Zaak C‑103/05

Reisch Montage AG

tegen

Kiesel Baumaschinen Handels GmbH

[verzoek van het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikel 6, punt 1 – Pluraliteit van verweerders – Vordering in lidstaat ingesteld tegen in deze staat woonachtige persoon in staat van faillissement en tegen in andere lidstaat woonachtige medeverweerder – Niet-ontvankelijkheid van vordering tegen persoon in staat van faillissement – Bevoegdheid van geadieerd gerecht ten aanzien van medeverweerder”

Conclusie van advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer van 14 maart 2006 

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 13 juli 2006 

Samenvatting van het arrest

Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 44/2001

(Verordening nr. 44/2001 van de Raad, art. 6, punt 1)

Artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat op deze bepaling een beroep kan worden gedaan in het kader van een vordering die in een lidstaat wordt ingesteld tegen een in deze staat woonachtige verweerder en een in een andere lidstaat woonachtige medeverweerder, ook wanneer die vordering reeds op het tijdstip van de instelling ervan jegens de eerste verweerder niet-ontvankelijk wordt geacht naar nationaal recht, zoals een voorschrift op grond waarvan individuele vorderingen van schuldeisers tegen een gefailleerde zijn uitgesloten. Deze bepaling bevat immers noch een uitdrukkelijke verwijzing naar de toepassing van nationale regels, noch de voorwaarde dat een tegen meerdere verweerders gerichte vordering naar nationaal recht op het tijdstip van de instelling ervan jegens elk van hen ontvankelijk moest zijn. Aangezien deze bepaling voorts niet behoort tot de bepalingen die uitdrukkelijk voorzien in de toepassing van nationale regels en die dus als rechtsgrondslag voor die toepassing dienen, kan zij niet aldus worden uitgelegd dat de toepassing ervan afhankelijk is van de gevolgen van nationale regels. Evenwel kan deze bepaling niet aldus worden uitgelegd dat zij een eiser de mogelijkheid biedt een vordering tegen meerdere verweerders in te stellen met het enkele doel, een van die verweerders af te trekken van de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft.

(cf. punten 27, 30-33 en dictum)




ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

13 juli 2006 (*)

„Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikel 6, punt 1 – Pluraliteit van verweerders – Vordering in lidstaat ingesteld tegen in deze staat woonachtige persoon in staat van faillissement en in andere lidstaat woonachtige medeverweerder – Niet-ontvankelijkheid van vordering tegen persoon in staat van faillissement – Bevoegdheid van geadieerd gerecht ten aanzien van medeverweerder”

In zaak C‑103/05,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens de artikelen 68 EG en 234 EG, ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) bij beslissing van 2 februari 2005, ingekomen bij het Hof op 28 februari 2005, in de procedure

Reisch Montage AG

tegen

Kiesel Baumaschinen Handels GmbH,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J. Makarczyk, P. Kūris, G. Arestis en J. Klučka (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,

griffier: R. Grass,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–       de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma als gemachtigde,

–       de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en A. Bodard-Hermant als gemachtigden,

–       de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A.‑M. Rouchaud-Joët en S. Grünheid als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 maart 2006,

het navolgende

Arrest

1       Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2       Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Reisch Montage AG (hierna: „Reisch Montage”) en Kiesel Baumaschinen Handels GmbH (hierna: „Kiesel”) met betrekking tot de betaling van een schuld van 8 689,22 EUR.

 Rechtskader

 De gemeenschapsregeling

3       De overwegingen 11, 12 en 15 van verordening nr. 44/2001 luiden:

„(11) De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. [...]

(12)      Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken.

[...]

(15)      Met het oog op een harmonische rechtsbedeling in de Gemeenschap moeten parallel lopende processen zo veel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in twee lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. [...]”

4       Artikel 2, lid 1, van deze verordening, dat deel uitmaakt van hoofdstuk II, afdeling 1 („Algemene bepalingen”), ervan, bepaalt:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

5       Artikel 3 van deze verordening, dat eveneens deel uitmaakt van voormeld hoofdstuk II, afdeling 1, luidt:

„1.      Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.

2.      Tegen hen kan in het bijzonder geen beroep worden gedaan op de in bijlage I opgenomen nationale bevoegdheidsregels.”

6       Krachtens artikel 5 van verordening nr. 44/2001, dat is opgenomen in afdeling 2 („Bijzondere bevoegdheid”) van dit hoofdstuk II, kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat onder bepaalde voorwaarden in een andere lidstaat voor het gerecht worden opgeroepen.

7       Bovendien bepaalt artikel 6 van deze verordening, dat eveneens deel uitmaakt van voormelde afdeling 2:

„Deze persoon kan ook worden opgeroepen:

1)      indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven;

[...]”

 De nationale regeling

8       § 6, lid 1, van de Konkursordnung (Oostenrijkse faillissementsregeling; hierna: „KO”) bepaalt:

„Gedingen die ertoe strekken om rechten op het tot de failliete boedel behorende vermogen te doen gelden of te waarborgen, kunnen na de opening van de faillissementsprocedure noch aanhangig worden gemaakt noch worden voortgezet tegen de gefailleerde.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9       Op 30 januari 2004 heeft Reisch Montage, een in Liechtenstein gevestigde vennootschap, bij het Bezirksgericht Bezau (Oostenrijk) van M. Gisinger, die woonachtig is in Oostenrijk, en van het in Duitsland gevestigde Kiesel de betaling van een geldsom gevorderd. Kiesel had zich borg gesteld voor Gisinger voor een bedrag van 8 689,22 EUR, waarvan Reisch Montage de betaling vordert.

10     Bij beschikking van 24 februari 2004 heeft het Bezirksgericht Bezau krachtens § 6, lid 1, KO de vordering van Reisch Montage afgewezen voorzover deze tegen Gisinger was gericht, op grond dat op 23 juli 2003 met betrekking tot diens vermogen een faillissementsprocedure was geopend en deze nog niet was afgesloten op het moment waarop de vordering was ingesteld. Deze beschikking is in kracht van gewijsde gegaan.

11     Daarop heeft Kiesel de bevoegdheid van de geadieerde rechter betwist, met als betoog dat Reisch Montage zich voor de bevoegdheid van het Bezirksgericht Bezau niet op artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 kon beroepen, aangezien de tegen Gisinger ingestelde vordering op grond van § 6, punt 1, KO niet-ontvankelijk was verklaard.

12     Bij uitspraak van 15 april 2004 heeft het Bezirksgericht Bezau de door Kiesel opgeworpen exceptie van onbevoegdheid toegewezen en de vordering van Reisch Montage afgewezen wegens territoriale en internationale onbevoegdheid van de rechter.

13     In hoger beroep heeft het Landesgericht Feldkirch (Oostenrijk) voormelde uitspraak vernietigd en de door Kiesel opgeworpen exceptie van onbevoegdheid afgewezen.

14     Laatstgenoemde heeft beroep in „Revision” ingesteld bij het Oberste Gerichtshof, dat heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:

„Kan een eiser zich beroepen op artikel 6, punt 1, van verordening [...] nr. 44/2001, wanneer hij tegen een persoon met woonplaats in de forumstaat en tegen een ingezetene van een andere lidstaat een vordering instelt, maar de vordering tegen de persoon met woonplaats in de forumstaat – wegens een met betrekking tot diens vermogen geopende faillissementsprocedure, waardoor naar nationaal recht geen geding aanhangig gemaakt of voortgezet mag worden – reeds op het tijdstip van de instelling ervan niet-ontvankelijk is?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

15     Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat hierop een beroep kan worden gedaan in het kader van een vordering die in een lidstaat wordt ingesteld tegen een in deze staat woonachtige verweerder en een in een andere lidstaat woonachtige medeverweerder, wanneer die vordering reeds op het tijdstip van de instelling ervan jegens de eerste verweerder niet-ontvankelijk wordt geacht.

 Bij het Hof ingediende opmerkingen

16     Volgens de Duitse regering moet artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 strikt worden uitgelegd, om het in artikel 2, lid 1, van deze verordening neergelegde beginsel van de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verweerder niet op losse schroeven te zetten.

17     Volgens haar moet, wanneer de tegen één van de twee verweerders gerichte vordering reeds bij de instelling ervan niet-ontvankelijk is wegens de staat van faillissement waarin deze verkeert, ervan worden uitgegaan dat er tussen de tegen beide verweerders gerichte vorderingen geen sprake is van „een zo nauwe band [...] dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting”, in de zin van voormeld artikel 6, punt 1. Deze bepaling is dan ook niet van toepassing in een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.

18     De Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen stellen daarentegen dat in een dergelijk geding een beroep kan worden gedaan op voormelde bepaling.

19     Volgens de Franse regering bepaalt artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 uitsluitend dat wanneer er meerdere verweerders zijn, deze kunnen worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, voorzover de hen betreffende vorderingen samenhangend zijn. In tegenstelling tot punt 2 van dit artikel, legt punt 1 ervan geen enkele bijzondere voorwaarde op waarmee moet worden vermeden dat hiervan gebruik wordt gemaakt met het enkele doel een verweerder af te trekken van het gerecht van zijn woonplaats.

20     Zij stelt met een beroep op de rechtspraak van het Hof (arresten van 15 mei 1990, Hagen, C‑365/88, Jurispr. blz. I‑1845, punten 20 en 21; 27 april 2004, Turner, C‑159/02, Jurispr. blz. I‑3565, punt 29, en 26 mei 2005, GIE Réunion européenne e.a., C‑77/04, Jurispr. blz. I‑4509, punt 34) dat een nationaal gerecht zich voor de afwijzing van een vordering tot vrijwaring niet kan baseren op de omstandigheid dat de borg zijn woonplaats heeft in een andere lidstaat dan die van dit gerecht en waar zich de woonplaats bevindt van de schuldenaar jegens wie de vordering niet-ontvankelijk is.

21     De Commissie betoogt dat Reisch Montage echter tegen een in een lidstaat woonachtige verweerder geen niet-ontvankelijke vordering mag instellen met het enkele doel om een andere verweerder te onttrekken aan de principiële bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van zijn woonplaats. Het staat dan ook aan het bevoegde gerecht om te onderzoeken of misbruik wordt gemaakt van artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001.

 Antwoord van het Hof

22     Vooraf zij eraan herinnerd dat de bevoegdheid waarin artikel 2 van verordening nr. 44/2001 voorziet, namelijk dat de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft, bevoegd is, het algemene beginsel is, en dat de verordening enkel als uitzondering op dit beginsel voorziet in bijzonderebevoegdheidsregels in limitatief opgesomde gevallen waarin de verweerder kan of, al naar gelang het geval, moet worden opgeroepen voor de rechter van een andere lidstaat [zie, wat betreft het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: „Executieverdrag”), waarvan de bepalingen in wezen identiek zijn aan die van verordening nr. 44/2001, arresten van 27 oktober 1998, Réunion européenne e.a., C‑51/97, Jurispr. blz. I‑6511, punt 16, en 5 februari 2004, Frahuil, C‑265/02, Jurispr. blz. I‑1543, punt 23].

23     Dienaangaande moet volgens vaste rechtspraak aan deze bijzonderebevoegdheidsregels een strikte uitlegging worden gegeven, die niet verder mag gaan dan de door verordening nr. 44/2001 uitdrukkelijk voorziene gevallen (zie, wat het Executieverdrag betreft, arrest van 10 juni 2004, Kronhofer, C‑168/02, Jurispr. blz. I‑6009, punt 14 en aangehaalde rechtspraak).

24     De nationale gerechten moeten deze regels uitleggen met eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel, dat een van de doelstellingen van verordening nr. 44/2001 is (zie, wat het Executieverdrag betreft, arresten van 28 september 1999, GIE Groupe Concorde e.a., C‑440/97, Jurispr. blz. I‑6307, punt 23; 19 februari 2002, Besix, C‑256/00, Jurispr. blz. I‑1699, punt 24, en 1 maart 2005, Owusu, C‑281/02, Jurispr. blz. I‑1383, punt 38).

25     Dit beginsel vereist onder meer dat bijzonderebevoegdheidsregels aldus worden uitgelegd dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder op grond daarvan redelijkerwijs kan voorzien, voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen (zie reeds aangehaalde arresten GIE Groupe Concorde e.a., punt 24; Besix, punt 26, en Owusu, punt 40).

26     Wat betreft de bijzondere bevoegdheid waarin artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 voorziet, een verweerder kan, indien er meerdere verweerders zijn, voor het gerecht van de woonplaats van een hunner worden opgeroepen, op voorwaarde dat „er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven”.

27     Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat deze bepaling noch een uitdrukkelijk verwijzing naar de toepassing van nationale regels bevat, noch de voorwaarde dat een tegen meerdere verweerders gerichte vordering naar nationaal recht op het tijdstip van de instelling ervan jegens elk van hen ontvankelijk moest zijn.

28     In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat de gestelde vraag, onafhankelijk van deze eerste vaststelling, ertoe strekt te vernemen of een nationaal voorschrift inzake niet-ontvankelijkheid eraan in de weg kan staan dat artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 wordt toegepast.

29     Volgens vaste rechtspraak moeten de bepalingen van deze verordening autonoom worden uitgelegd aan de hand van het stelsel en de doelstellingen ervan (zie, wat het Executieverdrag betreft, arrest van 15 januari 2004, Blijdenstein, C‑433/01, Jurispr. blz. I‑981, punt 24 en aangehaalde rechtspraak).

30     Aangezien artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 niet behoort tot de bepalingen die, zoals bijvoorbeeld artikel 59 van de verordening, uitdrukkelijk voorzien in de toepassing van nationale regels en die dus als rechtsgrondslag voor die toepassing dienen, kan het bijgevolg niet aldus worden uitgelegd dat de toepassing ervan afhankelijk is van de gevolgen van nationale regels.

31     In deze omstandigheden kan op artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 een beroep worden gedaan in het kader van een vordering die in een lidstaat wordt ingesteld tegen een in deze staat woonachtige verweerder en een in een andere lidstaat woonachtige medeverweerder, ook wanneer die vordering naar nationaal recht reeds op het tijdstip van de instelling ervan jegens de eerste verweerder niet-ontvankelijk wordt geacht.

32     Evenwel zij erop gewezen dat de in artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 neergelegde bijzonderebevoegdheidsregel niet aldus kan worden uitgelegd dat zij een eiser de mogelijkheid biedt een vordering tegen meerdere verweerders in te stellen met het enkele doel, een van die verweerders af te trekken van de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft (zie, wat het Executieverdrag betreft, arrest van 27 september 1988, Kalfelis, 189/87, Jurispr. blz. 5565, punten 8 en 9, alsmede arrest Réunion européenne e.a., reeds aangehaald, punt 47). Evenwel lijkt dit in het hoofdgeding niet het geval te zijn.

33     Gelet op een en ander, moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat in een situatie als die van het hoofdgeding op deze bepaling een beroep kan worden gedaan in het kader van een vordering die in een lidstaat wordt ingesteld tegen een in deze staat woonachtige verweerder en een in een andere lidstaat woonachtige medeverweerder, ook wanneer die vordering naar nationaal recht reeds op het tijdstip van de instelling ervan jegens de eerste verweerder niet-ontvankelijk wordt geacht.

 Kosten

34     Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat in een situatie als die van het hoofdgeding op deze bepaling een beroep kan worden gedaan in het kader van een vordering die in een lidstaat wordt ingesteld tegen een in deze staat woonachtige verweerder en een in een andere lidstaat woonachtige medeverweerder, ook wanneer die vordering naar nationaal recht reeds op het tijdstip van de instelling ervan jegens de eerste verweerder niet-ontvankelijk wordt geacht.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.