61998C0102

Conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer van 7 oktober 1999. - Ibrahim Kocak tegen Landesversicherungsanstalt Oberfranken und Mittelfranken (C-102/98) en Ramazan Örs tegen Bundesknappschaft (C-211/98). - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Bundessozialgericht - Duitsland. - Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Besluiten van Associatieraad - Sociale zekerheid - Verbod van discriminatie op grond van nationaliteit - Rechtstreekse werking - Draagwijdte - Wetgeving van lidstaat inzake vaststelling van geboortedatum in verband met toekenning van socialeverzekeringsnummer en verlening van ouderdomspensioen. - Gevoegde zaken C-102/98 en C-211/98.

Jurisprudentie 2000 bladzijde I-01287


Conclusie van de advocaat generaal


1. Nu het Hof rechtstreekse werking heeft toegekend aan het beginsel van gelijke behandeling zoals omschreven in artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80 van de Associatieraad, opgericht bij de Associatieovereenkomst tussen de Gemeenschap en Turkije (hierna: Associatieovereenkomst"), rijst de vraag of dat beginsel zich ertegen verzet, dat een lidstaat de mogelijkheid van rectificatie van de bij de aanmelding voor zijn sociale verzekering opgegeven geboortedatum beperkt - met alle gevolgen van dien voor het recht op uitkeringen - tot de gevallen waarin er sprake is van een schrijffout of waarin documenten worden overgelegd die vóór de aanmelding zijn opgemaakt, zonder rekening te houden met de omstandigheden waaronder geboorten in Turkije worden geregistreerd.

Dat is, kort gezegd, wat de Achtste en de Dertiende Senat van het Duitse Bundessozialgericht willen vernemen met de prejudiciële vragen die zij het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) hebben gesteld.

I - De feiten in de zaak Kocak (C-102/98)

2. Verzoeker in het hoofdgeding, I. Kocak, van Turkse nationaliteit, werkte van 1956 tot 1962 in Turkije en was daar sociaal verzekerd. Van april 1962 tot december 1966 werkte hij in de Duitse mijnbouw. Sinds mei 1970 heeft hij steeds in Duitsland gewoond en tot zijn vervroegde pensionering per 1 oktober 1986 werkte hij er als industriearbeider. Sinds oktober 1991, toen zijn uitkering wegens vervroegde pensionering eindigde, ontvangt hij een bijstandsuitkering.

3. Toen hij zich in 1970 bij de Duitse sociale verzekering aanmeldde, gaf hij als geboortedatum 20 oktober 1933 op. Bij vonnis van de burgerlijke rechtbank te Düzce (Turkije) van 3 december 1985 werd Kocaks geboortejaar in het Turkse register van de burgerlijke stand gewijzigd in 1926. In verband met de aldus verbeterde geboortedatum kende de pensioenverzekering, de Landesversicherungsanstalt (LVA) Schleswig-Holstein, hem een nieuw verzekeringsnummer toe.

4. In augustus 1991 vroeg Kocak een ouderdomspensioen aan, zeggende dat hij de leeftijd van 65 jaar had bereikt. In februari 1992 deelde de LVA hem mee, dat zij het Turkse vonnis waarbij zijn geboortejaar was verbeterd, niet erkende voor zijn Duitse pensioenrechten. Zij wees de pensioenaanvraag af, op grond dat de aanvrager in 1933 was geboren en eerst in oktober 1998 65 jaar zou worden; daarenboven kende zij Kocak een nieuw verzekeringsnummer toe, waarin 1933 weer als geboortejaar werd vermeld.

5. Kocaks bezwaar tegen die beschikkingen werd afgewezen met het argument, dat de beslissing van de Turkse rechter uitsluitend op een medisch attest en de verklaring van één getuige berustte. De LVA was derhalve van oordeel, dat niet bewezen was dat de belanghebbende in 1926 was geboren en niet in 1933, zoals hij op het tijdstip van zijn aanmelding voor de Duitse pensioenverzekering had verklaard.

6. Het beroep in rechte werd in eerste instantie door het Sozialgericht Itzehoe toegewezen, dat het LVA veroordeelde Kocak wegens het voltooien van het 65e levensjaar ouderdomspensioen vanaf november 1991 te betalen. In hoger beroep werd deze beslissing door het Landessozialgericht Schleswig-Holstein vernietigd en het beroep verworpen, onder meer omdat de omstandigheden en bewijsmiddelen die Kocak had voorgelegd aan de Turkse rechtbank die de rectificatie van de geboortedatum had gelast, niet van voldoende gewicht waren om elke bewijskracht te ontnemen aan de eerste inschrijving in het register van de burgerlijke stand. Tegen deze uitspraak heeft Kocak Revision" ingesteld.

Het geschil is door een schikking gedeeltelijk beëindigd. Het heeft nu nog slechts betrekking op de weigering van verweerder in het hoofdgeding, de LVA Oberfranken und Mittelfranken, om verzoeker in het hoofdgeding een nieuw verzekeringsnummer toe te kennen (beschikking van 17 februari 1992), en op de weigering van ouderdomspensioen (beschikking van 1 december 1993).

II - De prejudiciële vraag in de zaak Kocak

7. De Dertiende Senat van het Bundessozialgericht, die in Revision" moet beslissen, heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:

Moet het recht betreffende de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (in het bijzonder artikel 9 van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije van 12 september 1963, artikel 37 van het aanvullend protocol van 23 november 1970 bij deze overeenkomst, artikel 10 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 en artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980) aldus worden uitgelegd, dat het de wetgever van een lidstaat niet is toegestaan, een wettelijke regeling vast te stellen volgens welke voor de opneming in het aan een verzekerde toegekende verzekeringsnummer, alsmede voor de toekenning van ouderdomspensioen, ook bij Turkse migrerende werknemers in beginsel de geboortedatum bepalend is welke blijkt uit de eerste opgave van de verzekerde aan het orgaan van sociale zekerheid van de betrokken lidstaat of aan de aldaar gevestigde (in zoverre tegenover het orgaan van sociale zekerheid tot aanmelding verplichte) werkgever, zonder dat bijzonderheden van het Turkse register van de burgerlijke stand in aanmerking worden genomen?"

III - De feiten in de zaak Örs (C-211/98)

8. Verzoeker in het hoofdgeding, R. Örs, is in Turkije geboren en woont sinds 1972 in Duitsland. Hij is aangesloten bij de pensioenverzekering van de Bundesknappschaft, verweerder in het hoofdgeding. Toen hij zich voor de Duitse sociale verzekering aanmeldde, gaf hij als geboortedatum op 1 mei 1950 en kreeg hij bijgevolg het verzekeringsnummer 80 010550 O 016 toegewezen.

In februari 1993 zond hij de Bundesknappschaft een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Balekisir (Turkije) van 9 november 1992, waarbij de in het Turkse register van de burgerlijke stand ingeschreven geboortedatum werd verbeterd en bepaald op 1 mei 1946. Dit vonnis ging vergezeld van een attest inhoudende dat hij zijn militaire dienstplicht tussen juli 1970 en maart 1972 had vervuld, alsmede van een verklaring inhoudende dat hij in Turkije geen school had bezocht.

9. Volgens het vonnis, waarvan Örs een vertaling leverde, had het staatsziekenhuis te Balikesir aan de rechtbank doen weten, dat betrokkene 45 of 46 jaar oud was. Voorts hadden de door Örs opgeroepen getuigen onder ede verklaard, dat zij hem goed kenden, aangezien zij in hetzelfde dorp hadden gewoond, dat zijn ouders vóór hun huwelijk jarenlang hadden samengeleefd, dat iedereen in het dorp samenleefde en kinderen had alvorens te trouwen, en dat Örs al vier of vijf jaar was toen zijn ouders trouwden. Een der getuigen verklaarde, dat zijn dochter Havva eveneens in 1946 was geboren, ofschoon zij bij de burgerlijke stand was ingeschreven met het geboortejaar 1948. Het openbaar ministerie was van oordeel, dat betrokkene zijn stellingen had bewezen, en de rechtbank bewilligde derhalve in het verzoek om rectificatie van de geboortedatum.

10. Bij beschikkingen van 14 juni en 14 september 1993 wees de Bundesknappschaft Örs' verzoek om wijziging van zijn geboortedatum en van zijn verzekeringsnummer af.

Het bij het Sozialgericht Gelsenkirchen ingestelde beroep werd verworpen. In hoger beroep insisteerde Örs erop, dat het hem niet enkel ging om wijziging van zijn verzekeringsnummer, maar ook om wijziging van zijn geboortedatum, die doorslaggevend was voor de duur van zijn werkzaam leven. Het Landessozialgericht Nordrhein-Westfalen verwierp het hoger beroep. Het verklaarde, dat het verzekeringsnummer enkel ertoe dient, de gegevens betreffende de verzekerde te ordenen met het oog op de erkenning van rechten op sociale uitkeringen; daarom was het verzekeringsorgaan niet verplicht het in het verzekeringsnummer vermelde geboortejaar in de zin van het Turkse vonnis te wijzigen. Wat de noodzaak tot wijziging van de in dat nummer vermelde daadwerkelijke geboortedatum betreft, verwees het Landessozialgericht naar de rechtspraak van het Bundessozialgericht, dat zich in gevallen als het onderhavige op het standpunt stelt, dat het aankomt op de geboortedatum die op het tijdstip van toekenning van het verzekeringsnummer in het register van de burgerlijke stand is ingeschreven.

IV - De prejudiciële vragen in de zaak Örs

11. De Achtste Senat van het Bundessozialgericht, die in Revision" moet beslissen, heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

1) Bestaat er op grond van het recht betreffende de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije een op een Turkse werknemer in de Bondsrepubliek Duitsland rechtstreeks toepasselijk discriminatieverbod op het gebied van de sociale zekerheid?

2) Zo ja, moet dit verbod dan aldus worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling op grond waarvan voor uitkeringen krachtens de wettelijke pensioenverzekering en voor de samenstelling van het daartoe toegekende socialeverzekeringsnummer de geboortedatum bepalend is die op het tijdstip waarop de Turkse werknemer voor het eerst bij een nationaal socialeverzekeringsorgaan werd aangemeld, officieel is vastgesteld?"

V - Het nationale recht

12. Mits zij ten minste 60 maanden verzekerd zijn geweest, hebben mannen met 65 jaar en vrouwen met 60 jaar recht op ouderdomspensioen. De persoonlijke gegevens van de werknemer moeten door de eerste werkgever aan de ziektekostenverzekering worden meegedeeld; de pensioenverzekering kent de betrokkene dan een verzekeringsnummer toe, waarin zijn geboortedatum is verwerkt.

13. Ingevolge § 1, lid 5, van de Verordnung über die Vergabe und Zusammensetzung der Versicherungsnummer wordt dit nummer slechts eenmaal toegekend en kan het niet worden gewijzigd.

14. Het geval dat de in het verzekeringsnummer opgenomen geboortedatum onjuist" is, is geregeld in § 33a van het Sozialgesetzbuch I (hierna: SGB I"). Deze bepaling, in werking getreden op 1 januari 1998, luidt:

1) Indien rechten of verplichtingen afhankelijk zijn gesteld van de voorwaarde, dat een bepaalde leeftijdsgrens is bereikt of niet is overschreden, is de geboortedatum bepalend die blijkt uit de eerste opgave door de rechthebbende, degene op wie de verplichting rust, of zijn gezinsleden ten overstaan van een orgaan van sociale zekerheid of, indien het een opgave in het kader van afdeling 3 of 6 van boek IV betreft, ten overstaan van de werkgever.

2) Van een geboortedatum die ingevolge lid 1 bepalend is, kan uitsluitend worden afgeweken indien het tot uitkering bevoegde orgaan vaststelt:

a) dat sprake is van een schrijffout;

b) dat een andere geboortedatum blijkt uit een document waarvan het origineel is afgegeven vóór de in lid 1 bedoelde opgave.

3) De leden 1 en 2 gelden dienovereenkomstig voor geboortedata die deel uitmaken van het verzekeringsnummer of een ander op het gebied van de sociale zekerheid in het kader van deze wet gebruikt kenmerk."

15. Deze regeling is vastgesteld om misbruik van sociale uitkeringen te voorkomen in gevallen waarin door de wijziging van de geboortedatum het recht op dergelijke uitkeringen op een eerder tijdstip zou kunnen ontstaan. Daarbij werd in aanmerking genomen, dat in sommige landen de mogelijkheid bestaat de geboortedatum bij rechterlijke beslissing te wijzigen zonder dat dat in de betrokken buitenlandse rechtsorde gevolgen heeft voor de aanspraken op sociale uitkeringen, terwijl het de betrokkene in het Duitse socialeverzekeringsrecht wel voordelen zou kunnen opleveren.

De nieuwe regeling moet waarborgen, dat met een dergelijke wijziging ook in het Duitse sociale-verzekeringsrecht in beginsel geen rekening meer moet worden gehouden.

Het werd evenwel niet noodzakelijk geacht een speciale overgangsregeling vast te stellen.

VI - De uit te leggen bepalingen van gemeenschapsrecht

16. Artikel 9 van de Associatieovereenkomst bepaalt:

De Overeenkomstsluitende Partijen erkennen, dat binnen de werkingssfeer van de Overeenkomst, en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap vermelde beginsel."

17. Artikel 37 van het aanvullend protocol bij de Associatieovereenkomst luidt:

Elke lidstaat past op de werknemers van Turkse nationaliteit die tewerkgesteld zijn in de Gemeenschap een stelsel toe dat wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie uit hoofde van de nationaliteit ten opzichte van werknemers die onderdaan zijn van de andere lidstaten van de Gemeenschap, voor wat betreft de lonen en andere arbeidsvoorwaarden."

18. Artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad (hierna: besluit nr. 1/80") bepaalt:

De lidstaten van de Gemeenschap passen op de Turkse werknemers die tot hun legale arbeidsmarkt behoren een stelsel toe dat wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie uit hoofde van de nationaliteit ten opzichte van communautaire werknemers, voor wat betreft de lonen en verdere arbeidsvoorwaarden."

19. Artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80 luidt:

Personen die op het grondgebied van een der lidstaten wonen en op wie de bepalingen van dit besluit van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van dit besluit."

VII - De prejudiciële procedure

20. Binnen de daartoe bij artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG bepaalde termijn zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Örs, de Franse en de Duitse regering en de Commissie.

Ter terechtzitting van 7 september 1999 zijn verschenen een vertegenwoordiger van de LVA Oberfranken und Mittelfranken, verweerster in de zaak Kocak, de gemachtigde van de Duitse regering en de gemachtigde van de Commissie.

21. Örs is van mening, dat het socialezekerheidsorgaan geen enkele goede reden heeft om rectificatie van zijn geboortedatum te weigeren; wegens het rechtstreeks toepasselijke verbod van discriminatie op grond van nationaliteit mag het een in een lidstaat wonende Turks onderdaan niet anders behandelen dan iemand met de nationaliteit van een lidstaat. De rechterlijke beslissing waarbij het in het register van de burgerlijke stand vermelde geboortejaar is verbeterd, is verbindend voor het Duitse socialezekerheidsorgaan, tenzij er aanwijzingen zouden zijn dat die beslissing op onregelmatige wijze tot stand is gekomen, wat echter niet is gesteld.

22. De LVA Oberfranken und Mittelfranken heeft ter terechtzitting betoogd, dat het aanvankelijk maar zeer zelden voorkwam dat om rectificatie van de geboortedatum werd verzocht met het doel de uitkeringsperiode langer te maken of het aanvangstijdstip van de uitkering te vervroegen. Vanaf eind jaren tachtig zijn dergelijke verzoeken echter steeds talrijker geworden; tot 1998 hadden Duitse socialezekerheidsorganen rond 5000 van die verzoeken van Turkse onderdanen ontvangen. Wanneer die wijziging gevolgen heeft voor het recht op sociale uitkeringen, zijn de door de rectificatie van geboortedata veroorzaakte kosten zeer hoog; bovendien gaat het om onvoorziene kosten, die het financiële evenwicht van het stelsel kunnen verstoren. Indien er een overgangsregeling was ingevoerd, zoals de Commissie wenst, zou de nieuwe regeling pas na jaren toegepast hebben kunnen worden en haar doel hebben gemist.

23. Ook wanneer het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid voor Turkse werknemers geldt, betekent dat naar het oordeel van de Duitse regering niet, dat de door Turkse instanties afgegeven uittreksels uit de registers van de burgerlijke stand bindend zijn voor de Duitse pensioenverzekeraars en rechterlijke instanties. Tussen Turkije en de lidstaten bestaan grote verschillen met betrekking tot de procedure voor rectificatie van de geboortedatum; er bestaat op dit gebied geen harmonisatie tussen de lidstaten en Turkije, noch ook een regeling voor de wederzijdse erkenning van dergelijke beslissingen. En zelfs in Turkije hebben rechterlijke beslissingen tot rectificatie van de geboortedatum geen gevolgen op het gebied van de sociale zekerheid.

De regeling van § 33a SGB I, aldus de Duitse regering, betreft niet slechts personen van Turkse nationaliteit, maar ook Duitsers die in een derde land geboren zijn, bijvoorbeeld de omstreeks 2,8 miljoen gerepatrieerden (Spätaussiedler), die vooral uit de vroegere Sovjetunie afkomstig zijn.

Die regeling, waarmee paal en perk werd gesteld aan de mogelijkheid om door rectificatie van de geboortedatum de aanspraak op sociale uitkeringen te modificeren, is ingevoerd omdat zij noodzakelijk, billijk en objectief gerechtvaardigd was. Er was namelijk geconstateerd, dat de verzekerden met een beroep op een wijziging achteraf van hun geboortedatum vaak verzochten om verlenging van een uitkering, bijvoorbeeld in het geval van wezenpensioen of kinderbijslag, of om eerdere toekenning van ouderdomspensioen. De instructie van elk individueel geval is uiterst moeizaam en duur, omdat de socialezekerheidsorganen in het geboorteland van de aanvragers uitgebreide onderzoeken moeten verrichten. De huidige regeling voor de erkenning van wijzigingen van de geboortedatum maakt het bovendien mogelijk, pogingen tot fraude met het doel voortijdig ouderdomspensioen te krijgen, in tal van gevallen te verhinderen; in nagenoeg alle gevallen waarin om rectificatie van de geboortedatum wordt verzocht, ligt immers de nieuwe datum vóór die welke bij de eerste aanmelding voor de sociale verzekering is opgegeven. Het gaat hier niet om incidentele gevallen, maar om een massaal verschijnsel.

Tot slot wijst de Duitse regering erop, dat documenten die van vóór het tijdstip van de opgave van de geboortedatum bij verzekeringsbegin dateren, als bewijsmiddel zijn toegelaten. Dat geldt niet slechts voor akten van de burgerlijke stand, maar ook voor elk ander stuk waarmee de geboortedatum kan worden bepaald, bijvoorbeeld stukken die in verband met schoolbezoek of de vervulling van de militaire dienst zijn opgemaakt.

24. Naar de mening van de Franse regering kan men aan de registers van de burgerlijke stand van een derde land niet dezelfde bewijskracht toekennen als aan die van een lidstaat. Met name gelet op het gemak waarmee in sommige landen beslissingen tot wijziging of aanvulling van de in de registers van de burgerlijke stand opgenomen gegevens kunnen worden verkregen, uitsluitend met het doel de wetgeving van de lidstaten ter zake van nationaliteit, het recht van verblijf of het recht op sociale uitkeringen of ouderdomspensioen te omzeilen, kan een lidstaat de bewijsstukken die een verzoek om wijziging van de geboortedatum vergezellen, als onvoldoende of onbetrouwbaar beoordelen.

25. De Commissie meent, dat de Duitse wettelijke regeling, door de rectificatie van de geboortedatum, met alle gevolgen van dien voor het recht op ouderdomspensioen, afhankelijk te stellen van de overlegging van een vóór de aanmelding van de werknemer bij de Duitse sociale verzekering afgegeven document, een verkapte discriminatie oplevert van Turkse migrerende werknemers, die zich feitelijk en rechtens in een andere situatie bevinden dan Duitse werknemers.

Ter toelichting van dit standpunt zet de Commissie uiteen, dat in Duitsland bepaalde personen bij een geboorte wettelijk en onder bedreiging van een geldboete verplicht zijn, daarvan binnen een week aangifte te doen bij de burgerlijke stand. De in het register vermelde datum kan slechts bij rechterlijke beslissing in het kader van voluntaire rechtspraak verbeterd worden. In die procedure gelast het gerecht ambtshalve de noodzakelijke onderzoeken en staat het de rectificatie enkel toe wanneer het van de onjuistheid van de ingeschreven gegevens overtuigd is. In Turkije daarentegen bedraagt de termijn voor het doen van aangifte van een geboorte een maand, maar vooral op het platteland schijnt men zich daar niet steeds aan te houden. Rectificatie is slechts eenmaal toegestaan en wel op grond van een rechterlijke beslissing na een als uiterst welwillend te beschouwen procedure, zonder een zorgvuldig feitenonderzoek ambtshalve.

De in januari 1998 in werking getreden regeling, waarmee pogingen tot bedrog en de aan de verificatie van in het buitenland gevoerde procedures verbonden administratieve arbeid en kosten voorkomen moeten worden, kan voor de toekomst stellig gerechtvaardigd zijn. Men kan echter betwijfelen of dat, bij het ontbreken van overgangsbepalingen, ook opgaat voor de toepassing ervan op de gegevens die de Turkse werknemer op het moment van zijn aanmelding voor de Duitse sociale verzekering heeft verstrekt, toen een andere regeling gold.

Met betrekking tot de omstandigheid, dat in Turkije de voor de invaliditeits-, ouderdoms- en nabestaandenverzekering relevante geboortedatum die is welke bij verzekeringsbegin in het register van de burgerlijke stand was vermeld, wijst de Commissie erop, dat die regel vóór 1998 in Duitsland niet bestond en dat een Turkse werknemer er geen rekening mee behoefde te houden, dat de Duitse wetgever dat beginsel met terugwerkende kracht en zonder overgangsbepalingen zou invoeren. De Commissie voegt eraan toe, dat het in gevallen als die van verzoekers in de hoofdgedingen, waarin de rectificatie van de geboortedatum enkel op een medisch attest berust, stellig gerechtvaardigd is de juistheid van de Turkse rechterlijke beslissing in twijfel te trekken. Het staat dan ook aan de verzoeker, de Duitse rechter door middel van relevante bewijsstukken te overtuigen van de juistheid van de nieuwe geboortedatum.

Samenvattend is de Commissie van oordeel, dat de in geding zijnde regeling onevenredig is aan het ermee beoogde doel, zulks wegens het ontbreken van overgangsbepalingen om rekening te houden met de structurele verschillen tussen de bij de Associatieovereenkomst betrokken staten.

VIII - Bespreking van de prejudiciële vragen

26. Ter beantwoording van de door de Achtste en de Dertiende Senat van het Bundessozialgericht gestelde prejudiciële vragen, zal ik eerst onderzoeken of het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, dat in de wettelijke regeling inzake de associatie tussen de Republiek Turkije en de Gemeenschap is neergelegd, rechtstreeks toepasselijk is op Turkse werknemers, en zo ja, of deze werknemers zich dan in een lidstaat op dat verbod kunnen beroepen om te vermijden dat op hen een bepaling van sociale zekerheid wordt toegepast, die de rectificatie van de bij de aanmelding voor de sociale verzekering in die staat opgegeven geboortedatum slechts toelaat indien het om de correctie van een schrijffout gaat, of indien de belanghebbende een vóór die aanmelding afgegeven document overlegt waarin een andere geboortedatum wordt genoemd. Tot slot zal ik ingaan op de toepassing ratione temporis van het beginsel van gelijke behandeling in de hoofdgedingen.

A - De rechtstreekse werking van het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit in de wettelijke regeling inzake de associatie tussen de Gemeenschap en de Republiek Turkije

27. Zowel artikel 9 van de Associatieovereenkomst als artikel 37 van het aanvullend protocol bij de Overeenkomst, artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 en artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80 verbieden discriminatie op grond van nationaliteit. Om de prejudiciële vragen te kunnen beantwoorden, is het echter niet nodig al deze bepalingen uit te leggen.

28. Artikel 9 van de Associatieovereenkomst, dat discriminatie op grond van nationaliteit binnen de werkingssfeer van de Overeenkomst verbiedt, is een algemene bepaling die, juist zoals artikel 6 van het Verdrag, slechts tot zelfstandige toepassing kan komen in situaties waarvoor de Overeenkomst en de op de uitvoering daarvan betrekking hebbende regelingen geen specifieke antidiscriminatiebepalingen bevatten.

29. Met betrekking tot het vrije werknemersverkeer tussen de lidstaten en Turkije is het non-discriminatiebeginsel geconcretiseerd en gepreciseerd in artikel 37 van het aanvullend protocol bij de Associatieovereenkomst.

30. In besluit nr. 1/80 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, wordt dat beginsel nogmaals geformuleerd, zij het enkel met betrekking tot het loon en de verdere arbeidsvoorwaarden. Ik ben het eens met de Commissie, dat de Duitse voorschriften inzake de rectificatie van het verzekeringsnummer of de toekenning van sociale uitkeringen niet kunnen worden beschouwd als voorschriften betreffende de arbeidsvoorwaarden in de zin van artikel 10, lid 1, van dit besluit.

31. Besluit nr. 3/80 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen van de lidstaten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden, waarmee uitvoering wordt gegeven aan artikel 39 van het aanvullend protocol, bevestigt in artikel 3, lid 1, het beginsel, dat eenieder die op het grondgebied van een der lidstaten woont en op wie de bepalingen van het besluit van toepassing zijn, aanspraak heeft op dezelfde behandeling als de lidstaten aan hun eigen onderdanen toekennen.

Ingevolge artikel 2 ervan is besluit nr. 3/80 van toepassing op de twee verzoekers in de hoofdgedingen, aangezien beiden werknemers zijn op wie de wetgeving van een lidstaat van toepassing is.

32. De twee gedingen waarin de prejudiciële vragen zijn gesteld, betreffen de mogelijkheid tot rectificatie van de geboortedatum die verwerkt is in het bij de aanmelding voor de Duitse sociale verzekering toegekende verzekeringsnummer en waarop de socialezekerheidsorganen zich voor de erkenning van het recht op de diverse uitkeringen baseren. Het Hof zal de prejudiciële vragen dus moeten beantwoorden op grond van artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80, bepalende dat de socialezekerheidsregelingen der lidstaten op Turkse werknemers van toepassing zijn.

33. Zoals ik aan het begin van deze conclusie heb opgemerkt, is het in de onderhavige zaken aan de orde gestelde probleem voor een deel al opgelost in het arrest Sürül, waarin het Hof verklaarde, dat artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80 binnen de werkingssfeer van dit besluit een nauwkeurig omschreven en onvoorwaardelijk beginsel stelt, dat voldoende concreet is om door de nationale rechter toegepast te kunnen worden, en dat derhalve bepalend kan zijn voor de rechtspositie van particulieren. Het Hof voegde daaraan toe, dat de aan die bepaling toegekende rechtstreekse werking meebrengt, dat de justitiabelen op wie zij van toepassing is, het recht hebben zich er voor de rechterlijke instanties van de lidstaten op te beroepen.

34. Op de eerste van de door de Achtste Senat van het Bundessozialgericht in de zaak Örs gestelde prejudiciële vragen moet dus in bevestigende zin worden geantwoord met de vaststelling, dat artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80 - ingevolge hetwelk eenieder die op het grondgebied van een der lidstaten woont en op wie de bepalingen van dat besluit van toepassing zijn, aanspraak heeft op dezelfde behandeling als de lidstaten aan hun eigen onderdanen toekennen - rechtstreekse werking heeft.

B - De gelijke behandeling van Turkse werknemers op het gebied van de sociale zekerheid en de mogelijkheid om door rectificatie van de geboortedatum het recht op socialezekerheidsuitkeringen te wijzigen

35. Het is niet voor het eerst dat een nationale rechterlijke instantie het Hof de vraag stelt, of de socialezekerheidsorganen en de gerechten van een lidstaat bij de vaststelling van het recht van een migrerend werknemer op sociale uitkeringen gebonden zijn aan de akten en andere stukken betreffende de burgerlijke staat van personen, die door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat zijn afgegeven.

Het Hof heeft zich daarover uitgesproken in het naar aanleiding van een prejudiciële vraag van het Sozialgericht Hamburg gewezen arrest in de zaak Dafeki.

36. De feiten in die zaak vertonen gelijkenis met die in de twee onderhavige zaken.

Mevrouw Dafeki, die de Griekse nationaliteit bezat, woonde sedert 1966 in Duitsland, waar zij tot 1987 in loondienst werkzaam was. Op haar identiteitspapieren was als geboortedatum 3 december 1933 vermeld.

Op 4 april 1986 werd die datum op verzoek van Dafeki door de rechtbank te Trikala (Griekenland) verbeterd volgens de bijzondere procedure voor gevallen waarin de registers van de burgerlijke stand tijdens de oorlog verloren zijn gegaan. Dafeki's geboortedatum werd daarbij op 20 februari 1929 bepaald en haar werd bijgevolg een geboorteakte met die gerectificeerde geboortedatum uitgereikt.

37. In december 1988 diende Dafeki in Duitsland een aanvraag in om vervroegd ouderdomspensioen, waarvoor vrouwen van 60 jaar en ouder in aanmerking kwamen. Ofschoon zij aan de andere voorwaarden voor dat pensioen voldeed, werd haar aanvraag afgewezen, omdat het bevoegde Duitse orgaan op grond van documenten die van vóór de rectificatie dateerden, van oordeel was, dat Dafeki op het moment van de aanvraag de vereiste leeftijd niet had bereikt.

38. Uit de in die zaak toepasselijke § 66 van de Duitse wet op de burgerlijke stand (Personenstandgesetz) vloeide voort, dat op het voor Duitse akten van de burgerlijke stand geldende vermoeden van juistheid geen beroep kan worden gedaan in het geval van in andere landen afgegeven akten, zodat de rechter aan wie zulke akten worden voorgelegd, vrij is in zijn beoordeling van de bewijskracht ervan. Daarbij moet hij met name de door de rechtspraak ontwikkelde bewijsregel toepassen, dat wanneer op verschillende tijdstippen opgemaakte akten met elkaar in tegenspraak zijn en ander afdoende bewijs ontbreekt, in het algemeen de akte die chronologisch het dichtst bij de te bewijzen gebeurtenis ligt, als juist is te beschouwen. In het geval van Dafeki was dat dus het oorspronkelijke uittreksel uit het geboorteregister.

Daar de toepassing van deze regel door de rechter impliceerde, dat aan in een andere lidstaat afgegeven akten van de burgerlijke stand minder bewijskracht wordt toegekend dan aan akten die door Duitse instanties zijn afgegeven, vroeg de kennisnemende rechter zich af, of die norm niet onverenigbaar was met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder de artikelen 48 en 51 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 39 EG en 42 EG), wegens verkapte discriminatie op grond van nationaliteit. Want ofschoon die regeling ongeacht de nationaliteit van de werknemer van toepassing was, werkte zij in de praktijk in het nadeel van werknemers met de nationaliteit van andere lidstaten.

39. In zijn arrest in die zaak hield het Hof rekening met de aanzienlijke verschillen tussen de nationale rechtsorden op het punt van de voorwaarden en procedures voor het verkrijgen van rectificatie van de geboortedatum, alsook met het feit dat de lidstaten de materie nog niet hadden geharmoniseerd noch een stelsel voor de wederzijdse erkenning van rectificatiebeslissingen hadden ingevoerd, zoals dat voor beslissingen op ander gebied was gebeurd bij het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Het Hof constateerde vervolgens, dat de mogelijkheid om de juistheid van een akte van de burgerlijke stand met succes te betwisten, in sterke mate afhing van de gevolgde procedure en van de voorwaarden waaronder rectificatie van een dergelijke akte mogelijk is, welke voorwaarden van lidstaat tot lidstaat aanzienlijk kunnen verschillen.

Daarom verklaarde het in punt 18 uitdrukkelijk, dat de bestuursorganen en rechterlijke instanties van een lidstaat uit hoofde van het gemeenschapsrecht niet verplicht [zijn], verbeteringen achteraf in akten van de burgerlijke stand die door de bevoegde instanties van hun eigen staat zijn aangebracht, en door de bevoegde instanties van een andere lidstaat aangebrachte verbeteringen als gelijkwaardig te beschouwen".

40. Hiermee reageerde het Hof op bedenkingen van de Duitse regering en de Commissie. De eerste had betoogd, dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de regelingen van de lidstaten inzake het houden en eventueel verbeteren van de registers van de burgerlijke stand. Als voorbeeld noemde zij, dat in Griekenland voor het verbeteren van de geboortedatum een alleenzittende rechter bevoegd is, die genoegen kan nemen met de verklaring van twee getuigen. Tal van migrerende werknemers van Griekse nationaliteit hadden van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en naar het bevoegde Duitse socialezekerheidsorgaan had vastgesteld, lagen de bij verzekeringsbegin opgegeven geboortedatum en die welke bij de pensioenaanvraag werd vermeld, in sommige gevallen zeer ver uit elkaar en was de rectificatie in de regel in het voordeel van de werknemer.

De Commissie had erop gewezen, dat de bevolkingsregistratie van lidstaat tot lidstaat een ander beeld te zien geeft, aangezien zeer uiteenlopende culturele factoren en ook gebeurtenissen als oorlogen en afstand van grondgebied grote invloed op de diverse stelsels hebben gehad; men kon daarom moeilijk uitgaan van gelijkwaardige feitelijke en rechtssituaties. Zij voegde daaraan toe, dat de Gemeenschap geen algemene regelgevende bevoegdheid op het gebied van de burgerlijke staat van personen of de bewijskracht van akten van de burgerlijke stand bezat.

41. In punt 19 van zijn arrest evenwel lijkt het Hof ineens een heel andere kant op te gaan. Ik moet bekennen, dat ik de gedachtegang tot dat punt en die in het volgende gedeelte slechts met elkaar in overeenstemming kan brengen, wanneer ik het Hof aldus begrijp:

- tot en met punt 18, waar het verklaart, dat het gemeenschapsrecht de lidstaten niet verplicht rectificaties van gegevens van de burgerlijke stand door hun eigen instanties en die door instanties van andere lidstaten als gelijkwaardig te beschouwen, heeft het Hof de zuiver civielrechtelijke werking van die rectificaties op het oog, aangezien de bepaling die in die zaak in geding is, een artikel is van de nationale wet op de burgerlijke stand;

- vanaf punt 19 heeft de redenering van het Hof betrekking op de documenten die nodig zijn voor de uitoefening van een van de fundamentele vrijheden, want het verklaart: Evenwel moet erop worden gewezen, dat de uit het vrije verkeer van werknemers voortvloeiende rechten niet kunnen worden uitgeoefend zonder overlegging van akten van de burgerlijke stand, welke akten in het algemeen door de staat van herkomst van de werknemer worden uitgereikt. Hieruit volgt, dat de bestuursorganen en rechterlijke instanties van een lidstaat gebonden zijn aan de door de bevoegde instanties van andere lidstaten uitgereikte akten en soortgelijke documenten van de burgerlijke stand, tenzij concrete aanwijzingen die verband houden met het betrokken individuele geval, ernstige twijfel omtrent de juistheid ervan doen rijzen."

Na deze vaststelling concludeert het Hof, dat een in het nationale recht geldende algemene abstracte bewijsregel, volgens welke, ingeval verschillende, na elkaar opgemaakte akten met elkaar in tegenspraak zijn, het document dat chronologisch het dichtst bij de te bewijzen gebeurtenis is gelegen, bij gebreke van ander afdoende bewijs wordt geacht de juiste gegevens te bevatten, de weigering een door een rechterlijke instantie van een andere lidstaat aangebrachte verbetering in aanmerking te nemen, niet [kan] rechtvaardigen".

42. Tussen Dafeki's situatie en die van Kocak en Örs bestaan in het oog springende verschillen. Dafeki had de nationaliteit van een lidstaat, Kocak en Örs zijn burgers van een derde land. De documenten die Dafeki in Duitsland had overgelegd ten bewijze dat haar geboortedatum een andere was dan die welke zij bij verzekeringsbegin had opgegeven, waren door de bevoegde instanties van een lidstaat afgegeven, terwijl zij in het geval van Kocak en Örs uit een derde land afkomstig zijn.

43. Die verschillen zijn echter niet doorslaggevend. In het kader van het vrije verkeer van werknemers hebben immers zowel gemeenschapsburgers - ingevolge artikel 48, lid 2, van het Verdrag, de in de zaak Dafeki toegepaste bepaling - als Turkse staatsburgers - ingevolge artikel 37 van het aanvullend protocol - recht op dezelfde behandeling als de lidstaten aan hun eigen onderdanen toekennen. En op het gebied van de sociale zekerheid verplichten het op gemeenschapsburgers toepasselijke artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 en het gelijkluidende, op Turkse staatsburgers toepasselijke artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80 de lidstaten, degenen die op het grondgebied van een lidstaat wonen en onder de personele werkingssfeer van de verordening respectievelijk het besluit vallen, dezelfde behandeling te bieden als aan hun eigen onderdanen toekomt.

Het Hof heeft rechtstreekse werking toegekend aan het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid, of het nu is neergelegd in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 dan wel in artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80. Een lidstaat kan aan dat beginsel derhalve geen verschillende draagwijdte geven, al naargelang het gaat om een werknemer met de nationaliteit van een lidstaat dan wel om een Turkse werknemer.

44. Er is echter één verschil dat mij wel beslissend lijkt te zijn. Anders dan de wettelijke regeling waarom het in de zaak Dafeki ging, die aan buitenlandse akten minder bewijskracht toekende dan aan akten die in Duitsland waren afgegeven, maakt de thans in geding zijnde bepaling geen enkel onderscheid naargelang van de oorsprong of herkomst van de documenten die een verzoek om rectificatie van de geboortedatum met het oog op erkenning van het recht op sociale uitkeringen moeten staven.

45. Ik ben het eens met het arrest Dafeki, dat, willen werknemers een recht op een sociale uitkering doen gelden, dat voortvloeit uit de uitoefening van het hun door het Verdrag gewaarborgde vrije verkeer, zij noodzakelijkerwijs bewijs moeten leveren van bepaalde, in de registers van de burgerlijke stand opgenomen gegevens. Hetzelfde geldt voor Turkse werknemers die op grond van de Associatieovereenkomst en de regelingen tot uitvoering daarvan in de lidstaten komen werken.

46. Zoals hiervóór gezegd, is de in geding zijnde bepaling, te weten § 33a SGB I, op 1 januari 1998 in werking getreden; zij is ingevoerd om te voorkomen dat een werknemer zijn geboortedatum laat verbeteren om wijziging te brengen in zijn recht op sociale uitkeringen in Duitsland.

Met het oog daarop zijn bij de nieuwe bepaling strengere voorwaarden vastgesteld waaronder de Duitse socialezekerheidsorganen een rectificatie van de geboortedatum van hun verzekerden kunnen accepteren; het is immers de geboortedatum waarop de socialezekerheidsregelingen zich baseren om de duur van het recht op kinderbijslag of wezenpensioen te bepalen, of om het tijdstip vast te stellen waarop het recht op ouderdomspensioen ontstaat. Ik vind het typerend, dat rechtsstelsels die, zoals het Griekse of het Turkse, blijkbaar niet al te veel problemen maken wanneer het om rectificatie van de geboortedatum gaat, aan die rectificatie geen gevolgen verbinden voor rechten op het gebied van de sociale zekerheid.

Die strengere regeling houdt in, dat de verzekerde gebonden is aan de geboortedatum die hij zelf of een gezinslid bij verzekeringsbegin in Duitsland heeft opgegeven en die in zijn verzekeringsnummer is verwerkt, tenzij het bevoegde uitkeringsorgaan een schrijffout vaststelt of een andere geboortedatum vermeld is in een document waarvan het origineel van vóór die opgave dateert.

47. Het betreft hier een regeling die geen enkel onderscheid volgens de nationaliteit van de verzekerden maakt en dus geen rechtstreekse discriminatie oplevert.

De kamers van het Bundessozialgericht waarvan de prejudiciële verwijzingen afkomstig zijn, vragen zich niettemin af, of er geen sprake is van verkapte discriminatie, en de Commissie verklaart rechtuit dat dat het geval is.

48. Zoals bekend definieert het Hof verkapte discriminatie als iedere vorm van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat voert. Sinds 1974 oordeelt het Hof, dat de praktische gevolgen van criteria als plaats van herkomst of woonplaats van een werknemer onder bepaalde omstandigheden kunnen leiden tot een door het Verdrag verboden discriminatie op grond van nationaliteit.

Zo heeft het Hof in het kader van het vrije personenverkeer een verkapte vorm van discriminatie op grond van nationaliteit gezien in het feit dat de wetgeving van een lidstaat voor de toegang tot bepaalde sociale of fiscale voordelen van de werknemer verlangde, dat hij in die staat woonplaats had, of die voordelen deed afhangen van een bepaalde minimumduur van de beroepsactiviteit in die staat, of in het feit dat de duur van arbeidsovereenkomsten van lectoren vreemde talen aan universiteiten moest verschillen van de aanstellingsduur van de overige docenten, of dat een lidstaat bij de aanwerving van personeel of bij de berekening van salaris en anciënniteit enkel rekening hield met in zijn eigen bestuursorganen volbrachte diensttijd, of dat een lidstaat voor de toekenning van wachtgeld aan jongeren die op zoek waren naar hun eerste baan, als voorwaarde stelde, dat de betrokkenen hun middelbareschoolopleiding aan een onderwijsinstelling van die staat hadden afgesloten.

In deze voorbeelden bestond de verkapte discriminatie ofwel hierin, dat aan de wettelijke voorwaarden om aanspraak op het voordeel te hebben, gemakkelijker door eigen onderdanen kon worden voldaan dan door onderdanen van andere lidstaten, ofwel hierin, dat de door een lidstaat aangeboden minder gunstige arbeidsvoorwaarden uiteindelijk in nagenoeg alle gevallen enkel voor werknemers uit andere lidstaten bleken te gelden.

49. In ons geval zou de verkapte discriminatie er volgens de Commissie in bestaan, dat de in geding zijnde bepaling onvoldoende rekening houdt met de verschillen tussen de Duitse en de Turkse regelingen inzake de burgerlijke stand. Daardoor zouden Turkse staatsburgers worden benadeeld, aangezien § 33a SGB I veel meer Turken dan Duitsers belet hun geboortedatum te doen verbeteren. Zij wijst ook op feitelijke verschillen, doordat, zo zegt zij, op het Turkse platteland niet altijd de hand wordt gehouden aan de verplichting een geboorte binnen een maand aan te geven.

50. Om de reeds genoemde redenen kan ik het niet met de Commissie eens zijn. Zowel Duitsland als Turkije zijn lid van de Commission internationale de l'état civil (hierna: CIEC"), een intergouvernementele organisatie waarbij twaalf landen zijn aangesloten en die tot doel heeft, de betrouwbaarheid van de gegevens van de burgerlijke stand te verzekeren.

De in het kader van de CIEC gesloten Overeenkomst betreffende beslissingen tot verbetering van akten van de burgerlijke stand van 10 september 1964 (CIEC-9), is door beide landen geratificeerd en sedert 24 augustus 1967 in Turkije en sedert 25 juli 1969 in Duitsland van kracht.

Uit de procesdossiers in de beide onderhavige zaken blijkt ook niet, dat Duitsland thans - anders dan het geval was in de zaak Dafeki - aan door de Turkse burgerlijke stand afgegeven akten die door Turkse werknemers worden overgelegd, niet dezelfde waarde toekent als aan in Duitsland afgegeven akten.

Bovendien neem ik aan, dat bij de opgave van de geboortedatum op het tijdstip van aanmelding voor de Duitse sociale verzekering, een van die in Turkije afgegeven akten wordt overgelegd, waaraan Duitsland dezelfde waarde toekent als aan in het eigen land afgegeven akten.

51. Het probleem ontstaat, wanneer een sociaal verzekerde in Duitsland om verbetering van zijn geboortedatum, of om die van een begunstigde, vraagt en die verbetering gevolgen heeft voor het recht op sociale uitkeringen. Ik begrijp, dat de staten die mogelijkheid zoveel mogelijk trachten te beperken, zowel om fraude bij het verkrijgen van hun nationaliteit te voorkomen, alsook wegens de niet onaanzienlijke economische consequenties ervan voor hun socialezekerheidsstelsels in de context van de stijgende levensverwachting van de bevolking.

52. Wanneer de in geding zijnde bepaling rectificatie van de geboortedatum enkel toelaat in het geval van een schrijffout of indien een vóór verzekeringsbegin afgegeven document een andere datum vermeldt, stelt zij dan een voorwaarde waaraan Duitse staatsburgers gemakkelijker kunnen voldoen dan Turkse? Of anders uitgedrukt, is die bepaling voor Turkse werknemers nadeliger dan voor Duitse?

53. Ik geloof, dat die vragen ontkennend moeten worden beantwoord, ondanks de ophef die de Commissie maakt over de verschillen die bij verzekeringsbegin bestaan tussen Turkse migrerende werknemers, die gegevens verstrekken van soms twijfelachtige juistheid die later wellicht verbeterd moeten worden, en Duitse werknemers, wier gegevens aan in de regel betrouwbare registers zijn ontleend en maar zelden verbetering behoeven.

54. Wanneer trouwens de gegevens van de Turkse burgerlijke stand zo weinig betrouwbaar waren als de Commissie lijkt aan te nemen, zou dat voor de belanghebbenden voldoende reden moeten zijn om zich zelf van de juistheid van een zo belangrijk gegeven als de geboortedatum te vergewissen, alvorens daarvan bij verzekeringsbegin opgave te doen.

55. In ieder geval is Duitsland bereid de geboortedatum te verbeteren, met alle gevolgen van dien voor het recht op sociale uitkeringen, indien de belanghebbende een document overlegt waarvan het origineel vóór verzekeringsbegin is opgemaakt en waarin een andere geboortedatum is vermeld.

56. De Commissie merkt nog op, dat de verplichting om een geboorte binnen een maand bij de burgerlijke stand aan te geven, op het Turkse platteland niet altijd wordt nagekomen.

Dat is evenwel niet typerend voor Turkije noch voor het platteland, want ook de in andere lidstaten geldende regelingen inzake de burgerlijke stand bevatten nauwkeurige bepalingen over de afhandeling van geboorteaangiften die na afloop van de normale termijn worden gedaan. In die gevallen gaat het meestal om natuurlijke kinderen en om geboorten in de zogenoemde sociale randgroepen. Dat zijn zaken die in alle lidstaten voorkomen.

57. Iemand die tot een bepaald moment in zijn leven geloofd heeft in de juistheid van de gegevens in het register van de burgerlijke stand waar hij is ingeschreven, zal, zo meen ik, pas aan zijn werkelijke leeftijd gaan twijfelen indien hij feiten ontdekt die hem onbekend waren, maar vooral indien hij hem betreffende documenten in handen krijgt met gegevens die in tegenspraak zijn met de gegevens van het register. Dat kan iedereen overkomen, ongeacht zijn nationaliteit. Een bepaling als die welke in de twee hoofdgedingen aan de orde is, is vooral daarom niet discriminerend, omdat zij niet slechts gelijke voorwaarden voor de rectificatie van de geboortedatum stelt, maar ook het voor werknemers van Turkse nationaliteit niet moeilijker maakt dan voor Duitse staatsburgers, wanneer zij documenten overleggen waaruit een andere geboortedatum blijkt, bijvoorbeeld stukken die in verband met schoolbezoek, militaire dienst of huwelijkssluiting zijn opgemaakt, dan wel andere gelijkwaardige officiële documenten, waaraan Duitsland uiteraard dezelfde waarde moet toekennen als aan van Duitse instanties afkomstige overeenkomstige stukken.

58. Op grond van een en ander kan ik niet anders dan tot de slotsom komen, dat het op Turkse werknemers in Duitsland toepasselijke beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid die lidstaat niet belet te bepalen, dat de voor het recht op sociale uitkeringen in aanmerking te nemen geboortedatum die is welke de werknemer bij zijn aanmelding voor de sociale verzekering heeft opgegeven, noch hem belet de mogelijkheid van rectificatie van die datum te beperken tot het geval van schrijffouten of tot het geval dat de belanghebbende een document overlegt waarvan het origineel vóór die aanmelding is opgemaakt en waarin een andere geboortedatum is vermeld.

In elk geval verplicht genoemd beginsel die lidstaat niet, de aansluiting bij zijn stelsels van sociale zekerheid zo te organiseren, dat rekening wordt gehouden met toekomstige verbeteringen van de geboortedata van Turkse werknemers, die waarschijnlijk het gevolg zijn van verschillen in de wijze waarop in Turkije en in Duitsland de registers van de burgerlijke stand worden gehouden.

C - De gelijke behandeling van Turkse werknemers op het gebied van de sociale zekerheid, de verbetering van het verzekeringsnummer van Kocak en het door Örs vóór het in werking treden van § 33a SGB I gedane verzoek

59. Aanvankelijk had Kocak verklaard dat hij in 1933 was geboren. Op grond van een Turks vonnis verzocht hij in Duitsland om rectificatie van zijn geboortejaar, dat daarop op 1926 werd bepaald. Hij kreeg vervolgens een nieuwe verzekeringsnummer met de verbeterde geboortedatum. Toen hij echter in 1991 wegens het voltooien van het 65e levensjaar ouderdomspensioen aanvroeg, werd de erkenning van het Turkse vonnis geweigerd en werd hem wederom een verzekeringsnummer toegewezen waarin het jaar 1933 als geboortejaar was vermeld.

In het geval van Örs daarentegen, die bij verzekeringsbegin in 1972 had verklaard in 1950 te zijn geboren, en die in 1993 een vonnis van een Turkse rechtbank voorlegde waarbij zijn geboortejaar in 1946 was gewijzigd, weigerde het Duitse socialezekerheidsorgaan dit vonnis te erkennen.

60. Daar § 33a SGB I nog niet van kracht was toen die twee werknemers om rectificatie van hun geboortedatum verzochten, kan er geen twijfel aan bestaan, dat die bepaling niet op hen van toepassing is en dat zij zich in dezelfde situatie bevinden als werknemers die de nationaliteit van een andere lidstaat van de Europese Unie bezitten, nu het Hof aan artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80, waarin het beginsel van gelijke behandeling van Turkse werknemers in de lidstaten is neergelegd, rechtstreekse werking heeft toegekend.

61. Met betrekking tot gemeenschapsburgers is in het arrest Dafeki reeds vastgesteld, dat de bestuursorganen en rechterlijke instanties van een lidstaat gebonden zijn aan de door de bevoegde instanties van andere lidstaten uitgereikte akten en soortgelijke documenten van de burgerlijke stand, tenzij concrete aanwijzingen die verband houden met het betrokken individuele geval, ernstige twijfel omtrent de juistheid ervan doen rijzen.

Hetzelfde moet naar mijn mening gelden voor documenten die van de bevoegde Turkse instanties afkomstig zijn.

62. Ten slotte moet in aanmerking worden genomen, dat het Hof in het arrest Sürül weliswaar aan artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80 rechtstreekse werking heeft toegekend, maar de werking in de tijd ervan heeft beperkt door te bepalen, dat geen beroep op die bepaling kan worden gedaan tot staving van vorderingen ter zake van uitkeringen over tijdvakken vóór de datum van dat arrest (4 mei 1999), tenzij reeds voor die datum beroep in rechte desbetreffend is ingesteld of een daarmee vergelijkbare vordering is ingediend.

IX - Conclusie

63. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de in de zaken Kocak en Örs door de Dertiende, respectievelijk Achtste Senat van het Bundelsozialgericht gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:

1) Artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen van de lidstaten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden, waarin het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit is neergelegd, heeft rechtstreekse werking; de werking in de tijd is die welke het Hof in zijn arrest van 4 mei 1999, Sürül, heeft bepaald.

2) Artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80 belet een lidstaat niet, te bepalen dat de voor het recht op sociale uitkeringen in aanmerking te nemen geboortedatum die is welke de werknemer bij zijn aanmelding voor de sociale verzekering van die staat heeft opgegeven; het belet hem evenmin, de mogelijkheid van rectificatie van die datum te beperken tot het geval van schrijffouten of tot het geval dat de belanghebbende een document overlegt waarvan het origineel vóór die aanmelding is opgemaakt en waarin een andere geboortedatum is vermeld.

3) Gelet op de temporele werkingssfeer van het beginsel van gelijke behandeling van Turkse werknemers in de lidstaten, waren de bestuursorganen en rechterlijke instanties van een lidstaat vóór de inwerkingtreding van nationale bepalingen als hiervóór bedoeld, gebonden aan door de bevoegde Turkse instanties uitgereikte akten en overeenkomstige stukken betreffende de burgerlijke staat, tenzij concrete aanwijzingen die met het betrokken individuele geval verband hielden, ernstige twijfel omtrent de juistheid ervan deden opkomen."