Zaak C‑316/04

Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie

tegen

College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen

(verzoek van het College van Beroep voor het bedrijfsleven om een prejudiciële beslissing)

„Vergunning voor op markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en biociden – Richtlijn 91/414/EEG – Artikel 8 – Richtlijn 98/8/EG – Artikel 16 – Bevoegdheid van lidstaten tijdens overgangsperiode”

Conclusie van advocaat-generaal F. G. Jacobs van 14 juli 2005 

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 10 november 2005 

Samenvatting van het arrest

1.     Harmonisatie van wetgevingen – Biociden – Richtlijn 98/8 – Voorafgaande vergunning voor op markt brengen – Overgangsmaatregelen – „Standstill”-verplichting” – Geen – Verplichtingen van lidstaten tijdens omzettingstermijn – Verplichting om geen bepalingen vast te stellen die door richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar kunnen brengen – Beoordeling door nationale rechter

(Art. 10, tweede alinea, EG en 249, derde alinea, EG; richtlijn 98/8 van het Europees Parlement en de Raad, art. 16, lid 1)

2.     Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen – Op markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen – Richtlijn 91/414 – Vergunning afgegeven door lidstaat voor op zijn grondgebied op markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die niet in bijlage I zijn opgenomen en die twee jaar na kennisgeving van richtlijn reeds op markt waren – Verplichting om eisen van artikel 4 of 8, lid 3, van richtlijn in acht te nemen – Geen

(Richtlijn 91/414 van de Raad, art. 8, lid 2)

3.     Harmonisatie van wetgevingen – Biociden – Richtlijn 98/8 – Voorafgaande vergunning voor op markt brengen – Overgangsmaatregelen – Strekking van artikel 16 identiek aan die van artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414

(Richtlijn 98/8 van het Europees Parlement en de Raad, art. 16, lid 1; richtlijn 91/414 van de Raad, art. 8, lid 2)

4.     Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen – Op markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen – Richtlijn 91/414 – Heronderzoek van voornoemde producten – Begrip – Nationale regeling die voorziet in beoordeling op basis waarvan werkzame stof kan worden aangewezen, met oog op vergunning of registratie van rechtswege van gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten – Beoordeling door nationale rechter – Criteria

(Richtlijn 91/414 van de Raad, art. 8, lid 3)

5.     Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen – Op markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen – Richtlijn 91/414 – Heronderzoek van voornoemde producten – Vergunning afgegeven door lidstaat voor op zijn grondgebied op markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die niet in bijlage I zijn opgenomen en die twee jaar na kennisgeving van richtlijn reeds op markt waren – Eisen betreffende te verstrekken gegevens – Draagwijdte

(Richtlijn 91/414 van de Raad, art. 8, lid 3)

1.     Artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8 betreffende het op de markt brengen van biociden, dat voorziet in een overgangsperiode tijdens welke de lidstaten hun nationale systemen mogen blijven toepassen ofschoon deze niet in overeenstemming zijn met deze richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat het geen „standstill”-verplichting bevat. Ingevolge de artikelen 10, tweede alinea, EG en 249, derde alinea, EG alsmede richtlijn 98/8 dienen de lidstaten zich echter tijdens de in artikel 16, lid 1, van deze richtlijn bepaalde overgangsperiode te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door deze richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zouden brengen. Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of zulks het geval is met de nationale bepalingen waarvan hij de wettigheid heeft te toetsen.

(cf. punten 43‑44, dictum 1)

2.     Artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen moet aldus worden uitgelegd, dat indien een lidstaat toestaat dat gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die niet in bijlage I bij deze richtlijn zijn opgenomen en die twee jaar na kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt waren, op zijn grondgebied op de markt worden gebracht, daarbij niet het bepaalde in artikel 4 of artikel 8, lid 3, van deze richtlijn in acht hoeft te worden genomen.

(cf. punt 57, dictum 2)

3.     Artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8 betreffende het op de markt brengen van biociden, dat voorziet in een overgangsperiode tijdens welke de lidstaten hun nationale systemen mogen blijven toepassen ofschoon deze niet in overeenstemming zijn met deze richtlijn, heeft dezelfde betekenis als artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, dat een lidstaat toestaat om tijdens een overgangsperiode het op zijn grondgebied op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die niet in bijlage I bij deze richtlijn zijn opgenomen en die twee jaar na kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt waren, toe te laten.

(cf. punt 63, dictum 3)

4.     Een nieuw onderzoek in de zin van richtlijn 91/414 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, vooronderstelt dat het betrokken gewasbeschermingsmiddel reeds is toegelaten en dat deze toelating nog steeds geldig is op het moment van het nieuwe onderzoek. Bovendien volgt uit artikel 4, lid 5, juncto artikel 8, lid 3, van deze richtlijn, dat het doel van dit nieuwe onderzoek niet een nieuwe beoordeling van een afzonderlijke werkzame stof is, maar van het gewasbeschermingsmiddel dat deze stof bevat, en dat een dergelijk nieuw onderzoek plaatsvindt op initiatief van de nationale autoriteiten en niet op dat van particuliere belanghebbenden. Het staat aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de toets die voorzien is in een bepaling van een nationale wet inzake bestrijdingsmiddelen, op basis waarvan een werkzame stof kan worden aangewezen, welke aanwijzing tot gevolg heeft dat gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof bevatten, van rechtswege zijn toegelaten of geregistreerd, alle kenmerken vertoont van het nieuwe onderzoek in de zin van artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414 en met name de kenmerken die aldus zijn gepreciseerd.

(cf. punten 67‑69, dictum 4)

5.     Artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, dat bepaalt dat wanneer de lidstaten een nieuw onderzoek instellen naar gewasbeschermingsmiddelen die een werkzame stof bevatten die niet in bijlage I is opgenomen en die twee jaar na de datum van kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt is, zij de in artikel 4, lid 1, sub b, punten i tot en met v, en sub c tot en met f, genoemde voorwaarden toepassen volgens de nationale bepalingen betreffende de verstrekking van gegevens en wel voordat dit nieuwe onderzoek heeft plaatsgevonden, moet aldus worden uitgelegd dat het slechts bepalingen met betrekking tot de verstrekking van gegevens voorafgaand aan een nieuw onderzoek bevat.

(cf. punt 74, dictum 5)




ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

10 november 2005 (*)

„Toelating voor op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en biociden – Richtlijn 91/414/EEG – Artikel 8 – Richtlijn 98/8/EG – Artikel 16 – Bevoegdheid van lidstaten tijdens overgangsperiode”

In zaak C-316/04,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland) bij uitspraak van 22 juli 2004, ingekomen bij het Hof op 26 juli 2004, in de procedure

Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie

tegen

College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen,

in tegenwoordigheid van:

3M Nederland BV e.a.,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J. Makarczyk, R. Schintgen, G. Arestis en J. Klučka (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: F. G. Jacobs,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 juni 2005,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

–       de Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie, vertegenwoordigd door J. Rutteman als gemachtigde;

–       3M Nederland BV e.a., vertegenwoordigd door D. Waelbroeck, advocaat;

–       de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door H. G. Sevenster, J. G. M. van Bakel en C. M. Wissels als gemachtigden;

–       de Deense regering, vertegenwoordigd door A. Rahbøl Jacobsen als gemachtigde, bijgestaan door P. Biering, advokat;

–       de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en R. Loosli-Surrans als gemachtigden;

–       de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Doherty en M. van Beek als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 juli 2005,

het navolgende

Arrest

1       Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van de overgangsbepalingen van richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230, blz. 1) en van die van richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123, blz. 1).

2       Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie (hierna: „Stichting”) en het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (hierna: „CTB”) over de naar Nederlands recht geldende procedure en voorwaarden voor de verlening van toelatingen voor het op de markt brengen van bestrijdingsmiddelen.

 Toepasselijke bepalingen

 Communautaire regelgeving

 Richtlijn 91/414

3       Volgens artikel 2, lid 1, van richtlijn 91/414 wordt onder gewasbeschermingsmiddelen verstaan „[w]erkzame stoffen en één of meer werkzame stoffen bevattende preparaten, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd”, die voornamelijk zijn bestemd om planten of plantaardige producten te beschermen tegen schadelijke organismen. Werkzame stoffen worden in artikel 2, lid 4, van deze richtlijn omschreven als „[s]toffen of micro-organismen, met inbegrip van virussen, met een algemene of specifieke werking” tegen schadelijke organismen of op planten, delen van planten of plantaardige producten.

4       Volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 91/414 mag een gewasbestrijdingsmiddel alleen op het grondgebied van een lidstaat op de markt worden gebracht en gebruikt, indien het door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn is toegelaten.

5       Volgens artikel 4, lid 1, van de richtlijn zien de lidstaten erop toe dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten „indien de werkzame stoffen die het bevat in bijlage I zijn vermeld en indien aan de voorwaarden van die bijlage”, alsmede aan die van artikel 4, lid 1, sub b tot en met f, is voldaan.

6       Artikel 4, lid 5, van richtlijn 91/414 luidt als volgt:

„Een toelating kan te allen tijde worden herzien indien er aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan de in lid 1 genoemde eisen. In een dergelijk geval kan de lidstaat van de aanvrager van de toelating of van degene aan wie overeenkomstig artikel 9 toestemming tot uitbreiding van het gebruik is verleend, verlangen om ten behoeve van de herziening aanvullende informatie te verschaffen. De toelating kan zo nodig worden gehandhaafd voor de periode die nodig is om de herziening af te handelen en om deze aanvullende informatie te verschaffen.”

7       Artikel 8 van voornoemde richtlijn heeft betrekking op de overgangs‑ en afwijkende maatregelen. Het eerste lid ervan omschrijft de eisen waaraan moet worden voldaan om een toelating te verlenen voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen die een werkzame stof bevatten die niet in bijlage I bij de richtlijn is opgenomen en die twee jaar na de kennisgeving van deze richtlijn nog niet op de markt was.

8       Artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 bepaalt:

„In afwijking van artikel 4 en onverminderd lid 3 en richtlijn 79/117/EEG mag een lidstaat, gedurende een periode van twaalf jaar na de kennisgeving van deze richtlijn, toelaten dat gewasbeschermingsmiddelen die niet in bijlage I opgenomen werkzame stoffen bevatten en die twee jaar na de datum van kennisgeving van de richtlijn reeds op de markt zijn, op zijn grondgebied op de markt worden gebracht.

[…]”

9       Lid 3 van dit artikel bepaalt: „Wanneer lidstaten een nieuw onderzoek instellen naar gewasbeschermingsmiddelen die een overeenkomstig lid 2 te onderzoeken werkzame stof bevatten, passen zij, voordat dit onderzoek heeft plaatsgevonden, de in artikel 4, lid 1, sub b, punten i tot en met v, en sub c tot en met f, genoemde voorwaarden toe, uit hoofde van de nationale bepalingen betreffende de te verstrekken gegevens.”

10     Volgens artikel 13, lid 6, van richtlijn 91/414 „mogen de lidstaten voor de werkzame stoffen die twee jaar na de kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt zijn, met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag, de vroegere nationale voorschriften inzake de te verstrekken gegevens blijven toepassen zolang deze stoffen niet in bijlage I zijn opgenomen”.

11     Volgens artikel 23 moest de richtlijn uiterlijk „binnen een termijn van twee jaar na kennisgeving ervan” in nationaal recht zijn omgezet.

 Richtlijn 98/8

12     In artikel 2, lid 1, sub a, van richtlijn 98/8 worden biociden omschreven als „[w]erkzame stoffen en preparaten die, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, een of meer werkzame stoffen bevatten en bestemd zijn om een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of het op andere wijze langs chemische of biologische weg te bestrijden”.

13     Volgens artikel 3, lid 1, van voornoemde richtlijn „bepalen [de lidstaten] dat een biocide op hun grondgebied slechts op de markt gebracht en gebruikt mag worden, indien het overeenkomstig deze richtlijn is toegelaten”.

14     Artikel 5, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten een biocide slechts toelaten, indien „de daarin aanwezige werkzame stof(fen) in bijlage I of IA is (zijn) vermeld en aan de eisen van die bijlagen is voldaan”. Verder moet aan een aantal andere voorwaarden worden voldaan.

15     Artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8, betreffende overgangsmaatregelen, bepaalt dat „een lidstaat gedurende een periode van tien jaar zijn huidige systeem of praktijk met betrekking tot het op de markt brengen van biociden [mag] blijven toepassen. Met name mag de lidstaat, overeenkomstig zijn nationale voorschriften, toelaten dat op zijn grondgebied een biocide op de markt wordt gebracht dat werkzame stoffen bevat die niet in bijlage I of IA zijn genoemd.” Die werkzame stoffen moeten echter uiterlijk 24 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn op de markt zijn als werkzame stoffen van een biocide, bestemd voor andere doeleinden dan wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontwikkeling of op de productie gericht onderzoek en op de productie gerichte ontwikkeling.

16     Volgens lid 5 van dit artikel „[blijft] [h]et bepaalde in richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften […] gelden gedurende de in lid 2 bedoelde overgangsperiode”.

17     Artikel 34 van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten uiterlijk 24 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om eraan te voldoen. Volgens artikel 35 „[treedt] de richtlijn […] in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking”, te weten op 14 mei 1998.

 Nationale regelgeving

18     Artikel 2, lid 1, van de Bestrijdingsmiddelenwet van 1962 (Stb. 1962, 288), in de versie zoals deze ten tijde van de feiten van het hoofdgeding gold (hierna: „Bmw”), bepaalt:

„Het is verboden een bestrijdingsmiddel af te leveren, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, waarvan niet blijkt dat het ingevolge deze wet is toegelaten of voorzover het een biocide met een gering risico betreft, is geregistreerd.”

19     Artikel 3, lid 1, Bmw geeft in wezen uitvoering aan artikel 4, lid 1, van richtlijn 91/414. De voorwaarden bepaald in artikel 3, lid 1, sub a, punten 1 tot en met 10, weerspiegelen voor een groot deel de voorwaarden van artikel 4, lid 1, sub b, punten i tot en met v, terwijl het bepaalde in artikel 3, lid 1, sub b tot en met d, Bmw overeenstemt met de voorwaarden van artikel 4, lid 1, sub c tot en met e.

20     Artikel 3, lid 2, sub a, Bmw strekt tot omzetting van artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 91/414.

21     Artikel 4, lid 1, van deze wet bepaalt dat het CTB op aanvraag over de toelating of registratie van een bestrijdingsmiddel beslist.

22     Artikel 25d Bmw luidt als volgt:

„1.      Een bestrijdingsmiddel, waarvan de werkzame stof of stoffen door het college zijn aangewezen, is, in afwijking van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3 en 3a en van de artikelen 4, eerste lid, en 5, eerste lid, van rechtswege toegelaten of geregistreerd met ingang van het in het derde lid bedoelde tijdstip.

2.      Bij de aanwijzing van een werkzame stof, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de effecten van de betrokken werkzame stof, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde tot en met ten tiende.

3.      […] De toelating, onderscheidenlijk registratie geldt, in afwijking van artikel 5, eerste lid, tot het tijdstip waarop uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven aan een met betrekking tot de betrokken werkzame stof vastgestelde communautaire maatregel als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, met dien verstande dat zij in ieder geval doorloopt na 26 juli 2003, dan wel 15 mei 2010 indien uiterlijk op die onderscheiden datum geen communautaire maatregel is vastgesteld die vermeldt of de betrokken werkzame stof mag worden gebruikt als basis voor een gewasbeschermingsmiddel onderscheidenlijk biocide.

[…]”

 Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

23     Op 12 juni 2002 heeft de Stichting bezwaar gemaakt tegen het besluit van dezelfde datum van het CTB, waarbij een lijst van werkzame stoffen als bedoeld in artikel 25d Bmw is opgesteld en de in deze bepaling voorziene toelatingen van rechtswege zijn verleend.

24     Bij besluit van 12 mei 2004 heeft het CTB de bezwaren van de Stichting ongegrond verklaard.

25     Op 28 mei 2004 heeft de Stichting tegen dit besluit beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Van oordeel dat het geschil in wezen de verenigbaarheid van artikel 25d Bmw met de overgangsbepalingen van de richtlijnen 91/414 en 98/8 betrof, heeft de verwijzende rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

„1)      a)     Leent artikel 8 van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn zich voor toepassing door de nationale rechter nadat de termijn als bedoeld in artikel 23 van deze richtlijn is verstreken?

         b)     Leent artikel 16 van de Biocidenrichtlijn zich voor toepassing door de nationale rechter nadat de termijn als bedoeld in artikel 34 van deze richtlijn is verstreken?

2)      Moet artikel 16 van de Biocidenrichtlijn aldus worden uitgelegd dat deze bepaling dezelfde betekenis heeft als artikel 8, lid 2, van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn?

3)      Dient artikel 16, lid 1, van de Biocidenrichtlijn te worden geïnterpreteerd als een standstillverplichting?

Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord:

Stelt artikel 16, lid 1, van de Biocidenrichtlijn beperkingen aan wijzigingen in de nationale regels met betrekking tot het op de markt brengen van biociden, en zo ja welke beperkingen?

4)      Indien vraag 2 ontkennend wordt beantwoord:

         a)     Moet artikel 8, lid 2, van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn aldus worden geïnterpreteerd dat indien een lidstaat toelaat dat gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die niet in bijlage I bij deze richtlijn zijn opgenomen en die twee jaar na kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt waren, op zijn grondgebied op de markt worden gebracht, daarbij het bepaalde in artikel 4 van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn in acht moet worden genomen?

         b)     Moet artikel 8, lid 2, van de Gewasbeschermingsmiddelen voorts aldus worden geïnterpreteerd dat indien een lidstaat toestaat dat gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die niet in bijlage I bij deze richtlijn zijn opgenomen en die twee jaar na kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt waren, op zijn grondgebied op de markt worden gebracht, daarbij het bepaalde in artikel 8, lid 3, van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn in acht moet worden genomen?

5)      Moet artikel 8, lid 3, van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn aldus worden geïnterpreteerd dat onder een nieuw onderzoek ook wordt verstaan een toets waarbij rekening wordt gehouden met de effecten van een betrokken werkzame stof op de gezondheid van mens en dier en op het milieu en op basis waarvan deze werkzame stof wordt aangewezen welke aanwijzing tot gevolg heeft dat gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof bevatten, van rechtswege zijn toegelaten of geregistreerd?

6)      Dient artikel 8, lid 3, van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn aldus te worden geïnterpreteerd dat zij slechts voorschriften bevat met betrekking tot de verstrekking van gegevens voorafgaand aan een nieuw onderzoek of moet de bepaling aldus worden begrepen dat de daarin genoemde voorwaarden ook van betekenis zijn voor de wijze waarop een nieuw onderzoek moet worden ingericht en uitgevoerd?”

 De prejudiciële vragen

 Ontvankelijkheid

26     Om te beginnen betwijfelt de Franse regering, in de door haar bij het Hof ingediende opmerkingen, de ontvankelijkheid van sommige van de gestelde vragen.

27     Zij merkt in de eerste plaats op, dat de verwijzende rechter in het eerste onderdeel van zijn eerste vraag verwijst naar artikel 8 van richtlijn 91/414 in zijn geheel, zonder te preciseren op welk van de leden van dit artikel, die zeer uiteenlopende situaties betreffen, hij doelt. Verder meent zij dat artikel 23 van voornoemde richtlijn slechts betrekking heeft op de toepassing van artikel 10, lid 1, tweede streepje, betreffende de procedures voor wederzijdse erkenning in verband met bepaalde eisen van artikel 4 van richtlijn 91/414. Bijgevolg is het eerste onderdeel van de eerste vraag, betreffende de uitlegging van artikel 8 van deze richtlijn, niet-ontvankelijk, omdat het antwoord daarop niet noodzakelijk is voor de oplossing van het hoofdgeding.

28     Ook het tweede onderdeel van de eerste vraag, alsmede de tweede en de derde vraag, waarin de uitlegging van richtlijn 98/8 centraal staat, acht de Franse regering niet-ontvankelijk, omdat het hoofdgeding betrekking heeft op gewasbeschermingsmiddelen en niet op biociden.

29     Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het in het kader van de in artikel 234 EG neergelegde samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van het gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie onder meer arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, Jurispr. blz. I‑4921, punt 59, en 19 februari 2002, Arduino, C‑35/99, Jurispr. blz. I‑1529, punt 24).

30     Het Hof heeft echter ook geoordeeld dat het in uitzonderlijke gevallen aan hem staat om, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid, een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is geadieerd (zie in die zin arrest van 16 december 1981, Foglia, 244/80, Jurispr. blz. 3045, punt 21). Het Hof kan slechts weigeren een uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke of juridische gegevens die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name reeds aangehaalde arresten Bosman, punt 61, en Arduino, punt 25).

31     In casu blijkt niet duidelijk dat de door de verwijzende rechter gestelde vragen aan een van deze criteria voldoen.

32     Weliswaar heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven in het eerste onderdeel van zijn eerste vraag niet aangegeven, op welke leden van artikel 8 van richtlijn 91/414 het doelt, doch het heeft het Hof niettemin alle noodzakelijke gegevens verstrekt om hem een nuttig antwoord op zijn vragen te kunnen geven. Uit de verwijzingsuitspraak blijkt namelijk ondubbelzinnig, dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven doelt op de leden 2 en 3 van voornoemd artikel 8, voorzover deze betrekking hebben op gewasbeschermingsmiddelen die niet in bijlage I bij de richtlijn opgenomen werkzame stoffen bevatten en die twee jaar na de datum van kennisgeving van de richtlijn reeds op de markt zijn, en op lid 1 van artikel 23 van voornoemde richtlijn, voorzover daarin de omzettingstermijn is bepaald op twee maanden na de datum van kennisgeving van de richtlijn.

33     Voorts kan niet worden gesteld dat de uitlegging van richtlijn 98/8 geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding of dat de gestelde vraag van hypothetische aard is, omdat zowel uit de verwijzingsuitspraak als uit de opmerkingen van de Nederlandse regering blijkt dat artikel 25d Bmw strekt tot omzetting van niet alleen artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414, maar ook van artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8.

34     Derhalve zijn de gestelde vragen alle ontvankelijk.

 Ten gronde

 De derde vraag

35     De derde vraag van de verwijzende rechter, die als eerste moet worden onderzocht, komt erop neer of artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8 als een standstillverplichting moet worden uitgelegd, dan wel of deze bepaling andere beperkingen stelt aan het recht van de lidstaten om hun bestaande toelatingssysteem te wijzigen gedurende de overgangsperiode.

36     Volgens de Stichting betekent het ontbreken in richtlijn 91/414 van de in artikel 16 van richtlijn 98/8 gebezigde formulering „zijn huidige systeem of praktijk blijven toepassen”, dat het systeem van toelatingen voor het op de markt brengen moet worden gehandhaafd zoals dat ten tijde van de inwerkingtreding van de richtlijn gold. Wijzigingen zijn slechts toegestaan voorzover zij leiden tot een systeem dat meer in overeenstemming is met richtlijn 98/8.

37     Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het eventuele bestaan van een standstillverplichting niet kan worden afgeleid uit de formulering van artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8, dat hierover niets uitdrukkelijk bepaalt.

38     Een dergelijke standstillverplichting vloeit evenmin voort uit de 18e overweging van de considerans van richtlijn 98/8, volgens welke enerzijds „de lidstaten biociden die niet aan de voornoemde voorwaarden voldoen voor beperkte tijd moeten kunnen toelaten, speciaal in het geval van een onvoorzien gevaar dat mensen, dieren of het milieu bedreigt en niet door andere middelen kan worden begrensd”, en anderzijds „de gemeenschapsprocedure de lidstaten niet mag verhinderen biociden met een nog niet op de gemeenschapslijst geplaatste werkzame stof voor beperkte tijd voor gebruik op hun grondgebied toe te laten, mits er een dossier is ingediend dat aan de gemeenschapsvoorschriften beantwoordt en de lidstaat van mening is dat de werkzame stof en het biocide voldoen aan de daarvoor geldende gemeenschapsvoorwaarden”.

39     Zoals bovendien 3M Nederland BV e.a. (hierna: „3M Nederland”), de Nederlandse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen terecht betogen, schrijft artikel 16, lid 5, van richtlijn 98/8 voor dat het bepaalde in richtlijn 83/189, die voorziet in een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, blijft gelden gedurende de overgangsperiode. Verder legt artikel 34, lid 3, van richtlijn 98/8 de lidstaten de verplichting op om de Commissie de tekst mee te delen van de bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Aangezien lid 1 van laatstgenoemd artikel voorziet in een specifieke mededeling van de nationale maatregelen die ter uitvoering van richtlijn 98/8 zijn vastgesteld, moet, gelet ook op het doel van de artikelen 16, lid 5, en 34, lid 3, worden geconstateerd dat deze richtlijn tevens doelt op andere wijzigingen van de nationale regelingen tijdens de overgangsperiode dan die welke louter tot uitvoering daarvan strekken.

40     Hieruit volgt dat de formulering „zijn huidige systeem of praktijk met betrekking tot het op de markt brengen van biociden blijven toepassen” in artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8 niet moet worden uitgelegd als een standstillverplichting

41     Dit neemt niet weg dat het recht van de lidstaten om hun systeem van toelating van biociden te wijzigen, niet onbeperkt is.

42     Immers, hoewel op de lidstaten geen verplichting rust om de maatregelen tot uitvoering van een richtlijn vóór het verstrijken van de daarvoor geldende termijn vast te stellen, volgt uit artikel 10, tweede alinea, EG in samenhang met artikel 249, derde alinea, EG en met de richtlijn zelf, dat zij zich gedurende deze termijn dienen te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door deze richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zouden brengen (arrest van 18 december 1997, Inter‑Environnement Wallonie, C‑129/96, Jurispr. blz. I‑7411, punt 45). Dit geldt ook voor een overgangsperiode als in casu voorzien in artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8, tijdens welke de lidstaten hun nationale systemen mogen blijven toepassen ofschoon deze niet in overeenstemming zijn met voornoemde richtlijn.

43     Het staat derhalve aan de nationale rechter om te beoordelen of zulks het geval is met de nationale bepalingen waarvan hij de wettigheid heeft te toetsen.

44     Op de derde vraag moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8 aldus moet worden uitgelegd dat het geen standstillverplichting bevat. Ingevolge de artikelen 10, tweede alinea, EG en 249, derde alinea, EG alsmede richtlijn 98/8 dienen de lidstaten zich echter tijdens de in artikel 16, lid 1, van deze richtlijn bepaalde overgangsperiode te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door deze richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zouden brengen.

 De vierde vraag

45     Met zijn vierde vraag, die uit twee onderdelen bestaat, wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 aldus moet worden uitgelegd, dat indien een lidstaat toelaat dat gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die niet in bijlage I bij deze richtlijn zijn opgenomen en die twee jaar na de datum van kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt waren, op zijn grondgebied op de markt worden gebracht, daarbij het bepaalde in artikel 4 of artikel 8, lid 3, van deze richtlijn in acht moet worden genomen.

46     Om te beginnen moet worden opgemerkt dat, zoals 3M Nederland, de Nederlandse regering en de Commissie terecht betogen, artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 een uitzondering vormt op artikel 4 van deze richtlijn en dat deze bepaling, in tegenstelling tot het eerste lid van artikel 8, niet de voorwaarden specificeert waaraan moet worden voldaan om een toelating tot het op de markt brengen te kunnen verlenen. Wél preciseert zij dat een toelating wordt verleend onverminderd het bepaalde in het derde lid van hetzelfde artikel.

47     Volgens dit derde lid „passen [de lidstaten] […] de in artikel 4, lid 1, sub b, punten i tot en met v, en sub c tot en met f, genoemde voorwaarden toe” wanneer zij „een nieuw onderzoek instellen naar gewasbeschermingsmiddelen die een […] werkzame stof bevatten” die niet in bijlage I bij richtlijn 91/414 is opgenomen en die twee jaar na de datum van kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt is, en wel voordat dit nieuwe onderzoek heeft plaatsgevonden.

48     Een dergelijk nieuw onderzoek vooronderstelt, zoals ook 3M Nederland en de Nederlandse regering stellen, dat het gewasbeschermingsmiddel reeds is toegelaten op de markt en dat deze toelating nog geldig is. Dit kan onder meer worden afgeleid uit artikel 4, lid 5, van richtlijn 91/414. Volgens deze bepaling kan een toelating van gewasbeschermingsmiddelen die in bijlage I bij deze richtlijn opgenomen werkzame stoffen bevatten, te allen tijde worden herzien indien er aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan de voor de verlening daarvan geldende eisen.

49     Zoals het Hof bovendien heeft geoordeeld in punt 39 van het arrest van 3 mei 2001, Monsanto (C‑306/98, Jurispr. blz. I-3279), beslissen de lidstaten aan de hand van de eisen van artikel 4, lid 1, sub b, punten i tot en met v, en sub c tot en met f, van richtlijn 91/414, of een nieuw onderzoek van gewasbeschermingsmiddelen nodig is.

50     Artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414 moet dan ook aldus worden uitgelegd, dat de in deze bepaling bedoelde nieuwe onderzoeksprocedure een voorfase omvat die functioneel verbonden is met dit nieuwe onderzoek en tijdens welke de lidstaten eveneens gehouden zijn de eisen van artikel 4, lid 1, sub b, punten i tot en met v, en sub c tot en met f, van voornoemde richtlijn in acht te nemen. Deze fase onderscheidt zich echter van de in artikel 8, lid 2, van deze richtlijn bedoelde toelatingsprocedure.

51     De lidstaten zijn derhalve niet verplicht de bepalingen van artikel 4, lid 1, sub b, punten i tot en met v, en sub c tot en met f, van richtlijn 91/414 in acht te nemen wanneer zij besluiten gewasbeschermingsmiddelen die niet in bijlage I bij deze richtlijn opgenomen werkzame stoffen bevatten en die twee jaar na de datum van kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt waren, op hun respectieve grondgebied toe te laten. In beginsel is dus de nationaalrechtelijke procedure van toepassing op de verlening van deze toelatingen voor het op de markt brengen.

52     De Deense en de Franse regering brengen echter naar voren, dat de verplichting om in een procedure tot toelating van gewasbeschermingsmiddelen krachtens artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 de in artikel 8, lid 3, bedoelde bepalingen van artikel 4 van deze richtlijn in acht te nemen, voortvloeit uit de formulering „onverminderd lid 3”, gelezen in samenhang met de zinsnede „[w]anneer lidstaten een nieuw onderzoek instellen naar gewasbeschermingsmiddelen die een overeenkomstig lid 2 te onderzoeken werkzame stof bevatten”, voorkomend in respectievelijk het tweede en het derde lid van artikel 8.

53     Dit argument kan niet worden aanvaard.

54     Zoals de advocaat-generaal namelijk in de punten 70 tot en met 72 van zijn conclusie heeft opgemerkt, betekent de verwijzing in artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 naar het derde lid van dit artikel niet méér dan dat gewasbeschermingsmiddelen die krachtens artikel 8, lid 2, van deze richtlijn reeds zijn toegelaten overeenkomstig de eisen van nationaal recht, niet zijn gevrijwaard van de procedure en de specifieke voorwaarden van het nieuwe onderzoek bedoeld in artikel 8, lid 3. Insgelijks betekent de zinsnede „[w]anneer lidstaten een nieuw onderzoek instellen naar gewasbeschermingsmiddelen die een overeenkomstig lid 2 te onderzoeken werkzame stof bevatten”, dat de in artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414 bedoelde nieuwe onderzoeksprocedure van toepassing is op gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die niet in bijlage I bij deze richtlijn zijn opgenomen en die twee jaar na de kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt zijn. Deze procedure geldt dus voor producten die overeenkomstig het tweede lid van artikel 8 zijn toegelaten.

55     Deze uitlegging strookt met de opzet en het doel van de bij richtlijn 91/414 ingevoerde overgangsregeling, die ook voor gewasbeschermingsmiddelen die niet in bijlage I opgenomen werkzame stoffen bevatten en die dus overeenkomstig artikel 8, lid 2, van deze richtlijn waren toegelaten, voorziet in een nieuwe onderzoeksprocedure die in sommige opzichten overeenkomt met de in artikel 4, lid 5, van deze richtlijn bedoelde herzieningsprocedure volgens het gemene recht.

56     Wat bovendien de vereisten op het gebied van informatieverstrekking betreft waaraan de aanvrager van een toelating tot het op de markt brengen van een gewasbeschermingsmiddel is onderworpen, bepaalt artikel 13, lid 6, van richtlijn 91/414 dat de lidstaten, met inachtneming van de bepalingen van het EG-Verdrag, de vroegere nationale voorschriften inzake de te verstrekken gegevens mogen blijven toepassen zolang deze stoffen niet in bijlage I bij deze richtlijn zijn opgenomen.

57     Gelet op het voorgaande moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 aldus moet worden uitgelegd, dat indien een lidstaat toelaat dat gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die niet in bijlage I bij deze richtlijn zijn opgenomen en die twee jaar na kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt waren, op zijn grondgebied op de markt worden gebracht, daarbij niet het bepaalde in artikel 4 of artikel 8, lid 3, van deze richtlijn in acht hoeft te worden genomen.

 De tweede vraag

58     De tweede vraag van de verwijzende rechter, die thans moet worden onderzocht, houdt in of de overgangsregelingen in artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8 en artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 ondanks hun verschillende formulering dezelfde betekenis hebben.

59     Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat overeenkomstig de 20e overweging van de considerans van richtlijn 98/8 dient te worden gezorgd voor een intensieve coördinatie met andere gemeenschapsvoorschriften en in het bijzonder met richtlijn 91/414.

60     Voorts moet in herinnering worden geroepen dat artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414, evenals artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8, tot doel heeft, de lidstaten in staat te stellen om gedurende de in deze beide richtlijnen omschreven overgangsperiode de bestaande nationale toelatingsprocedures voor het op de markt brengen van de onder deze richtlijn vallende producten die werkzame stoffen bevatten die op gemeenschapsniveau nog niet zijn beoordeeld, te blijven toepassen.

61     Niets wijst er derhalve op dat de gemeenschapswetgever aan deze bepalingen een verschillende betekenis heeft willen toekennen.

62     Deze uitlegging vindt ook steun in de punten 43 en 44 van het reeds aangehaalde arrest Monsanto, waarin het Hof heeft geoordeeld dat de bij artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414 ingevoerde overgangsperiode overeenstemt met de oplossing waarvoor in artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8 is gekozen.

63     Gelet op het voorgaande moet de tweede vraag aldus worden beantwoord, dat artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8 dezelfde betekenis heeft als artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414.

 De vijfde vraag

64     Met zijn vijfde vraag wil de verwijzende rechter weten, of onder het in artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414 bedoelde nieuwe onderzoek ook moet worden verstaan een toets in de zin van artikel 25d, lid 2, Bmw, op basis waarvan een werkzame stof kan worden aangewezen, welke aanwijzing tot gevolg heeft dat gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof bevatten, van rechtswege zijn toegelaten of geregistreerd.

65     De Stichting stelt dat de aanwijzing van werkzame stoffen in de zin van artikel 25d Bmw moet worden beschouwd als een toelating in de zin van de artikelen 3, 4 en 8 van richtlijn 91/414. De Franse regering is van oordeel, dat het begrip nieuw onderzoek van gewasbeschermingsmiddelen die een overeenkomstig artikel 8, lid 2, van dezelfde richtlijn te onderzoeken werkzame stof bevatten, niet alleen betrekking moet hebben op het nieuwe onderzoek van producten waarvoor reeds een toelating voor het op de markt brengen geldt, maar ook op het onderzoek van nieuwe producten waarvoor weliswaar nog geen toelating voor het op de markt brengen geldt, maar die een werkzame stof bevatten die al wordt toegepast in producten die op grond van laatstgenoemde bepaling zijn toegelaten. De Commissie betoogt dat de in artikel 25d Bmw bedoelde toets van de werkzame stoffen, evenals de in artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414 bedoelde procedure van nieuw onderzoek van producten, uit een initiatief van de nationale autoriteiten voortvloeit. Zowel de Stichting als de Franse regering en de Commissie concludeert derhalve dat voornoemde toets neerkomt op een nieuw onderzoek, dat aan de eisen van artikel 8, lid 3, dient te voldoen.

66     3M Nederland en de Nederlandse regering stellen daarentegen, dat artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414 en artikel 25d Bmw verschillende doelstellingen en een verschillende werkingssfeer hebben. De eerste bepaling is namelijk slechts van toepassing in geval van een nieuw onderzoek van producten die nog over een geldige toelating beschikken, hetgeen wordt bevestigd in punt 34 van het reeds aangehaalde arrest Monsanto, terwijl de tweede bepaling slechts van toepassing is op bestrijdingsmiddelen waarvan de toelating niet langer geldig is. Gelet bovendien op de definitieverschillen tussen de begrippen „nieuw onderzoek” en „onderzoek”, kunnen noch de automatische verlenging van de toelating noch de toets van de werkzame stoffen, waarbij krachtens artikel 25d Bmw rekening wordt gehouden met de effecten op de gezondheid van mens en dier en op het milieu, worden aangemerkt als een nieuw onderzoek in de zin van artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414.

67     Zoals reeds in punt 48 van dit arrest is geoordeeld, vooronderstelt een nieuw onderzoek in de zin van richtlijn 91/414 dat het betrokken gewasbeschermingsmiddel reeds is toegelaten en dat deze toelating nog steeds geldig is op het moment van het nieuwe onderzoek.

68     Bovendien volgt uit artikel 4, lid 5, juncto artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414 dat het doel van het nieuwe onderzoek niet een nieuwe beoordeling van een afzonderlijke werkzame stof is, maar van het gewasbeschermingsmiddel dat deze stof bevat, en dat een dergelijk nieuw onderzoek plaatsvindt op initiatief van de nationale autoriteiten en niet op dat van particuliere belanghebbenden.

69     Derhalve moet de vijfde vraag aldus worden beantwoord, dat het aan de verwijzende rechter staat om te beoordelen of de toets in artikel 25d, lid 2, Bmw alle kenmerken vertoont van het nieuwe onderzoek in de zin van artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414, en met name de kenmerken als gepreciseerd in de punten 67 en 68 van dit arrest.

 De zesde vraag

70     De zesde vraag van de verwijzende rechter komt erop neer, of artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414 slechts voorschriften bevat met betrekking tot de verstrekking van gegevens voorafgaand aan een nieuw onderzoek, dan wel of deze bepaling aldus moet worden begrepen dat de daarin genoemde voorwaarden ook van betekenis zijn voor de wijze waarop een nieuw onderzoek moet worden ingericht en uitgevoerd.

71     Zoals in punt 47 van dit arrest reeds opgemerkt, passen de lidstaten volgens artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414 de voorwaarden van artikel 4, lid 1, sub b, punten i tot en met v, en sub c tot en met f, van deze richtlijn toe wanneer zij „een nieuw onderzoek instellen naar gewasbeschermingsmiddelen die een […] werkzame stof bevatten” die niet in bijlage I bij deze richtlijn is opgenomen en die twee jaar na de datum van kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt is, en wel voordat dit onderzoek heeft plaatsgevonden. Bovendien passen de lidstaten deze voorwaarden toe volgens de nationale bepalingen betreffende de verstrekking van gegevens, zoals in artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414 is bepaald.

72     De voorwaarden genoemd in artikel 4, lid 1, sub b tot en met e, van richtlijn 91/414 hebben betrekking op de veiligheid en de doeltreffendheid van gewasbeschermingsmiddelen. Artikel 4, lid 1, sub f, van de richtlijn verplicht de lidstaten ertoe maximum residugehalten te bepalen, die aan de Commissie moeten worden meegedeeld en door haar goedgekeurd. In het licht van deze criteria beslissen de lidstaten of een nieuw onderzoek van gewasbeschermingsmiddelen nodig is (zie in die zin arrest Monsanto, reeds aangehaald, punt 39).

73     Bovendien, zoals de advocaat-generaal in punt 88 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bevat artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414 geen enkel voorschrift met betrekking tot de inrichting en de uitvoering van het nieuwe onderzoek.

74     In deze omstandigheden moet op de zesde vraag worden geantwoord, dat artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414 aldus moet worden uitgelegd dat het slechts bepalingen met betrekking tot de verstrekking van gegevens voorafgaand aan een nieuw onderzoek bevat.

 De eerste vraag

75     Met zijn eerste vraag, die is onderverdeeld in twee vragen, wil de verwijzende rechter weten of artikel 8, leden 2 en 3, van richtlijn 91/414 en artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8 rechtstreekse werking hebben nadat de termijn voor omzetting van de betrokken richtlijn in nationaal recht is verstreken.

76     Gelet op het antwoord op de overige vragen hoeft deze eerste vraag niet worden beantwoord.

77     Volgens vaste rechtspraak gelden de uit een richtlijn voortvloeiende verplichting van de lidstaten om het daarmee beoogde doel te verwezenlijken, alsook de verplichting van de lidstaten krachtens artikel 10 EG om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, voor alle met overheidsgezag beklede instanties in die staten, en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties (zie onder meer arresten van 10 april 1984, Von Colson en Kamann, 14/83, Jurispr. blz. 1891, punt 26, en 13 november 1990, Marleasing, C‑106/89, Jurispr. blz. I-4135, punt 8).

78     Daaruit volgt dat de nationale rechter bij de toepassing van het nationale recht, en met name van de bepalingen van een speciaal ter uitvoering van een richtlijn vastgestelde regeling, zoals in casu, dit nationale recht zo veel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 249, derde alinea, EG te voldoen (zie in deze zin onder meer reeds aangehaalde arresten Von Colson en Kamann, punt 26, en Marleasing, punt 8).

 Kosten

79     Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden, moet aldus worden uitgelegd dat het geen standstillverplichting bevat. Ingevolge de artikelen 10, tweede alinea, EG en 249, derde alinea, EG alsmede richtlijn 98/8 dienen de lidstaten zich echter tijdens de in artikel 16, lid 1, van deze richtlijn bepaalde overgangsperiode te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door deze richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zouden brengen.

2)      Artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, moet aldus worden uitgelegd, dat indien een lidstaat toelaat dat gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die niet in bijlage I bij deze richtlijn zijn opgenomen en die twee jaar na kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt waren, op zijn grondgebied op de markt worden gebracht, daarbij niet het bepaalde in artikel 4 of artikel 8, lid 3, van deze richtlijn in acht hoeft te worden genomen.

3)      Artikel 16, lid 1, van richtlijn 98/8 heeft dezelfde betekenis als artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/414.

4)      Het staat aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de toets in artikel 25d, lid 2, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 alle kenmerken vertoont van het nieuwe onderzoek in de zin van artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414.

5)      Artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/414 moet aldus worden uitgelegd, dat het slechts bepalingen met betrekking tot de verstrekking van gegevens voorafgaand aan een nieuw onderzoek bevat.

6)      De eerste vraag hoeft niet te worden beantwoord.

ondertekeningen


* Procestaal: Nederlands.