61994J0171

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 7 maart 1996. - Albert Merckx en Patrick Neuhuys tegen Ford Motors Company Belgium SA. - Verzoeken om een prejudiciele beslissing: Cour du travail de Bruxelles - België. - Behoud van rechten van werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan - Begrip overgang - Overgang van verkoopconcessie. - Gevoegde zaken C-171/94 en C-172/94.

Jurisprudentie 1996 bladzijde I-01253


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Sociale politiek ° Harmonisatie van wetgevingen ° Overgang van ondernemingen ° Behoud van rechten van werknemers ° Richtlijn 77/187 ° Werkingssfeer ° Overgang ° Begrip ° Overgang van verkoopconcessie voor motorvoertuigen zonder overgang van activa en zonder rechtstreekse contractuele betrekkingen tussen nieuwe en voormalige concessiehouder, gepaard gaande met stopzetting van activiteiten van laatstgenoemde ° Daaronder begrepen

(Richtlijn 77/187 van de Raad, art. 1, lid 1)

2. Sociale politiek ° Harmonisatie van wetgevingen ° Overgang van ondernemingen ° Behoud van rechten van werknemers ° Richtlijn 77/187 ° Verzet van werknemer tegen overgang van zijn arbeidsovereenkomst op verkrijger ° Toelaatbaarheid ° Lot van arbeidsovereenkomst met vervreemder ° Vaststelling door Lid-Staten ° Verbreking van arbeidsovereenkomst wegens wijziging van loonniveau ° Verbreking door toedoen van werkgever

(Richtlijn 77/187 van de Raad, art. 3, lid 1, en 4, lid 2)

Samenvatting


1. Voor de vraag of er sprake is van een overgang in de zin van richtlijn 77/187 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan, is het beslissende criterium, of de economische activiteit van het bedrijf bewaard blijft, wat met name kan blijken doordat de exploitatie ervan in feite wordt voortgezet of hervat.

Artikel 1, lid 1, van de richtlijn moet derhalve aldus worden uitgelegd, dat een situatie waarin een onderneming die een concessie voor de verkoop van motorvoertuigen binnen een bepaald gebied bezit, haar activiteiten beëindigt, en waarin de concessie vervolgens wordt overgedragen aan een andere onderneming, die een deel van het personeel overneemt en bij de klantenkring wordt aanbevolen, zonder dat activa worden overgedragen en zonder dat er rechtstreekse contractuele betrekkingen tussen de twee ondernemingen bestaan, onder de werkingssfeer van de richtlijn valt.

2. Artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan, staat niet eraan in de weg, dat een werknemer die op de datum van de overgang van de onderneming in dienst is van de vervreemder, zich verzet tegen de overgang van zijn arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding op de verkrijger. In dat geval komt het aan de Lid-Staten toe, te beslissen wat met de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding met de vervreemder dient te geschieden. De Lid-Staten kunnen met name bepalen, dat de arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding dan wordt geacht te zijn opgezegd op initiatief van hetzij de werknemer, hetzij de werkgever, maar zij kunnen ook bepalen dat de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding met de vervreemder in stand blijft. Wanneer echter de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding wordt verbroken wegens een wijziging van het niveau van het aan de werknemer toegekende loon, zijn de Lid-Staten ingevolge artikel 4, lid 2, van de richtlijn verplicht, te bepalen dat de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding wordt verbroken door toedoen van de werkgever, aangezien de wijziging van het aan de werknemer toegekende loon een van de aanmerkelijke wijzigingen van de arbeidsvoorwaarden in de zin van deze bepaling is.

Partijen


In de gevoegde zaken C-171/94 en C-172/94,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Arbeidshof te Brussel, in de aldaar aanhangige gedingen tussen

A. Merckx (C-171/94),

P. Neuhuys (C-172/94)

en

N.V. Ford Motors Company Belgium,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB 1977, L 61, blz. 26),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, G. F. Mancini (rapporteur), F. A. Schockweiler, P. J. G. Kapteyn en H. Ragnemalm, rechters,

advocaat-generaal: C. O. Lenz

griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

° Merckx en Neuhuys, vertegenwoordigd door J. Dubaere, advocaat te Brussel,

° N.V. Ford Motors Company Belgium, vertegenwoordigd door C. Bevernage, B. van de Walle de Ghelcke en L. Vanaverbecke, advocaten te Brussel,

° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, van het Treasury Solicitor' s Departement, als gemachtigde, bijgestaan door E. Sharpston, Barrister,

° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius en C. Docksey, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Merckx en Neuhuys, N.V. Ford Motors Company Belgium, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie ter terechtzitting van 15 juni 1995,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juli 1995,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij twee arresten van 15 juni 1994, ingekomen bij het Hof op 22 juni daaraanvolgend, heeft het Arbeidshof te Brussel krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB 1977, L 61, blz. 26, hierna: de "richtlijn").

2 Deze vraag is gerezen in het kader van twee gedingen tussen Merckx respectievelijk Neuhuys en de N.V. Ford Motors Company Belgium (hierna: "Ford"), betreffende de gevolgen, voor de tussen Merckx en Neuhuys en de N.V. Anfo Motors (hierna: "Anfo Motors") gesloten arbeidsovereenkomsten, van de beëindiging van de activiteiten van laatstgenoemde onderneming en van de overname door de N.V. Novarobel (hierna: "Novarobel") van de verkoopconcessie voor motorvoertuigen, die voorheen in het bezit was van Anfo Motors.

Het reglementair kader en de feiten van het hoofdgeding

3 Blijkens haar tweede overweging van de considerans beoogt de richtlijn "de werknemers bij verandering van ondernemer te beschermen, in het bijzonder om het behoud van hun rechten veilig te stellen". Daartoe wordt in artikel 3, lid 1, bepaald, dat de rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst voortvloeien, overgaan op de verkrijger. In artikel 4, lid 1, eerste alinea, wordt hieraan toegevoegd dat de overgang van een onderneming, vestiging of onderdeel daarvan op zichzelf voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag vormt.

4 Volgens artikel 1, lid 1, is de richtlijn van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst, of een fusie.

5 De bepalingen van de richtlijn zijn in Belgisch recht omgezet bij collectieve arbeidsovereenkomst 32 bis van 7 juni 1985, betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand, die algemeen verbindend is verklaard bij koninklijk besluit van 25 juli 1985 (Belgisch Staatsblad, 9 augustus 1985, blz. 11527).

6 Ten tijde waarop de litigieuze feiten zich voordeden, waren Merckx en Neuhuys gemachtigde verkopers bij Anfo Motors. Anfo Motors verkocht motorvoertuigen in een aantal gemeenten van de Brusselse agglomeratie als dealer van Ford, die ook haar voornaamste aandeelhoudster was.

7 Op 8 oktober 1987 deelde Anfo Motors aan Merckx en Neuhuys mee, dat zij op 31 december 1987 alle activiteiten zou staken en dat Ford, met ingang van 1 november 1987, in de gemeenten waarvoor de concessie van Anfo Motors gold, zou werken met een onafhankelijke dealer, Novarobel. Novarobel nam 14 van de 64 werknemers van Anfo Motors over, met behoud van hun functie, hun anciënniteit en alle andere contractuele rechten, overeenkomstig de bepalingen van collectieve overeenkomst 32 bis.

8 Anfo Motors zond bovendien een schrijven aan haar klanten om hen over de beëindiging van haar activiteiten in te lichten en hun de diensten van de nieuwe dealer aan te bevelen.

9 Bij brieven van 27 oktober 1987 weigerden Merckx en Neuhuys de voorgestelde overgang. Zij betoogden dat Anfo Motors hen niet kon verplichten voor een andere onderneming, in een andere plaats en onder andere arbeidsvoorwaarden te gaan werken, zonder enige waarborg omtrent het behoud van de klantenkring en het behalen van een verkoopomzet. Zij waren bijgevolg van oordeel dat de beslissing van Anfo Motors een eenzijdige verbreking van hun arbeidscontract inhield en vroegen betaling van een ontslagvergoeding en van op andere gronden verschuldigde bedragen.

10 Bij brieven van 30 oktober en 8 november 1987 bevestigde Anfo Motors tegenover Merckx en Neuhuys de overgang van hun contract naar Novarobel, en stelde zij dat de vakorganisaties bij collectieve arbeidsovereenkomst van 30 oktober de toepassing van collectieve arbeidsovereenkomst 32 bis en daarmee de geldigheid van de overplaatsingen hadden erkend. Zij verzocht Merckx en Neuhuys, zich zonder verder uitstel bij Novarobel aan te melden; anders zou zij betaling van een vergoeding wegens verbreking vorderen.

11 Merckx en Neuhuys gaven aan dit verzoek geen gevolg en dienden, na nog een briefwisseling die niets opleverde, bij de Arbeidsrechtbank te Brussel eerst tegen Anfo Motors en vervolgens tegen Ford, die in haar plaats was gekomen, een vordering in tot betaling van verschillende bedragen bij wege van vergoeding wegens verbreking van het contract, uitwinning en sluiting en pro rata eindejaarspremie. Anfo Motors diende tegen Merckx en Neuhuys een tegenvordering in tot betaling van een vergoeding wegens verbreking. Bij vonnissen van 20 juli 1990 wees de Arbeidsrechtbank de hoofdvorderingen af en verklaarde hij de tegenvorderingen niet-ontvankelijk.

12 Merckx en Neuhuys tekenden tegen deze vonnissen hoger beroep aan bij het Arbeidshof te Brussel, terwijl Ford incidenteel hoger beroep instelde. Appellanten in het hoofdgeding betoogden dat de omstandigheden niet een overgang van een onderneming in de zin van collectieve overeenkomst 32 bis, maar wel een sluiting van een onderneming opleverden. Geïntimeerde in het hoofdgeding verdedigde het tegengestelde standpunt.

13 De nationale rechter stelt in de eerste plaats vast dat Ford, overeenkomstig een tussen Novarobel en Ford op 15 oktober 1987 gesloten "overeenkomst en garantie", heeft besloten de werkzaamheden van haar dochteronderneming Anfo Motors te beëindigen en de door die onderneming geëxploiteerde verkoopconcessie over te dragen aan Novarobel, die, overeenkomstig collectieve arbeidsovereenkomst 32 bis en tegen garanties van Ford, bepaalde binnen Anfo Motors uitgeoefende functies overnam. De nationale rechter merkt vervolgens op, dat Ford weliswaar de voornaamste aandeelhoudster van Anfo Motors was, doch dat deze laatste in feite zelf heeft besloten haar handelsactiviteiten te beëindigen. Ten slotte wijst de nationale rechter erop, dat er geen enkele overeenkomst bestond tussen Anfo Motors en Novarobel, dat Anfo Motors meer dan drie kwart van haar personeel heeft ontslagen en hun de wettelijke schadeloosstellingen voor sluiting van een onderneming heeft betaald, dat geen materiële activa van Anfo Motors aan Novarobel zijn overgedragen en dat niet vaststaat dat Anfo Motors haar klantenkring aan Novarobel heeft overgedragen.

14 Gelet op het voorgaande, heeft het Arbeidshof te Brussel besloten de behandeling van de zaken te schorsen en het Hof te verzoeken om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de volgende vraag, die in beide zaken in dezelfde bewoordingen is geformuleerd:

"Is er sprake van een overgang van een onderneming in de zin van richtlijn 77/187 van 14 februari 1977, wanneer een onderneming, die heeft besloten haar activiteiten op 31 december 1987 te beëindigen, het grootste deel van haar personeel ontslaat, zodat zij van een totaal personeelsbestand van meer dan 60 personen slechts 14 personeelsleden overhoudt, en besluit dat deze 14 personen met behoud van hun verworven rechten met ingang van 1 november 1987 zullen moeten gaan werken in een onderneming waarmee zij geen enkele overeenkomst heeft gesloten, maar die sinds 15 oktober 1987 de verkoopconcessie gebruikt welke zij voordien bezat, terwijl de eerste vennootschap ook geen enkel vermogensbestanddeel aan de tweede vennootschap heeft overgedragen?"

15 Met deze vraag wil de nationale rechter in wezen vernemen, in de eerste plaats, of artikel 1, lid 1, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een situatie waarin een onderneming die een concessie voor de verkoop van motorvoertuigen binnen een bepaald gebied bezit, haar activiteiten beëindigt, en waarin de concessie vervolgens wordt overgedragen aan een andere onderneming, die een deel van het personeel overneemt en bij de klantenkring wordt aanbevolen, zonder dat activa worden overgedragen, onder de werkingssfeer van de richtlijn valt. In de tweede plaats dient, gelet op de omstandigheden in de hoofdgedingen en teneinde de nationale rechter een nuttig antwoord te geven, te worden vastgesteld of artikel 3, lid 1, van de richtlijn eraan in de weg staat, dat een werknemer die op de datum van de overgang van de onderneming in dienst is van de vervreemder, zich verzet tegen de overgang van zijn arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding op de verkrijger.

Het bestaan van een overgang in de zin van de richtlijn

16 Wat het eerste deel van de aldus geherformuleerde vraag betreft, volgens vaste rechtspraak is voor de vraag of er sprake is van een overgang in de zin van de richtlijn beslissend, of de economische identiteit van het bedrijf bewaard blijft, wat met name kan blijken doordat de exploitatie ervan in feite wordt voortgezet of hervat (zie, onder meer, arrest van 19 mei 1992, zaak C-29/91, Redmond Stichting, Jurispr. 1992, blz. 3189, r.o. 23).

17 Om te bepalen of aan deze voorwaarde is voldaan, moet rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden die de betrokken transactie kenmerken, zoals de aard van de betrokken onderneming of vestiging, het feit dat de materiële activa zoals gebouwen en roerende goederen al dan niet worden overgedragen, de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van de overdracht, het feit dat vrijwel al het personeel door de nieuwe ondernemer al dan niet wordt overgenomen, het feit dat de klantenkring al dan niet wordt overgedragen, de mate waarin de voor en na de overdracht verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen, en de duur van de eventuele onderbreking van die activiteiten. Al deze factoren zijn evenwel slechts deelaspecten van het te verrichten globale onderzoek en mogen daarom niet elk afzonderlijk worden beoordeeld (arrest Redmond Stichting, reeds aangehaald, r.o. 24).

18 Met inachtneming van deze beginselen dient te worden vastgesteld dat in de situatie welke in de gedingen voor de nationale rechter aan de orde is, Ford, de voornaamste aandeelhoudster van Anfo Motors, de concessie voor de verkoop van voertuigen in het rayon van Anfo Motors aan Novarobel heeft overgedragen, waardoor haar groep niet meer het aan deze activiteit verbonden economische risico draagt, dat Novarobel de activiteiten van Anfo Motors in hetzelfde gebied en onder analoge voorwaarden zonder onderbreking heeft voortgezet, dat zij een deel van het personeel heeft overgenomen en dat zij bij de klantenkring is aanbevolen teneinde een continuïteit in de exploitatie van de verkoopconcessie te verzekeren.

19 Gelet op al deze factoren, als totaal beschouwd, kan worden gesteld dat de overdracht van de verkoopconcessie in omstandigheden als die van de hoofdgedingen, binnen de werkingssfeer van de richtlijn kan vallen. Evenwel dient te worden onderzocht of bepaalde, door appellanten in de hoofdgedingen aangevoerde omstandigheden, deze vaststelling kunnen ontkrachten.

20 In de eerste plaats betoogden Merckx en Neuhuys dat in de onderhavige zaken in de hoofdgedingen geen materiële of immateriële activa zijn overgedragen, noch de structuur en organisatie van de onderneming, al was het slechts gedeeltelijk, in stand zijn gebleven. Bovendien zou de bedrijfszetel van Novarobel gelegen zijn buiten de gemeente van de Brusselse agglomeratie waar Anfo Motors haar activiteiten uitoefende.

21 Dergelijke omstandigheden staan niet in de weg aan de toepassing van de richtlijn, wanneer de overdracht van bestanddelen van de activa, gelet op de aard van de uitgeoefende activiteiten, niet beslissend is voor het behoud van de economische identiteit door de betrokken eenheid (zie in die zin arrest van 14 april 1994, zaak C-392/92, Schmidt, Jurispr. 1994, blz. I-1311, r.o. 16). De activiteiten van een exclusieve concessie van verkoop van motorvoertuigen van een bepaald merk in een bepaald gebied blijven namelijk dezelfde, ook al worden zij onder een andere naam, in andere lokalen en met andere uitrustingen verricht. Het is evenmin van belang dat de bedrijfszetel zich in een andere zone van dezelfde agglomeratie bevindt, zolang het gebied waarvoor de concessie geldt, maar hetzelfde blijft.

22 In de tweede plaats merkten Merckx en Neuhuys op, dat er geen sprake kan zijn van een overgang in de zin van de richtlijn, wanneer een onderneming definitief alle activiteiten heeft beëindigd en is vereffend, zoals dit het geval zou zijn geweest bij Anfo Motors. In dergelijke omstandigheden zou de economische eenheid ophouden te bestaan en haar identiteit niet kunnen behouden.

23 Dienaangaande volstaat het op te merken, dat de toepassing van de richtlijn niet zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het door de richtlijn beoogde doel van bescherming van werknemers, kan worden uitgesloten wegens het enkele feit dat de vervreemdende onderneming op het ogenblik van de overgang haar activiteiten beëindigt en vervolgens wordt vereffend. Wanneer de activiteiten van deze onderneming door een andere onderneming worden voorgezet, bevestigen deze omstandigheden eerder dat er sprake is van een overgang in de zin van de richtlijn.

24 In de derde plaats zou het feit dat het grootste deel van het personeel bij de overdracht van de verkoopconcessie werd ontslagen, volgens Merckx en Neuhuys met zich meebrengen dat de richtlijn niet dient te worden toegepast.

25 Krachtens artikel 4, lid 1, van de richtlijn vormt de overgang van een onderneming, vestiging of onderdeel daarvan op zichzelf geen reden tot ontslag. Nochtans vormt deze bepaling geen beletsel voor ontslagen wegens economische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich meebrengen.

26 Zo gezien kan het feit dat het grootste deel van het personeel bij de overgang is ontslagen, de toepassing van de richtlijn niet uitsluiten. Immers, de betrokken ontslagen konden worden gegeven wegens economische, technische of organisatorische redenen, zonder in strijd te zijn met het aangehaalde artikel 4, lid 1. Overigens zou de eventuele schending van de genoemde bepaling hoe dan ook niet afdoen aan het bestaan van een overgang in de zin van de richtlijn.

27 Ten slotte stelden Merckx en Neuhuys dat, zo inderdaad een overgang in de zin van de richtlijn had plaatsgevonden, deze overgang niet het gevolg was van een overdracht krachtens overeenkomst, zoals vereist door artikel 1 van de richtlijn. Immers, dit begrip zou noodzakelijkerwijze inhouden, dat tussen de vervreemder en de verkrijger een contractuele band bestaat. In de onderhavige zaak zou een dergelijke band evenwel ontbreken.

28 Wegens de verschillen tussen de taalversies van de richtlijn en de verschillen tussen de nationale wettelijke regelingen met betrekking tot het begrip overdracht krachtens overeenkomst, heeft het Hof aan dit begrip een uitlegging gegeven die ruim genoeg is om het doel van de richtlijn ° bescherming van de werknemers bij overdracht van hun onderneming ° tot zijn recht te laten komen, en zich op het standpunt gesteld dat de richtlijn van toepassing is telkens wanneer in het kader van contractuele betrekkingen een wijziging plaatsvindt in de natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de exploitatie van de onderneming en als werkgever verplichtingen aangaat ten opzichte van de werknemers van de onderneming (zie met name het arrest Redmond Stichting, reeds aangehaald, r.o. 10 en 11).

29 Zo vallen volgens het Hof onder de werkingssfeer van de richtlijn: de beëindiging van een pachtovereenkomst betreffende een restaurant, gevolgd door het sluiten van een nieuwe pachtovereenkomst met een andere exploitant (arrest van 10 februari 1988, zaak 324/86, Daddy' s Dance Hall, Jurispr. 1988, blz. 739), de beëindiging van een huurovereenkomst gevolgd door een verkoop door de eigenaar (arrest van 15 juni 1988, zaak 101/87, Bork International, Jurispr. 1988, blz. 3057), of een situatie waarin een overheid besluit de subsidiëring van een rechtspersoon te beëindigen, met het gevolg dat deze rechtspersoon haar activiteiten volledig en definitief moet staken, om de subsidie over de dragen aan een andere rechtspersoon met een soortgelijke doelstelling (arrest Redmond Stichting, reeds aangehaald).

30 Volgens deze rechtspraak is voor de toepassing van de richtlijn niet vereist dat er rechtstreekse contractuele betrekkingen tussen de vervreemder en de verkrijger bestaan. Wanneer een verkoopconcessie voor motorvoertuigen met een eerste onderneming wordt beëindigd en een nieuwe verkoopconcessie wordt verleend aan een andere onderneming die dezelfde activiteiten voortzet, is de overgang van de onderneming dan ook het gevolg van een overdracht krachtens overeenkomst in de zin van de richtlijn, zoals uitgelegd door het Hof.

31 Overigens blijkt uit het dossier dat in de situatie waarop de hoofdgedingen betrekking hebben, Ford, de voornaamste aandeelhoudster van Anfo Motors, met Novarobel een "overeenkomst en garantie" heeft gesloten, waarbij zij zich in het bijzonder ertoe heeft verbonden, de kosten te dragen van bepaalde vergoedingen voor verbreking, uitwinning of bescherming, die Novarobel eventueel zou moeten betalen aan de personeelsleden die voorheen in dienst waren van Anfo Motors. Een dergelijke omstandigheid bevestigt het bestaan van een overdracht krachtens overeenkomst in de zin van de richtlijn.

32 Derhalve dient op het eerste deel van de vraag, zoals hiervoor geherformuleerd, te worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een situatie waarin een onderneming die een concessie voor de verkoop van motorvoertuigen binnen een bepaald gebied bezit, haar activiteiten beëindigt, en waarin de concessie vervolgens wordt overgedragen aan een andere onderneming, die een deel van het personeel overneemt en bij de klantenkring wordt aanbevolen, zonder dat activa worden overgedragen, onder de werkingssfeer van de richtlijn valt.

De mogelijkheid voor de werknemer zich te verzetten tegen de overgang van zijn arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding

33 Wat het tweede deel van de hierboven geherformuleerde vraag betreft, in het arrest van 11 juli 1985 (zaak 105/84, Danmols Inventar, Jurispr. 1985, blz. 2639, r.o. 16) was het Hof van oordeel dat de door de richtlijn beoogde bescherming niet nodig is, wanneer de betrokkene zelf na de overgang zijn dienstbetrekking uit eigen beweging niet met de nieuwe ondernemer voortzet.

34 Ook volgt uit het arrest van 16 december 1992 (gevoegde zaken C-132/91, C-138/91 en C-139/91, Katsikas e.a., Jurispr. 1992, blz. I-6577, r.o. 31 en 32) dat, hoewel de richtlijn de werknemer wel de mogelijkheid geeft om onder dezelfde voorwaarden als met de vervreemder waren overeengekomen, bij de nieuwe werkgever in dienst te blijven, zij niet mag worden uitgelegd als een verplichting voor de werknemer, de arbeidsverhouding met de verkrijger voort te zetten. Een dergelijke verplichting zou de grondrechten van de werknemer aantasten, die vrij moet zijn in de keuze van zijn werkgever en niet kan worden verplicht, te werken voor een werkgever die hij niet vrijelijk heeft gekozen.

35 Hieruit volgt, dat ingeval de werknemer vrijelijk besluit, de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding niet met de verkrijger voort te zetten, het aan de Lid-Staten toekomt te beslissen, wat met de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding dient te geschieden. De Lid-Staten kunnen met name bepalen, dat de arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding dan wordt geacht te zijn opgezegd op initiatief van hetzij de werknemer, hetzij de werkgever. Ook kunnen zij bepalen, dat de arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding met de vervreemder in stand blijft (arrest Katsikas e.a., reeds aangehaald, r.o. 35 en 36).

36 Merckx en Neuhuys verklaarden overigens dat, in de zaken in de hoofdgedingen, Novarobel heeft geweigerd hun het behoud van hun loon te garanderen, dat werd berekend op basis van onder meer de behaalde omzet.

37 Gelet op deze verklaring dient te worden opgemerkt, dat in artikel 4, lid 2, van de richtlijn wordt bepaald, dat indien de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding wordt verbroken omdat de overgang in de zin van artikel 1, lid 1, een aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden ten nadele van de werknemer ten gevolge heeft, de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding wordt geacht te zijn verbroken door toedoen van de werkgever.

38 Een wijziging van het niveau van het aan de werknemer toegekende loon is een van de aanmerkelijke wijzigingen van de arbeidsvoorwaarden in de zin van die bepaling, zelfs wanneer het loon onder meer afhankelijk is van de behaalde omzet. Wanneer de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding wordt verbroken omdat de overgang een dergelijke wijziging met zich meebrengt, dan wordt de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding geacht te zijn verbroken door toedoen van de werkgever.

39 Derhalve dient op het tweede deel van de vraag, zoals geherformuleerd, te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van de richtlijn niet eraan in de weg staat, dat een werknemer die op de datum van de overgang van de onderneming in dienst is van de vervreemder, zich verzet tegen de overgang van zijn arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding op de verkrijger. In dat geval komt het aan de Lid-Staten toe, te beslissen wat met de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding met de vervreemder dient te geschieden. Wanneer echter de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding wordt verbroken wegens een wijziging van het niveau van het aan de werknemer toegekende loon, zijn de Lid-Staten ingevolge artikel 4, lid 2, van de richtlijn verplicht, te bepalen dat de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding wordt verbroken door toedoen van de werkgever.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

40 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door het Arbeidshof te Brussel bij arresten van 15 juni 1994 gestelde vraag, verklaart voor recht:

1) Artikel 1, lid 1, van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan, moet aldus worden uitgelegd dat een situatie waarin een onderneming die een concessie voor de verkoop van motorvoertuigen binnen een bepaald gebied bezit, haar activiteiten beëindigt, en waarin de concessie vervolgens wordt overgedragen aan een andere onderneming, die een deel van het personeel overneemt en bij de klantenkring wordt aanbevolen, zonder dat activa worden overgedragen, onder de werkingssfeer van de richtlijn valt.

2) Artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 staat niet eraan in de weg, dat een werknemer die op de datum van de overgang van de onderneming in dienst is van de vervreemder, zich verzet tegen de overgang van zijn arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding op de verkrijger. In dat geval komt het aan de Lid-Staten toe, te beslissen wat met de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding met de vervreemder dient te geschieden. Wanneer echter de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding wordt verbroken wegens een wijziging van het niveau van het aan de werknemer toegekende loon, zijn de Lid-Staten ingevolge artikel 4, lid 2, van de richtlijn verplicht, te bepalen dat de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding wordt verbroken door toedoen van de werkgever.