonderd de specifiek in de regelgeving neergelegde gevallen, de gemeenschapswetgever de situaties waarin afstand moet worden gedaan van inkomsten die budgettair gezien normaal gesproken verschuldigd zouden zijn, ter beoordeling van de Commissie wilde laten, gegeven het feit dat de douanerechten die worden geheven op de producten die op het communautaire grondgebied worden ingevoerd een bron van eigen middelen voor de Europese Gemeenschappen vormen. Deze constatering wordt gestaafd door de bevoegdheden die de Commissie zijn toegekend bij de artikelen 875 en 908, lid 3, van de uitvoeringsverordening, op basis waarvan de Commissie, onder de voorwaarden welke zij vaststelt, een of meer lidstaten kan machtigen niet over te gaan tot boeking achteraf van de rechten, dan wel deze terug te betalen of kwijt te schelden in gevallen waarin zich feitelijke en juridische omstandigheden voordoen die vergelijkbaar zijn met die welke door haar in eerdere beschikkingen reeds zijn onderzocht.

62      Zoals het Hof reeds heeft gepreciseerd, heeft het toekennen aan de Commissie van beslissingsbevoegdheid op het gebied van de navordering van douanerechten tot doel, een uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren. Deze uniforme toepassing zou in gevaar komen in die gevallen waarin een verzoek om van navordering af te zien wordt ingewilligd, want omdat daartegen waarschijnlijk geen beroep in rechte zal worden ingesteld, dreigt de beoordeling waarop een lidstaat een gunstige beslissing kan baseren zich in de praktijk te onttrekken aan een controle waarmee de uniforme toepassing van de door de gemeenschapswetgeving gestelde voorwaarden kan worden verzekerd. Zulks is evenwel niet het geval wanneer de nationale autoriteiten wel tot navordering overgaan, ongeacht het bedrag waar het om gaat, omdat de betrokkene in dat geval die beslissing altijd voor de nationale rechter kan aanvechten (arrest van 22 juni 2006, Conseil général de la Vienne, C‑419/04, Jurispr. blz. I‑5645, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63      In een dergelijk geval staat het dus aan de nationale rechter om na te gaan of, gelet op de omstandigheden van het geval, aan deze voorwaarden is voldaan, en, bijgevolg, of de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht door het Hof van Justitie kan worden gewaarborgd in het kader van de prejudiciële procedure (zie in die zin arrest van 26 juni 1990, Deutsche Fernsprecher, C‑64/89, Jurispr. blz. I‑2535, punt 13, en arrest Conseil général de la Vienne, reeds aangehaald, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

64      Wanneer evenwel bij de Commissie door een lidstaat een verzoek om kwijtschelding van invoerrechten in de zin van artikel 239 van het douanewetboek is ingediend en zij reeds een beschikking heeft gegeven die feitelijke en juridische beoordelingen bevat in een specifiek geval van invoerverrichtingen, zijn deze beoordelingen overeenkomstig artikel 249 EG bindend voor alle instanties van de lidstaat tot wie deze beschikking is gericht, daaronder begrepen zijn rechterlijke instanties die datzelfde geval moeten toetsen aan artikel 220 van dit wetboek (zie in die zin arrest van 24 september 1998, Sportgoods, C‑413/96, Jurispr. blz. I‑5285, punt 41).

65      Daarom gebieden de vereisten in verband met de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht dat, met betrekking tot dezelfde invoerverrichtingen van een marktdeelnemer, een beschikking van de Commissie waarin deze zich uitspreekt over het bestaan van „klaarblijkelijke nalatigheid” van deze marktdeelnemer, niet haar werking kan worden ontnomen door een latere beslissing van een nationale rechter die zich uitspreekt over de vraag of de vergissing van de nationale douaneautoriteiten door diezelfde marktdeelnemer „kon worden ontdekt”.

66      Wanneer dus een nationale rechter, zoals in casu het Gerechtshof te Amsterdam, bij wie een beroep is ingesteld tegen een besluit inzake de navordering van invoerrechten, in de loop van de bij haar ingeleide procedure kennisneemt van een beroep op de Commissie in de zin van de artikel 220 of artikel 239 van het douanewetboek, moet deze rechter beslissingen voorkomen die in tegenspraak zijn met een beschikking die de Commissie ter uitvoering van deze artikelen beoogt te geven (zie naar analogie arresten van 28 februari 1991, Delimitis, C‑234/89, Jurispr. blz. I‑935, punt 47, en 14 december 2000, Masterfoods en HB, C‑344/98, Jurispr. blz. I‑11369, punt 51). Dat houdt in dat de verwijzende rechter, die zijn beoordeling niet in de plaats van die van de Commissie kan stellen, de behandeling van de zaak kan schorsen in afwachting van de beschikking van de Commissie (zie in die zin arrest van 7 september 1999, De Haan, C‑61/98, Jurispr. blz. I‑5003, punt 48).

67      Hoe dan ook, gelijk het Hof met name in herinnering heeft gebracht in het kader van gedingen inzake de artikelen 81 EG en 82 EG, kan of moet een nationale rechter, wanneer hij twijfelt over de geldigheid of de uitlegging van een handeling van een gemeenschapsinstelling, krachtens artikel 234, tweede en derde alinea, EG het Hof een prejudiciële vraag stellen (zie arrest Masterfoods en HB, reeds aangehaald, punt 54).

68      Indien de importeur, zoals in het hoofdgeding, binnen de termijn van artikel 230, vijfde alinea, EG een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld tegen de beschikking waarbij de Commissie heeft beslist op het verzoek om kwijtschelding van rechten in de zin van artikel 239 van het douanewetboek, dient de nationale rechter te beoordelen, of hij de behandeling van de zaak moet schorsen om de definitieve beslissing op dat beroep tot nietigverklaring af te wachten dan wel zelf het Hof een prejudiciële vraag ter beoordeling van de geldigheid moet stellen (zie naar analogie arrest Masterfoods en HB, reeds aangehaald, punt 55).

69      Daarentegen kan de Commissie, wanneer zij in het kader van artikel 239 van het douanewetboek beslist in een specifiek geval, niet gebonden zijn aan een eerdere beslissing van een nationale rechter waarin deze zich heeft uitgesproken over de voorwaarden waaronder artikel 220 van het douanewetboek van toepassing is op dat geval (zie naar analogie arrest Masterfoods en HB, reeds aangehaald, punt 48).

70      Gelet op het voorgaande dient op de derde en vierde vraag te worden geantwoord dat:

–        wanneer bij de Commissie door een lidstaat een verzoek om kwijtschelding van invoerrechten in de zin van artikel 239 van het douanewetboek is ingediend en zij reeds een beschikking heeft gegeven die feitelijke en juridische beoordelingen bevat in een specifiek geval van invoerverrichtingen, deze beoordelingen ingevolge artikel 249 EG bindend zijn voor alle instanties van de lidstaat tot wie deze beschikking is gericht, daaronder begrepen zijn rechterlijke instanties die datzelfde geval moeten toetsen aan artikel 220 van dit wetboek;

–        indien de importeur binnen de termijn van artikel 230, vijfde alinea, EG een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld tegen de beschikking waarbij de Commissie heeft beslist op het verzoek om kwijtschelding van rechten in de zin van artikel 239 van het douanewetboek, de nationale rechter dient te beoordelen of hij de behandeling van de zaak moet schorsen om de definitieve beslissing op dat beroep tot nietigverklaring af te wachten dan wel zelf het Hof een prejudiciële vraag ter beoordeling van de geldigheid moet stellen.

 Kosten

71      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1)      Vellen, vervaardigd van rijstmeel, zout en water die gedroogd zijn doch geen warmtebehandeling hebben ondergaan, vallen onder GN-postonderverdeling 1905 90 20 van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, in de versie die voortvloeit uit verordening (EG) nr. 1624/97 van de Commissie van 13 augustus 1997.

2)      Bij het onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening (EG) nr. 1196/97 van de Commissie van 27 juni 1997 houdende indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur, kunnen aantasten.

3)      Wanneer bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen door een lidstaat een verzoek is ingediend om kwijtschelding van invoerrechten in de zin van artikel 239 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996, en zij reeds een beschikking heeft gegeven die feitelijke en juridische beoordelingen bevat in een specifiek geval van invoerverrichtingen, zijn deze beoordelingen ingevolge artikel 249 EG bindend voor alle instanties van de lidstaat tot wie deze beschikking is gericht, daaronder begrepen zijn rechterlijke instanties die datzelfde geval moeten toetsen aan artikel 220 van genoemde verordening.

Indien de importeur binnen de termijn van artikel 230, vijfde alinea, EG een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld tegen de beschikking waarbij de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft beslist op het verzoek om kwijtschelding van invoerrechten in de zin van artikel 239 van deze verordening, dient de nationale rechter te beoordelen of hij de behandeling van de zaak moet schorsen om de definitieve beslissing op dat beroep tot nietigverklaring af te wachten dan wel zelf het Hof een prejudiciële vraag ter beoordeling van de geldigheid moet stellen.

(ondertekeningen)


* Procestaal: Nederlands.