62001J0142

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 16 mei 2002. - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Italiaanse Republiek. - Niet-nakoming - Richtlijn 92/51/EEG - Stelsel van erkenning van beroepsopleidingen - Skileraar. - Zaak C-142/01.

Jurisprudentie 2002 bladzijde I-04541


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1. Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van gemeenschapsrecht - Voorwaarde van wederkerigheid - Ontoelaatbaarheid

2. Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Erkenning van diploma's en titels - Richtlijnen 89/48 en 92/51 - Erkenning van diploma van skileraar - Voorwaarde van wederkerigheid - Ontoelaatbaarheid

(Richtlijnen 89/48 en 92/51 van de Raad)

Samenvatting


1. De nakoming van krachtens het Verdrag of krachtens afgeleid recht op de lidstaten rustende verplichtingen mag niet afhankelijk worden gesteld van een wederkerigheidsvoorwaarde.

( cf. punt 7 )

2. Een lidstaat die een regeling handhaaft volgens welke de erkenning van het diploma van skileraar is onderworpen aan een voorwaarde van wederkerigheid, voldoet niet aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens richtlijn 92/51 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48.

( cf. punt 11 en dictum )

Partijen


In zaak C-142/01,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia en A. Aresu als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door G. Aiello, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door de handhaving van artikel 12, eerste alinea, van legge nr. 81, Legge-quadro per la professione di maestro di sci e ulteriori disposizioni in materia di ordinamento della professione di guida alpina (kaderwet voor het beroep van skileraar en nadere bepalingen ter reglementering van het beroep van berggids), van 8 maart 1991 (GURI nr. 64, van 16 maart 1991, blz. 3), waarin de voorwaarde van wederkerigheid wordt gesteld voor de erkenning van het diploma van skileraar, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48/EEG (PB L 209, blz. 25),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: S. von Bahr, kamerpresident, D. A. O. Edward (rapporteur) en C. W. A. Timmermans, rechters,

advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,

griffier: R. Grass,

gezien het rapport van de rechter-rapporteur,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 maart 2002,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 28 maart 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat de Italiaanse Republiek, door de handhaving van artikel 12, eerste alinea, van legge nr. 81, Legge-quadro per la professione di maestro di sci e ulteriori disposizioni in materia di ordinamento della professione di guida alpina (kaderwet voor het beroep van skileraar en nadere bepalingen ter regeling van het beroep van berggids), van 8 maart 1991 (GURI nr. 64, van 16 maart 1991, blz. 3, hierna: wet nr. 81"), waarin de voorwaarde van wederkerigheid wordt gesteld voor de erkenning van het diploma van skileraar, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48/EEG (PB L 209, blz. 25).

2 Artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 92/51 luidt:

Onverminderd de toepassing van richtlijn 89/48/EEG mag, wanneer in de ontvangende lidstaat de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een diploma zoals omschreven in deze richtlijn of in richtlijn 89/48/EEG, de bevoegde instantie een onderdaan van een lidstaat de toegang tot of de uitoefening van dat beroep onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden, niet weigeren wegens onvoldoende kwalificaties, indien:

a) de aanvrager in het bezit is van het diploma zoals omschreven in deze richtlijn of in richtlijn 89/48/EEG, dat door een andere lidstaat is voorgeschreven om tot het betrokken beroep op zijn grondgebied te worden toegelaten dan wel deze activiteit aldaar uit te oefenen, en dat in een lidstaat behaald is; of

[...]"

3 Artikel 12, eerste alinea, van wet nr. 81 bepaalt het volgende:

De regio's reglementeren de regelmatige uitoefening op hun grondgebied van de werkzaamheden van buitenlandse skileraren die niet in de regionale beroepsregisters zijn ingeschreven. De vergunning voor de uitoefening van dit beroep wordt slechts afgegeven nadat de Italiaanse wintersportfederatie met instemming van het in artikel 15 bedoelde nationale college de gelijkwaardigheid van de titels en de wederkerigheid heeft erkend."

4 Van oordeel dat wet nr. 81 een wederkerigheidsvoorwaarde stelt waarin richtlijn 92/51 niet voorziet, heeft de Commissie de niet-nakomingsprocedure ingeleid. Na de Italiaanse Republiek twee keer te hebben aangemaand haar opmerkingen kenbaar te maken, heeft de Commissie op 21 juni 2000 een met redenen omkleed advies uitgebracht en deze lidstaat verzocht, de maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om zich binnen twee maanden na kennisgeving van dit advies daarnaar te voegen.

5 Bij brieven van 24 mei en 26 juni 2000 hebben de Italiaanse autoriteiten op de twee aanmaningsbrieven geantwoord. De Commissie nam met die antwoorden geen genoegen en heeft de onderhavige niet-nakomingsprocedure ingeleid. Daarin heeft zij echter, teneinde rekening te houden met het tweede antwoord van de Italiaanse autoriteiten, haar conclusie beperkt tot de grief volgens welke de erkenning van het diploma van skileraar afhankelijk is gesteld van een wederkerigheidsvoorwaarde.

6 In haar verweerschrift geeft de Italiaanse regering te kennen, dat zij de bestreden wederkerigheidsvoorwaarde nooit heeft toegepast.

7 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de nakoming van krachtens het EG-Verdrag of krachtens afgeleid recht op de lidstaten rustende verplichtingen niet afhankelijk mag worden gesteld van een wederkerigheidsvoorwaarde (zie arrest van 29 maart 2001, Portugal/Commissie, C-163/99, Jurispr. blz. I-2613, punt 22), en dat eenvoudige administratieve praktijken, die naar hun aard volgens goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd en waaraan onvoldoende bekendheid is gegeven, niet zijn te beschouwen als een correcte uitvoering van de verplichtingen die het Verdrag oplegt (zie arrest van 7 maart 1996, Commissie/Frankrijk, C-334/94, Jurispr. blz. I-1307, punt 30).

8 Ook is het vaste rechtspraak, dat het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (arrest van 12 december 2000, Commissie/Portugal, C-435/99, Jurispr. blz. I-11179, punt 16).

9 De Italiaanse Republiek geeft toe dat, met uitzondering van de regio Venetiƫ, haar interne recht noch bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, noch bij de opstelling van het verweerschrift was gewijzigd. Zij verklaart enkel, dat een wetsontwerp waarmee de wederkerigheidsvoorwaarde voor de erkenning van het diploma van skileraar moet worden afgeschaft, in voorbereiding is.

10 In die omstandigheden moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht.

11 Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, door de handhaving van artikel 12, eerste alinea, van wet nr. 81, waarin de voorwaarde van wederkerigheid wordt gesteld voor de erkenning van het diploma van skileraar, niet heeft voldaan aan de krachtens richtlijn 92/51 op haar rustende verplichtingen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

12 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),

rechtdoende, verstaat:

1) Door de handhaving van artikel 12, eerste alinea, van legge nr. 81, Legge-quadro per la professione di maestro di sci e ulteriori disposizioni in materia di ordinamento della professione di guida alpina (kaderwet voor het beroep van skileraar en nadere bepalingen ter reglementering van het beroep van berggids), van 8 maart 1991, waarin de voorwaarde van wederkerigheid wordt gesteld voor de erkenning van het diploma van skileraar, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48/EEG.

2) De Italiaanse Republiek wordt in de kosten verwezen.