61998O0162

Beschikking van het Hof (Vierde kamer) van 12 november 1998. - Beroep tegen een administratieve boete, ingesteld door Hans-Jürgen Hartmann. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Oberlandesgericht Köln - Duitsland. - Verzoek om uitlegging van verdrag gesloten tussen sommige lidstaten in het kader van artikel 8 van richtlijn 93/89/EEG - Onbevoegdheid van het Hof. - Zaak C-162/98.

Jurisprudentie 1998 bladzijde I-07083


Samenvatting

Trefwoorden


Prejudiciƫle vragen - Bevoegdheid van Hof - Grenzen - Verdrag inzake rechten voor gebruik van wegen, gesloten tussen sommige lidstaten - Uitsluiting - Gemeenschapsrichtlijn die sluiten van verdrag toestaat - Geen invloed - Verwijzing in verdrag naar in richtlijn gegeven definities - Geen invloed wanneer verzoek betrekking heeft op uitlegging van niet daarin gedefinieerd begrip

(EG-Verdrag, art. 177; richtlijn 93/89 van de Raad)

Samenvatting


Het Hof is kennelijk onbevoegd in te gaan op een prejudicieel verzoek betreffende de uitlegging van het tussen de regeringen van sommige lidstaten gesloten verdrag van 9 februari 1994 inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, aangezien de gestelde vraag noch de uitlegging van het EG-Verdrag, noch de geldigheid of de uitlegging van een handeling van een instelling van de Gemeenschap betreft.

Wat dit betreft is het niet van belang dat de preambule van het verdrag verwijst naar richtlijn 93/89 betreffende de belastingen op sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen en de wegenbelastingen voor het gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen, die twee of meer lidstaten toestaat bij de invoering van een gemeenschappelijk stelsel van gebruiksrechten samen te werken mits voldaan is aan bepaalde aanvullende voorwaarden naast die waaraan de toepassing van die rechten onderworpen is wanneer de lidstaten individueel optreden. Het enkele feit dat die bepaling een dergelijke samenwerking tussen de lidstaten toelaat, volstaat namelijk niet om een daartoe gesloten verdrag te beschouwen als deel uitmakend van het gemeenschapsrecht, voor de uitlegging waarvan het Hof bevoegd is.

Een dergelijke bevoegdheid kan evenmin worden afgeleid uit de verwijzing, in het verdrag, naar bepaalde in de richtlijn gegeven definities, voor zover het begrip waarop het verzoek betrekking heeft, daarin niet wordt gedefinieerd.