61998C0027

Conclusie van advocaat-generaal Saggio van 25 maart 1999. - Metalmeccanica Fracasso SpA en Leitschutz Handels- und Montage GmbH tegen Amt der Salzburger Landesregierung für den Bundesminister für wirtschaftliche Angelegenheiten. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Bundesvergabeamt - Oostenrijk. - Overheidsopdrachten voor uitvoering van werken - Gunning van opdracht aan enige voor deelneming geschikt bevonden inschrijver. - Zaak C-27/98.

Jurisprudentie 1999 bladzijde I-05697


Conclusie van de advocaat generaal


1 Bij beschikking van 27 januari 1998 heeft het Bundesvergabeamt (Oostenrijk) het Hof twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 18 van richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (hierna: "richtlijn").(1)

2 Bij de vragen gaat het in wezen erom, of het Oostenrijkse Bundesgesetz über die Vergabe von Aufträgen (hierna: "BVerG") verenigbaar is met artikel 18 van de richtlijn, dat de algemene beginselen betreffende de wijze van gunning van overheidsopdrachten bevat, aangezien volgens § 55, lid 2, BVerG een aanbesteding kan worden herroepen, wanneer na uitsluiting van niet overeenkomstig de wet ingediende offertes slechts één offerte overblijft. Derhalve moet worden nagegaan, of de aanbestedende dienst, wanneer hij de geschiktheid van de gegadigde ondernemingen heeft onderzocht, volgens de richtlijn verplicht is de opdracht te gunnen ook wanneer slechts één offerte geschikt is bevonden.

De communautaire en de nationale regelgeving

3 De richtlijn coördineert de voorschriften inzake het plaatsen van overheidsopdrachten. Luidens de considerans moeten "bij de gelijktijdige verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten op het gebied van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken in de lidstaten voor rekening van de staat, van de territoriale en van de andere publiekrechtelijke instellingen, niet alleen de beperkingen (...) worden opgeheven, maar (...) tevens de nationale procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (...) worden gecoördineerd" (tweede overweging). In de volgende overweging van de considerans wordt daaraan toegevoegd, dat "deze coördinatie zoveel mogelijk de thans in elk van de lidstaten bestaande procedures en praktijk dient te respecteren". In de eerste volzin van de tiende overweging van de considerans wordt vervolgens verduidelijkt, dat "het, voor de ontwikkeling van een daadwerkelijke mededinging op het gebied van overheidsopdrachten, noodzakelijk is dat de door de aanbestedende diensten van de lidstaten opgestelde aankondigingen van opdrachten op communautair niveau bekend worden gemaakt".

4 Titel I van de richtlijn bevat de "Algemene bepalingen". Voor de onderhavige rechtszaak is artikel 8, lid 2, van belang, dat luidt: "De aanbestedende dienst deelt de gegadigden of inschrijvers op hun verzoek mede om welke redenen hij heeft besloten een aanbestede opdracht niet te plaatsen of de procedure opnieuw te beginnen. Hij stelt ook het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen van dat besluit in kennis."

Titel IV heeft als opschrift de "Gemeenschappelijke regels inzake deelneming". Artikel 18 bepaalt: "Gunning vindt, met inachtneming van artikel 19, plaats op de grondslag van de in hoofdstuk 3 van deze titel vermelde criteria, nadat de geschiktheid van de aannemers die niet uit hoofde van artikel 24 zijn uitgesloten, door de aanbestedende diensten is nagegaan overeenkomstig de in de artikelen 26 tot en met 29 vermelde criteria betreffende economische en financiële draagkracht en technische bekwaamheid."

5 De Oostenrijkse regeling van de overheidsopdrachten voor werken is vervat in het per 1 januari 1994 in werking getreden BVerG.(2) Volgens deze wet moeten opdrachten voor de uitvoering van werken en voor dienstverlening volgens de in deze wet voorziene procedure, overeenkomstig de beginselen van vrije en eerlijke mededinging en gelijke behandeling van alle gegadigden en bieders, aan - uiterlijk op het tijdstip van de opening van de biedingen - bekwame, productieve en betrouwbare ondernemingen worden gegund (§ 16, lid 1). In dezelfde wet wordt bepaald, dat openbare inschrijvingen enkel plaatsvinden, wanneer het voornemen bestaat het werk ook daadwerkelijk aan te besteden (§ 16, lid 5). In samenhang daarmee eindigt volgens § 56, lid 1, BVerG de procedure voor het plaatsen van een opdracht met het sluiten van een contract of met de herroeping van de aanbesteding.

Ten slotte kan volgens § 55, lid 2, BVerG, waarvan de verenigbaarheid met de richtlijn in de onderhavige procedure aan de orde is, de aanbesteding worden herroepen, wanneer na afwijzing van offertes overeenkomstig § 52 slechts één offerte overblijft. Volledigheidshalve zij vermeld, dat volgens § 52, lid 1, BVerG vóór de keuze van de inschrijver aan wie de opdracht zal worden gegund, de aanbestedende dienst op grond van de onderzoeksresultaten onverwijld de offertes uitsluit van gegadigde ondernemingen die niet aan bepaalde criteria voldoen. Zo moeten bijvoorbeeld worden uitgesloten offertes van inschrijvers die geen vergunning of niet de noodzakelijke economische en financiële draagkracht, technische bekwaamheid of betrouwbaarheid hebben (lid 1), alsmede offertes waarvan de totaalprijs niet op aannemelijke wijze is samengesteld (lid 3).

De feiten en de prejudiciële vragen

6 De onderhavige procedure vloeit voort uit het besluit van het Amt der Salzburger Landesregierung, in het voorjaar van 1996 een aanbesteding voor de uitvoering van bouwwerkzaamheden aan de A1 Westautobahn te organiseren. Na afwikkeling van de betrokken procedures werd de opdracht gegund aan de vennootschap ARGE Betondecke-Salzburg West. In november van hetzelfde jaar maakte dezelfde aanbestedende dienst op grond van een nieuwe technische beoordeling van de betrokken werkzaamheden een aanbesteding bekend voor een opdracht voor "wegdek Salzburg-West, A1 Westautobahn, km 292,7 tot km 297,7, laatste uitbreiding; levering en plaatsing van stalen vangrails". Met de bekendmaking van de aanbesteding van 24 april 1997 werd formeel met de procedure voor de definitieve aanbesteding van de betrokken opdracht voor de uitvoering van werken begonnen. Na de toetsing van de geschiktheid van de vier inschrijvers bleef er slechts één inschrijver over, namelijk de combinatie van ondernemingen Bietergemeinschaft Metalmeccanica Fracasso SpA - Leitschutz Handels-und Montage GmbH. De aanbestedende dienst besloot derhalve, gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot beëindiging van de aanbestedingsprocedure overeenkomstig § 55, lid 2, BVerG. Nadat in een arbitrageprocedure voor de Bundes-Vergabekontrollkommission(3) een minnelijke schikking was bereikt, verzocht de combinatie van ondernemingen om aanvulling van de arbitrageprocedure overeenkomstig § 113 BVerG. De 3. Senat van het Bundesvergabeamt, waarbij het verzoek aanhangig was, heeft besloten het Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:

"Moet de bepaling van artikel 18, lid 1, van richtlijn 93/37/EEG, volgens welke de gunning met inachtneming van artikel 19 op de grondslag van de in hoofdstuk 3 van deze titel vermelde criteria plaatsvindt, nadat de geschiktheid van de aannemers die niet uit hoofde van artikel 24 zijn uitgesloten, door de aanbestedende diensten is nagegaan overeenkomstig de in de artikelen 26 tot en met 29 vermelde criteria betreffende economische en financiële draagkracht en technische bekwaamheid, aldus worden uitgelegd, dat de aanbestedende diensten verplicht zijn tot gunning, zelfs wanneer er slechts één offerte in de aanbestedingsprocedure is overgebleven? Is artikel 18, lid 1, van richtlijn 93/37/EEG voldoende concreet en nauwkeurig, opdat een particulier zich er in een procedure naar nationaal recht op kan beroepen en deze bepaling als element van gemeenschapsrecht aan een bepaling van nationaal recht kan worden tegengeworpen?"

De eerste prejudiciële vraag

7 Hoewel er slechts één vraag is voorgelegd, heeft de nationale rechterlijke instantie het Hof in feite twee verschillende vragen gesteld. Met de eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of artikel 18 van de richtlijn gevolgen kan hebben voor de beslechting van het hoofdgeding. Zoals gezegd, gaat het hierbij om de rechtmatigheid van het besluit van de aanbestedende dienst om de opdracht niet te gunnen wanneer slechts één inschrijving geschikt is bevonden.

8 De betrokken gemeenschapsrichtlijn geeft, evenals alle richtlijnen betreffende overheidsopdrachten die, zoals bekend, een homogeen geheel van voorschriften vormen wat betreft beginselen, doelstelling en wijze van formulering, op dat punt geen duidelijke aanwijzingen. Dat is overigens niet verwonderlijk, daar de richtlijn enkel de nationale procedures wil coördineren en geenszins tot doel heeft, de verschillende nationale rechtsstelsels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten volledig door een uitputtende regeling te vervangen. Die conclusie is uit de richtlijn zelf af te leiden, die in de derde overweging van haar considerans bepaalt, dat deze coördinatie "zoveel mogelijk de thans in elk van de lidstaten bestaande procedures en praktijk dient te respecteren".

Gezien deze omstandigheid kan redelijkerwijs worden betwijfeld, of de onderhavige zaak niet buiten de werkingssfeer van de richtlijn valt, zodat de lidstaten de vraag dienen te beantwoorden overeenkomstig voornoemd beginsel, dat de nationale procedures en praktijk "zoveel mogelijk" moeten worden gerespecteerd.

9 Deze - weliswaar interessante - opvatting overtuigt niet: hoewel de Commissie en ook de interveniërende regeringen van mening zijn, dat de lidstaten vrij zijn, aan een aanbestedende dienst de bevoegdheid tot herroeping van de aanbesteding te verlenen, wijzen zij met nadruk op de mogelijke risico's die uit een eventueel misbruik van die bevoegdheid kunnen voortvloeien.

Mijns inziens is het namelijk redelijk, dat in de communautaire regeling, en in casu met name de richtlijn betreffende "de uitvoering van werken", wel degelijk belang wordt gehecht aan de wijze waarop een dergelijke zaak in de verschillende rechtsordes in concreto wordt geregeld. In dit verband is het de moeite waard, de argumenten van partijen in de onderhavige procedure kort weer te geven.

10 Bij de uiteenzetting van haar opvatting dat de opdracht aan de enig overgebleven offerte moet worden gegund, stelt verzoekster in het hoofdgeding, dat na een systematische lezing van de bepalingen van de richtlijn, inzonderheid de artikelen 7, 8, 18 en 30 - zoals zij haars inziens door het Hof zijn uitgelegd - blijkt, dat de bevoegdheid van de aanbestedende dienst om de aanbestede opdracht niet te plaatsen of de procedure opnieuw te beginnen, beperkt dient te zijn tot bijzonder gewichtige uitzonderingsgevallen (overlijden, faillissement, enz.).(4)

De Commissie wijst er daarentegen op, dat juist op grond van artikel 8, lid 2, van de richtlijn, luidens hetwelk "de aanbestedende dienst (...) de gegadigden of inschrijvers op hun verzoek mede[deelt] om welke redenen hij heeft besloten een aanbestede opdracht niet te plaatsen of de procedure opnieuw te beginnen", een tegenovergestelde conclusie dient te worden getrokken. Haars inziens zou uit deze bepaling onomstotelijk blijken, dat de richtlijn aan de aanbestedende diensten de bevoegdheid verleent een aanbesteding door herroeping te beëindigen. Voorts kan uit de ratio van de richtlijn zonder meer worden afgeleid, dat hieraan het fundamentele vereiste ten grondslag ligt, de overheidsopdrachten aan een daadwerkelijke (tiende overweging van de considerans) of werkelijke (zie artikel 22 voor de procedures van gunning via onderhandelingen) mededinging te onderwerpen; dit vereiste wordt echter tegengesproken door de beweerdelijke verplichting van de aanbestedende dienst, de opdracht te gunnen ook indien slechts één inschrijver overblijft.

Het Amt der Salzburger Landesregierung, verweerder in het hoofdgeding, wijst er eveneens op, dat de grondgedachte van de communautaire richtlijn is, het gebied van de overheidsopdrachten open te stellen voor mededinging en dat alle bepalingen daarvan, te beginnen met de gunningscriteria van artikel 30, lid 1, sub a en b, van de richtlijn, uitgaan van de mogelijkheid van vergelijking van verschillende offertes.

De Oostenrijkse regering voert dezelfde argumenten aan en merkt bovendien op, dat artikel 18 van de richtlijn louter een gemeenschappelijke regel inzake deelneming is, waar zij enkel aangeeft welke soorten ondernemingen door de aanbestedende dienst voor de gunning van de opdracht in aanmerking kunnen worden genomen.

De Franse regering, die ter terechtzitting heeft geïntervenieerd, wijst ten slotte erop, dat ook naar Frans recht (met name artikel 95 ter van de Code des marchés publics) de aanbestedende dienst om redenen van algemeen belang een aanbesteding zonder gunning kan beëindigen.

11 Ter terechtzitting hebben een aantal partijen eraan herinnerd, dat het Gerecht van eerste aanleg onlangs de gelegenheid heeft gehad, een soortgelijke vraag, zij het weliswaar met betrekking tot de richtlijn "dienstverlening"(5), aldus te beantwoorden, dat de aanbestedende dienst niet gehouden is een aanbestedingsprocedure met de toewijzing van de opdracht te beëindigen.(6)

12 Mijns inziens kan de opvatting van verzoekster in het hoofdgeding niet worden aanvaard. In de eerste plaats kan niet worden voorbijgegaan aan een voorschrift als artikel 8, lid 2, volgens hetwelk uitdrukkelijk een mogelijkheid

tot herroeping van de aanbesteding bestaat. In de tweede plaats is artikel 18 een procedurevoorschrift, dat de aanbestedende dienst met betrekking tot de gunningscriteria (of die welke in hoofdstuk 3 van deze titel zijn bedoeld) bindt, en tegelijkertijd een gemeenschappelijke regeling voor de beoordeling van de inschrijvers vaststelt, die een soort voorafgaande voorwaarde voor deelneming aan de aanbesteding vormt. Uit artikel 18 valt dus niets anders af te leiden, dan dat de selectiecriteria voor de gegadigden en de redenen voor hun uitsluiting van de aanbesteding precies de in die bepaling vermelde criteria dienen te zijn: elke andere uitlegging - en met name die welke erop gericht is in de betrokken regel een plicht tot sluiting van een overeenkomst te zien ook voor het geval dat slechts een enkele onderneming heeft ingeschreven en geschikt is bevonden - zou enkel de inhoud van dit voorschrift ten onrechte verdraaien.

13 Volgens mij staat het namelijk buiten kijf, dat de bevoegdheid tot herroeping van de in een aanbesteding besloten administratieve handeling een uiting van de aan de aanbestedende diensten in de rechtordes van de lidstaten toegekende bevoegdheid is, en dat de aanbestedende dienst, zolang de definitieve beslissing tot plaatsen van de opdracht niet is genomen, in wezen vrij is een opdracht niet te gunnen wegens een onverwachte reden van algemeen belang of een nieuwe beoordeling van de uitvoerbaarheid van het project (onvoldoende middelen, ontwikkeling in de stand van de kennis op een bepaald technisch gebied enz.).(7)

14 Dit betekent niet, dat een dergelijke bevoegdheid tot zelfbescherming absoluut is en niet door de rechter kan worden getoetst. In beginsel is de vergelijking van de verschillende offertes geen doel op zich, doch eerder de grondgedachte van de regeling waarmee het handelen van de aanbestedende dienst wordt gerationaliseerd. Bijgevolg kan niet worden uitgesloten, dat in bepaalde gevallen via onderhandelingen met één inschrijver over de gunning van een opdracht zelfs betere resultaten kunnen worden bereikt dan met de aanbestedingsprocedure. Ofschoon de richtlijn gewoonlijk in al haar bepalingen uitgaat van een vergelijking van verschillende offertes, is het ook zo, dat in het licht van artikel 18 (lees artikel 8) de aanbestedende dienst gehouden is aan de gegadigden of inschrijvers mee te delen om welke redenen hij besloten heeft, een aanbestede opdracht niet te plaatsen of de procedure opnieuw te beginnen.

15 Met andere woorden, al kan uit de richtlijn niet worden afgeleid, dat de aanbestedende dienst in elk geval verplicht is de opdracht te plaatsen ook als er slechts van één offerte sprake is, anderzijds moet worden aangenomen, dat die dienst, wanneer de aanbesteding overeenkomstig de in de richtlijn vervatte voorschriften inzake bekendmaking en gelijke behandeling heeft plaatsgehad, een opdracht veelal ook kan gunnen aan de enige gegadigde die heeft ingeschreven of is overgebleven, zonder dat een beroep kan worden gedaan op een niet-bestaand beginsel van mededinging tegen elke prijs. In dit licht moet artikel 8, lid 2, van de richtlijn mijns inziens worden bekeken. Dit artikel beoogt de aanbestedende dienst te beletten, zich op volstrekt willekeurige wijze of in strijd met de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht van een potentiële aannemer te ontdoen.

16 Zoals reeds gezegd, is het Gerecht van eerste aanleg met betrekking tot een aanbesteding van het Europees Parlement van een opdracht voor het vervoer van personen met voertuigen met chauffeur(8) recentelijk eveneens tot de conclusie gekomen, dat de richtlijn de bevoegdheid van de aanbestedende dienst tot herroeping van de aanbesteding niet uitsluit. In een andere context dan die van de onderhavige zaak (er waren namelijk meerdere offertes en niet slechts één) besliste het Gerecht, dat "de aanbestedende dienst niet gehouden is een aanbestedingsprocedure te voltooien" (punt 54), en merkte het op, dat een aanbestedende dienst dienaangaande over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, waarbij juist enkel kan worden getoetst of de beslissing willekeurig is.

Hoewel het ging om de richtlijn betreffende dienstverlening, is het beginsel volgens mij zeker toe te juichen en kan het worden uitgebreid tot de richtlijn betreffende uitvoering van werken alsook tot alle andere richtlijnen inzake overheidsopdrachten, daar het een algemeen beginsel is dat te vinden is in de juridische tradities van de lidstaten, die deze richtlijnen beogen te eerbiedigen.

17 Hier komt echter bij, dat de verplichting tot mededeling van de redenen waarom de aanbestedende dienst de opdracht niet wenst te plaatsen of een procedure niet opnieuw wil beginnen als bedoeld in artikel 8, lid 2, van de richtlijn, op haar juiste waarde moet worden beoordeeld. Op grond daarvan kan namelijk de rechtmatigheid van de handeling van de aanbestedende dienst worden getoetst, althans in die gevallen waarin de herroeping van de aanbesteding een voorwendsel of in strijd met andere bepalingen van gemeenschapsrecht is. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn, wanneer de aanbestedende dienst aanbestedingen organiseert uitsluitend de tijd te rekken en opzettelijk een spoedsituatie te creëren, die hij dan als voorwendsel kan gebruiken om de opdracht via een onderhandelingsprocedure te plaatsen, zulks ondanks het communautaire voorschrift dat de spoed in geen geval aan de aanbestedende diensten te wijten mag zijn (zie artikel 7, lid 3, sub c, van de richtlijn).

Wat dit specifieke geval betreft, zou de herroeping van de aanbesteding theoretisch willekeurig kunnen zijn wanneer de aanbestedende dienst de aanbesteding annuleert niet om een minder kostbare technische oplossing te kiezen dan die welke oorspronkelijk was voorzien, zoals in casu inderdaad het geval was, maar omdat de offerte ongeschikt zou zijn, die zelfs eerder abnormaal laag was bevonden, maar toch aan de criteria van de verificatie op tegenspraak als bedoeld in artikel 30, lid 4, van de richtlijn had voldaan.

18 Kortom, het lijkt mij derhalve buiten kijf te staan, dat de aanbestedende dienst de aanbesteding soms om objectieve redenen van algemeen belang kan annuleren en van het plaatsen van de opdracht kan afzien, wanneer één offerte is ingediend of overgebleven, mits dit niet een willekeurige handeling is of als voorwendsel dient dan wel daarmee de bepalingen van de richtlijn of andere voorschriften of beginselen van gemeenschapsrecht worden geschonden.

19 Ik geef het Hof derhalve in overweging, op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden, dat artikel 18 van richtlijn 93/37 niet in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling op grond waarvan een aanbestedende dienst de aanbestedingsprocedure mag herroepen indien als gevolg van de rechtmatige uitsluiting van offertes die niet overeenkomstig de wet zijn ingediend, slechts één inschrijver overblijft.

De tweede prejudiciële vraag

20 Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen, of een particulier zich voor de nationale rechterlijke instanties op artikel 18, lid 1, van de richtlijn kan beroepen.

21 In dit verband zij opgemerkt, dat deze vraag - voor de nationale rechter - enkel van belang is voor zover aan artikel 18 de door verzoekster in het hoofdgeding voorgestelde uitlegging wordt gegeven. Gezien het antwoord op de eerste prejudiciële vraag, is de tweede vraag zonder voorwerp geraakt.

Daar ik in elk geval een antwoord op de vraag wil geven, merk ik enkel op, dat dit antwoord bevestigend dient te zijn. Artikel 18 legt de aanbestedende dienst namelijk onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige verplichtingen op, opdat particulieren zich voor de nationale rechterlijke instanties daarop kunnen beroepen. Deze oplossing is door het Hof bij eerdere gelegenheden reeds aanvaard, zij het met betrekking tot de overeenkomstige bepaling van de voorgaande versie van de richtlijn.(9)

22 Ik geef het Hof derhalve in overweging op de tweede vraag te antwoorden, dat artikel 18 van richtlijn 93/37/EEG voldoende duidelijk en nauwkeurig is om voor een nationale rechterlijke instantie daarop een beroep te kunnen doen.

Conclusie

23 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Bundesvergabeamt te beantwoorden als volgt:

"1) Artikel 18 van richtlijn 93/37/EEG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, staat niet in de weg aan een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de aanbestedende dienst een aanbestedingsprocedure kan herroepen, indien als gevolg van de rechtmatige uitsluiting van de offertes die niet overeenkomstig de wet zijn ingediend, slechts één inschrijver overblijft.

2) Artikel 18 van richtlijn 93/37/EEG is voldoende duidelijk en nauwkeurig om voor een nationale rechterlijke instantie daarop een beroep te kunnen doen."

(1) - PB L 199, blz. 54, onlangs gewijzigd bij richtlijn 97/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1997 (PB L 328, blz. 1).

(2) - De wet is na de codificatie van de voorschriften inzake overheidsopdrachten bij de wet van 27 mei 1997 opnieuw gepubliceerd, BGBl I 1997/56.

(3) - §§ 109 e.v. BVerG.

(4) - Verzoekster in het hoofdgeding beroept zich met name op de arresten van 10 februari 1982, Transporoute (76/81, Jurispr. blz. 417); 9 juli 1987, CEI e.a. (27/86, 28/86, 29/86, Jurispr. blz. 3347); 20 september 1988, Beentjes (31/87, Jurispr. blz. 4635), en 16 oktober 1997, Hera (C-304/96, Jurispr. blz. I-5685).

(5) - Richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209, blz. 1).

(6) - Arrest van 17 december 1998, Embassy Limousines (T-203/96, Jurispr. blz. II-4239).

(7) - Met betrekking tot het geval van de enige inschrijver kan ook worden opgemerkt, dat in Italië de verordening inzake het financieel beheer van de staat - die door de rechtspraak overigens tot alle overheidsinstellingen is uitgebreid - juist voorschrijft, dat de aanbesteding mislukt dient te worden verklaard, indien zich niet ten minste twee inschrijvers hebben aangemeld, "behalve de gevallen waarin de aanbestedende dienst bij voorbaat in de bekendmaking van de uitnodiging tot inschrijving heeft verklaard, dat daar de aanbesteding geschiedt volgens een procedure van geheime offertes, de opdracht wordt gegund ook als maar één offerte wordt ingediend" (artikel 69 van regio decreto nr. 827 van 23 mei 1924). Zie voor een recente toepassing van dit voorschrift deuitspraak van de Corte dei conti van 27 februari 1997, nr. 33, in Riv. Corte dei conti, deel I, blz. 36.

(8) - Arrest Embassy Limousines, reeds aangehaald.

(9) - Arrest Beentjes, punt 44.