Zaak C-104/01
Libertel Groep BV
tegen
Benelux-Merkenbureau
(verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing)
«Merken – Harmonisatie van wetgevingen – Richtlijn 89/104/EEG – Tekens die merk kunnen zijn – Onderscheidend vermogen – Kleur als zodanig – Kleur oranje»
|
| Conclusie van advocaat-generaal P. Léger van 12 november 2002 |
|
I - 0000 |
|
|
|
|
|
|
| Arrest van het Hof van 6 mei 2003 |
|
I - 0000 |
|
|
|
|
|
Samenvatting van het arrest
- 1..
- Harmonisatie van wetgevingen – Merken – Richtlijn 89/104 – Tekens die merk kunnen zijn – Kleur als zodanig – Voorwaarden
(Richtlijn 89/104 van de Raad, art. 2)
- 2..
- Gemeenschapsrecht – Uitlegging – Richtlijnen – Verklaring opgenomen in notulen van Raad – Inaanmerkingneming – Ontoelaatbaarheid bij gebreke van steun in richtlijn zelf
- 3..
- Harmonisatie van wetgevingen – Merken – Richtlijn 89/104 – Weigering van inschrijving of nietigheid – Ontbreken van onderscheidend vermogen – Mogelijkheid voor kleur als zodanig om onderscheidend vermogen te hebben – Voorwaarden
(Richtlijn 89/104 van de Raad, art. 3, lid 1, sub b, en lid 3)
- 4..
- Harmonisatie van wetgevingen – Merken – Richtlijn 89/104 – Inschrijving van nieuw merk – Onderzoek van teken door bevoegde autoriteit – Noodzaak van grondig onderzoek
(Richtlijn 89/104 van de Raad, art. 2 en 3)
- 5..
- Harmonisatie van wetgevingen – Merken – Richtlijn 89/104 – Weigering van inschrijving of nietigheid – Ontbreken van onderscheidend vermogen – Beoordeling van onderscheidend vermogen van kleur als zodanig – Inaanmerkingneming van algemeen belang om beschikbaarheid van kleuren niet ongerechtvaardigd te beperken
(Richtlijn 89/104 van de Raad, art. 3, lid 1, sub b, en lid 3)
- 6..
- Harmonisatie van wetgevingen – Merken – Richtlijn 89/104 – Weigering van inschrijving of nietigheid – Ontbreken van onderscheidend vermogen – Erkenning van onderscheidend vermogen van kleur als zodanig – Verkrijging van onderscheidend vermogen door gebruik
(Richtlijn 89/104 van de Raad, art. 3, lid 1, sub b)
- 7..
- Harmonisatie van wetgevingen – Merken – Richtlijn 89/104 – Weigering van inschrijving of nietigheid – Ontbreken van onderscheidend vermogen – Erkenning van onderscheidend vermogen van kleur als zodanig – Voorwaarden
(Richtlijn 89/104 van de Raad, art. 3, lid 1, sub b, en lid 3)
- 8..
- Harmonisatie van wetgevingen – Merken – Richtlijn 89/104 – Weigering van inschrijving of nietigheid – Ontbreken van onderscheidend vermogen – Beoordeling van onderscheidend vermogen van kleur en van algemeen belang om beschikbaarheid van kleuren niet ongerechtvaardigd
te beperken – Inaanmerkingneming van aantal waren of diensten waarop inschrijvingsaanvraag betrekking heeft
(Richtlijn 89/104 van de Raad, art. 3, lid 1, sub b, en lid 3)
- 9..
- Harmonisatie van wetgevingen – Merken – Richtlijn 89/104 – Weigering van inschrijving of nietigheid – Ontbreken van onderscheidend vermogen – Beoordeling van onderscheidend vermogen van merk – Concreet onderzoek dat ook gebruik van merk omvat
(Richtlijn 89/104 van de Raad, art. 3, lid 1, sub b, en lid 3)
- 1.
Een kleur als zodanig kan een merk in de zin van artikel 2 van de Eerste merkenrichtlijn (89/104) vormen, op voorwaarde dat
zij een teken vormt dat vatbaar is voor grafische voorstelling en dat geschikt is om de waren of diensten van een onderneming
te onderscheiden van die van andere ondernemingen. cf. punten 23, 42
- 2.
Een bij de vaststelling van een richtlijn in de notulen van de Raad opgenomen verklaring kan niet in aanmerking worden genomen
voor de uitlegging van een bepaling daarvan, wanneer de inhoud van de verklaring niet in de tekst van de betrokken bepaling
is terug te vinden en dus geen rechtskracht heeft. cf. punten 25-26
- 3.
Een kleur als zodanig, zonder bepaalde omtrek, kan voor bepaalde waren en diensten onderscheidend vermogen hebben in de zin
van artikel 3, lid 1, sub b, en lid 3, van de Eerste merkenrichtlijn (89/104), op voorwaarde onder meer dat zij het voorwerp
kan vormen van een grafische voorstelling die duidelijk, nauwkeurig, als zodanig volledig, gemakkelijk toegankelijk, begrijpelijk,
duurzaam en objectief is. Aan deze laatste voorwaarde kan niet worden voldaan door de betrokken kleur eenvoudigweg op papier
weer te geven, doch wel door de kleur aan te duiden met een internationaal erkende kleurcode. cf. punt 68, dictum 1
- 4.
Uit het aantal en de gedetailleerde aard van de in de artikelen 2 en 3 van de Eerste merkenrichtlijn (89/114) opgesomde inschrijvingsbeletselen
en het brede scala aan beroepsmogelijkheden in geval van een weigering blijkt dat het door de bevoegde autoriteit in het kader
van de aanvraag tot inschrijving verrichte onderzoek niet minimaal mag zijn. Dit onderzoek moet streng en volledig zijn, teneinde
te voorkomen dat merken ten onrechte worden ingeschreven. Om redenen van rechtszekerheid en goed bestuur moet er namelijk voor worden gewaakt, dat merken worden ingeschreven waarvan
het gebruik met succes voor de rechter zou kunnen worden aangevochten. cf. punt 59
- 5.
Bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen in de zin van artikel 3, lid 1, sub b, en lid 3, van de Eerste merkenrichtlijn
(89/114) van een bepaalde kleur als merk moet rekening worden gehouden met het algemeen belang dat de beschikbaarheid van
kleuren niet ongerechtvaardigd wordt beperkt voor de andere marktdeelnemers die waren of diensten aanbieden van het type waarvoor
de inschrijving is aangevraagd. cf. punt 60, dictum 2
- 6.
Slechts in uitzonderlijke gevallen is het denkbaar dat een kleur als zodanig onderscheidend vermogen in de zin van artikel 3,
lid 1, sub b, van de Eerste merkenrichtlijn (89/114) toekomt alvorens daarvan enig gebruik is gemaakt. Doch ook al heeft een
kleur als zodanig niet van meet af aan onderscheidend vermogen, dit neemt niet weg dat zij in relatie tot de waren of diensten
waarvoor zij wordt aangevraagd, onderscheidend vermogen kan krijgen door het gebruik dat ervan is gemaakt, in de zin van het
derde lid van dit artikel. Dit onderscheidend vermogen kan onder meer worden verkregen na een normaal proces van inburgering
bij het relevante publiek. cf. punten 66-67
- 7.
Aan een kleur als zodanig komt onderscheidend vermogen in de zin van artikel 3, lid 1, sub b, en lid 3, van de Eerste merkenrichtlijn
(89/104) toe voorzover het merk in de perceptie van het relevante publiek geschikt is om de waar of de dienst waarvoor de
inschrijving is aangevraagd, als afkomstig van een bepaalde onderneming te identificeren en dus om deze waar of dienst van
die van andere ondernemingen te onderscheiden. cf. punt 69, dictum 3
- 8.
Het feit dat de inschrijving als merk van een kleur als zodanig is aangevraagd voor een groot aantal waren en/of diensten,
dan wel voor een specifieke waar of dienst, onderscheidenlijk groep van waren of diensten, is tezamen met de overige omstandigheden
van het concrete geval van belang zowel voor de beoordeling van het onderscheidend vermogen in de zin van artikel 3, lid 1,
sub b, en lid 3, van de Eerste merkenrichtlijn (89/104) van de kleur waarvoor om inschrijving is verzocht, als voor de beoordeling
van de vraag of de inschrijving ervan zou indruisen tegen het algemeen belang dat de beschikbaarheid van kleuren niet ongerechtvaardigd
wordt beperkt voor de andere marktdeelnemers die waren of diensten aanbieden van het type waarvoor de inschrijving is aangevraagd.
cf. punt 71, dictum 4
- 9.
Bij de beoordeling of een merk onderscheidend vermogen in de zin van artikel 3, lid 1, sub b, en lid 3, van de Eerste merkenrichtlijn
(89/104) bezit, moet de autoriteit die bevoegd is voor de inschrijving van merken, een concreet onderzoek verrichten, daarbij
rekening houdend met alle concrete omstandigheden van het geval, daaronder begrepen het gebruik dat van het merk is gemaakt.
cf. punt 77, dictum 5