ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

19 maart 2009 ( *1 )

„Niet-nakoming — Extern communautair douanevervoer — Carnets TIR — Douanerechten — Eigen middelen van Gemeenschappen — Terbeschikkingstelling — Termijn — Vertragingsrente — Boekingsregels”

In zaak C-275/07,

betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 8 juni 2007,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Wilms, M. Velardo en D. Recchia als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door G. Albenzio, avvocato dello Stato,

verweerster,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, M. Ilešič, A. Borg Barthet (rapporteur), E. Levits en J.-J. Kasel, rechters,

advocaat-generaal: V. Trstenjak,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 april 2008,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 juni 2008,

het navolgende

Arrest

1

De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Italiaanse Republiek:

door te weigeren om de Commissie vertragingsrente te betalen voor een bedrag van in totaal 847,06 EUR wegens te late boeking van douanerechten, en om de nationale voorschriften in overeenstemming te brengen met de communautaire regels inzake boeking van onbetwiste, in het kader van communautair douanevervoer verrichte douanetransacties die door een doorlopende zekerheid zijn gedekt,

door te weigeren om de Commissie vertragingsrente te betalen voor een bedrag van in totaal 3322 EUR wegens niet-inachtneming van de door het gemeenschapsrecht voorgeschreven termijnen voor de opneming van de douanerechten in boekhouding „A” in het kader van douanevervoer in de zin van de Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-overeenkomst), ondertekend te Genève (Zwitserland) op 14 november 1975 (PB 1978, L 252, blz. 2; hierna: „TIR-overeenkomst”),

de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1), en in het bijzonder artikel 6, lid 2, sub a, ervan, en krachtens verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1), die eerstgenoemde verordening met ingang van heeft vervangen, en in het bijzonder artikel 6, lid 3, sub a, ervan.

Toepasselijke bepalingen

TIR-overeenkomst

2

De Italiaanse Republiek is partij bij de TIR-overeenkomst. Dit geldt ook voor de Europese Gemeenschap, die de overeenkomst heeft goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2112/78 van de Raad van 25 juli 1978 (PB L 252, blz. 1). Deze overeenkomst is voor de Gemeenschap op van kracht geworden (PB L 31, blz. 13).

3

De TIR-overeenkomst bepaalt onder meer dat goederen die onder de bij deze overeenkomst ingevoerde TIR-regeling worden vervoerd, op de douanekantoren van doorgang niet worden onderworpen aan betaling of consignatie van rechten en heffingen ter zake van de in- of uitvoer.

4

Voor de toepassing van deze faciliteiten verlangt de TIR-overeenkomst dat de goederen gedurende het gehele vervoer worden begeleid door een uniform document, het carnet TIR, aan de hand waarvan de regelmatigheid van het vervoer kan worden gecontroleerd. Ook moet het vervoer plaatsvinden onder de garantie van organisaties die daartoe overeenkomstig artikel 6 door de overeenkomstsluitende partijen zijn erkend.

5

Het carnet TIR bestaat uit een reeks bladen die een strook nr. 1 en een strook nr. 2 met overeenstemmende stamnummers bevatten, waarop alle nodige gegevens zijn vermeld. Voor elk grondgebied waarover doorvoer plaatsvindt, wordt één paar stroken gebruikt. Bij het begin van het vervoer wordt stamnummer 1 ingediend bij het douanekantoor van vertrek; zuivering vindt plaats na ontvangst van stamnummer 2 van het op hetzelfde grondgebied gelegen douanekantoor van uitgang. Deze procedure wordt herhaald voor elk grondgebied waarover doorvoer plaatsvindt, waarbij gebruik wordt gemaakt van de verschillende paren stroken uit hetzelfde carnet. Voor de toepassing van de TIR-overeenkomst vormt de Europese Gemeenschap één enkel douanegebied.

6

Artikel 8 van de TIR-overeenkomst bepaalt onder meer het volgende:

„1.   De organisatie die zich garant heeft gesteld, verbindt zich tot voldoening van de rechten en heffingen ter zake van de invoer of de uitvoer, eventueel vermeerderd met de interest bij achterstallige betaling, welke verschuldigd zijn krachtens douanewetten en -reglementen van het land waarin een onregelmatigheid met betrekking tot het TIR-vervoer is vastgesteld. Zij is gehouden tot betaling van bovenbedoelde bedragen, zowel hoofdelijk als gezamenlijk met de personen die deze bedragen verschuldigd zijn.

2.   Wanneer de wetten en reglementen van een overeenkomstsluitende partij niet voorzien in de betaling van rechten en heffingen ter zake van de invoer of de uitvoer in de gevallen bedoeld in het eerste lid van dit artikel, verbindt de organisatie die zich garant heeft gesteld zich om onder dezelfde voorwaarden een bedrag te voldoen dat gelijk is aan het bedrag van de rechten en heffingen ter zake van de invoer of de uitvoer, eventueel vermeerderd met de verschuldigde interest bij achterstallige betaling.

[…]

7.   Wanneer de bedragen bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel opeisbaar worden, moeten de bevoegde autoriteiten voor zover mogelijk de betaling hiervan eisen van de persoon of personen die rechtstreeks deze bedragen verschuldigd is of zijn, alvorens een vordering tot betaling in te dienen bij de organisatie die zich garant heeft gesteld.”

7

Artikel 11 van de TIR-overeenkomst luidt als volgt:

„1.   In geval van niet-zuivering van een carnet TIR, of indien een carnet TIR onder voorbehoud is gezuiverd, zijn de bevoegde autoriteiten niet gerechtigd van de organisatie die zich garant heeft gesteld, betaling te eisen van de in artikel 8, eerste en tweede lid, bedoelde bedragen, tenzij deze autoriteiten binnen een jaar na het tijdstip van inschrijving van het carnet TIR, de organisatie schriftelijk in kennis hebben gesteld van de niet-zuivering of van de zuivering onder voorbehoud. Deze bepaling is tevens van toepassing indien het certificaat van zuivering ten onrechte of op frauduleuze wijze werd verkregen, doch in dat geval bedraagt de termijn twee jaar.

2.   De vordering tot betaling van de in artikel 8, eerste en tweede lid, bedoelde bedragen wordt aan de organisatie die zich garant heeft gesteld gericht op zijn vroegst drie maanden na de datum waarop deze organisatie ervan in kennis is gesteld dat het carnet niet is gezuiverd, dat het is gezuiverd onder voorbehoud of dat het certificaat van zuivering ten onrechte of op frauduleuze wijze werd verkregen, en uiterlijk twee jaar na deze datum. Ten aanzien van de gevallen die binnen bovenbedoelde termijn van twee jaar in rechte aanhangig zijn gemaakt, dient evenwel de vordering tot betaling te worden ingediend binnen een jaar na de datum waarop de gerechtelijke beslissing uitvoerbaar is geworden.

3.   Voor het voldoen van de bedragen waarvan betaling is geëist, heeft de organisatie die zich garant heeft gesteld, een termijn van drie maanden na de datum waarop de vordering tot betaling aan haar is gericht. De betaalde bedragen zullen aan de organisatie worden terugbetaald indien, binnen twee jaar na de datum van de vordering tot betaling, ten genoegen van de douaneautoriteiten is aangetoond dat met betrekking tot het desbetreffende vervoer geen onregelmatigheid is gepleegd.”

Communautaire douaneregeling

Verordening (EEG) nr. 2913/92

8

Artikel 92 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”) bepaalt:

„De regeling extern douanevervoer eindigt wanneer de goederen samen met het bijbehorende document bij de douane worden aangebracht op het kantoor van bestemming overeenkomstig de bepalingen van de betrokken regeling.”

9

Artikel 204 van het douanewetboek luidt als volgt:

„1.   Een douaneschuld bij invoer ontstaat:

a)

indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst, of

b)

indien een van de voorwaarden die voor de plaatsing van de goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen zijn gesteld, niet in acht is genomen,

in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling.

2.   De douaneschuld ontstaat, hetzij op het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de verplichting waarvan de niet-nakoming de douaneschuld doet ontstaan, hetzij op het tijdstip waarop de goederen onder de betrokken douaneregeling werden geplaatst, wanneer achteraf blijkt dat aan een van de voorwaarden voor de plaatsing van de genoemde goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen, niet is voldaan.

3.   Schuldenaar is de persoon die, naargelang van het geval, hetzij de verplichtingen moet nakomen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst, hetzij de aan de plaatsing van de goederen onder de regeling verbonden voorwaarden in acht moet nemen.”

10

Artikel 217, lid 1, van het douanewetboek bepaalt:

„Elk bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, hierna ‚bedrag aan rechten’ genoemd, dient door de douaneautoriteiten te worden berekend zodra deze over de nodige gegevens beschikken en dient door deze autoriteiten in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, te worden geregistreerd (boeking).”

11

Artikel 221, lid 1, van het douanewetboek bepaalt:

„Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.”

Verordening (EEG) nr. 2454/93

12

Artikel 348 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1; hierna: „uitvoeringsverordening”) luidt als volgt:

„1.   Het kantoor van vertrek aanvaardt de aangifte T 1 en maakt haar geldig, stelt de termijn vast waarbinnen de goederen aan het kantoor van bestemming moeten worden aangebracht en treft de identificatiemaatregelen die het nodig acht.

2.   Het kantoor van vertrek tekent een en ander aan op het document T 1, behoudt het voor dit kantoor bestemde exemplaar en overhandigt de overige exemplaren aan de aangever of zijn vertegenwoordiger.”

13

Artikel 356 van de verordening bepaalt:

„1.   De goederen worden, onder overlegging van het document T 1, aan het kantoor van bestemming aangebracht.

2.   Het kantoor van bestemming vermeldt op de exemplaren van het document T 1 de resultaten van de verrichte controle, zendt onverwijld een exemplaar terug naar het kantoor van vertrek en behoudt het andere exemplaar.

[…]”

14

Artikel 379 van de uitvoeringsverordening luidt als volgt:

„1.   Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, deelt het kantoor van vertrek dit zo spoedig mogelijk mede aan de aangever, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer.

2.   In de in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt onder andere de termijn vermeld waarbinnen bij het kantoor van vertrek, ten genoegen van de douaneautoriteiten, het bewijs moet worden geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Deze termijn bedraagt drie maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het verstrijken van deze termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde lidstaat over tot de inning van het verschuldigde bedrag aan rechten en andere heffingen. In de gevallen waarin deze lidstaat niet de lidstaat is waarin het kantoor van vertrek is gelegen, stelt het kantoor van vertrek deze lidstaat daarvan onverwijld in kennis.”

15

Artikel 454 van de uitvoeringsverordening bepaalt:

„1.   Dit artikel is van toepassing onverminderd de specifieke bepalingen van de TIR- en van de ATA-overeenkomst betreffende de aansprakelijkheid van de organisaties die zich garant hebben gesteld bij het gebruik van een carnet TIR of een carnet ATA.

2.   Wanneer wordt vastgesteld dat in de loop van of in verband met vervoer onder geleide van een carnet TIR, respectievelijk doorvoer onder geleide van een carnet ATA, in een bepaalde lidstaat een overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt de actie tot invordering van de eventueel verschuldigde rechten en andere heffingen door deze lidstaat volgens de nationale of communautaire bepalingen ingesteld, onverminderd eventuele strafrechtelijke maatregelen.

3.   Wanneer het niet mogelijk is te bepalen op welk grondgebied de overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt deze geacht te zijn begaan in de lidstaat waar zij is vastgesteld, tenzij binnen de in artikel 455, lid 1, bedoelde termijn ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het vervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan.

[…]

De douaneadministraties van de lidstaten nemen de nodige maatregelen om overtredingen en onregelmatigheden tegen te gaan en daar doeltreffende sancties op te stellen.”

16

Artikel 455, leden 1 en 2, van de verordening bepaalt:

„1.   Wanneer wordt vastgesteld dat in de loop van of in verband met vervoer onder geleide van een carnet TIR, respectievelijk doorvoer onder geleide van een carnet ATA, een overtreding of onregelmatigheid is begaan, delen de douaneautoriteiten dit mede aan de houder van het carnet TIR, respectievelijk het carnet ATA, en aan de aansprakelijke organisatie binnen de bij artikel 11, lid 1, van de TIR-overeenkomst, respectievelijk artikel 6, lid 4, van de ATA-overeenkomst, vastgestelde termijn.

2.   Het bewijs van de regelmatigheid van het vervoer onder geleide van een carnet TIR, respectievelijk een carnet ATA, in de zin van artikel 454, lid 3, eerste alinea, wordt geleverd binnen de bij artikel 11, lid 2, van de TIR-overeenkomst, respectievelijk artikel 7, leden 1 en 2, van de ATA-overeenkomst, vastgestelde termijn.”

Stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen

17

Artikel 1 van besluit 88/376/EEG, Euratom van de Raad van 24 juni 1988 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 185, blz. 24), dat met ingang van is vervangen door besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad van betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 293, blz. 9), bepaalt:

„Aan de Gemeenschappen worden ter financiering van hun begroting eigen middelen toegekend overeenkomstig de in de volgende artikelen vastgestelde regels.

De begroting van de Gemeenschappen wordt, onverminderd de andere ontvangsten, geheel gefinancierd uit eigen middelen van de Gemeenschappen.”

18

Volgens artikel 2, lid 1, sub b, van de besluiten 88/376 en 94/728 vormen op de begroting van de Gemeenschappen opgevoerde eigen middelen, de ontvangsten uit:

„de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de instellingen van de Gemeenschappen ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten, alsmede de douanerechten op de onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende producten”.

19

Artikel 8, lid 1, van de besluiten 88/376 en 94/728 luidt als volgt:

„De in artikel 2, lid 1, sub a en b, bedoelde eigen middelen van de Gemeenschappen worden door de lidstaten geïnd overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, die in voorkomend geval aan de communautaire voorschriften worden aangepast. De Commissie onderzoekt regelmatig de nationale bepalingen, waarvan de lidstaten haar in kennis stellen, deelt aan de lidstaten aanpassingen mee die zij noodzakelijk acht om ze in overeenstemming te brengen met de communautaire voorschriften, en brengt verslag uit aan de begrotingsautoriteit. De lidstaten stellen de middelen overeenkomstig artikel 2, lid 1, sub a tot en met d, ter beschikking van de Commissie.”

20

De tweede, de achtste en de dertiende overweging van de considerans van verordening nr. 1552/89, die overeenstemmen met de punten 2, 15 en 21 van de considerans van verordening nr. 1150/2000, luiden als volgt:

„Overwegende dat de Gemeenschap onder optimale voorwaarden moet kunnen beschikken over de in artikel 2 van besluit 88/376/EEG, Euratom bedoelde eigen middelen en dat met het oog daarop de wijze dient te worden vastgesteld waarop de lidstaten de aan de Gemeenschappen toegekende eigen middelen ter beschikking stellen van de Commissie;

[…]

Overwegende dat de eigen middelen ter beschikking moeten worden gesteld in de vorm van een boeking van de verschuldigde bedragen op het credit van een rekening die daartoe op naam van de Commissie is geopend bij de schatkist van elke lidstaat of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst; dat de Gemeenschap, teneinde het geldverkeer te beperken tot hetgeen nodig is voor de uitvoering van de begroting, van de genoemde rekeningen slechts de sommen dient op te nemen die nodig zijn ter dekking van de kasbehoeften van de Commissie;

[…]

Overwegende dat de juiste toepassing van deze verordening door een nauwe samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie zal worden vergemakkelijkt.”

21

Artikel 1 van de verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000 bepaalt:

„De bij [besluit 88/376 respectievelijk besluit 94/728] vastgestelde eigen middelen van de Gemeenschappen, hierna te noemen ‚eigen middelen’, worden ter beschikking van de Commissie gesteld en gecontroleerd op de in deze verordening vastgestelde wijze, onverminderd verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad van 29 mei 1989 betreffende de definitieve uniforme regeling voor de inning van de eigen middelen uit de belasting over de toegevoegde waarde [PB L 155, blz. 9] en richtlijn 89/130/EEG, Euratom [van de Raad van betreffende de harmonisatie van de opstelling van het bruto nationaal product tegen marktprijzen (PB L 49, blz. 26)].”

22

Artikel 2 van verordening nr. 1552/89 bepaalt:

„1.   Voor de toepassing van deze verordening geldt een recht van de Gemeenschappen op de in artikel 2, lid 1, sub a en b, van besluit 88/376/EEG, Euratom genoemde middelen als vastgesteld zodra de belastingschuldige door de bevoegde dienst van de lidstaat in kennis wordt gesteld van het verschuldigde bedrag. Deze kennisgeving vindt met inachtneming van alle ter zake toepasselijke communautaire voorschriften plaats zodra de belastingschuldige bekend is en het bedrag van het recht door de bevoegde overheidsorganen kan worden berekend.

2.   Lid 1 is eveneens van toepassing wanneer de kennisgeving moet worden gecorrigeerd.”

23

Deze bepaling is per 14 juli 1996 gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van (PB L 175, blz. 3), en de inhoud ervan is overgenomen in artikel 2 van verordening nr. 1150/2000, dat bepaalt:

„1.

Voor de toepassing van deze verordening geldt een recht van de Gemeenschappen op de in artikel 2, lid 1, sub a en b, van besluit 94/728/EG, Euratom genoemde eigen middelen als vastgesteld, zodra is voldaan aan de voorwaarden van de douanevoorschriften voor wat betreft de boeking van het bedrag van het recht en de kennisgeving daarvan aan de belastingschuldige.

2.

Het voor de in lid 1 bedoelde vaststelling in aanmerking te nemen tijdstip is het tijdstip van de boeking, bedoeld in de douanevoorschriften.

[…]

4.

Lid 1 is van toepassing wanneer de kennisgeving moet worden gecorrigeerd.”

24

Artikel 6, leden 1 en 2, sub a, van verordening nr. 1552/89 (thans artikel 6, leden 1 en 3, sub a, van verordening nr. 1150/2000) luidt als volgt:

„1.   Bij de schatkist van iedere lidstaat of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst, wordt een boekhouding van de eigen middelen gevoerd, gespecificeerd naar de aard van de middelen.

a)

De overeenkomstig artikel 2 vastgestelde rechten worden, onder voorbehoud van het bepaalde sub b, uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de vaststelling heeft plaatsgehad, in de boekhouding opgenomen [gewoonlijk ‚boekhouding A’ genoemd].”

25

Artikel 8 van de verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000 luidt als volgt:

„Het totaalbedrag van de vastgestelde rechten wordt krachtens de in [artikel 2, lid 2, respectievelijk artikel 2, lid 4,] bedoelde correcties verhoogd of verlaagd. Deze correcties worden naargelang van de datum waarop zij zijn aangebracht in de in [artikel 6, lid 2, sub a en b, respectievelijk artikel 6, lid 3, sub a en b,] genoemde boekhoudingen alsmede in de in [artikel 6, lid 3, respectievelijk artikel 6, lid 4,] genoemde overzichten opgenomen.

Zij vormen het voorwerp van een bijzondere vermelding wanneer zij betrekking hebben op fraudes en onregelmatigheden waarvan de Commissie reeds in kennis is gesteld.”

26

Artikel 9, lid 1, van de verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000 bepaalt:

„Op de in artikel 10 aangegeven wijze boekt iedere lidstaat de eigen middelen op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie bij zijn schatkist of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst, is geopend.”

27

Artikel 10, lid 1, van de verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000 luidt als volgt:

„Na aftrek van 10% als inningskosten krachtens artikel 2, lid 3, van [besluit 88/376 respectievelijk besluit 94/728] geschiedt de boeking van de eigen middelen, bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a en b, van [deze besluiten], uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het recht overeenkomstig artikel 2 […] is vastgesteld.”

28

Artikel 11 van de verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000 bepaalt:

„Elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening verplicht de betrokken lidstaat tot het betalen van rente tegen de op de vervaldag op de geldmarkt van deze lidstaat geldende rentevoet voor kortetermijnfinanciering, vermeerderd met twee punten. Deze rente wordt met 0,25 punt per maand vertraging verhoogd. De aldus verhoogde rente geldt voor de gehele periode van de vertraging.”

29

Artikel 12, lid 1, van de verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000 luidt als volgt:

„De Commissie beschikt over de op het credit van de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekeningen geboekte bedragen, voor zover dat nodig is ter dekking van haar behoeften aan kasmiddelen ingevolge de uitvoering van de begroting.”

30

Artikel 17, leden 1 en 2, van de verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000 bepaalt:

„1.   De lidstaten zijn verplicht alle nodige maatregelen te treffen opdat de bedragen van de overeenkomstig artikel 2 vastgestelde rechten ter beschikking van de Commissie worden gesteld op de in deze verordening vastgestelde wijze.

2.   De lidstaten behoeven de bedragen van de vastgestelde rechten slechts dan niet ter beschikking van de Commissie te stellen, indien door overmacht geen inning heeft kunnen plaatsvinden. Bovendien is het de lidstaten in bijzondere gevallen toegestaan deze bedragen niet ter beschikking van de Commissie te stellen wanneer na een diepgaand onderzoek van alle relevante gegevens van het betrokken geval blijkt dat de inning om redenen onafhankelijk van hun wil definitief onmogelijk is. […]”

Precontentieuze procedure

Inbreukprocedure nr. 2003/2241

31

Bij een in april 1994 doorgevoerde controle van de traditionele eigen middelen stelde de Commissie vast dat de Italiaanse autoriteiten in een aantal gevallen van communautair douanevervoer in strijd met artikel 379 van verordening nr. 2454/93 hadden verzuimd om binnen de gestelde termijn de procedure tot inning van de rechten in te leiden.

32

Bij brief van 15 juni 2001 heeft de Commissie de Italiaanse Republiek krachtens artikel 11 van verordening nr. 1150/2000 verzocht om 31564893 ITL aan vertragingsrente te betalen voor het onregelmatig geachte douanevervoer.

33

Onderzoek door de Italiaanse Republiek wees uit dat 11 van de 201 doorvoerdocumenten die als niet-gezuiverd werden beschouwd, wel degelijk gezuiverd waren, zij het dat het kantoor van bestemming haar deze documenten na het verstrijken van de wettelijke termijn had bezorgd. In deze omstandigheden verklaarde deze lidstaat zich bij brief van 31 juli 2001 bereid vertragingsrente te betalen voor de doorvoerdocumenten die nog steeds niet gezuiverd waren, maar achtte zij de eis van de Commissie met betrekking tot de laattijdig gezuiverde documenten niet gerechtvaardigd.

34

Dienaangaande merkte de Italiaanse Republiek op dat overeenkomstig artikel 204 van het douanewetboek geen douaneschuld was ontstaan, aangezien de doorvoerdocumenten tijdig aan het douanekantoor van bestemming waren overgelegd, zodat geen vertragingsrente verschuldigd was.

35

Achteraf stelde de Commissie nog een ander geval van laattijdige zuivering vast en wijzigde zij dienovereenkomstig het totale bedrag van de vertragingsrente die zij van de Italiaanse Republiek eiste.

36

Aangezien de Commissie het niet eens was met de argumenten van de Italiaanse Republiek en deze laatste bleef weigeren om bovengenoemde rente te betalen, heeft de Commissie op 3 februari 2004 de Italiaanse Republiek een aanmaningsbrief gezonden, waarin zij haar grieven heeft herhaald en de argumenten van deze lidstaat heeft verworpen.

37

Aangezien de Italiaanse Republiek in haar antwoordbrief van 8 juni 2004 haar standpunt heeft gehandhaafd, heeft de Commissie haar op een met redenen omkleed advies gezonden, waarin zij haar heeft verzocht de nodige maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de ontvangst ervan hieraan te voldoen.

38

De betrokken lidstaat heeft op dit met redenen omkleed advies geantwoord dat zij bij haar standpunt bleef en dat zij het aangewezen achtte om het geschil te laten beslechten door het Hof van Justitie.

Inbreukprocedure nr. 2006/2266

39

Op basis van een brief van de Italiaanse Republiek aan de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen van 27 januari 1999 heeft de Commissie vastgesteld dat in vier — onbetwiste — gevallen van onder de TIR-overeenkomst vallend communautair douanevervoer dat door een doorlopende zekerheid was gedekt, de zuivering buiten de door verordening nr. 1552/89 gestelde termijnen had plaatsgevonden.

40

Bijgevolg heeft de Commissie de Italiaanse Republiek verzocht vertragingsrente te betalen voor de periode vanaf het ogenblik waarop de eigen middelen ter beschikking van de Commissie hadden moeten worden gesteld en het ogenblik waarop deze lidstaat na de correctie van de kennisgeving aan de schuldenaar een overeenkomstige correctie had moeten doorvoeren.

41

Evenals in inbreukprocedure nr. 2003/2241, waarover reeds is uitgewijd, weigerde de Italiaanse Republiek bovengenoemde vertragingsrente te betalen. Zij stelde dat er geen douaneschuld en dus geen hoofdschuld was, zodat de betaling van vertragingsrente de juridische aard van deze rente ten onrechte zou hebben gewijzigd en hiervan een sanctie zou hebben gemaakt wegens formele niet-inachtneming van de termijnen waarbinnen volgens verordening nr. 1552/89 de hierin bedoelde verrichtingen dienen plaats te vinden.

42

Op 4 juli 2006 heeft de Commissie de Italiaanse Republiek een aanmaningsbrief gezonden, waarin zij haar verzocht 3322 EUR vertragingsrente betalen.

43

Aangezien zij niet tijdig opmerkingen van deze lidstaat ontving, bracht de Commissie op 12 oktober 2006 een met redenen omkleed advies uit, waarop de Italiaanse Republiek heeft geantwoord bij brief van . Deze laatste achtte het aangewezen om het geschil samen met de zaak waarop inbreukprocedure nr. 2003/2241 betrekking had, voor te leggen aan het Hof van Justitie.

44

Daarop heeft de Commissie besloten het onderhavige beroep in te stellen.

Het beroep

Argumenten van partijen

45

De Commissie stelt dat artikel 11 van verordening nr. 1552/89 zowel in inbreukprocedure nr. 2003/2241 als in inbreukprocedure nr. 2006/2266 is geschonden.

46

Met betrekking tot inbreukprocedure nr. 2003/2241 stelt de Commissie om te beginnen dat, wanneer het douanekantoor van vertrek niet binnen de in artikel 379 van de uitvoeringsverordening bedoelde termijn het bewijs heeft ontvangen dat een bepaalde transactie is gezuiverd, deze transactie onregelmatig moet worden geacht en dus leidt tot het ontstaan van een douaneschuld. Het douanekantoor van vertrek speelt de voornaamste rol bij de vaststelling en terbeschikkingstelling van de middelen van de Gemeenschap, zodat de omstandigheid dat het kantoor van bestemming te laat heeft meegedeeld dat de goederen regelmatig zijn aangebracht geen geldig argument is om de krachtens artikel 379 van de uitvoeringsverordening op de lidstaten rustende verplichtingen met terugwerkende kracht teniet te doen.

47

Volgens de Commissie zijn de door de communautaire regelgeving opgelegde termijnen dwingend, gelet op het doel van deze regelgeving, dat erin bestaat een uniforme toepassing van de bepalingen inzake de inning van douaneschulden te verzekeren met het oog op een snelle terbeschikkingstelling van deze middelen. De bevoegde lidstaat dient de eigen middelen vast te stellen, ook al betwist hij dat hiervoor enige grond bestaat. Anders zou hij afbreuk doen aan het beginsel van financieel evenwicht van de Gemeenschappen.

48

De Commissie leidt hieruit af dat de bevoegde lidstaat, wanneer de in artikel 379 van de uitvoeringsverordening gestelde termijnen zijn verstreken zonder dat het bewijs van de regelmatigheid van het douanevervoer is geleverd, krachtens artikel 6 van verordening nr. 1552/89 de niet-betwiste en door een garantie gedekte rechten onverwijld in boekhouding „A” dient op te nemen en deze dus overeenkomstig artikel 10 van deze verordening ter beschikking van de Commissie dient te stellen.

49

Verder stelt de Commissie onder verwijzing naar de tekst van artikel 11 van verordening nr. 1552/89 dat de verplichting voor de betrokken lidstaat om rente te betalen voortvloeit uit het loutere feit dat deze rechten niet of te laat zijn geboekt, zonder dat hiervoor enige andere voorwaarde geldt.

50

Wat het argument van de Italiaanse Republiek betreft dat geen vertragingsrente voor de betrokken transacties verschuldigd is omdat de douaneschuld nooit is ontstaan, stelt de Commissie om te beginnen dat uit de formulering van artikel 379 van de uitvoeringsverordening juist het tegenovergestelde blijkt, namelijk dat de douaneschuld kan worden geacht te zijn ontstaan indien is voldaan aan één van de twee structurele voorwaarden waarin deze bepaling voorziet, namelijk indien er sprake is van een onregelmatige douanetransactie of indien de belastingschuldige niet het bewijs levert van de regelmatigheid van deze transactie.

51

Voorts stelt de Commissie dat de in artikel 11 van verordening nr. 1552/89 bedoelde vertragingsrente niet door de belastingschuldige verschuldigd is wegens laattijdige betaling, maar rechtstreeks door de lidstaat verschuldigd is op grond van het feit dat de douaneschuld niet of te laat is geboekt. De lidstaat begaat dus een inbreuk op het ogenblik dat de rechten niet worden geboekt, en het doet dienaangaande niet ter zake of later al dan niet een vordering tot betaling van de rechten tegen de belastingschuldige kan worden ingesteld.

52

Verder betwist de Commissie het argument dat indien vertragingsrente wordt gevorderd, ook al blijkt het douanevervoer na laattijdige zuivering regelmatig te hebben plaatsgevonden, deze rente in feite een sanctie vormt. De betrokken rente is verschuldigd wegens de loutere niet-inachtneming van de gemeenschapsrechtelijke verplichtingen, zonder dat er daadwerkelijk financiële schade hoeft te zijn geleden.

53

Met betrekking tot inbreukprocedure 2006/2266 betoogt de Commissie dat het douanekantoor van vertrek na het verstrijken van de in artikel 11 van de TIR-overeenkomst gestelde termijn douanerechten had moeten innen.

54

Wanneer het douanekantoor van vertrek niet binnen een termijn van vijftien maanden nadat het het carnet TIR heeft ingeschreven, het bewijs van de zuivering van het douanevervoer heeft ontvangen, moet dit vervoer immers onregelmatig worden geacht, zodat een douaneschuld ontstaat.

55

De Commissie voegt hieraan toe dat de lidstaat in dit geval op grond van artikel 2 van verordening nr. 1552/89 het recht van de Gemeenschap op eigen middelen moet vaststellen, zodra de bevoegde overheidsorganen het bedrag van het douanerecht en de schuldenaar kunnen vaststellen. Volgens de rechtspraak van het Hof worden de autoriteiten van de lidstaat van vertrek geacht bevoegd te zijn voor de inning van de douaneschuld.

56

De Commissie leidt hieruit af dat de Italiaanse Republiek in de hier aan de orde zijnde gevallen het recht op eigen middelen had moeten vaststellen en uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgde op de maand waarin deze vaststelling had plaatsgehad, dit recht in boekhouding A had moeten opnemen. Bovendien had deze lidstaat overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de TIR-overeenkomst de rechten moeten innen met het oog op een snelle en doeltreffende terbeschikkingstelling van de eigen middelen aan de Commissie.

57

In deze omstandigheden verzoekt de Commissie om haar in het kader van de twee bovengenoemde inbreukprocedures rente te betalen voor de periode vanaf het ogenblik waarop de eigen middelen aan haar ter beschikking hadden moeten worden gesteld en het ogenblik waarop de Italiaanse Republiek na de correctie van de kennisgeving aan de schuldenaar een overeenkomstige correctie had moeten doorvoeren op grond van artikel 8 van verordening nr. 1552/89.

58

De Italiaanse Republiek verwijst naar de formulering van artikel 379 van de uitvoeringsverordening en merkt op dat de regelmatigheid van het betrokken douanevervoer niet aan de orde is en dat het bewijs van deze regelmatigheid tijdig is geleverd, zodat er geen sprake kan zijn van een te late inning van de aan de Gemeenschap verschuldigde rechten. Zij leidt hieruit af dat niet is voldaan aan de voorwaarden om een verplichting tot het betalen van vertragingsrente te doen ontstaan, zoals blijkt uit artikel 11 van verordening nr. 1150/2000, dat verwijst naar „[e]lke te late boeking op de […] rekening”, terwijl in casu geen boeking diende te worden verricht.

59

Verder stelt de Italiaanse Republiek dat de Gemeenschap geen schade heeft geleden, gelet op het feit dat geen communautaire middelen hoefden te worden geïnd, aangezien het douanevervoer regelmatig is verlopen. De vraag is volgens haar of een accessoire verplichting tot betaling van vertragingsrente kan bestaan ook al bestaat er geen hoofdschuld.

60

Bovendien kan de bevoegde administratie volgens haar niet worden verweten dat zij de rechten te laat heeft geïnd, en is de laattijdige kennisgeving aan de communautaire instellingen van het feit dat het douanevervoer daadwerkelijk is gezuiverd, te wijten aan het feit dat de kantoren van bestemming de informatie te laat hebben verstrekt.

61

Verder merkt de Italiaanse Republiek op dat de toenmalige omstandigheden, namelijk de problemen die werden vastgesteld in de werking van de regeling extern douanevervoer na de uitbreiding van de Europese Unie tot bepaalde lidstaten van de EVA, hebben geleid tot een algemene vertraging in de terugzending van de „exemplaren 5”. In die context achtten de communautaire douanekantoren van vertrek het logisch om, wanneer er geen elementen waren die deden vermoeden dat een onregelmatigheid was begaan, de rechten niet onmiddellijk te innen, dit om te vermijden dat de betrokken bedragen zouden moeten worden terugbetaald mocht blijken dat de transactie regelmatig was verlopen en dat de vertraging — zoals in casu — te wijten was aan een louter administratieve vergissing.

62

Ten slotte stelt de Italiaanse Republiek dat indien in dergelijke omstandigheden vertragingsrente werd gevorderd, deze rente in feite een sanctie zou vormen, wat niet kan.

Beoordeling door het Hof

63

De Commissie betoogt dat de Italiaanse Republiek niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens verordening nr. 1552/89, met name krachtens artikel 6, lid 2, sub a, ervan. Zij verwijt deze lidstaat in het bijzonder dat hij heeft geweigerd haar vertragingsrente te betalen wegens te late boeking van in het kader van communautair douanevervoer verschuldigde douanerechten en wegens niet-inachtneming van de door het gemeenschapsrecht gestelde termijnen voor het opnemen van in het kader van douanevervoer in de zin van de TIR-overeenkomst verschuldigde douanerechten in boekhouding „A”.

64

Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1150/2000 bepaalt dat de lidstaten bij de schatkist of bij het door hen aangewezen orgaan een boekhouding van de eigen middelen moeten voeren. Ingevolge artikel 6, lid 3, sub a en b, zijn de lidstaten verplicht de „overeenkomstig artikel 2 [van deze verordening] vastgestelde” rechten uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de vaststelling heeft plaatsgehad, in de boekhouding op te nemen.

65

Volgens artikel 2 van verordening nr. 1552/89 geldt een recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen als vastgesteld zodra de belastingschuldige door de bevoegde dienst van de lidstaat in kennis wordt gesteld van het verschuldigde bedrag. Deze kennisgeving dient plaats te vinden zodra de bevoegde douaneautoriteiten in staat zijn om het bedrag van de uit een douaneschuld voortvloeiende rechten te berekenen en zij de belastingschuldige kunnen aanwijzen (arrest van 15 november 2005, Commissie/Denemarken, C-392/02, Jurispr. blz. I-9811, punt 61).

66

Ingevolge artikel 11 van verordening nr. 1552/89 verplicht elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, van deze verordening bedoelde rekening de betrokken lidstaat tot het betalen van vertragingsrente voor de gehele periode van de vertraging. Deze rente is opeisbaar ongeacht de reden voor de te late boeking van de middelen op de rekening van de Commissie (zie arrest van 14 april 2005, Commissie/Nederland, C-460/01, Jurispr. blz. I-2613, punt 91).

67

In deze omstandigheden dient te worden nagegaan of de Italiaanse Republiek het bestaan van een recht van de Gemeenschappen op eigen middelen diende vast te stellen en deze diende op te nemen in de in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1552/89 bedoelde boekhouding en, zo ja, of zij op grond van artikel 11 van deze verordening vertragingsrente verschuldigd is.

Bestaan van een recht van de Gemeenschappen op eigen middelen

68

In het geval van extern communautair douanevervoer zijn de douaneautoriteiten uiterlijk na de in artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening gestelde termijn van drie maanden, dat wil zeggen uiterlijk veertien maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer, in staat het bedrag van de rechten vast te stellen en de schuldenaar aan te wijzen (zie arrest Commissie/Nederland, reeds aangehaald, punt 71). Bijgevolg dient het recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen ten laatste op die datum te worden vastgesteld.

69

Blijkens artikel 11 van de TIR-overeenkomst is dit in het kader van het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR het geval uiterlijk drie jaar na de inschrijving van het carnet TIR door deze autoriteiten.

70

In casu staat zowel in het kader van inbreukprocedure nr. 2003/2241 als in het kader van inbreukprocedure nr. 2006/2266 vast dat de zendingen tijdig bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht, maar dat dit laatste de documenten waaruit de regelmatigheid van de transacties blijkt, niet onmiddellijk aan het kantoor van vertrek heeft teruggezonden.

71

Volgens artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening dient het kantoor van vertrek, wanneer de „zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht”, dit mee te delen aan de aangever, terwijl artikel 455, lid 1, van de uitvoeringsverordening en artikel 11, lid 1, van de TIR-overeenkomst bepalen dat de douaneautoriteiten, indien een carnet TIR niet is gezuiverd, dit dienen mee te delen aan de houder van het carnet TIR.

72

De Italiaanse Republiek leidt hieruit af dat geen douaneschuld is ontstaan, zodat er geen sprake kan zijn van een te late inning van de aan de Gemeenschap verschuldigde rechten.

73

Dit argument dient te worden verworpen.

74

Zoals reeds gezegd, bepaalt artikel 356 van de uitvoeringsverordening dat wanneer de goederen bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht, dit laatste „onverwijld een exemplaar [van het document T 1 terugzendt] naar het kantoor van vertrek”.

75

Voorts staat het volgens artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening aan het kantoor van vertrek om de aangever mee te delen dat het douanevervoer onregelmatig is verlopen.

76

Hieruit volgt dat deze bepaling, zoals de advocaat-generaal in punt 66 van haar conclusie heeft opgemerkt, vanuit het oogpunt van het kantoor van vertrek dient te worden opgevat, dat wil zeggen in die zin dat dit kantoor ervan moet uitgaan dat de goederen niet bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht wanneer het niet ervan in kennis is gesteld dat de zending daar is aangebracht binnen de termijn die het overeenkomstig artikel 348, lid 1, van de uitvoeringsverordening heeft vastgesteld.

77

Een andere uitlegging van artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening zou de in lid 2 van deze bepaling neergelegde bewijsregeling betreffende de regelmatigheid van het douanevervoer volkomen uithollen.

78

Uit het bovenstaande volgt dat de omstandigheid dat het kantoor van vertrek niet is ingelicht over de aankomst van de goederen op het kantoor van bestemming, dezelfde gevolgen heeft als het verzuim de zending bij het kantoor van bestemming aan te brengen. Een dergelijke uitlegging beantwoordt aan het doel, te verzekeren dat de bepalingen inzake de invordering van de douaneschuld door de douaneautoriteiten snel en eenvormig worden toegepast in het belang van een snelle terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap (zie in die zin arrest van 14 april 2005, Commissie/Duitsland, C-104/02, Jurispr. blz. I-2689, punt 69).

79

Na het verstrijken van de door het kantoor van vertrek gestelde termijn wordt de douaneschuld aldus geacht te zijn ontstaan en wordt de aangever verondersteld daarvan de debiteur te zijn (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Commissie/Nederland, punt 72, en Commissie/Duitsland, punt 81).

80

Er moet dus van worden uitgegaan dat in dat stadium een vermoeden van douaneschuld bestaat. Zoals de advocaat-generaal in punt 69 van haar conclusie heeft opgemerkt, is dit vermoeden weerlegbaar. Indien later blijkt dat het douanevervoer regelmatig is verlopen, kan de aangever dus terugbetaling van de betaalde bedragen verkrijgen (zie in die zin arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 88).

81

Volgens artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening dient het kantoor van vertrek, wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht, dit „zo spoedig mogelijk […], doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer” aan de aangever mee te delen.

82

Vaststaat dat dit in casu niet is gebeurd.

83

De door de Italiaanse Republiek aangevoerde omstandigheid dat er destijds sprake was van een algemene vertraging in de terugzending van de voor het kantoor van vertrek bestemde exemplaren van het document T 1, kan geen invloed hebben op de kennisgevingsplicht van de douaneautoriteiten.

84

Aangezien artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening tot doel heeft te verzekeren dat de bepalingen inzake de invordering van de douaneschuld snel en eenvormig worden toegepast in het belang van een snelle en doeltreffende terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschappen, moet de mededeling van de overtreding of de onregelmatigheid hoe dan ook zo snel mogelijk gebeuren, te weten zodra de douaneautoriteiten kennis hebben genomen van deze overtreding of onregelmatigheid, dus in voorkomend geval ruim vóór het verstrijken van de in dit artikel bedoelde maximale termijn van elf maanden (zie naar analogie arresten van 5 oktober 2006, Commissie/België, C-377/03, Jurispr. blz. I-9733, punt 69, en Commissie/Nederland, C-312/04, Jurispr. blz. I-9923, punt 54).

85

Uit het bovenstaande volgt dat de Italiaanse autoriteiten binnen de in artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening gestelde termijnen, dat wil zeggen uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer, de aangever dienden mee te delen dat het betrokken douanevervoer onregelmatig was verlopen.

86

Ingevolge artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening zijn de lidstaten verplicht, bij het verstrijken van een termijn van drie maanden na de in lid 1 van dit artikel bedoelde kennisgeving tot inning in de zin van deze bepaling over te gaan.

87

Wanneer, zoals in casu, geen kennisgeving aan de aangever is verricht, kan deze niet tot betaling van de douaneschuld gehouden zijn (zie in die zin arrest van 3 april 2008, Militzer & Münch, C-230/06, Jurispr. blz. I-1898, punt 39). Niettemin moet ervan worden uitgegaan dat na het verstrijken van deze termijn een recht van de Gemeenschap op de eigen middelen is ontstaan. Deze uitlegging is noodzakelijk om te verzekeren dat de bepalingen inzake de invordering van de douaneschuld door de bevoegde autoriteiten snel en eenvormig worden toegepast in het belang van een doeltreffende en snelle terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap (zie in die zin arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 69).

88

Voorts staat vast dat de Italiaanse douaneautoriteiten geen document met betrekking tot de zendingen onder geleide van het carnet TIR van het douanekantoor van bestemming hebben ontvangen waaruit blijkt dat het betrokken douanevervoer was verricht bij het verstrijken van de uiterste datum die was vastgesteld voor het aanbrengen van de goederen.

89

In deze omstandigheden hadden zij er tot het bewijs van het tegendeel van uit moeten gaan dat de goederen niet bij het kantoor van vertrek waren aangebracht. Deze uitlegging beantwoordt aan de opzet van artikel 455 van de uitvoeringsverordening en is verenigbaar met de in lid 2 van deze bepaling neergelegde bewijsregeling betreffende de regelmatigheid van het douanevervoer.

90

Bijgevolg dient te worden aangenomen dat er in dat stadium een vermoeden van douaneschuld bestond. Zoals in het geval van communautair douanevervoer heeft de omstandigheid dat het kantoor van vertrek niet is ingelicht over de aankomst van de goederen op het kantoor van bestemming, dezelfde gevolgen als de niet-zuivering van het carnet TIR.

91

Blijkens artikel 455, lid 1, van de uitvoeringsverordening juncto artikel 11, leden 1 en 2, van de TIR-overeenkomst moet de betaling van de douaneschuld in het geval van niet-zuivering in beginsel uiterlijk drie jaar na de datum van inschrijving van het carnet TIR worden gevorderd (arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 68).

92

Wanneer niet binnen het jaar na de inschrijving van het carnet TIR aan de houder van het carnet TIR of de organisatie die zich garant heeft gesteld, is meegedeeld dat het douanevervoer niet regelmatig is verlopen, hebben de bevoegde autoriteiten niet het recht om betaling van de douaneschuld te eisen van de organisatie die zich garant heeft gesteld.

93

Hoewel de Italiaanse douaneautoriteiten de organisatie die zich garant heeft gesteld, niets hebben laten weten, moet ervan worden uitgegaan dat na het verstrijken van de maximale termijn van drie jaar te rekenen vanaf de inschrijving van het carnet TIR een recht van de Gemeenschap op eigen middelen is ontstaan, dit ter verzekering dat de bepalingen inzake de invordering van de douaneschuld door de bevoegde autoriteiten snel en eenvormig worden toegepast in het belang van een snelle en doeltreffende terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschappen (zie in die zin arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 69).

94

Uit al het bovenstaande volgt dat de Italiaanse Republiek op grond van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1552/89, het bestaan van een recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen diende vast te stellen en dit recht overeenkomstig artikel 6, lid 2, sub a, van deze verordening in de boekhouding van de eigen middelen diende op te nemen.

Vertragingsrente

95

Het onderhavige beroep strekt slechts tot betaling van vertragingsrente krachtens artikel 11 van verordening nr. 1552/89.

96

Het is juist dat volgens deze bepaling elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, van deze verordening bedoelde rekening de betrokken lidstaat verplicht tot het betalen van vertragingsrente voor de gehele periode van de vertraging. Deze rente is opeisbaar ongeacht de reden voor de te late boeking van de middelen op de rekening van de Commissie (arrest van 14 april 2005, Commissie/Nederland, reeds aangehaald, punt 91).

97

Volgens de Commissie is deze bepaling van toepassing op elke te late boeking van de eigen middelen op de in artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1552/89 bedoelde rekening, ongeacht de reden voor de te late boeking en zonder dat daadwerkelijk financiële schade hoeft te zijn geleden.

98

Zoals de advocaat-generaal in punt 90 van haar conclusie heeft opgemerkt, dient evenwel in de eerste plaats te worden vastgesteld dat vertragingsrente volgens het recht van de meeste lidstaten accessoir is ten opzichte van de hoofdschuld.

99

In de tweede plaats blijkt niet uitdrukkelijk uit de tekst van artikel 11 van verordening nr. 1552/89 dat de daarin bedoelde vertragingsrente dient te worden toegepast in gevallen waarin later blijkt dat er geen hoofdschuld bestaat. Indien de gemeenschapswetgever de werkingssfeer van deze bepaling ook tot dergelijke gevallen had willen uitbreiden, had hij dit uitdrukkelijk in deze bepaling kunnen vaststellen, wat hij niet heeft gedaan.

100

In de derde en laatste plaats heeft het Hof zeker erkend dat, ook al heeft een door de douaneautoriteiten van een lidstaat begane vergissing tot gevolg dat de belastingschuldige de betrokken rechten niet hoeft te betalen, dit niet afdoet aan de verplichting van de betrokken lidstaat, in het kader van de terbeschikkingstelling van eigen middelen vertragingsrente te betalen, naast de rechten die hadden moeten worden vastgesteld (arrest Commissie/Denemarken, reeds aangehaald, punt 63).

101

De onderhavige zaak verschilt evenwel van de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest Commissie/Denemarken, in die zin dat achteraf is gebleken dat de zendingen tijdig bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht, zodat de douaneschuld niet meer bestaat. Zoals blijkt uit artikel 2, lid 1, sub b, van de besluiten 88/376 en 94/728, vormt juist de douaneschuld de grondslag van het recht van de Gemeenschappen op eigen middelen.

102

Het feit dat in casu geen douaneschuld bestaat, heeft dus tot gevolg dat de Commissie geen recht heeft op vertragingsrente uit hoofde van artikel 11 van verordening nr. 1552/89.

103

Bijgevolg dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Kosten

104

Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Italiaanse Republiek in de kosten worden verwezen.

 

Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart:

 

1)

Het beroep wordt verworpen.

 

2)

De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Italiaans.