61995J0300

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 29 mei 1997. - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannie en Noord-Ierland. - Niet-nakoming - Artikel 7, sub e, van richtlijn 85/374/EEG - Onjuiste omzetting - Uitsluiting van aansprakelijkheid voor producten met gebreken - Stand van wetenschappelijke en technische kennis. - Zaak C-300/95.

Jurisprudentie 1997 bladzijde I-02649


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


Harmonisatie van wetgevingen - Aansprakelijkheid voor producten met gebreken - Richtlijn 85/374 - Uitsluiting van aansprakelijkheid - Voorwaarde - Onmogelijkheid gebrek te ontdekken, gelet op stand van wetenschappelijke en technische kennis - Begrip - Nationale omzettingsbepaling - Niet-nakoming niet aangetoond

(Richtlijn 85/374 van de Raad, art. 7, sub e)

Samenvatting


Om een producent op grond van richtlijn 85/374 aansprakelijk te kunnen stellen voor zijn gebrekkige producten, behoeft de gelaedeerde niet de schuld van de producent te bewijzen, maar de producent moet zich overeenkomstig het beginsel van de rechtvaardige verdeling van de risico's tussen de gelaedeerde en de producent, neergelegd in artikel 7 van de richtlijn, van zijn aansprakelijkheid kunnen bevrijden, indien hij het bestaan van enkele hem ontlastende feiten aantoont, met name "dat het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken". Hiervoor moet de producent weliswaar aantonen, dat het op grond van de objectieve stand van genoemde kennis zonder meer, daaronder begrepen het meest geavanceerde niveau en niet beperkt tot de betrokken industriesector, onmogelijk was het gebrek te ontdekken, doch om deze kennis met succes aan de producent te kunnen tegenwerpen, moet zij wel toegankelijk zijn geweest op het tijdstip waarop het product in het verkeer werd gebracht.

Een nationale omzettingsbepaling volgens welke de producent zich van zijn aansprakelijkheid kan bevrijden indien hij bewijst, dat bij de stand van bedoelde kennis "van een producent van soortgelijke producten als het product in kwestie niet kon worden verwacht dat hij het gebrek zou hebben ontdekt indien het bestond toen de producten zich in zijn macht bevonden", is kennelijk niet in strijd met dit gemeenschapsvoorschrift. Het argument dat bij genoemde bepaling kan worden uitgegaan van de subjectieve kennis die een normaal zorgvuldige producent bezit, rekening houdend met de gebruikelijke voorzichtigheid in de betrokken industriesector, legt immers op selectieve wijze de nadruk op bepaalde woorden in de bepaling, zonder dat wordt aangetoond dat volledige uitvoering van de richtlijn niet doeltreffend kan worden gewaarborgd door de algemene juridische context van de bepaling.

Partijen


In zaak C-300/95,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Oliver, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door M. Mildred, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verzoekster,

tegen

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door J. E. Collins van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door K. P. E. Lasok, QC, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter ambassade van het Verenigd Koninkrijk, Boulevard Roosevelt 14,

verweerder,

betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk, door niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn om uitvoering te geven aan richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken (PB 1985, L 210, blz. 29), en met name artikel 7, sub e, daarvan, de krachtens deze richtlijn en het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE

(Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, C. Gulmann, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet en M. Wathelet (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: G. Tesauro

griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 23 januari 1997,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 januari 1997,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het Hof op 20 september 1995, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag een beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Verenigd Koninkrijk, door niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn om uitvoering te geven aan richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken (PB 1985, L 210, blz. 29; hierna: "richtlijn"), en met name artikel 7, sub e, daarvan, de krachtens de richtlijn en het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2 De richtlijn heeft tot doel, de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken te harmoniseren; onderlinge verschillen in deze wetgevingen kunnen immers "de mededinging (...) vervalsen, het vrij verkeer van goederen binnen de gemeenschappelijke markt (...) aantasten en tot verschillen (...) leiden in het niveau van de bescherming van de consument tegen schade die door een produkt met gebreken wordt toegebracht aan diens gezondheid en goederen" (eerste overweging van de considerans van de richtlijn).

3 Volgens artikel 1 van de richtlijn is de producent aansprakelijk voor de schade, veroorzaakt door een gebrek in zijn product.

4 Artikel 4 bepaalt, dat de gelaedeerde de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade moet bewijzen.

5 In artikel 7 worden evenwel een aantal verweermiddelen genoemd waarmee de producent zich van zijn aansprakelijkheid kan bevrijden. Dienaangaande blijkt uit de zevende overweging van de considerans, "dat een rechtvaardige verdeling van de risico's tussen de gelaedeerde en de producent impliceert dat laatstgenoemde zich moet kunnen bevrijden van de aansprakelijkheid als hij het bestaan van hem ontlastende feiten bewijst".

6 Aldus

"(is) de producent (...) uit hoofde van deze richtlijn aansprakelijk, tenzij hij bewijst:

(...)

e) dat het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het produkt in het verkeer bracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken;

(...)"

7 Ingevolge artikel 19 van de richtlijn moesten de Lid-Staten de nodige maatregelen vaststellen om uiterlijk op 30 juli 1988 aan de richtlijn te voldoen. Het Verenigd Koninkrijk heeft aan de richtlijn uitvoering gegeven door middel van Part I van de Consumer Protection Act 1987 (hierna: "wet"), die op 1 maart 1988 in werking is getreden.

8 Section 1(1) van deze wet luidt als volgt:

"Part I strekt ertoe de nodige bepalingen vast te stellen om te voldoen aan de richtlijn inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken en dient in die zin te worden uitgelegd."

9 Section 4(1)(e), waarmee wordt beoogd uitvoering te geven aan artikel 7, sub e, van de richtlijn, bepaalt:

"In elke krachtens Part I ingeleide civielrechtelijke procedure wegens een gebrek in een product kan de verweerder van zijn aansprakelijkheid worden bevrijd indien hij bewijst:

(...)

(e) dat bij de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het relevante tijdstip, van een producent van soortgelijke producten als het product in kwestie niet kon worden verwacht dat hij het gebrek zou hebben ontdekt indien het bestond toen de producten zich in zijn macht bevonden."

10 Omdat de Commissie meende, dat de wet de richtlijn niet juist had omgezet, maande zij het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag, bij schrijven van 26 april 1989 aan om binnen twee maanden zijn opmerkingen te maken over zes door haar genoemde grieven.

11 Bij schrijven van 19 juli 1989 wees het Verenigd Koninkrijk de grieven van de Commissie van de hand. Het gaf toe, dat de bewoordingen van de wet afweken van die van de richtlijn, doch betoogde, dat het de Lid-Staten volgens artikel 189 EEG-Verdrag vrijstond de passende bewoordingen te kiezen om een richtlijn om te zetten, mits het gewenste resultaat wordt bereikt.

12 Op 2 juli 1990 stuurde de Commissie het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag een met redenen omkleed advies. Zij erkende, dat een Lid-Staat het recht heeft zijn eigen bewoordingen te kiezen om een richtlijn om te zetten zolang met de nationale bepalingen het door de richtlijn beoogde resultaat wordt bereikt. Zij handhaafde niettemin haar standpunt met betrekking tot vijf van de zes in haar aanmaningsbrief aangevoerde grieven.

13 Bij schrijven van 4 oktober 1990 bevestigde het Verenigd Koninkrijk zijn standpunt, dat de richtlijn door de wet juist was omgezet.

14 Op grond van het betoog van het Verenigd Koninkrijk kwam de Commissie tot de overtuiging, dat zij nog vier grieven moest laten vallen, met name gelet op het voorschrift in Section 1(1) van de wet, dat de desbetreffende bepalingen in overeenstemming met de richtlijn dienden te worden uitgelegd.

15 Omdat de Commissie evenwel van oordeel was, dat de formulering van Section 4(1)(e) allesbehalve ambigu was en van de nationale rechter een uitlegging contra legem vergde om haar in overeenstemming met de richtlijn te brengen, besloot zij bij het Hof een zaak aanhangig te maken betreffende de verenigbaarheid van die bepaling met artikel 7, sub e, van de richtlijn.

16 In haar verzoekschrift stelt de Commissie, zakelijk weergegeven, dat de wetgever van het Verenigd Koninkrijk het verweermiddel van artikel 7, sub e, van de richtlijn aanzienlijk heeft verruimd en de door artikel 1 van de richtlijn voorgeschreven risicoaansprakelijkheid heeft omgezet in een loutere aansprakelijkheid wegens nalatigheid.

17 Volgens de Commissie bevat artikel 7, sub e, van de richtlijn namelijk een objectief criterium, doordat daarin de nadruk wordt gelegd op de stand van de kennis zonder enige verwijzing naar het vermogen van de producent van het product in kwestie dan wel van een andere producent van een soortgelijk product om het gebrek te ontdekken. Met de formulering "van een producent van soortgelijke producten als het product in kwestie niet kon worden verwacht dat hij het gebrek zou hebben ontdekt" vereist Section 4(1)(e) evenwel een subjectieve beoordeling, waarbij de nadruk wordt gelegd op het gedrag van een in redelijkheid handelende producent. Hierdoor is het voor een producent van een gebrekkig product gemakkelijker om volgens de regeling van Section 4(1)(e) aan te tonen, dat hij noch een producent van soortgelijke producten het gebrek op het relevante tijdstip had kunnen ontdekken, wanneer de in deze industriesector gebruikelijke voorzichtigheid in acht is genomen en geen enkele nalatigheid is begaan, dan om volgens artikel 7, sub e, aan te tonen, dat het gelet op de stand van de wetenschappelijke en technische kennis onmogelijk was het gebrek te ontdekken.

18 De Commissie voegt hieraan toe, dat Section 1(1) van de wet weliswaar een uiterst waardevolle aanwijzing voor de nationale rechter bevat, doch dat dit in geen geval volstaat voor de wettigheid van een formulering die op het eerste gezicht kennelijk in strijd is met de tekst van de richtlijn en slechts via een uitlegging contra legem in overeenstemming met de richtlijn kan worden gebracht.

19 De regering van het Verenigd Koninkrijk komt niet op tegen de door de Commissie gegeven uitlegging van artikel 7, sub e, van de richtlijn, volgens welke die bepaling een "objectief" en geen "subjectief" criterium bevat. Zij meent daarentegen, dat Section 4(1)(e) van de wet hetzelfde criterium hanteert als artikel 7, sub e, van de richtlijn en niet voorziet in een aansprakelijkheid wegens nalatigheid.

20 Volgens deze regering bevat artikel 7, sub e, voor zover het mogelijk is deze bepaling in abstracto - buiten enige feitelijke context - uit te leggen, een objectief criterium, in die zin, dat "de stand van de wetenschappelijke en technische kennis" waarnaar wordt verwezen, niet doelt op hetgeen de betrokken producent al dan niet daadwerkelijk bekend is, maar op de stand van de kennis die objectief mag worden verwacht van de in generieke zin beschouwde categorie producenten waartoe de betrokken producent behoort. Welnu, dat is juist de betekenis van Section 4(1)(e) van de wet.

21 De regering van het Verenigd Koninkrijk herinnert eraan, dat de rechterlijke instanties in het Verenigd Koninkrijk Section 4(1)(e) hoe dan ook dienen uit te leggen op een wijze die verenigbaar is met artikel 7, sub e. Daartoe zijn zij verplicht krachtens Section 1(1) van de wet of ingevolge het algemene beginsel dat elke wetgeving die uitvoering geeft aan het gemeenschapsrecht, in overeenstemming met dat recht moet worden uitgelegd.

22 Gelet op Section 1(1) van de wet en bij gebreke van enige uitspraak van een nationale rechter over de betekenis van Section 4(1)(e), kan de Commissie naar het oordeel van de Britse regering niet aannemen dat deze bepaling onverenigbaar is met artikel 7, sub e. Haar betoog in dezen kan slechts slagen indien zij op overtuigende wijze aantoont, dat Section 4(1)(e) in rechte nooit dezelfde betekenis kan hebben als artikel 7, sub e.

23 Om na te gaan of de omstreden nationale omzettingsbepaling kennelijk in strijd is met artikel 7, sub e, van de richtlijn, zoals de Commissie stelt, dient eerst de strekking van de gemeenschapsbepaling waaraan deze bepaling uitvoering geeft, te worden onderzocht.

24 Allereerst zij eraan herinnerd, dat de gelaedeerde die een producent aansprakelijk wil stellen voor zijn gebrekkige producten, volgens artikel 4 van de richtlijn de schade, het gebrek in het product en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade moet bewijzen, doch niet de tekortkoming van de producent. Overeenkomstig het beginsel van de rechtvaardige verdeling van de risico's tussen de gelaedeerde en de producent, zoals neergelegd in de zevende overweging van de considerans van de richtlijn, moet de producent zich overeenkomstig artikel 7 van zijn aansprakelijkheid kunnen bevrijden door het bestaan van enkele hem ontlastende feiten aan te tonen en met name door te bewijzen "dat het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken" (sub e).

25 Bij artikel 7, sub e, van de richtlijn kunnen een aantal kanttekeningen worden geplaatst.

26 Om te beginnen doelt deze bepaling, zoals de advocaat-generaal in punt 20 van zijn conclusie terecht opmerkt, met de verwijzing naar "de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht", niet specifiek op de praktijk en op de gebruikelijke veiligheidsvoorschriften in de industriesector waarin de producent actief is, maar op de stand van de wetenschappelijke en technische kennis zonder meer, daaronder begrepen het meest geavanceerde niveau op het tijdstip waarop het betrokken product in het verkeer werd gebracht.

27 Voorts gaat de omstreden exoneratieclausule niet uit van de stand van de kennis waarvan de betrokken producent concreet of subjectief op de hoogte was of kon zijn, maar van de objectieve stand van de wetenschappelijke en technische kennis waarvan de producent wordt geacht op de hoogte te zijn.

28 De formulering van artikel 7, sub e, impliceert echter noodzakelijkerwijs, dat de relevante wetenschappelijke en technische kennis toegankelijk was op het tijdstip waarop het betrokken product in het verkeer werd gebracht.

29 Uit het voorgaande volgt dat, om zich op grond van artikel 7, sub e, van de richtlijn van zijn aansprakelijkheid te kunnen bevrijden, de producent van een gebrekkig product moet aantonen, dat het op grond van de objectieve stand van de wetenschappelijke en technische kennis, daaronder begrepen het meest geavanceerde niveau, op het tijdstip waarop hij het betrokken product in het verkeer bracht, onmogelijk was het gebrek te ontdekken. Om de relevante wetenschappelijke en technische kennis met succes aan de producent te kunnen tegenwerpen, moet deze kennis wel toegankelijk zijn geweest op het tijdstip waarop het betrokken product in het verkeer werd gebracht. Anders dan de Commissie lijkt te betogen, levert artikel 7, sub e, van de richtlijn ten aanzien van dit laatste aspect uitleggingsproblemen op die de nationale rechter in geval van een geschil zal moeten oplossen, eventueel met gebruikmaking van artikel 177 EG-Verdrag.

30 Thans dienen de door de Commissie tot staving van haar beroep aangevoerde grieven te worden onderzocht.

31 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de Commissie in een niet-nakomingsprocedure krachtens artikel 169 van het Verdrag de gestelde niet-nakoming moet aantonen. Zij moet de feiten en omstandigheden aandragen die het Hof nodig heeft om uit te maken of er sprake is van niet-nakoming, en kan zich daarbij niet baseren op een of ander vermoeden (zie met name arrest van 20 maart 1990, zaak C-62/89, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1990, blz. I-925, r.o. 37).

32 De Commissie stelt, dat Section 4(1)(e) van de wet, voor zover daarin wordt verwezen naar hetgeen van een producent van soortgelijke producten als het product in kwestie wordt verwacht, kennelijk in strijd is met artikel 7, sub e, van de richtlijn, omdat daarbij wordt uitgegaan van de kennis die een normaal zorgvuldige producent subjectief bezit, rekening houdend met de gebruikelijke voorzichtigheid in de betrokken industriesector.

33 Dit betoog moet worden verworpen voor zover daarin op selectieve wijze de nadruk wordt gelegd op bepaalde woorden van Section 4(1)(e) zonder aan te tonen, dat volledige uitvoering van de richtlijn niet doeltreffend kan worden gewaarborgd door de algemene juridische context van de betwiste bepaling. Gelet op een en ander, is de Commissie evenwel niet geslaagd in het bewijs dat, zoals zij stelt, het door artikel 7, sub e, van de richtlijn beoogde resultaat in de interne rechtsorde kennelijk niet wordt bereikt.

34 In de eerste plaats dient immers te worden vastgesteld, dat Section 4(1)(e) van de wet, conform artikel 7 van de richtlijn, de bewijslast legt op de fabrikant die zich op de exoneratieclausule beroept.

35 In de tweede plaats bevat Section 4(1)(e) geen enkele beperking ter zake van de stand of het peil van de wetenschappelijke en technische kennis waarvan op het relevante tijdstip moet worden uitgegaan.

36 In de derde plaats kan uit de formulering als zodanig niet worden afgeleid dat, zoals de Commissie betoogt, de kennis die een normaal zorgvuldige producent subjectief bezit, rekening houdend met de gebruikelijke voorzichtigheid in de betrokken industriesector, bepalend is voor het slagen van een beroep op de exoneratieclausule.

37 In de vierde plaats zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de strekking van nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen moet worden beoordeeld met inachtneming van de uitlegging die de nationale rechterlijke instanties daaraan geven (zie met name arrest van 8 juni 1994, zaak C-382/92, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1994, blz. I-2435, r.o. 36). In casu heeft de Commissie tot staving van haar beroep evenwel geen enkele nationale rechterlijke uitspraak aangevoerd waarin de omstreden nationale bepaling niet in overeenstemming met de richtlijn is uitgelegd.

38 Tot slot is uit de stukken niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen, dat de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk Section 4(1)(e) niet zouden uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 189, derde alinea, van het Verdrag te voldoen (zie met name arrest van 14 juli 1994, zaak C-91/92, Faccini Dori, Jurispr. 1994, blz. I-3325, r.o. 26). Section 1(1) van de wet legt de nationale rechter overigens uitdrukkelijk die verplichting op.

39 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie niet is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat Section 4(1)(e), gelet op de algemene juridische context ervan en met name op Section 1(1) van de wet, kennelijk in strijd is met artikel 7, sub e, van de richtlijn. Mitsdien moet het beroep worden verworpen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

40 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

rechtdoende:

1) Verwerpt het beroep.

2) Verwijst de Commissie in de kosten.