61995J0299

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 29 mei 1997. - Friedrich Kremzow tegen Republiek Oostenrijk. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Oberster Gerichtshof - Oostenrijk. - Artikel 164 EG-Verdrag - Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens - Vrijheidsberoving - Recht op eerlijk proces - Werking van arrest van Europees Hof voor de rechten van de mens. - Zaak C-299/95.

Jurisprudentie 1997 bladzijde I-02629


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


Gemeenschapsrecht - Beginselen - Fundamentele rechten - Eerbiediging verzekerd door Hof - Verenigbaarheid van nationale wettelijke regeling die niet binnen toepassingsgebied van gemeenschapsrecht valt, met Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens - Beoordeling door Hof - Uitgesloten

(EG-Verdrag, art. 164 en 177)

Samenvatting


Het Hof kan niet bij wege van prejudiciële beslissing de uitleggingsgegevens verschaffen die de nationale rechter nodig heeft om te kunnen beoordelen of een nationale regeling verenigbaar is met de fundamentele rechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert, in het bijzonder die welke in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zijn neergelegd, indien die regeling betrekking heeft op een situatie die niet binnen het toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht valt.

Bepalingen van nationaal recht die niet bedoeld zijn ter verzekering van de naleving van bepalingen van gemeenschapsrecht, hebben betrekking op een situatie die niet binnen het toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht valt. Ofschoon een op grond van genoemde bepalingen van nationaal recht opgelegde vrijheidsstraf de uitoefening door de betrokkene van zijn recht op vrij verkeer belemmert, vormt het louter hypothetisch vooruitzicht van deze uitoefening geen toereikende band met het gemeenschapsrecht om toepassing van de communautaire voorschriften te rechtvaardigen.

Partijen


In zaak C-299/95,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen

F. Kremzow, interveniënt: W. L. Weh

en

Republiek Oostenrijk,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 164 EG-Verdrag en enkele bepalingen van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE

(Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), kamerpresident, C. Gulmann, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet en P. Jann, rechters,

advocaat-generaal: A. La Pergola

griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- F. Kremzow, vertegenwoordigd door R. Soyer, advocaat te Wenen,

- de Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door H. Arzberger, Oberrat bij het algemeen parket (Finanzprokurator), als gemachtigde,

- W. L. Weh, interveniënt in het hoofdgeding,

- de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door W. Okresek, Ministerialrat bij het Bundeskanzleramt-Verfassungsdienst, als gemachtigde,

- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde,

- de Griekse regering, vertegenwoordigd door A. Samoni-Rantou, bijzonder adjunct-juridisch adviseur bij de bijzondere dienst communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, alsook door L. Pnevmatikou en G. Karipsiadis, gespecialiseerd wetenschappelijk medewerkers bij deze dienst, als gemachtigden,

- de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en A. de Bourgoing, speciaal afgezant bij voornoemde directie, als gemachtigden,

- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Nicoll, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door D. Bethlehem, Barrister,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Wölker, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van F. Kremzow, de Republiek Oostenrijk, W. L. Weh, de Oostenrijkse regering, de Griekse regering, de Franse regering en de Commissie ter terechtzitting van 9 januari 1997,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 februari 1997,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 29 augustus 1995, ingekomen bij het Hof op 18 september daaraanvolgend, heeft het Oberste Gerichtshof krachtens artikel 177 EG-Verdrag verscheidene prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 164 EG-Verdrag en enkele bepalingen van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: "EVRM").

2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen F. Kremzow en de Republiek Oostenrijk, over de vergoeding van de schade die Kremzow zou hebben geleden ingevolge zijn veroordeling door het Oberste Gerichtshof tot levenslange gevangenisstraf, na een procedure die door het Europees Hof voor de rechten van de mens in strijd met artikel 6 EVRM is verklaard (arrest van 21 september 1993, Kremzow/Oostenrijk, serie A, nr. 268-B).

3 In december 1982 bekende Kremzow, een gepensioneerd rechter van Oostenrijkse nationaliteit, een advocaat van dezelfde nationaliteit in Oostenrijk te hebben vermoord. Nadien trok hij zijn bekentenis in.

4 Bij arrest van 8 december 1984 verklaarde de juryrechtbank van het Kreisgericht Korneuburg Kremzow schuldig aan moord (artikel 75 wetboek van strafrecht) en onwettig vuurwapenbezit (artikel 36 vuurwapenwet). In verband daarmee legde zij hem een gevangenisstraf op van 20 jaar en gelastte zij zijn opneming in een inrichting voor geesteszieke delinquenten.

5 Na een zitting waarop de verschijning van verdachte noch was gevraagd noch ambtshalve bevolen, en die dan ook in zijn afwezigheid plaatsvond, bevestigde het Oberste Gerichtshof in hoger beroep bij arrest van 2 juli 1986 het vonnis van de juryrechtbank voor zover het de schuldvraag betrof. Het veroordeelde Kremzow evenwel tot levenslange gevangenisstraf en vernietigde het bevel tot opneming in een psychiatrische inrichting. Het Oberste Gerichtshof verwierp voor het overige de door verzoeker en zijn familie tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis ingestelde cassatieberoepen.

6 De zaak werd voorgelegd aan de Europese Commissie voor de rechten van de mens en vervolgens aan het Europees Hof voor de rechten van de mens. Dit Hof verklaarde in het reeds aangehaalde arrest van 21 september 1993, dat gezien de ernst van hetgeen bij de behandeling van de tegen de veroordeling ingestelde beroepen op het spel had gestaan, Kremzow in de gelegenheid had moeten worden gesteld zich voor het Oberste Gerichtshof "zelf te verdedigen", gelijk is bepaald in artikel 6, lid 3, sub c, EVRM, ook al was een daartoe strekkend verzoek niet ingediend. Het Europees Hof voor de rechten van de mens oordeelde op grond daarvan, dat artikel 6 EVRM was geschonden, en kende Kremzow een schadeloosstelling van 230 000 ÖS toe.

7 Na dit arrest leidde Kremzow verschillende procedures in bij de Oostenrijkse rechterlijke instanties, met name ter verkrijging van vermindering van de opgelegde straf overeenkomstig artikel 410 van het Oostenrijkse wetboek van strafvordering, alsook betaling, uit hoofde van artikel 5, lid 5, EVRM, van 3 969 058,65 ÖS wegens onrechtmatige detentie in de periode van 3 juli 1986 tot en met 30 september 1993.

8 In het kader van zijn vordering tot schadeloosstelling bij de burgerlijke rechter betoogde Kremzow, dat ingevolge artikel 5, lid 5, EVRM eenieder die is gedetineerd in omstandigheden welke strijdig zijn met de bepalingen in de leden 1 tot en met 4 van dat artikel, recht heeft op schadeloosstelling. Volgens Kremzow was deze bepaling rechtstreeks toepasselijk in het Oostenrijkse recht en kon daarop een vordering tot schadeloosstelling worden gegrond in geval van aantasting van de persoonlijke vrijheid. Nu het Europees Hof voor de rechten van de mens de onwettigheid van de hem opgelegde straf onherroepelijk had vastgesteld, kon zijn detentie niet worden beschouwd als een rechtmatige detentie na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter, in de zin van artikel 5, lid 1, sub a, EVRM.

9 In eerste aanleg werd de schadevordering op 9 februari 1994 door het Landesgericht für Zivilrechtssachen Wien afgewezen, welke uitspraak op 25 juli daaraanvolgend door het Oberlandesgericht Wien werd bevestigd met de overweging, dat overeenkomstig artikel 2, lid 3, Amtshaftungsgesetz een uitspraak van het Oberste Gerichtshof geen recht kon geven op schadeloosstelling.

10 Voorts wees het Oberste Gerichtshof bij beschikking van 3 april 1995 de vordering tot vermindering van de aan Kremzow opgelegde straf af.

11 In het kader van de buitengewone "Revision" die Kremzow tegen het arrest van het Oberlandesgericht Wien van 25 juli 1994 instelde, betoogde hij in het bijzonder, dat de procedure voor het Oberste Gerichtshof die tot de beschikking van 3 april 1995 had geleid, de schending van het EVRM niet had opgeheven, en dat daartoe de beroepsprocedure voor die instantie had moeten worden heropend. Voorts verzocht hij het Oberste Gerichtshof, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de vraag, of de verwijzende rechter aan het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens gebonden is.

12 De verwijzende rechter merkt op, dat hij in casu het fundamentele recht van de individuele vrijheid te beoordelen heeft alsook de aan de schending van dit recht verbonden civielrechtelijke gevolgen, daar juist dit recht de grondslag en de voorwaarde is voor de ongestoorde uitoefening van alle andere vrijheidsrechten, inzonderheid het recht van vrij personenverkeer en de vrije beroepsuitoefening. Op grond daarvan verzoekt hij het Hof, zich bij wege van prejudiciële beslissing uit te spreken over de navolgende vragen:

"1) Maken alle of althans de materieelrechtelijke bepalingen van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) - onder meer de in de procedure voor het Oberste Gerichtshof relevante artikelen 5, 6 en 53 - deel uit van het gemeenschapsrecht (artikel 164 EEG-Verdrag), zodat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 177, eerste alinea, EEG-Verdrag bij wege van prejudiciële beslissing over de uitlegging daarvan uitspraak doet?

2) Indien de sub 1 gestelde vraag - althans wat de artikelen 5 en 6 EVRM betreft - bevestigend wordt beantwoord, worden aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vragen gesteld:

a) Zijn arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens waarin schendingen van het EVRM worden vastgesteld, ten minste in zoverre bindend voor de nationale rechterlijke instanties dat deze niet kunnen stellen, dat de in die arresten bedoelde handelwijzen van overheidsorganen in overeenstemming waren met dit verdrag?

b) Zijn op artikel 5, lid 5, EVRM gebaseerde schadevorderingen uitgesloten, wanneer de schade het gevolg is van een uitspraak van het Oberste Gerichtshof?

c) Is detentie in de zin van artikel 5, lid 1, sub a, EVRM ex tunc in strijd met het EVRM, wanneer het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft vastgesteld, dat de rechter in een strafzaak procedurele waarborgen van artikel 6 EVRM heeft geschonden?

d) Moet in een procedure inzake overheidsaansprakelijkheid het verweer worden aanvaard, dat de strafmaat niet anders zou zijn geweest indien de door het Europees Hof voor de rechten van de mens vastgestelde schending van artikel 6 EVRM niet had plaatsgevonden, ofschoon het Oostenrijkse strafprocesrecht voor dergelijke gevallen - tot dusver - geen herzieningsprocedure kent waardoor de procedurefout kan worden hersteld?

e) Rust de bewijslast voor het causaal verband tussen de schending van artikel 6 EVRM en de vrijheidsberoving op de verzoeker, respectievelijk de bewijslast voor het ontbreken van dat verband op de verweerder?"

De bevoegdheid van het Hof

13 Volgens Kremzow vloeit de bevoegdheid van het Hof om de prejudiciële vragen te beantwoorden, met name voort uit de omstandigheid dat hij burger van de Europese Unie is en uit hoofde daarvan het in artikel 8 A EG-Verdrag neergelegde recht van vrij verkeer van personen geniet. Aangezien elke burger zich op het grondgebied van de Lid-Staten zonder nauwkeurig bepaald verblijfsdoel vrij kan bewegen, moet de staat die dit door het gemeenschapsrecht gewaarborgde fundamentele recht schendt door een onrechtmatige vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen, krachtens het gemeenschapsrecht tot schadeloosstelling worden verplicht.

14 Er zij al aanstonds aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak (zie met name advies 2/94 van 28 maart 1996, Jurispr. 1996, blz. I-1759, punt 33) de fundamentele rechten behoren tot de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging het Hof verzekert. Daarbij laat het Hof zich leiden door de constitutionele tradities welke aan de Lid-Staten gemeen zijn, alsmede door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens, waaraan de Lid-Staten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Aan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe. Gelijk het Hof voorts heeft verklaard, volgt hieruit, dat in de Gemeenschap geen maatregelen kunnen worden toegelaten die zich niet verdragen met de aldus erkende en gewaarborgde rechten van de mens (zie met name arrest van 18 juni 1991, zaak C-260/89, ERT, Jurispr. 1991, blz. I-2925, r.o. 41).

15 Uit de rechtspraak van het Hof (zie met name arrest van 4 oktober 1991, zaak C-159/90, Society for the Protection of Unborn Children Ireland, Jurispr. 1991, blz. I-4685, r.o. 31) vloeit tevens voort dat, wanneer een nationale wettelijke regeling binnen het toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht komt, het Hof, ingeval het om een prejudiciële beslissing wordt verzocht, alle uitleggingsgegevens moet verschaffen die de nationale rechter nodig heeft om te kunnen beoordelen of die regeling verenigbaar is met de fundamentele rechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert, in het bijzonder die welke in het EVRM zijn neergelegd. Het Hof heeft die bevoegdheid echter niet ten aanzien van een wettelijke regeling die niet binnen het kader van het gemeenschapsrecht valt.

16 Verzoeker in het hoofdgeding is een Oostenrijks onderdaan, wiens situatie generlei aanknoping heeft met een van de situaties bedoeld in de bepalingen van het Verdrag betreffende het vrij verkeer van personen. Immers, ofschoon elke vrijheidsberoving de uitoefening door de betrokkene van zijn recht op vrij verkeer belemmert, vormt blijkens de rechtspraak van het Hof het louter hypothetisch vooruitzicht van deze uitoefening geen toereikende band met het gemeenschapsrecht om toepassing van de communautaire voorschriften te rechtvaardigen (zie in deze zin met name arrest van 28 juni 1984, zaak 180/83, Moser, Jurispr. 1984, blz. 2539, r.o. 18).

17 Bovendien is Kremzow wegens moord en onwettig vuurwapenbezit veroordeeld op basis van bepalingen van nationaal recht, die niet bedoeld waren ter verzekering van de naleving van bepalingen van gemeenschapsrecht (zie met name arrest van 13 juni 1996, zaak C-144/95, Maurin, Jurispr. 1996, blz. I-2909, r.o. 12).

18 Derhalve heeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling betrekking op een situatie die niet binnen het toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht valt.

19 Mitsdien moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat het Hof niet bij wege van prejudiciële beslissing de uitleggingsgegevens kan verschaffen die de nationale rechter nodig heeft om te kunnen beoordelen of een nationale wettelijke regeling verenigbaar is met de fundamentele rechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert, in het bijzonder die welke in het EVRM zijn neergelegd, indien die regeling betrekking heeft op een situatie die, zoals in casu, niet binnen het toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht valt.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

20 De kosten door de Oostenrijkse, de Duitse, de Griekse en de Franse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door het Oberste Gerichtshof bij beschikking van 29 augustus 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Het Hof kan niet bij wege van prejudiciële beslissing de uitleggingsgegevens verschaffen die de nationale rechter nodig heeft om te kunnen beoordelen of een nationale regeling verenigbaar is met de fundamentele rechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert, in het bijzonder die welke in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens zijn neergelegd, indien die regeling betrekking heeft op een situatie die niet binnen het toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht valt.