61992A0039

ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (EERSTE KAMER) VAN 23 FEBRUARI 1994. - GROUPEMENT DES CARTES BANCAIRES "CB" EN EUROPAY INTERNATIONAL SA TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - MEDEDELING VAN PUNTEN VAN BEZWAAR - PRIJSKARTEL - BEPERKING VAN MEDEDINGING - RELEVANTE MARKT - ONTHEFFING - GELDBOETES. - GEVOEGDE ZAKEN T-39/92 EN T-40/92.

Jurisprudentie 1994 bladzijde II-00049


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Mededinging ° Administratieve procedure ° Eerbiediging van rechten van verdediging ° Mededeling van punten van bezwaar ° Ter informatie aan ene partij toezenden van afschrift van aanvullende mededeling van punten van bezwaar, waarvan aan andere partij kennis is gegeven ° Geen kennisgeving ° Onwettigheid

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 19; verordening nr. 99/63 van de Commissie, art. 2 en 4)

2. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Aantasting van mededinging ° Overeenkomst die leden van bankgroepering verplicht, aan handelaren die cliënt bij hen zijn, voor buitenlandse eurocheques incassocommissie in rekening te brengen ° Mededingingsbeperkend doel ° Toereikende vaststelling

(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)

3. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Relevante markt ° Afbakening

(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)

4. Beroep tot nietigverklaring ° Beschikking van Commissie op grond van artikel 85, lid 3, van Verdrag ° Ingewikkelde economische beoordeling ° Rechterlijke toetsing ° Grenzen

(EEG-Verdrag, art. 85, lid 3, en 173)

5. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Verbod ° Ontheffing ° Voorwaarden ° Onmisbaarheid van mededingingsbeperkingen ° Overeenkomst die aanvaarding van buitenlandse eurocheques door handelaren beoogt te verzekeren ° Clausule in overeenkomst, die leden van bankgroepering verplicht, aan handelaren die cliënt bij hen zijn, voor buitenlandse eurocheques incassocommissie in rekening te brengen ° Gerechtvaardigde weigering van ontheffing

(EEG-Verdrag, art. 85, lid 3)

6. Mededinging ° Administratieve procedure ° Eerbiediging van rechten van verdediging ° Splitsing van procedures die afzonderlijk kunnen worden behandeld ° Toelaatbaarheid

(EEG-Verdrag, art. 85)

7. Mededinging ° Geldboeten ° Bedrag ° Vaststelling ° In aanmerking genomen omzet ° Omzet van alle ondernemingen die lid zijn van ondernemersvereniging, gezamenlijk ° Toelaatbaarheid ° Schending van persoonlijk karakter van straffen ° Geen

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

8. Mededinging ° Geldboeten ° Bedrag ° Vaststelling ° Criteria ° Zwaarte van inbreuken ° Beoordelingsfactoren

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

Samenvatting


1. Ingevolge artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17, junctis de artikelen 2 en 4 van verordening nr. 99/63, moet de Commissie de punten van bezwaar die zij tegen de ondernemingen en ondernemersverenigingen doet gelden, meedelen en kan zij in haar beschikkingen slechts die punten van bezwaar in aanmerking nemen, ter zake waarvan deze laatsten de gelegenheid hebben gehad hun standpunt kenbaar te maken. Evenzo vereist de eerbiediging van de rechten van de verdediging, die is te beschouwen als een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht en in alle omstandigheden in acht moet worden genomen, in het bijzonder in iedere procedure die tot de oplegging van een sanctie kan leiden, zelfs in een administratieve procedure, dat de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen reeds tijdens de administratieve procedure behoorlijk in staat zijn geweest, hun standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van de door de Commissie gestelde feiten, punten van bezwaar en omstandigheden.

De hiervoor genoemde vereisten worden geschonden, indien slechts ter informatie een afschrift van een aanvullende mededeling van de punten van bezwaar wordt toegezonden die, ofschoon daarin de aan de onderneming verweten inbreuk wezenlijk is gewijzigd en de strekking van de aangevoerde punten van bezwaar is verruimd, tot een andere partij was gericht, zonder dat aan de betrokken onderneming een termijn wordt gesteld waarin zij overeenkomstig artikel 2, lid 4, van verordening nr. 99/63 haar opmerkingen kan maken.

Wanneer het niet uitgesloten is, dat de uitslag van de procedure anders had kunnen uitvallen, indien de Commissie op regelmatige wijze aan de onderneming kennis had gegeven van de aanvullende mededeling van de punten van bezwaar en indien zij haar een termijn had gesteld om haar opmerkingen in te dienen met betrekking tot deze mededeling, en wanneer beslist niet kan worden gesteld dat de betrokken onderneming haar standpunt heeft kenbaar gemaakt met betrekking tot de nieuwe formulering van de punten van bezwaar, moet de beschikking van de Commissie waarbij tegen deze ondernemingen een inbreuk in aanmerking wordt genomen en haar een geldboete wordt opgelegd, op grond van de aldus vastgestelde schending van de rechten van de verdediging nietig worden verklaard.

2. Door in te stemmen met de verplichting om de bij hen aangesloten handelaren bij de inning van een op een buitenlandse bank getrokken eurocheque een commissie in rekening te brengen, hebben de leden van een bankgroepering elkaar wederzijds de vrijheid ontnomen om eventueel genoegen te nemen met de interbancaire commissie ten laste van de uitgevers van dergelijke cheques, die hun als vergoeding voor de aan de handelaar verleende dienst van incassering wordt uitbetaald door de bank waarop de cheque is getrokken. Daaruit volgt dat de overeenkomst ten doel had, de gedragsvrijheid van de leden van de bankgroepering aanzienlijk te beperken, zodat zij een mededingingsregeling betreffende het in rekening brengen van een commissie is, die als zodanig in strijd is met artikel 85, lid 1, sub a, van het Verdrag. Waar de overeenkomst tot gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt, is het voor de toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag niet noodzakelijk, de concrete gevolgen van de overeenkomst te onderzoeken.

3. De markt van buitenlandse eurocheques die in de commerciële sector in Frankrijk zijn uitgeschreven, is qua omvang ervan een voldoende homogene, specifieke markt die kan worden onderscheiden van de markt van de andere, in deze Lid-Staat gebruikte internationale betaalmiddelen.

4. De toetsing door de gemeenschapsrechter van ingewikkelde economische beoordelingen door de Commissie in het kader van de haar bij artikel 85, lid 3, van het Verdrag toegekende beoordelingsmarge met betrekking tot elk van de daarin genoemde vier voorwaarden, dient te worden beperkt tot de vraag of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de motivering afdoende is, of de feiten juist zijn weergegeven en of er geen sprake is van een kennelijke onjuiste beoordeling dan wel van misbruik van bevoegdheid. Gelet op het cumulatieve karakter van de voorwaarden voor ontheffing, kan de beschikking van de Commissie, voor zover daarin de ontheffing wordt geweigerd, slechts nietig worden verklaard indien de toetsing van de gemeenschapsrechter aan het licht brengt, dat de Commissie met betrekking tot elk van deze vier voorwaarden haar verplichtingen niet is nagekomen.

5. Zo de overeenkomst die de betrokken clausule bevat, al onmisbaar is om te verzekeren dat in een Lid-Staat de handelaren de voor de betaling in nationale munt uitgeschreven buitenlandse eurocheques aanvaarden, is de clausule waarbij de leden van een bankgroepering worden verplicht, aan de handelaren die cliënt bij hen zijn, een commissie in rekening te brengen voor de betaling per buitenlandse eurocheque, een niet onmisbare beperking van de mededinging. Door deze clausule hebben de leden van de groepering, die als vergoeding voor de verleende dienst genoegen hadden kunnen nemen met de interbancaire commissie ten laste van de uitgevers van deze cheques, die hun wordt uitbetaald door de bank waarop de cheque is getrokken, elkaar door middel van een mededingingsregeling de vrijheid ontnomen om aan de bij hen aangesloten handelaren geen commissie in rekening te brengen voor de betalingen per buitenlandse eurocheque.

Gelet op een dergelijke clausule, heeft de Commissie zich terecht op het standpunt gesteld dat de betrokken overeenkomst niet voldeed aan de voorwaarden die in artikel 85, lid 3, van het Verdrag voor de verlening van een ontheffing worden gesteld.

6. In het kader van de toepassing van de mededingingsregels moet de Commissie zich in het belang van een behoorlijk bestuur kunnen uitspreken over een overeenkomst die volgens de regels bij haar is aangemeld, zonder het einde van het onderzoek betreffende een overeenkomst die kan worden losgekoppeld van de aangemelde overeenkomst, te moeten afwachten. Daaruit volgt dat de Commissie, door een uitspraak te doen over de aangemelde overeenkomst nadat de procedures zijn gesplitst, de rechten van de verdediging van de verzoeker niet heeft geschonden.

7. Het begrip "inbreuk" in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 is een genusbegrip dat zonder onderscheid van toepassing is op overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en besluiten van ondernemersverenigingen. Het gebruik van dit begrip duidt erop dat de in deze bepaling voorziene maxima gelijkelijk gelden voor overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en besluiten van ondernemersverenigingen. Daaruit volgt dat het maximum van 10 % van de omzet moet worden berekend op basis van de omzet die is behaald door elk van de ondernemingen die partij is bij deze overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, of door alle ondernemingen die lid zijn van deze ondernemersverenigingen gezamenlijk, althans wanneer de vereniging op grond van haar interne regels haar leden kan binden. Deze analyse wordt bevestigd door het feit, dat bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten onder meer rekening kan worden gehouden met de invloed die de onderneming in het bijzonder als gevolg van haar omvang en haar economische macht, waarvoor de omzet van de onderneming een aanwijzing vormt, op de markt heeft kunnen uitoefenen. De invloed die een ondernemersvereniging op de markt heeft kunnen uitoefenen, hangt namelijk niet van haar eigen "omzet" af, die niets zegt over haar omvang of haar economische macht, maar wel van de omzet van haar leden die een aanwijzing van haar omvang en haar economische macht vormt.

Een ondernemersvereniging die een inbreuk heeft begaan, kan de Commissie niet verwijten dat zij het beginsel van het persoonlijk karakter van de straffen schendt, wanneer zij ter bepaling van het maximum van de geldboete de omzet van haar leden in aanmerking neemt en aldus haar leden voor de financiële last van deze geldboete laat opkomen. Het feit dat bij de bepaling van het maximum van de geldboete rekening is gehouden met hun omzet, betekent namelijk in geen enkel opzicht dat hun een geldboete is opgelegd, noch, op zichzelf, dat de betrokken vereniging verplicht is de last ervan op haar leden te verhalen.

8. Het bedrag van de geldboeten waarmee een schending van de mededingingsregels wordt bestraft, moet worden gegradueerd met inachtneming van de omstandigheden van de schending en de zwaarte van de inbreuk. De beoordeling van de zwaarte van de inbreuk dient te geschieden onder afweging van de aard van de mededingingsbeperkingen en in het bijzonder op basis van de vraag of de gewraakte gedraging de mededinging heeft beperkt of uitgeschakeld.

Partijen


In de gevoegde zaken T-39/92 en T-40/92,

Groupement des cartes bancaires "CB", een economisch samenwerkingsverband naar Frans recht, gevestigd te Parijs, vertegenwoordigd door A. Georges, advocaat te Parijs, en A. May, advocaat te Luxemburg, alsmede ter terechtzitting door H. Calvet, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat aldaar, Grand-Rue 31,

en

Europay International SA (voorheen Eurocheque International sc), vennootschap naar Belgisch recht, gevestigd te Waterloo (België), vertegenwoordigd door P. Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van cassatie van België, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J.-C. Wolter, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,

verzoekers,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door H. Lehman, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 92/212/EEG van de Commissie van 25 maart 1992 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/30.717-A - Eurocheque: overeenkomst van Helsinki, PB 1992, L 95, blz. 50), of subsidiair, tot intrekking of verlaging van de aan verzoekers opgelegde geldboetes,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, R. García-Valdecasas, H. Kirschner, B. Vesterdorf en K. Lenaerts, rechters,

griffier: H. Jung

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 22 september 1993,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


De aan het beroep ten grondslag liggende feiten

De "Package Deal"

1 Op 31 oktober 1980 werd door de banken, spaarbanken en andere kredietinstellingen die deel uitmaken van het Eurocheque-systeem de zogeheten "Package Deal" gesloten, een overeenkomst betreffende commissielonen, valutadata en centrale verwerking van in lokale valuta uitgeschreven uniforme eurocheques en openstelling van de niet-bancaire sector. De overeenkomst, die voor de periode van 1 mei 1981 tot en met 30 april 1986 was gesloten, gold in een eerste fase in de landen van de instellingen die uniforme eurocheques uitgeven, dat wil zeggen de instellingen die hun cliëntèle cheque-garantiekaarten verstrekken en in het Eurocheque-systeem te gebruiken cheques uitgeven. Volgens haar eigen bewoordingen kan de overeenkomst worden uitgebreid tot de landen van de "accepterende" instellingen, dat wil zeggen de instellingen die geen garantiekaart en evenmin in het kader van het Eurocheque-systeem te gebruiken cheques verstrekken, doch aan hun loketten gegarandeerde cheques uitbetalen, voor zover deze landen bereid zijn de commerciële sector open te stellen voor uniforme eurocheques.

2 De "Package Deal", die een onderdeel vormt van de Eurocheque-overeenkomsten, legt in hoofdzaak de navolgende beginselen vast:

- de commerciële sector (winkels, grootwarenhuizen, tankstations, hotels en restaurants) moet officieel worden opengesteld voor de aanneming van uniforme eurocheques en moet op de hoogte worden gebracht van de garantievoorwaarden;

- de uniforme eurocheques moeten worden getrokken in de lokale valuta van het bezochte land;

- een commissie van 1,25 % van het bedrag van de cheque zal zonder minimum worden toegepast op elke uniforme in het buitenland in lokale valuta getrokken eurocheque. Deze commissie zal niet meer worden geheven door de uitbetalende instelling bij de uitbetaling en evenmin door de handelaar bij de aanneming van de cheque, doch zal worden betaald bij de terugbetaling van de cheque door de verrekeningscentrale.

3 In de binnen het Eurocheque-systeem geldende instructies wordt verklaard dat "indien een nationaal banktariefstelsel voor de uitbetaling van de cheques wordt toegepast, dit geen nadeel mag berokkenen aan de buitenlandse uniforme eurocheques" en dat "de banken van het betrokken land zich verplichten geen bijzondere provisie te heffen ten laste van degenen die uniforme eurocheques aannemen".

4 De "Package Deal" is op 7 juli 1992 bij de Commissie aangemeld door een directeur van de Deutsche Bank AG te Frankfurt am Main, die als voorzitter van de Assemblée Eurocheque (Eurocheque Assembly) en van de Eurocheque Working Group handelde namens de nationale organisaties van banken die deze beide groepen vormden, overeenkomstig een mandaat dat hij daartoe van hen had ontvangen tijdens een gemeenschappelijke vergadering van 20 mei 1982. Volgens het aanmeldingsformulier A/B is de Association française des banques (hierna: "AFB)" een van de financiële instellingen die aan de overeenkomst heeft deelgenomen.

5 Bij brief van 29 juli 1982 deelde de Commissie de secretaris-generaal van Eurocheque International mee, dat zij voortdurend klachten ontving van personen die vooral in Frankrijk verplicht werden de verkoper commissie te betalen over kleine aankopen, en aan wie hun banken niettemin de in de Eurocheque-overeenkomsten voorziene commissie van 1,25 % van het bedrag van de cheque in rekening brachten.

6 Op 24 augustus 1982 antwoordde de secretaris-generaal van Eurocheque International aan de Commissie, dat het probleem van de "wilde" commissies en van de dubbele heffing steeds als een gewichtig probleem was beschouwd en dat de "Package Deal" juist was opgesteld om hieraan een einde te maken. Verder verklaarde hij, dat enkel de Banques populaires en de Crédit mutuel, die uniforme eurocheques uitgaven, de Eurocheque-overeenkomsten integraal toepasten, waarbij bij het opnemen van geld of bij een aankoop van de cliënt geen commissie werd gevraagd. De andere banken daarentegen, en vooral de banken die bij de Groupement Carte bleue waren aangesloten, zouden slechts erin hebben toegestemd om de "Package Deal" toe te passen voor het opnemen van geld bij hun filialen. Aan handelaren die een rekening bij deze banken hadden en bij hen buitenlandse eurocheques inleverden, werd een variabele heffing in rekening gebracht, die vaak gelijk was aan de commissie op in het buitenland getrokken cheques. De secretaris-generaal, die verklaarde zich bewust te zijn van de situatie in Frankrijk, verzekerde de Commissie, dat Eurocheque International zich sterk maakte voor de onderhandelingen met de betrokken banken om een integrale toepassing van de "Package Deal" te bereiken.

7 Op 10 december 1984 gaf de Commissie beschikking 85/77/EEG inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/30.717 - Uniforme eurocheques, PB 1985, L 35, blz. 43), waarin de bepalingen van artikel 85, lid 1, voor de periode van 7 juli 1982 tot en met 30 april 1986 niet van toepassing werden verklaard op de "Package Deal".

8 Op 25 oktober 1985 is op initiatief van de Groupement des cartes bancaires "CB" (hierna: "Groupement"), die sedert zijn oprichting in 1984 voor Frankrijk dienst doet als nationale Eurocheque-gemeenschap in de plaats van de AFB, de uniforme tarifering van de door de leden van de Groupement voor de betalingen per CB-kaart in rekening gebrachte commissie ingetrokken.

9 Op 5 mei 1986 verzocht Eurocheque International de Commissie om verlenging van de vrijstelling voor de "Package Deal". Op 10 juli 1986 richtte de Commissie een administratief schrijven ter voorlopige afhandeling ("comfort letter") tot Eurocheque International, dat geldig was tot en met 30 december 1987, in afwachting van een herziening van de "Package Deal".

10 Op 16 december 1987 meldde Eurocheque International bij de Commissie de nieuwe "Package Deal" aan, die op 5 juni 1987 voor onbepaalde tijd was gesloten en op 1 januari 1988 in werking zou treden. De overeenkomst verlengt het beginsel van een maximumcommissie, die de Assemblée Eurocheque op haar buitengewone vergadering van 24 april 1986 op 1,60 % van het bedrag van de cheque heeft vastgesteld, en voert bovendien een niet in percentage uitgedrukte minimumcommissie van een tegenwaarde van ongeveer 2 SFR per eurocheque in, die van toepassing is op alle transacties waarbij het maximum van 1,60 % een bedrag oplevert dat lager is dan deze tegenwaarde.

De overeenkomst van Helsinki

11 Tijdens de bijeenkomst van de Assemblée Eurocheque in Helsinki op 19 en 20 mei 1983 is tussen de Franse banken en financiële instellingen enerzijds en de Assemblée Eurocheque anderzijds een "overeenkomst betreffende de acceptatie door handelaren in Frankrijk van eurocheques die zijn getrokken op buitenlandse financiële instellingen". De overeenkomst luidt als volgt:

"De Franse banken en financiële instellingen komen met de internationale Eurocheque-gemeenschap overeen, dat de handelaren die bij de Groupement Carte bleue en/of Eurocard France SA zijn aangesloten, vanaf 1 december 1983 voor de betaling van goederen en diensten in Franse frank uitgeschreven, buitenlandse eurocheques zullen accepteren op dezelfde voorwaarden als die welke voornoemde organisaties toepassen; bijgevolg verplichten de Groupement Carte bleue enerzijds en de Crédit agricole en Crédit mutuel anderzijds zich, om de navolgende maatregelen te nemen:

1. De bij de netten Carte bleue en Eurocard aangesloten handelaren worden op de hoogte gesteld van de voorwaarden die moeten worden in acht genomen bij de acceptatie van buitenlandse eurocheques om in aanmerking te komen voor de garantie.

2. De bij de netten Carte bleue en Eurocard aangesloten handelaren ontvangen de raamsticker 'ec' en brengen deze op een zichtbare plaats aan, ten einde de buitenlandse klanten te informeren dat eurocheques worden geaccepteerd.

3. Voor per eurocheque verrichte aankopen brengen de leden van de Groupement Carte bleue en van Eurocard de bij hen aangesloten handelaren een commissie in rekening die niet hoger mag zijn dan de commissie op betaling per Carte bleue of Eurocard.

4. De banken die lid zijn van de Groupement Carte bleue en van Eurocard zullen erop toezien dat de bij hen aangesloten handelaren de prijzen van per eurocheque betaalde aankopen niet verhogen, ook als het om speciale aanbiedingen en uitverkoopartikelen gaat.

5. Als een aangesloten handelaar de bovengenoemde beginselen niet nakomt, grijpen de Franse banken en financiële instellingen onverwijld in om nakoming van de beginselen in de toekomst te waarborgen. In het geval dat de ontvangen commissie aan de buitenlandse houder van eurocheques in rekening is gebracht, zullen de Franse banken en financiële instellingen dit bedrag aan de uitgevende bank terugbetalen. In geval van herhaling zullen de Franse banken en financiële instellingen sancties opleggen die gelijk zijn aan die welke zij opleggen bij overtreding van de regels voor de Carte bleue en voor Eurocard.

6. Bij de verrekening van in Frankrijk uitgeschreven buitenlandse eurocheques wordt, in overeenstemming met de bepalingen van de 'Package Deal' , het totale bedrag van bovengenoemde cheques verhoogd met een commissie van 1,25 %, te ontvangen via de nationale verrekeningscentrales.

7. Alle bepalingen worden onmiddellijk uitgevoerd opdat de overeenkomst uiterlijk op 1 december 1983 in werking kan treden.

8. Voor het einde van 1984 wordt een balans van de met de tarifering opgedane ervaring opgemaakt.

9. In het kader van deze overeenkomst zullen de Franse banken en financiële instellingen, zodra dit technisch mogelijk is, de procedures vaststellen voor de uitwisseling en de automatische clearing van eurochequedata."

12 Op 14 oktober 1983 deelde de Groupement Carte bleue de Commissie mee, dat de Franse banken ten einde de buitenlandse houders van eurocheques meer mogelijkheden te bieden om in Frankrijk van deze betalingsregeling gebruik te maken, kort daarvoor waren overeengekomen, de bij de netten Carte bleue en Eurocard France aangesloten handelaren aan te bieden om de door hen als betaling ontvangen buitenlandse eurocheques tegen dezelfde tarieven te verwerken als werden geheven voor met Carte bleue, Visa of Eurocard verrichte transacties, waarbij de handelaren zich tevens ertoe verbonden om het bedrag van de geheven commissie niet door te berekenen aan de houder van de eurocheque. De Groupement Carte bleue voegde hieraan toe, dat de Franse banken deze dienst aan houders van buitenlandse eurocheques aanboden zonder dat de houders van een Carte bleue in bij het Eurocheque-systeem aangesloten winkels in het buitenland wederkerigheid genoten.

13 Op 19 september 1984 deelde de Commissie AFB mee, dat de Crédit Lyonnais in januari 1983 een incasso-commissie had geïnd van 4,60 % over het bedrag van een haar aangeboden cheque, en verzocht zij de AFB haar mee te delen, welke bij de AFB aangesloten banken in het algemeen een incasso-commissie in rekening brachten en bijgevolg de Eurocheque-overeenkomsten slechts gedeeltelijk toepasten.

14 Op 11 oktober 1984 deelde Eurocheque International de Commissie mee, dat "sinds de in mei 1984 in werking getreden acceptatie-overeenkomst met de Franse banken de bij de netten Carte bleue en Eurocard France aangesloten handelaren zich hebben verplicht, geen commissie meer te innen voor een betaling per eurocheque. Daarentegen bestaat er geen formele juridische afspraak betreffende betalingen per eurocheque bij niet aangesloten handelaren of particulieren en deze moeten voor de inwisseling van buitenlandse eurocheques een per bank verschillende commissie betalen (...)" Eurocheque International, die verklaarde oog te hebben voor dit probleem, zegde toe om al het mogelijke te doen om in haar onderhandelingen met de Franse banken een oplossing hiervoor te vinden.

15 Op 17 oktober 1984 antwoordde AFB aan de Commissie, dat de Franse banken enkel met de "Package Deal" hadden ingestemd om buitenlanders in Frankrijk aan contant geld te helpen. Daarentegen hadden de bij het AFB aangesloten banken evenals andere Europese banken niet ingestemd met de andere Eurocheque-overeenkomsten betreffende de acceptatie van gegarandeerde cheques in de handel of het ter inning aanbieden van buitenlandse cheques door particulieren. In deze gevallen werden dus de gebruikelijke procedures voor de inning van op het buitenland getrokken cheques toegepast. Hoewel door de banken in Duitsland en de Benelux die het Eurocheque-systeem sterk tot ontwikkeling hebben gebracht, geen wederkerigheid werd gewaarborgd, hadden de bij de Groupement Carte bleue aangesloten Franse banken bij wijze van experiment hun net van handelaren op dezelfde voorwaarden als voor houders van een Carte bleue of een Visa-kaart voor buitenlandse eurocheques opengesteld. Deze overeenkomst, die zich uitstrekte tot bijna 300 000 handelaren in Frankrijk, stond los van de "Package Deal". Deze Franse banken zouden dus de overeenkomsten waarmee zij hadden ingestemd, integraal in acht nemen.

16 Op 12 november 1984 antwoordde de Caisse nationale de Crédit agricole aan de Commissie, dat zij aan de regionale filialen altijd had aanbevolen, een tarifering toe te passen op de handelaren die uniforme eurocheques ter inning aanboden, zulks ter eerbiediging van het reeds voor de betalingen per kaart en in het bijzonder per Eurocard geldende beginsel dat voor de aan de handelaren verleende betalingsgarantie een heffing moest worden betaald. De Eurocheque-gemeenschap had de toepassing van deze tarifering op de handelaren door de Franse banken in oktober 1983 goedgekeurd, voor zover de navolgende beginselen werden geëerbiedigd: vaststelling van een commissie op door de handelaren ter inning aangeboden eurocheques die "hoogstens gelijk was" aan die welke voor de betalingen met Eurocard of Carte bleue in rekening werd gebracht en niet-doorberekening van deze commissie aan houders van eurocheques.

17 Op 10 februari 1985 deelde de Caisse nationale de Crédit agricole de Commissie mee, dat de regionale filialen hadden besloten, zich aan de "Package Deal" te houden, en dat alle Franse banken die bij de netten Carte bleue of Eurocard France waren aangesloten, met de Eurocheque-gemeenschap waren overeengekomen, dat op Franse handelaren die buitenlandse cheques ter inning aanboden, een tarifering zou worden toegepast.

18 Nadat de Commissie in een door haar op 11 april 1989 gedaan verzoek om inlichtingen de onregelmatige heffing van een commissie in bepaalde landen, in het bijzonder Frankrijk, in herinnering had gebracht, antwoordde Eurocheque International (in 1988 omgezet in Eurocheque International sc, hierna: "Eurocheque International") op 7 juni 1989, dat tijdens de bijeenkomst te Helsinki op 19 en 20 mei 1983 een interne overeenkomst was gesloten tussen de Franse financiële instellingen en de Assemblée Eurocheque. Het was een besluit dat was vastgesteld en opgenomen in de notulen en niet in een door partijen ondertekend formeel document.

19 Op 17 augustus 1989 deed Eurocheque International de Commissie de overeenkomst van Helsinki toekomen.

20 Op 16 juli 1990 heeft de Groupement de overeenkomst van Helsinki formeel bij de Commissie aangemeld.

De administratieve procedure betreffende de "Package Deal"

21 In een op 21 december 1989 aan Eurocheque International verstuurde brief stelde de Commissie vast dat verlenging van de ontheffing vooral problematisch was wegens de overeenkomst van Helsinki en kondigde zij aan dat, behoudens voorstellen van Eurocheque International, ten aanzien van het Eurocheque-systeem een mededeling van de punten van bezwaar zou worden opgesteld.

22 Op 31 juli 1990 richtte de Commissie een mededeling van de punten van bezwaar tot Eurocheque International, die zowel de nieuwe "Package Deal" als de overeenkomst van Helsinki betrof.

23 Op 24 april 1991 zond Eurocheque International, onder verwijzing naar een onderhoud op 21 maart 1991, de Commissie een nieuwe ontwerp-"Package Deal" toe en verklaarde zij zich bereid, de overeenkomst van Helsinki in te trekken, waarbij zij evenwel beklemtoonde dat in het belang van de consument aan het beginsel moest worden vastgehouden dat bij gebruik van de cheque het volle bedrag van de eurocheque moest worden betaald.

24 Na op 4 juni 1991 door de directeur-generaal Concurrentie verstrekte nadere inlichtingen betreffende de door de Commissie gewenste wijzigingen in de "Package Deal" antwoordde Eurocheque International op 31 juli 1991, dat de Europese banken van gedachten waren veranderd met betrekking tot de tarifering van de inning van eurocheques, dat zij jegens hun cliënten een volledige tariefvrijheid wensten en dat zij bijgevolg niet het beginsel konden aanvaarden dat de eurocheques gratis waren, aangezien dat een interbancaire overeenkomst betreffende een nultarief voor de op hun cliënten toepasselijke commissie zou opleggen.

De administratieve procedure betreffende de overeenkomst van Helsinki

25 Op 31 juli 1990 richtte de Commissie op hetzelfde tijdstip waarop zij een mededeling van de punten van bezwaar betreffende zowel de nieuwe "Package Deal" als de overeenkomst van Helsinki tot Eurocheque International richtte, tot de Groupement een mededeling van de punten van bezwaar die zich tot de overeenkomst van Helsinki beperkte. In deze mededeling beklemtoont de Commissie om te beginnen, dat na onderzoek van het verzoek om verlenging van de ontheffing voor de "Package Deal", alsmede van de diverse klachten die formeel bij haar waren ingediend, problemen aan het licht waren gekomen die werden veroorzaakt door de voorwaarden voor acceptatie van buitenlandse eurocheques in de commerciële sector in Frankrijk, ten aanzien waarvan op 19 en 20 mei 1983 te Helsinki een overeenkomst was ondertekend, die niet bij haar was aangemeld. Vervolgens merkt de Commissie op, dat de dag na een bijeenkomst tijdens welke de vertegenwoordigers van het directoraat-generaal Concurrentie hadden bevestigd dat een mededeling van de punten van bezwaar betreffende de overeenkomst van Helsinki was opgesteld en bij de verschillende diensten van de Commissie in behandeling was, de Groupement het directoraat-generaal bij brief van 13 juli 1990 heeft verwittigd dat de overeenkomst van Helsinki zojuist bij de Commissie was aangemeld. In de mededeling, waarin de Commissie te kennen geeft dat zij voornemens is vast te stellen dat met betrekking tot de overeenkomst van Helsinki voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, wordt evenwel vastgesteld dat niet behoeft te worden onderzocht of de overeenkomst voldoet aan de vier in artikel 85, lid 3, gestelde voorwaarden voor een ontheffing, omdat volgens het bepaalde in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EEG-Verdrag (PB 1962, nr. 13, blz. 204, hierna: "verordening nr. 17"), geen beschikking tot toepassing van artikel 85, lid 3, kan worden gegeven, zolang de betrokken overeenkomst niet is aangemeld. De mededeling vervolgt, dat zelfs indien de overeenkomst van Helsinki is aangemeld, zij niet voldoet aan de vier voor de toepassing van artikel 85, lid 3, vereiste voorwaarden, aangezien in punt 40 van de beschikking van 1984 betreffende de ontheffing van de "Package Deal" duidelijk is onderstreept, dat dergelijke overeenkomsten, die gelden in de relaties tussen de banken en hun cliënten, in geen geval als onmisbaar kunnen worden beschouwd in de zin van artikel 85, lid 3, sub a. Ten overvloede voegt de mededeling hier nog aan toe, dat dergelijke overeenkomsten zoals in punt 43 van de ontheffingsbeschikking wordt verklaard, de mededinging uiteindelijk totaal zou uitschakelen.

26 Nadat de Groupement, Eurocheque International en de bij Eurocheque International aangesloten verenigingen van financiële instellingen de Commissie hun schriftelijk antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar hadden toegestuurd, heeft op 28 november 1990 een hoorzitting plaatsgevonden waaraan is deelgenomen door vertegenwoordigers van de Commissie, de Lid-Staten, Eurocheque International en de Groupement.

27 Tijdens een bijeenkomst te Shannon (Ierland) op 9 en 10 mei 1991 heeft de Assemblée Eurocheque het beginsel bekrachtigd, dat de banken vrij zijn aan de handelaren die cliënt bij hen zijn, een commissie in rekening te brengen. Onder verwijzing naar de herhaalde bezwaren van de Commissie verklaarde de Assemblée zich als teken van goede wil bereid de overeenkomst van Helsinki te beëindigen, hoewel zij betwistte dat de overeenkomst de mededinging beperkte. De Assemblée droeg een ad hoc werkgroep op, een nieuwe "Package Deal" op te stellen.

28 Op 22 mei 1991 stelde de Groupement de Commissie op de hoogte van het besluit van de Assemblée Eurocheque om de overeenkomsten van Helsinki te beëindigen, zulks gelet op de door de diensten van de Commissie kenbaar gemaakte bezwaren.

29 Op 28 mei 1991 stelde de Groupement haar leden per circulaire op de hoogte van het feit dat de Assemblée Eurocheque tijdens haar bijeenkomst op 9 en 10 mei 1991 had besloten een einde te maken aan de overeenkomsten van Helsinki en dat de aanvaarding van eurocheques voortaan een zaak zou zijn die geheel los stond van de financiële voorwaarden die de instellingen van de Groupement bij de verwerking van betalingen per CB-kaart toepasten.

30 Op 5 juni 1991 deelde Eurocheque International de Commissie mee, dat zij bereid was de overeenkomst van Helsinki op te zeggen.

31 Op 19 juni 1991 richtte de Commissie enkel tot de Groupement nog een aanvullende mededeling van punten van bezwaar betreffende de overeenkomst van Helsinki. Ter zake verklaart de Commissie om te beginnen, dat zij het ondanks de aanmelding van de overeenkomst van Helsinki niet opportuun achtte de procedure van de mededeling van de punten van bezwaar, die een onderdeel vormde van het ruimere kader van een mededeling van de punten van bezwaar betreffende het gehele Eurocheque-systeem, te onderbreken. Verder merkt zij nog op, dat in de mededeling van de punten van bezwaar, waarin bij voorbaat werd geantwoord op de aanmelding van de overeenkomst van Helsinki, met welke mogelijkheid de Commissie rekening had gehouden, was geconcludeerd dat in elk geval niet aan de voorwaarden van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag was voldaan. De Commissie voegt hieraan toe, dat de aanmelding van de overeenkomst van Helsinki geen gegevens bevat naar aanleiding waarvan haar beoordeling van deze overeenkomst in de mededeling van de punten van bezwaar zou kunnen worden gewijzigd, daar enige feitelijke inlichtingen of bepaalde argumenten in de aanmelding of nadien door de Groupement aangevoerd integendeel door haar vastgestelde punten van bezwaar bevestigen. De Commissie verklaart dat zij het met het oog op een volstrekte eerbiediging van de rechten van partijen het dienstig achtte om de mededeling van de punten van bezwaar van 31 juli 1990 aan te vullen met overwegingen betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag, aangezien in de oorspronkelijke mededeling van de punten van bezwaar niet was geantwoord op de argumenten die de Groupement ter zake in haar aanmelding had aangevoerd.

32 Op 20 juni 1991 stuurde de Commissie "ter informatie" een afschrift van de aanvullende mededeling van de punten van bezwaar aan Eurocheque International.

33 Op 11 juli 1991 diende de Groupement bij de Commissie een schriftelijk antwoord op de aanvullende mededeling van punten van bezwaar in.

De bestreden beschikking

34 Op 25 maart 1992 gaf de Commissie beschikking 92/212/EEG inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/30.717-A ° Eurocheque: overeenkomst van Helsinki, PB 1992, L 95, blz. 50), waarvan het dispositief luidt als volgt:

Artikel 1

De tijdens de Assemblée Eurocheque te Helsinki op 19 en 20 mei 1983 gesloten overeenkomst tussen de Franse financiële instellingen en de Assemblée Eurocheque betreffende de aanvaarding door handelaren in Frankrijk van op buitenlandse financiële instellingen getrokken eurocheques, welke overeenkomst van 1 december 1983 tot 27 mei 1991 is toegepast, vormt een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag.

Artikel 2

Het verzoek om een ontheffing voor de in artikel 1 genoemde overeenkomst, overeenkomstig artikel 85, lid 3, van het EEG-Verdrag, voor de periode van 16 juli 1990, zijnde de datum van aanmelding, tot 27 mei 1991, zijnde de datum van opzegging van de overeenkomst, wordt afgewezen.

Artikel 3

1. Wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuk wordt aan de Groupement des cartes bancaires "CB" een geldboete opgelegd van 5 000 000 Ecu en aan Eurocheque International sc een geldboete van 1 000 000 Ecu.

2. [omissis]

3. [omissis]

Artikel 4

[omissis]

De beschikking is eerst op 25 maart 1992 en vervolgens op 31 maart 1992 betekend.

Procesverloop en conclusies van partijen

35 In deze omstandigheden hebben de Groupement en Eurocheque International sc bij op 25 mei 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften onderhavige beroepen ingesteld (zaken T-39/92 en T-40/92), ten aanzien waarvan zij om voeging hebben verzocht.

36 Bij beschikking van 29 juni 1992 heeft de president van de Eerste kamer de zaken T-39/92 en T-40/92 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het eindarrest.

37 Bij op 8 oktober 1992 aan de griffie van het Gerecht gezonden brief heeft Eurocheque International het Gerecht meegedeeld, dat zij op 1 september 1992 een fusie was aangegaan met Eurocheque International Holding SA en Eurocard International SA, waarbij deze drie vennootschappen al hun activa en passiva hadden ingebracht in een nieuw opgerichte vennootschap, Europay International SA (hierna: "Europay"), waarna zij zijn ontbonden. Aangezien hun aandeelhouders onmiddellijk aandeelhouders van Europay waren geworden, was deze laatste in de rechten en verplichtingen van Eurocheque International getreden. In haar op dezelfde dag neergelegde repliek heeft Europay geconcludeerd, dat het het Gerecht behage, haar hiervan akte te verlenen, alsmede haar akte te verlenen dat zij de door Eurocheque International ingeleide procedure en alle door haar aangevoerde middelen en argumenten overneemt.

38 Het Gerecht (Eerste kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.

39 Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 22 september 1993.

40 In zaak T-39/92 concludeert verzoeker, dat het het Gerecht behage:

° nietig te verklaren alle bepalingen van de beschikking die van toepassing zijn op de Groupement;

° subsidiair, nietig te verklaren artikel 3 van de beschikking, voor zover de Groupement daarin een geldboete wordt opgelegd;

° meer subsidiair, het bedrag van de aan de Groupement opgelegde geldboete te verminderen in de mate dat zulks gerechtvaardigd wordt door de schendingen van artikel 15 van verordening nr. 17;

° de Commissie te verwijzen in alle kosten.

41 Verweerster concludeert in deze zaak, dat het het Gerecht behage:

° het beroep van de Groupement tot nietigverklaring van beschikking 92/212/EEG van 25 maart 1992 van de Commissie te verwerpen;

° de Groupement te verwijzen in de kosten van de procedure.

42 In zaak T-40/92 concludeert verzoekster, dat het het Gerecht behage:

° nietig te verklaren de artikelen 1, 2 en 3 van de bestreden beschikking, voor zover zij betrekking hebben op verzoekster;

° subsidiair, nietig te verklaren artikel 3 van de beschikking;

° meer subsidiair, het bedrag van de bij artikel 3 van de beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete aanzienlijk te verminderen;

° verweerster te verwijzen in de kosten.

43 Verweerster concludeert in deze zaak, dat het het Gerecht behage:

° het beroep van Eurocheque International tot nietigverklaring van beschikking 92/212/EEG van de Commissie van 25 maart 1992 en subsidiair tot vermindering van het bedrag van de aan Eurocheque International opgelegde geldboete te verwerpen;

° Eurocheque International te verwijzen in de kosten van de procedure.

Het beroep in zaak T-40/92

Argumenten van partijen

44 Verzoekster stelt dat haar rechten van de verdediging zijn geschonden, omdat de Commissie heeft nagelaten, van de aanvullende mededeling van de punten van bezwaar kennis te geven aan Eurocheque International. De punten 12, 22, 26, 27 en 28 van deze mededeling bevatten nieuwe punten van bezwaar die nog niet voorkwamen in de oorspronkelijke mededeling van de punten van bezwaar, waarvan aan Eurocheque International kennis is gegeven. Artikel 19 van verordening nr. 17, junctis de artikelen 2, 3 en 4 van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, nr. 127, blz. 2268, hierna: "verordening nr. 99/63") verlangt dat de Commissie vooraf de punten van bezwaar meedeelt die zij niet alleen ten aanzien van de aanmeldende partij, doch ten aanzien van alle partijen bij de overeenkomst in aanmerking wil nemen.

45 Verweerster stelt daarentegen, dat de tweede mededeling van de punten van bezwaar niet als een "aanvullende" mededeling van de punten van bezwaar kan worden aangemerkt, omdat zij geen nieuwe feiten bevat, noch een wijziging brengt in de juridische beoordeling van de eerste. Derhalve is zij van mening dat deze tweede mededeling niet verplicht was en dat verzoekster haar niet kan verwijten dat zij deze, zonder formele kennisgeving, ter informatie aan Eurocheque International heeft doen toekomen. Zij voegt daaraan toe dat Eurocheque International in elk geval de gelegenheid heeft gehad, ter zake van deze aanvullende mededeling van de punten van bezwaar haar standpunt kenbaar te maken.

Beoordeling van het Gerecht

46 Het Gerecht stelt vast, dat de Commissie een afschrift, en enkel ter informatie, van de aanvullende mededeling van de punten van bezwaar aan Eurocheque International heeft toegestuurd, zonder voor haar een termijn vast te stellen voor het indienen van haar opmerkingen.

47 Ingevolge artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17, junctis de artikelen 2 en 4 van verordening nr. 99/63, moet de Commissie de punten van bezwaar die zij tegen de ondernemingen en ondernemersverenigingen doet gelden, meedelen en kan zij in haar beschikkingen slechts die punten van bezwaar in aanmerking nemen, ter zake waarvan deze laatsten de gelegenheid hebben gehad hun standpunt kenbaar te maken.

48 Evenzo vereist de eerbiediging van de rechten van de verdediging, die is te beschouwen als een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht en in alle omstandigheden in acht moet worden genomen, in het bijzonder in iedere procedure die tot de oplegging van een sanctie kan leiden, zelfs in een administratieve procedure, dat de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen reeds tijdens de administratieve procedure behoorlijk in staat zijn geweest, hun standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van de door de Commissie gestelde feiten, punten van bezwaar en omstandigheden (arrest van het Hof van 13 februari 1979, zaak 85/76, Hoffmann-La Roche, Jurispr. 1979, blz. 461, en arrest van het Gerecht van 18 december 1992, gevoegde zaken T-10/92, T-11/92, T-12/92 en T-15/92, Cimenteries CBR e.a., Jurispr. 1992, blz. II-2667).

49 In casu moet om te beginnen worden onderzocht of de bestreden beschikking, voor zover zij betrekking heeft op Eurocheque International, berust op feiten en punten van bezwaar die verweerster voor het eerst heeft vermeld in de aanvullende mededeling van de punten van bezwaar, waarvan Eurocheque International niet op de hoogte is gesteld.

50 Het Gerecht merkt in de eerste plaats op, dat in punt 50 van de beschikking wordt vastgesteld, dat de overeenkomst van Helsinki na 25 oktober 1985 naar haar aard mededingingsbeperkend is, aangezien zij het beginsel van het in rekening brengen van commissie stelt en zij sedert deze datum voor elke handelaar die bij de Groupement is aangesloten, een onverbrekelijk en geheel ongerechtvaardigd verband legt tussen betaling per kaart en betaling per eurocheque.

51 In de oorspronkelijke mededeling van de punten van bezwaar, waarvan Eurocheque International op de hoogte is gebracht, had de Commissie in punt 30 geconcludeerd, dat de overeenkomst van Helsinki is aan te merken als "een prijsafspraak die ook nog van toepassing is in de betrekkingen tussen banken en cliënten en niet alleen in de interbancaire betrekkingen, omdat in deze overeenkomst de Franse banken met toestemming van de gehele internationale Eurocheque-gemeenschap overeenkomen, ten aanzien van de handelaren die cliënt bij hen zijn, een commissie toe te passen 'die even hoog is' als de commissie die zij in rekening brengen voor betalingen met hun CB-kaart". Aangezien de Groupement op deze verklaring had geantwoord dat "elke bank vrij het bedrag van de aan zijn handelaren een in rekening gebrachte commissie bepaalt, omdat de commissies die de handelaar aan zijn bank moet betalen, sedert 1985 niet meer worden vastgesteld (...)", heeft de Commissie in punt 12 van de aanvullende mededeling van de punten van bezwaar verklaard, dat "de overeenkomst ter zake ook nog na deze datum mededingingsbeperkend blijft omdat zij een onverbrekelijk en geheel ongerechtvaardigd verband tussen twee fundamenteel verschillende betaalmiddelen, namelijk de eurocheque en de CB-kaart, legt". Dusdoende wordt in de aanvullende mededeling van de punten van bezwaar de overeenkomst van Helsinki althans voor de periode na 25 oktober 1985 niet meer aangemerkt als een mededingingsregeling betreffende de vaststelling van een "commissie die even hoog is", maar als een ongerechtvaardigd automatisch verband tussen de eurocheque en de bankkaart.

52 Bijgevolg is het Gerecht van mening, dat in de aanvullende mededeling van de punten van bezwaar de aan Eurocheque International verweten inbreuk wezenlijk is gewijzigd.

53 In de tweede plaats merkt het Gerecht op, dat in punt 51 van de beschikking wordt vastgesteld dat "overigens, als de overeenkomst van Helsinki vanuit het gezichtspunt van het Eurocheque-systeem waarvoor de Commissie in 1984 ontheffing heeft verleend, wordt beschouwd, de overeenkomst dan werkelijk met dat systeem dat onder andere was gebaseerd op het beginsel dat de begunstigde van een eurocheque het volledige bedrag van de cheque ontvangt, in strijd lijkt te zijn".

54 In antwoord op de verklaring van Eurocheque International dat de overeenkomst van Helsinki een billijk aandeel van de daaruit voortvloeiende voordelen aan de gebruiker ten goede laat komen, heeft de Commissie in punt 27 van de aanvullende mededeling van de punten van bezwaar verklaard, dat "(...) wanneer wordt gesteld dat de overeenkomst voor de uitgevers heeft geresulteerd in een daling van hun kosten, wordt vergeten dat volgens de door de Franse bankgemeenschap ondertekende 'Package Deal' van 1980 de houder de eurocheques niet in rekening mogen worden gebracht bij gebruik in het buitenland (...)". Ook wordt in punt 28 van de aanvullende mededeling van de punten van bezwaar de overeenkomst van Helsinki gekwalificeerd als een "zeer grote afwijking van de 'Package Deal' " om vervolgens daaruit af te leiden dat zij noodzakelijk noch onmisbaar is om de doelstellingen van de eerste twee voorwaarden van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag te bereiken.

55 Het Gerecht is van mening dat de aanvullende mededeling van de punten van bezwaar, voor zover daarin wordt verklaard dat de overeenkomst van Helsinki in strijd is met de "Package Deal", om daaraan de conclusie te verbinden dat zij niet beantwoordt aan de tweede en derde voorwaarde van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag, de strekking van de punten van bezwaar tegen de overeenkomst van Helsinki heeft verruimd.

56 In de punten 50 en 51 van de beschikking wordt overwogen dat de overeenkomst van Helsinki een overeenkomst over het in rekening brengen van commissie is, die in strijd is met het Eurocheque-systeem, en worden dus in hoofdzaak de in de punten 12, 27 en 28 van de aanvullende mededeling van punten van bezwaar geformuleerde punten van bezwaar en argumenten in aanmerking genomen.

57 Gelet op het vorenoverwogene, dient te worden onderzocht of verzoekster in de gelegenheid is gesteld, ter zake van deze punten van bezwaar haar standpunt kenbaar te maken voordat de Commissie een eindbeschikking heeft gegeven. In dit verband is de vraag die moet worden onderzocht, of het ter informatie aan Eurocheque International toezenden van een afschrift van de aanvullende mededeling van de punten van bezwaar, zonder dat haar een termijn wordt gesteld waarbinnen zij overeenkomstig artikel 2, lid 4, van verordening nr. 99/63 haar opmerkingen kan maken, toereikend kan zijn.

58 Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 99/63, op grond waarvan de Commissie iedere onderneming of ondernemersvereniging of de door hen aangewezen gemeenschappelijke gevolmachtigde schriftelijk op de hoogte moet stellen van de punten van bezwaar die tegen haar in aanmerking zijn genomen, machtigt haar niet om ten aanzien van een van de partijen bij een overeenkomst de rechtstreekse mededeling van de punten van bezwaar te vervangen door de toezending van een afschrift, enkel ter informatie, van de tot een andere partij gerichte mededeling van de punten van bezwaar. In casu kan namelijk niet worden uitgesloten dat de procedure een ander resultaat zou hebben opgeleverd, indien de Commissie aan Eurocheque International op regelmatige wijze kennis had gegeven van de aanvullende mededeling van de punten van bezwaar en indien zij haar een termijn had gesteld om haar opmerkingen in te dienen met betrekking tot de punten 12, 27 en 28 van deze mededeling.

59 Bovendien kan het antwoord dat Eurocheque International op 31 juli 1991 heeft gegeven op de voorstellen tot wijziging van de "Package Deal" die de Commissie haar op 4 juni 1991 had voorgelegd, niet worden aangemerkt als de uiting van een standpunt van Eurocheque International met betrekking tot de in de aanvullende mededeling van de punten van bezwaar vervatte feiten en punten van bezwaar. Uit dit antwoord blijkt dus niet, dat verzoekster ten aanzien van deze punten van bezwaar haar standpunt kenbaar heeft kunnen maken. Deze brief had namelijk uitsluitend betrekking op deze voorstellen tot wijziging van de "Package Deal".

60 Daaruit volgt dat de Commissie de voor verzoekster uit artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17 en de artikelen 2 en 4 van verordening nr. 99/63 voortvloeiende rechten van de verdediging heeft geschonden.

61 Bijgevolg dient de beschikking, zonder dat het Gerecht de andere door verzoekster tot staving van haar beroep aangevoerde middelen behoeft te onderzoeken, nietig te worden verklaard, voor zover daarin wordt vastgesteld dat Eurocheque International inbreuk heeft gemaakt op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag en haar een geldboete van 1 000 000 ECU wordt opgelegd.

62 Waar aldus de vaststelling van een inbreuk op artikel 85, lid 1, ten aanzien van verzoekster ongedaan is gemaakt, is het beroep in zaak T-40/92, voor zover het betrekking heeft op de weigering van een ontheffing, zonder voorwerp geraakt. Bijgevolg behoeft geen uitspraak te worden gedaan op over de vraag of artikel 2 van de beschikking, voor zover daarin het door de Groupement ingediende verzoek om een ontheffing wordt afgewezen, wettig is jegens verzoekster.

Het beroep in zaak T-39/92

63 Verzoeker voert in wezen vier middelen aan tot staving van zijn beroep. Het eerste middel, schending van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, valt uiteen in twee onderdelen. Om te beginnen stelt verzoeker, dat de Commissie het bestaan van een prijsafspraak niet heeft aangetoond. Vervolgens verwijt hij de Commissie, dat zij de relevante markt niet correct heeft afgebakend. Het tweede middel stelt schending van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag. Het derde middel stelt schending van de rechten van de verdediging. Het vierde middel stelt schending van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17.

Eerste middel: schending van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag

Het prijskartel

° Argumenten van partijen

64 Verzoeker betwist dat er een prijsafspraak bestaat. Om te beginnen betoogt hij, dat, in tegenstelling tot hetgeen wordt verklaard in punt 48 van de beschikking, gelet op de economische en historische context waarin zij destijds is gesloten, de overeenkomst van Helsinki enkel ten doel heeft, een maximum vast te stellen voor de incasso-commissie die door de leden van de Groupement in rekening kan worden gebracht voor betalingen per buitenlandse eurocheque, zonder evenwel het in rekening brengen van de commissie verplicht te stellen. De noodzaak om een dergelijk maximum vast te stellen zou voortvloeien uit de binnen het Eurocheque-systeem geldende instructies, die de banken voorschrijven dat de buitenlandse eurocheque, wanneer voor betalingen per nationale cheque een incasso-commissie in rekening wordt gebracht, niet ongunstiger mag worden behandeld.

65 Verzoeker stelt vervolgens dat de overeenkomst van Helsinki niet volledig in tegenspraak is met de "Package Deal", zoals in punt 16 van de beschikking wordt verklaard. Hij stelt dat de bewoordingen van de "Package Deal" en van de beschikking houdende ontheffing voor deze overeenkomst worden vervormd, wanneer in punt 51 van de beschikking wordt vastgesteld, dat de overeenkomst van Helsinki in strijd is met het Eurocheque-systeem, waar wordt verklaard dat het onder meer is gebaseerd op het beginsel dat de begunstigde van een eurocheque het volledige bedrag van de cheque ontvangt.

66 Enerzijds is verzoeker van mening dat in de bestreden beschikking de interbancaire commissie en de vergoeding voor de diensten van de banken aan hun cliënten door elkaar worden gehaald. Hij stelt dat ofschoon de "Package Deal" de handelaar verbiedt, aan degene die de eurocheque uitschrijft, en bij het gebruik ervan een commissie in rekening te brengen, om te verzekeren dat hij het volledige bedrag ontvangt, de accepterende bank niettemin de mogelijkheid blijft behouden om een commissie in rekening te brengen aan de handelaars die cliënt bij haar zijn.

67 Anderzijds stelt verzoeker dat, met uitzondering van de Banques populaires et de Crédit mutuel, de Franse banken, die geen uniforme eurocheques uitgeven, niet hebben ingestemd met de bepalingen van de "Package Deal" betreffende het openstellen van de niet-bancaire sector. Ter zake merkt hij op, dat de Franse banken en Eurocheque International reeds in 1983 de Commissie hiervan op de hoogte hebben gesteld, waarvan deze overigens akte zou hebben genomen in punt 22 van de ontheffingsbeschikking, waarin ter sprake wordt gebracht dat "bepaalde instellingen de Eurocheque-overeenkomsten slechts gedeeltelijk toepassen". Verzoeker voegt hieraan toe dat de beschikking inzake de ontheffing van de "Package Deal", door de uitdrukkelijke verwijzing naar de overeenkomst van Helsinki, zonder deze van de werkingssfeer van de ontheffing uit te sluiten en zonder de ontheffing afhankelijk te stellen van de intrekking of wijziging van de overeenkomst, noodzakelijkerwijze de ontheffing van de overeenkomst van Helsinki met zich heeft gebracht.

68 Ten slotte verwijt verzoeker de Commissie, dat zij geen rekening heeft gehouden met de historische context van de ontwikkeling van de betalingssystemen in Frankrijk, waarbij de niet gegarandeerde cheque wordt vervangen door betaalkaarten en kaarten voor bankbiljetten-automaten, om vervolgens te concluderen dat de overeenkomst van Helsinki het tweede bestanddeel van een verdergaande mededingingsregeling vormt, gericht op de uitschakeling van de eurocheque, waarbij het andere bestanddeel het verbod is om eurocheques voor nationaal gebruik uit te geven. Verzoeker voegt hieraan toe, dat de overeenkomst van Helsinki stellig niet tot doel had de ontwikkeling van de eurocheques in Frankrijk te belemmeren, doch integendeel de aanvaarding van buitenlandse eurocheques in de Franse winkels, waarvan het aantal sterk is toegenomen sedert 1984, heeft bevorderd.

69 Ter zake stelt de Groupement, dat de Commissie in strijd met de door het Hof en het Gerecht opgestelde beginselen heeft gehandeld, door niet de gevolgen van de overeenkomst van Helsinki voor de mededinging te beoordelen (zie de arresten van het Hof van 30 juni 1966, zaak 56/65, Société Technique Minière, Jurispr. 1966, blz. 329, en 11 juli 1985, zaak 42/84, Remia e.a., Jurispr. 1985, blz. 2545, en het arrest van het Gerecht van 2 juli 1992, zaak T-61/89, Dansk Pelsdyravlerforening, Jurispr. 1992, blz. II-1931). Door stelselmatig de situatie na de toepassing van de overeenkomst van Helsinki te vergelijken met de situatie zoals die zou zijn geweest bij toepassing van de "Package Deal", heeft de Commissie de gevolgen van de overeenkomst van Helsinki voor de mededinging niet correct beoordeeld en heeft zij dus niet het mededingingsbeperkende karakter ervan kunnen vaststellen.

70 De Commissie stelt in de eerste plaats, dat het gebruik van de toekomstige tegenwoordige tijd in paragraaf 3 van de overeenkomst van Helsinki [in het Frans "percevront"] op duidelijke manier de verplichting tot uiting brengt om de handelaren een commissie in rekening te brengen. Onder verwijzing naar de omstandigheid dat de overeenkomst bepaalt, dat de aangesloten handelaren de buitenlandse eurocheques zullen accepteren op dezelfde voorwaarden als voor de kaarten van de Groupement gelden, betoogt verweerster dat de overeenkomst van Helsinki niet alleen betrekking heeft op het beginsel van de commissie, maar ook op het bedrag ervan. Ten tijde dat de overeenkomst van Helsinki werd opgesteld werden door de Groupement voor al haar leden namelijk identieke voorwaarden toegepast. Pas later, vanaf 25 oktober 1985, toen de door de leden van de Groupement toegepaste uniforme tarifering was opgeheven, was de overeenkomst van Helsinki een overeenkomst geworden die niet meer betrekking had op één enkele commissie, maar op een commissie die varieerde naar gelang van de praktijken van de verschillende bankinstellingen op het gebied van de betaling per bankkaart.

71 In de tweede plaats betoogt de Commissie, dat het beginsel dat de begunstigde van een eurocheque het volledige bedrag van de cheque ontvangt, zoals voortvloeit uit de "Package Deal", stellig niet de mogelijkheid uitsluit om een commissie in rekening te brengen bij degene die de eurocheque uitgeeft, maar dat voor de "Package Deal" vrijstelling is verleend dankzij het beginsel dat de eurocheque volledig wordt uitbetaald aan de begunstigde ervan. Zij voegt hieraan evenwel toe, dat de onwettigheid van de overeenkomst van Helsinki in elk geval niet een gevolg is van het feit dat zij het "beginsel dat de eurocheque gratis is" niet eerbiedigt, maar van het feit dat zij een overeenkomst is die betrekking heeft op de prijzen die ten aanzien van cliënten van de bankinstellingen worden toegepast.

72 De Commissie wijst er in de derde plaats op, dat de Franse banken hadden ingestemd met de "Package Deal". Zoals in het aanmeldingsformulier A/B van 7 juli 1982 zelf wordt verklaard, "nemen aan de overeenkomst deel alle financiële instellingen die worden vertegenwoordigd door elk van de internationale samenwerkingsverbanden", dat wil zeggen praktisch alle financiële instellingen van elk van de landen van de nationale samenwerkingsverbanden, waaronder AFB.

73 In de vierde plaats merkt de Commissie op, dat de verwijzing naar de belemmering van de ontwikkeling van de nationale eurocheques in Frankrijk moet worden opgevat als een factor die de nationale context van de gewraakte overeenkomst verklaart, zonder dat het een punt van bezwaar is dat het verbod aan leden van de Groupement om eurocheques voor nationaal gebruik uit te geven, als een mededingingsregeling beoogt aan te merken.

74 In de vijfde plaats verklaart de Commissie, dat zij tot aan de aanmelding van de overeenkomst van Helsinki zelf, slechts over gedeeltelijke inlichtingen beschikte over de formuleringen van de overeenkomst en weerlegt zij de verklaring van de Groupement, dat de omstandigheid dat in de ontheffingsbeschikking wordt vermeld dat de "Package Deal" door de leden van de Groupement die hun net van handelaren voor de eurocheque hadden opengesteld, slechts gedeeltelijk werd toegepast, de voor de "Package Deal" verleende ontheffing heeft uitgebreid tot de overeenkomst van Helsinki.

75 Ten slotte stelt de Commissie, dat ondanks de toeneming van het aantal eurocheques die in Frankrijk tussen 1984 en 1990 werden geaccepteerd, het mededingingsbeperkende karakter van de mededingingsregeling blijft bestaan. Zij betwist de bewijskracht van het aan deze toeneming ontleende argument, aangezien deze niet kan worden vergeleken met de toeneming die zonder de overeenkomst van Helsinki mogelijk zou zijn geweest. Verweerster stelt dat de overeenkomst van Helsinki tot gevolg heeft gehad, dat betalingen met eurocheques voor de Franse handelaren minder attractief werden dan het geval zou zijn geweest indien zij overeenkomstig de "Package Deal" het volledige bedrag van de per eurocheque verrichte betaling waren blijven ontvangen.

° Beoordeling van het Gerecht

76 Ter inleiding merkt het Gerecht op, dat het Hof in een arrest van 30 januari 1985 (zaak 123/83, BNIC, Jurispr. 1985, blz. 391) heeft geoordeeld dat een door twee groepen van marktdeelnemers gesloten overeenkomst moet worden aangemerkt als een "overeenkomst tussen ondernemingen of ondernemersverenigingen". In casu brengt krachtens de oprichtingsakte van de vereniging het lidmaatschap van de vereniging mee, dat haar leden instemmen met de besluiten die door de bestuursorganen van de Groupement worden genomen.

77 Daaruit volgt dat de overeenkomst van Helsinki moet worden aangemerkt als een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, die is gesloten tussen de twee groepen marktdeelnemers, gevormd door de Groupement des cartes bancaires CB en Eurocheque International.

78 Om vast te stellen of de overeenkomst van Helsinki een prijskartel in de zin van artikel 85, lid 1, sub a, EEG-Verdrag is, moet de strekking van de bewoordingen van de overeenkomst van Helsinki worden bepaald.

79 Het Gerecht stelt vast, dat in de inleidende zin van de overeenkomst van Helsinki wordt bepaald dat de handelaren die bij de Groupement Carte bleue en/of Eurocard France SA zijn aangesloten, voor de betaling van goederen en diensten buitenlandse eurocheques "zullen accepteren" die in Frankrijk zijn uitgegeven, "op dezelfde voorwaarden" als die welke voor de betaling per Carte bleue of Eurocard gelden, terwijl volgens de bewoordingen van paragraaf 3 van de overeenkomst de Franse banken en financiële instellingen die lid zijn van de Groupement, voor per eurocheque verrichte aankopen deze zelfde handelaren een commissie in rekening brengen die "niet hoger mag zijn" dan de hun in rekening gebrachte commissie voor de betalingen per kaart. VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER : 692A0039.1

80 Anders dan de Commissie lijkt te denken, heeft de inleidende zin van de overeenkomst, voor zover zij de toepassing van "dezelfde voorwaarden" voorschrijft, betrekking op de relatie tussen de bij de Groupement aangesloten handelaren en hun klanten, terwijl paragraaf 3 van de overeenkomst betrekking heeft op de relatie tussen de banken en de handelaren. Derhalve kan uit deze twee onderdelen van de overeenkomst, in onderlinge samenhang gelezen, niet worden afgeleid dat de overeenkomst ten doel heeft het bedrag van de commissie vast te stellen die de banken in rekening zullen brengen ten laste van de handelaren die buitenlandse eurocheques die bij hen voor de betaling van goederen en diensten zijn uitgeschreven, bij de banken ter inning aanbieden.

81 Indien de inleidende zin van de overeenkomst, zoals de Commissie beweert, met de woorden "dezelfde voorwaarden" zou doelen op het bedrag van de in rekening gebrachte commissie, zou paragraaf 3 van de overeenkomst bovendien overbodig of zelfs tegenstrijdig zijn, waar zij een plafond voor deze commissie voorschrijft. Immers, indien "dezelfde voorwaarden" zou doelen op een bedrag zou het overbodig zijn om een plafond te voorzien en daarmee in tegenspraak om door de vaststelling van een dergelijk plafond toe te staan dat een lagere commissie in rekening wordt gebracht dan het bedrag waarop met "dezelfde voorwaarden" wordt gedoeld. Bijgevolg kan de inleidende zin van de overeenkomst niet, zonder paragraaf 3 zinledig te maken, worden uitgelegd als een bestanddeel van een overeenkomst over het bedrag van de commissie, zoals in punt 49 van de bestreden beschikking wordt gedaan.

82 Deze analyse wordt bevestigd door de brief die de Caisse nationale du Crédit agricole op 13 november 1984 aan de Commissie heeft verstuurd. Volgens deze brief brachten regionale filialen van de Crédit agricole de handelaren die bij hen eurocheques ter inning aanboden, een in oktober 1983 door de Eurocheque-gemeenschap goedgekeurde commissie in rekening, waarvan het percentage "hoogstens gelijk" was aan de voor betalingen per kaart in rekening gebrachte commissie.

83 Verder stelt het Gerecht vast dat verweerster, ondanks de ter zake ter terechtzitting gestelde vragen, geen enkel gegeven heeft verstrekt waaruit zou kunnen blijken dat de leden van de Groupement de bij paragraaf 3 van de overeenkomst van Helsinki geboden ruimte volledig hebben benut en in de regel aan de handelaren die cliënt bij hen waren, voor de betalingen per eurocheque een commissie in rekening hebben gebracht die even hoog was als die welke zij bij betalingen per CB-kaart in rekening brachten, zoals wordt verklaard in punt 47 van de beschikking. Zo heeft de vertegenwoordiger van de Commissie in antwoord op een vraag van het Gerecht verklaard, dat het eigenlijke doel van de limiet van de commissie, te weten voorkomen dat te hoge commissies werden toegepast, het weinig waarschijnlijk, zo niet onmogelijk maakte, dat de leden van de Groupement lagere commissies in rekening zouden brengen dan het in de overeenkomst van Helsinki vastgestelde maximum. Het Gerecht is van oordeel dat, waar hier een begin van bewijs ontbreekt, verweersters verklaring niet door deze interpretatie kan worden gestaafd.

84 Hieruit volgt dat de bij de overeenkomst van Helsinki aan de leden van de Groupement opgelegde verplichting om de bij hen aangesloten handelaren bij de inning van eurocheques een commissie in rekening te brengen, niet kan worden aangemerkt als een mededingingsregeling betreffende de vaststelling van een identieke prijs die in overeenkomsten met derden in acht moet worden genomen, in de zin van de rechtspraak van het Hof (zie het arrest BNIC, reeds aangehaald, en de arresten van 3 juli 1985, zaak 243/83, Binon, Jurispr. 1985, blz. 2015, en 11 juli 1989, zaak 246/86, Belasco e.a., Jurispr. 1989, blz. 2117), zulks in tegenstelling tot hetgeen in punt 49 van de beschikking wordt verklaard.

85 Het Gerecht is evenwel van mening dat de leden van de Groupement, door in te stemmen met de verplichting om de bij hen aangesloten handelaren bij de inning van een op een buitenlandse bank getrokken eurocheque een commissie in rekening te brengen die verschilt van de interbancaire commissie die hun op grond van de "Package Deal" wordt uitbetaald door de bank waarop de cheque is getrokken, elkaar wederzijds de vrijheid hebben ontnomen om eventueel met deze interbancaire commissie genoegen te nemen als vergoeding voor de aan de handelaar verleende dienst van de incassering van de eurocheque.

86 Daaruit volgt dat de overeenkomst van Helsinki ten doel had, de gedragsvrijheid van de leden van de Groupement aanzienlijk te beperken, zodat zij een mededingingsregeling betreffende het in rekening brengen van commissie is, die als zodanig in strijd is met artikel 85, lid 1, sub a, EEG-Verdrag. Derhalve heeft de Commissie terecht onder verwijzing naar haar beschikking 87/13/EEG van 11 december 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/261-A ° Belgische Vereniging der Banken, PB 1987, L 7, blz. 27) in punt 50 van de bestreden beschikking vastgesteld dat de overeenkomst van Helsinki een overeenkomst over het beginsel van het in rekening brengen van commissie is en dat zij een mededingingsbeperkend karakter heeft.

87 Waar de overeenkomst van Helsinki tot gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt, is het niet noodzakelijk de concrete gevolgen van de overeenkomst te onderzoeken (arrest van het Hof van 13 juli 1966, gevoegde zaken 56/64 en 58/64, Consten en Grundig, Jurispr. 1966, blz. 450; het arrest BNIC, reeds aangehaald, en de arresten van 27 januari 1987, zaak 45/85, Verband der Sachversicherer, Jurispr. 1987, blz. 405, en 11 januari 1990, zaak C-277/87, Sandoz, Jurispr. 1990, blz. I-45, summiere publikatie).

88 Met betrekking tot het feit dat enige banken ervan zouden hebben afgezien om de betrokken commissie in rekening te brengen, moet bovendien en in elk geval worden opgemerkt dat verzoeker, die in zijn memories stelt dat de betrokken commissie wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om de aan de handelaar verleende dienst te vergoeden en dat de onderliggende gedachte is dat elke discriminatie van de eurocheque ten opzichte van de gewone cheque moet worden voorkomen, erkent dat de leden van de Groupement, door de overeenkomst van Helsinki te sluiten, de bedoeling hebben gehad de vergoeding voor de dienst, bestaande in de incassering van de eurocheque, die door de banken wordt verleend aan de handelaren die cliënt bij hen zijn, verplicht en werkzaam te maken. Dit gegeven is in tegenspraak met de verklaring dat de leden van de Groupement zich in feite niet aan de voor hen uit de overeenkomst van Helsinki voortvloeiende verplichting zouden hebben gehouden om aan de bij hen aangeslotenen een incasso-commissie in rekening te brengen voor de betalingen per eurocheque.

89 Met betrekking tot de verklaring aan het eind van punt 50 dat de overeenkomst van Helsinki, in combinatie met het door het protocol van 31 juli 1984 aan de Franse banken opgelegde verbod om eurocheques voor nationaal gebruik uit te geven, tot het belemmeren van de ontwikkeling van de nationale eurocheques in Frankrijk heeft bijgedragen, is het Gerecht van mening dat het louter vermelden van de overeenkomst van Helsinki als onderdeel van een beweerde door de Groupement toegepaste algemene strategie om zowel de uitgifte van de eurocheque in Frankrijk als het gebruik van de buitenlandse eurocheque in Frankrijk te blokkeren, niet beoogde de in punt 50 gemaakte aantijging dat er sprake was van een mededingingsregeling, uit te breiden tot de Franse nationale eurocheques. Het gaat hier namelijk om een overweging die ten doel heeft het prijskartel binnen zijn context te plaatsen, zonder dat deze overweging noodzakelijk is om de vaststelling van deze inbreuk te staven.

90 Verder is het Gerecht met betrekking tot de punten 16 en 51 van de beschikking van mening, dat het voor de beslechting van onderhavig geschil niet van belang is of het aan de handelaren in rekening brengen van een commissie ter vergoeding van de inning van de eurocheque zich al dan niet verdraagt met de bewoordingen van de "Package Deal". Gesteld al dat de "Package Deal" het in rekening brengen van een dergelijke commissie toestaat, dan is het feit dat het in rekening brengen van de commissie bij overeenkomst wordt voorgeschreven, namelijk reeds in strijd met artikel 85, lid 1, sub a, EEG-Verdrag.

91 Ten slotte is het Gerecht van mening dat het loutere feit dat de overeenkomst van Helsinki in de motivering van de beschikking inzake de ontheffing van de "Package Deal" wordt genoemd, niet het gevolg kan hebben gehad dat de voor de "Package Deal" verleende ontheffing is uitgebreid tot de overeenkomst van Helsinki. Het dispositief van de beschikking waarbij ontheffing wordt verleend voor de "Package Deal", heeft namelijk niet betrekking op de overeenkomst van Helsinki. De verwijzing in de motivering van deze beschikking naar de Franse situatie die voortvloeide uit de overeenkomst van Helsinki, wilde slechts uit laten komen dat deze situatie niet in de weg stond aan het beginsel dat voor de "Package Deal" een ontheffing werd verleend.

92 Uit al deze overwegingen volgt dat het eerste onderdeel van het middel, dat er geen prijsafspraak zou zijn, gegrond is, voor zover in punt 49 van de beschikking wordt vastgesteld, dat de overeenkomst van Helsinki een overeenkomst over het bedrag van de commissie is, en dat dit onderdeel voor het overige dient te worden afgewezen.

De afbakening van de relevante markt

° Argumenten van partijen

93 De Groupement merkt in de eerste plaats op dat in punt 8 van de bestreden beschikking voor het eerst van de markt wordt gesproken als "het geheel van internationale betaalmiddelen waarmee bij Franse handelaren kan worden betaald". Door haar weigering van een ontheffing te baseren op de geringe concurrentie die is vastgesteld op de markt van het geheel van internationale betaalmiddelen waarmee bij Franse handelaren kan worden betaald, heeft de Commissie haar beroofd van de mogelijkheid om haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de afbakening en de kenmerken van de markt, ten aanzien waarvan zij de haar verweten inbreuk op de mededinging heeft beoordeeld.

94 Verzoeker brengt in herinnering dat voor dat enig oordeel over een beweerdelijk mededingingsbeperkend gedrag kan worden gegeven, eerst de relevante markt behoorlijk moet worden afgebakend (zie het arrest van het Hof van 21 februari 1973, zaak 6/72, Europemballage en Continental Can, Jurispr. 1973, blz. 215, en het arrest van het Gerecht van 10 maart 1992, gevoegde zaken T-68/89, T-77/89 en T-78/89, SIV e.a., Jurispr. 1992, blz. II-1403).

95 In casu voert verzoeker als bezwaar tegen de beschikking aan, dat voor de afbakening van de markt waarop de beweerde inbreuk zich zou hebben voorgedaan, drie verschillende markten worden genoemd: de markt van de door in Frankrijk gevestigde banken uitgegeven eurocheques, de markt van in Franse frank luidende eurocheques, uitgeschreven bij de 500 000 Franse handelaren die zijn aangesloten bij het betalingssysteem van de Groupement door houders van niet door in Frankrijk gevestigde banken uitgegeven eurocheque-kaarten, en de markt van het geheel van internationale betaalmiddelen waarmee bij Franse handelaren kan worden betaald.

96 Deze afbakening van de markt "op drie niveaus", waarvoor elke rechtvaardiging ontbreekt, is volgens verzoeker in strijd met artikel 85 EEG-Verdrag. Indien de relevante markt namelijk de markt is van de in Frankrijk gebruikte internationale betaalmiddelen, dan kan de beweerde inbreuk, die slechts betrekking heeft op aan Franse handelaren aangeboden buitenlandse eurocheques, namelijk geen merkbare invloed hebben op deze markt, aangezien de hoeveelheid aan Franse handelaren aangeboden buitenlandse eurocheques in het niet valt bij de hoeveelheid van het geheel van de aan hen aangeboden betaalmiddelen.

97 Verder verwijt de Groupement de Commissie, dat zij niet de substitueerbaarheid van de bij Franse handelaren uitgeschreven buitenlandse eurocheques met andere betaalmiddelen heeft onderzocht, daar zij na een dergelijk onderzoek tot de conclusie zou zijn gekomen, dat de in Frankrijk uitgeschreven buitenlandse eurocheques niet een specifieke markt vormden.

98 In de tweede plaats stelt hij, dat indien de relevante markt de markt van de aan Franse handelaren aangeboden buitenlandse eurocheques is, alle in de punten 32, 50, 59 en 82 van de beschikking in aanmerking genomen punten van bezwaar die betrekking hebben op een beperking van de mededinging tussen eurocheques en betaalkaarten, een ruimere markt betreffen dan de markt die in de beschikking is gedefinieerd. Hij voegt daaraan toe, dat indien dit als de markt moet worden aangehouden, de in de punten 50, 59, 60 tot 65 en 66 van de beschikking geformuleerde punten van bezwaar eveneens een ruimere markt dan de aldus gedefinieerde betreffen, omdat de door de Franse instellingen uitgegeven nationale eurocheques geen onderdeel van deze markt vormen.

99 Verweerster is van mening dat als relevante markt moet worden aangemerkt de markt van de internationale betaalmiddelen waarmee bij Franse handelaren kan worden betaald, en dat binnen deze markt een submarkt dient te worden onderscheiden, die wordt gevormd door de eurocheques die in Frankrijk door houders van niet door in Frankrijk gevestigde banken uitgegeven eurocheque-kaarten, worden uitgeschreven bij handelaren die zijn aangesloten bij de Groupement. De Commissie kan niet worden verweten, dat zij als relevante markt niet enkel de markt van de eurocheques heeft aangehouden.

100 Ten slotte merkt verweerster op, dat de verwijzing naar de belemmering van de ontwikkeling van de nationale eurocheques in Frankrijk enkel de nationale context van de overeenkomst van Helsinki beoogde te verklaren; zij is niet een afzonderlijk punt van bezwaar.

° Beoordeling van het Gerecht

101 Het Gerecht merkt op dat in punt 8 van de beschikking de betrokken markt wordt omschreven als volgt: de markt "van in het buitenland uitgegeven eurocheques, meer in het bijzonder gaat het om in Franse frank luidende eurocheques, uitgeschreven bij de 500 000 Franse handelaren die zijn aangesloten bij het betalingssysteem van het Samenwerkingsverband door houders van niet door in Frankrijk gevestigde banken uitgegeven eurocheque-kaarten. Voorts gaat het om het geheel van internationale betaalmiddelen waarmee bij Franse handelaren kan worden betaald." In punt 76 van de beschikking wordt verklaard dat het eerste niveau waarop de aantasting van de mededinging door de overeenkomst van Helsinki moet worden beoordeeld, in casu is "de rechtstreeks betrokken markt, dat wil zeggen de markt voor buitenlandse eurocheques die in de commerciële sector in Frankrijk zijn uitgeschreven". Het feit dat de beschikking enkel betrekking heeft op de markt van de buitenlandse eurocheques die in de commerciële sector in Frankrijk zijn uitgeschreven, wordt bevestigd door de punten 50 en 56. In het eerste wordt vastgesteld dat de overeenkomst van Helsinki "het effect heeft gehad dat de betalingen met eurocheques voor de Franse handelaren minder attractief werden". In het tweede wordt onderstreept dat de overeenkomst van Helsinki betrekking heeft op cheques die in een Lid-Staat door inwoners van andere Lid-Staten worden uitgeschreven, en die duidelijk merkbare gevolgen voor de intracommunautaire handel heeft, aangezien in de Gemeenschap "Frankrijk het land is waar de meeste eurocheques worden aanvaard".

102 In punt 77 van de beschikking geeft de Commissie weliswaar toe dat "een tweede, subsidiair niveau voor de beoordeling van het punt van de mededinging het geheel van internationale, bij Franse handelaren gebruikte, betaalmiddelen zou kunnen zijn." Waar zij in dezelfde context evenwel benadrukt dat "om praktische redenen de concurrentie tussen de verschillende betaalmiddelen in het algemeen beperkt is", wordt in de beschikking niettemin gerechtvaardigd waarom zij in casu de aantasting van de mededinging op het eerste niveau, dat wil zeggen het niveau van de in de commerciële sector in Frankrijk uitgeschreven buitenlandse eurocheques heeft beoordeeld.

103 Uit de titel van de overeenkomst van Helsinki zelf blijkt dat zij "de aanvaarding door handelaren in Frankrijk van op buitenlandse financiële instellingen getrokken eurocheques" regelt. Gelet op de omvang ervan, is de markt van in de commerciële sector in Frankrijk uitgeschreven buitenlandse eurocheques, de enige waarop de overeenkomst van Helsinki betrekking heeft, een voldoende homogene, specifieke markt die onderscheiden is van de markt van de andere internationale betaalmiddelen waarop de leden van de Groupement met elkaar concurreren.

104 Daaruit volgt dat de Commissie terecht in punt 76 van de beschikking heeft vastgesteld, dat de rechtstreeks door de overeenkomst van Helsinki geraakte markt is de markt voor buitenlandse eurocheques die in de commerciële sector in Frankrijk zijn uitgeschreven.

105 Uit al deze overwegingen volgt, dat het tweede onderdeel van het middel, betreffende de onjuiste afbakening van de markt, moet worden afgewezen.

Tweede middel: schending van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag

Argumenten van partijen

106 Verzoeker stelt dat de Commissie artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag heeft geschonden, door hem niet de voor de overeenkomst van Helsinki gevraagde ontheffing te verlenen. Zij heeft geen van de vier voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling in acht genomen en de feiten van de onderhavige zaak verdraaid.

107 In het bijzonder betoogt verzoeker met betrekking tot de derde voorwaarde, betreffende de onmisbaarheid van de beperking van de mededinging, dat de Commissie, uitgaande van de onjuiste premisse dat de Franse banken hadden ingestemd met de "Package Deal", zich in punt 72 van de beschikking ten onrechte op het standpunt heeft gesteld, dat de overeenkomst van Helsinki niet onmisbaar was.

108 De Commissie brengt hiertegen in, dat de overeenkomst van Helsinki aan geen van de vier voorwaarden voor de verlening van een ontheffing voldoet. Met betrekking tot in het bijzonder de derde voorwaarde merkt zij op, dat zij in punt 72 van de beschikking heeft vastgesteld dat de mededingingsbeperking die voor de leden van de Groupement voortvloeit uit de verplichting om aan de handelaren die eurocheques aanvaarden, een commissie in rekening te brengen, niet onmisbaar is om de doelstellingen van de "Package Deal" te bereiken, omdat het op grond van de "Package Deal" juist is uitgesloten, dat aan de begunstigde van de eurocheque een commissie in rekening wordt gebracht.

Beoordeling van het Gerecht

109 De toetsing door het Gerecht van ingewikkelde economische beoordelingen door de Commissie in het kader van de haar bij artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag toegekende beoordelingsmarge met betrekking tot elk van de daarin genoemde vier voorwaarden, dient te worden beperkt tot de vraag of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de motivering afdoende is, of de feiten juist zijn weergegeven en of er geen sprake is van een kennelijke onjuiste beoordeling dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie het arrest van het Hof in de zaak Remia e.a., reeds aangehaald, en het arrest van 17 november 1987, gevoegde zaken 142/84 en 156/84, BAT en Reynolds, Jurispr. 1987, blz. 4487).

110 Gelet op het cumulatieve karakter van de voorwaarden voor ontheffing (zie het arrest van het Hof in de zaak Consten en Grundig, reeds aangehaald, en het arrest van 17 januari 1984, gevoegde zaken 43/82 en 63/82, VBVB en VBBB, Jurispr. 1984, blz. 19), kan de bestreden beschikking, voor zover daarin de ontheffing wordt geweigerd, slechts nietig worden verklaard indien de toetsing van het Gerecht aan het licht brengt, dat de Commissie met betrekking tot elk van deze vier voorwaarden haar verplichtingen niet is nagekomen.

111 Volgens artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag kan een ontheffing slechts worden verleend, indien de overeenkomst aan de betrokken ondernemingen slechts mededingingsbeperkingen oplegt welke voor het bereiken van de in dit lid bedoelde doelstellingen onmisbaar zijn.

112 In casu dient te worden onderzocht of de Commissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld, dat de uit de overeenkomst van Helsinki voortvloeiende mededingingsbeperkingen niet onmisbaar waren om de aanvaarding van de buitenlandse eurocheque in Frankrijk te bevorderen.

113 Ter zake is het Gerecht van mening, dat zo de overeenkomst van Helsinki al nodig was om de bij de Groupement aangesloten handelaren te verplichten, de voor de betaling van goederen en diensten in Franse frank uitgeschreven buitenlandse eurocheques te aanvaarden, het niet onmisbaar was om de leden van de Groupement te verplichten, aan de handelaren die cliënt bij hen waren, een commissie in rekening te brengen voor de betalingen per buitenlandse eurocheque. De leden van de Groupement hadden namelijk, evenals de Franse banken die niet bij de Groupement zijn aangesloten, als vergoeding voor de verleende diensten genoegen kunnen nemen met de interbancaire commissie die hun krachtens de "Package Deal" wordt uitbetaald door de bank waarop de eurocheque is getrokken, in plaats van door middel van een mededingingsregeling elkaar de vrijheid te ontnemen om aan de bij hen aangesloten handelaren geen commissie in rekening te brengen voor de betalingen per buitenlandse eurocheque.

114 Daaruit volgt dat verzoeker in casu niet heeft aangetoond dat de uit de overeenkomst van Helsinki voortvloeiende beperkingen van de mededinging niet verder gingen dan strikt noodzakelijk was om de doelstellingen van de "Package Deal" te bereiken (zie in het bijzonder het arrest van het Hof van 8 juni 1982, zaak 258/78, Nungesser en Eisele, Jurispr. 1982, blz. 2015, en het arrest in de zaak Verband der Sachversicherer, reeds aangehaald; het arrest van het Gerecht van 9 juli 1992, zaak T-66/89, Publishers Association, Jurispr. 1992, blz. II-1995). Het Gerecht is derhalve van mening dat in punt 72 van de beschikking ter verzoekers aanvraag voor een ontheffing terecht is afgewezen, op grond dat de overeenkomst van Helsinki niet kon worden aangemerkt als een beperking die onmisbaar was om de doelstellingen van de "Package Deal" te bereiken.

115 Daaruit volgt dat het middel betreffende de schending van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag moet worden afgewezen. Bijgevolg behoeven de middelen betreffende de andere ontheffingsvoorwaarden niet meer te worden onderzocht.

Derde middel: schending van de rechten van de verdediging

Argumenten van partijen

116 Verzoeker stelt om te beginnen, dat de Commissie zijn rechten van verdediging heeft geschonden, door in de punten 8 en 50 van de beschikking nieuwe punten van bezwaar aan te voeren, die nog niet in de mededeling van de punten van bezwaar waren uiteengezet. In punt 8 van de beschikking wordt voor het eerst gesproken van de markt "van het geheel van internationale betaalmiddelen waarmee bij Franse handelaren kan worden betaald". Deze wijziging in de definitie van de relevante markt heeft verzoeker de mogelijkheid ontnomen, verweermiddelen aan te voeren met betrekking tot deze nieuwe definitie van de markt ten aanzien waarvan de verweten inbreuk op de mededinging is beoordeeld. In punt 50, waarin wordt verklaard dat de overeenkomst van Helsinki "tot het belemmeren van de ontwikkeling van de nationale eurocheques in Frankrijk heeft bijgedragen", wordt, vergeleken met de in de punten 32 en 33 van de mededeling van bezwaar uiteengezette punten, een nieuw punt van bezwaar geïntroduceerd, waarin de betrokken markt werd omschreven als de markt van in Frankrijk ter betaling uitgeschreven buitenlandse eurocheques en als oordeel werd gegeven dat de overeenkomst mededingingsvervalsende gevolgen had in de relaties tussen de Franse en de buitenlandse banken, alsmede in de relaties tussen de Franse en de buitenlandse handelaren.

117 Vervolgens verwijt verzoeker de Commissie, dat zij de Groupement zijn recht op een eerlijk proces heeft onthouden, door te stellen dat de Groupement en Eurocheque International tegengestelde belangen hebben en door zonder ter zake een bewijs te leveren te verklaren dat de overeenkomst van Helsinki een duidelijk mededingingsbeperkend doel heeft, omdat zij door de gehele Franse bankgemeenschap wordt gewenst of zelfs gevorderd.

118 Verder is verzoeker van mening dat de Commissie, door als vaststaand aan te nemen dat de Franse banken zich niet hielden aan de "Package Deal" en in het bijzonder niet aan het beginsel dat de eurocheque gratis was, heeft volhard in haar weigering om op de argumenten van de Groupement te antwoorden en de doorslaggevende argumenten naar aanleiding waarvan zij een ontheffing had kunnen verlenen, niet heeft onderzocht. Hij ziet daarin een schending van de motiveringsplicht. Hetzelfde geldt voor de afbakening van de relevante markt(en).

119 Ook verwijt verzoeker de Commissie nog, dat zij de beschikking betreffende de overeenkomst van Helsinki heeft vastgesteld voor zij een beschikking heeft gegeven betreffende het verzoek om verlenging van de ontheffing voor de "Package Deal". Ter zake merkt hij op dat de Commissie verklaart dat "de overeenkomst van Helsinki volledig in tegenspraak is met de 'Package Deal' die het gebruik van eurocheques in het buitenland regelt", terwijl zij zich nog niet heeft uitgesproken over de "Package Deal". Dusdoende heeft de Commissie de Groupement gegevens onthouden die noodzakelijk zijn voor zijn verdediging in onderhavig beroep.

120 In de laatste plaats verwijt de Groupement de Commissie, dat zij haar bevoegdheden heeft misbruikt en overschreden, door de procedure betreffende de overeenkomst van Helsinki enerzijds te gebruiken om Eurocheque International te dwingen belangrijke wijzigingen in de "Package Deal" te aanvaarden en anderzijds de eurocheque als bevoorrecht betaalmiddel in de Gemeenschap op te dringen.

121 Verweerster betwist dat zij inbreuk heeft gemaakt op verzoekers rechten van de verdediging. In de punten 8 en 50 van de beschikking worden haars inziens geen nieuwe punten van bezwaar aangevoerd en zij mocht in de beschikking de relevante markt nader afbakenen met inachtneming van in het bijzonder de tijdens de administratieve procedure aan het licht gekomen gegevens. Vervolgens betwist verweerster dat zij niet objectief genoeg geweest is. Enerzijds kan haar niet worden verweten dat zij partijen met uiteenlopende belangen heeft toegestaan hun eigen middelen en argumenten aan te voeren en dat zij de nadruk heeft gelegd op de punten die zij wezenlijk achtte, in casu het feit dat de Groupement zich met betrekking tot de niet-bancaire sector niet aan de "Package Deal" hield. Anderzijds heeft zij alle gedurende de administratieve procedure aangevoerde argumenten toereikend beantwoord. Waar het belangrijkste element van de bestreden beschikking berustte op het bestaan van een overeenkomst betreffende de aan cliënten van bankinstellingen in rekening te brengen prijzen, was de vraag van de tegenspraak tussen de "Package Deal" en de overeenkomst van Helsinki in elk geval van geen enkel belang voor de beoordeling van de overeenkomst van Helsinki.

Beoordeling van het Gerecht

122 In casu stelt het Gerecht vast, dat uit de overwegingen waarop de Commissie de vaststelling van de inbreuk op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag in de bestreden handeling baseert, blijkt dat de Commissie voldoende rekening heeft gehouden met de argumenten van de Groupement betreffende de feiten en juridische omstandigheden die in de opzet van deze zaak een wezenlijk belang toekomen, en dat bijgevolg de motiveringsplicht niet is geschonden.

123 Verder stelt het Gerecht vast, dat zowel uit de stukken van de administratieve procedure als uit de motivering van de beschikking blijkt, dat de procedure aan het eind waarvan de bestreden beschikking is vastgesteld, enkel ten doel heeft gehad, de aan de leden van de Groupement in strijd met artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag opgelegde verplichting om aan de handelaren die bij hen zijn aangesloten, een commissie bij de incassering van buitenlandse eurocheques in rekening te brengen, aan de kaak te stellen en ter zake een sanctie op te leggen.

124 Aangaande het verwijt betreffende de introductie van nieuwe punten van bezwaar volstaat het op te merken dat het feit dat in de beschikking de belemmering van de ontwikkeling van de nationale eurocheques wordt vermeld, als zodanig niet ertoe strekt de in de laatste zin van punt 50 vermelde beschuldiging inzake de mededingingsregeling, uit te breiden tot de Franse eurocheques. Evenzo brengt het Gerecht met betrekking tot punt 8 van de beschikking in herinnering dat het feit dat daarin wordt gesproken van de markt van het geheel van internationale betaalmiddelen waarmee bij Franse handelaren kan worden betaald, niet ertoe strekt de in de beschikking aangehouden omschrijving van de relevante markt te wijzigen ten opzichte van de omschrijving die in de mededeling van de punten van bezwaar is aangehouden, namelijk de markt van in de commerciële sector in Frankrijk uitgeschreven eurocheques. Bijgevolg kunnen de punten 50 en 8 van de beschikking niet als nieuwe punten van bezwaar worden aangemerkt.

125 Met betrekking tot de grief betreffende de splitsing van de procedure betreffende de overeenkomst van Helsinki en de procedure betreffende de verlenging van de ontheffing voor de "Package Deal", is het Gerecht van mening dat de Commissie in het belang van een behoorlijk bestuur zich moet kunnen uitspreken over een overeenkomst die volgens de regels bij haar is aangemeld, zonder het einde van het onderzoek betreffende een overeenkomst die, zoals in casu, kan worden losgekoppeld van de aangemelde overeenkomst, te moeten afwachten. Daaruit volgt dat de Commissie, door een oordeel uit te spreken over de overeenkomst van Helsinki, geen inbreuk heeft gemaakt op verzoekers rechten van de verdediging.

126 Bijgevolg moet het middel betreffende de schending van de rechten van de verdediging worden afgewezen.

Vierde middel: schending van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17

Argumenten van partijen

127 Verzoeker vordert subsidiair nietigverklaring van artikel 3 van het dispositief van de beschikking, voor zover haar daarin een geldboete wordt opgelegd, en, meer subsidiair, verlaging van het bedrag van de geldboete.

128 De Groupement verwijt de Commissie om te beginnen, dat zij in strijd met artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 heeft gehandeld toen zij hem, als ondernemersvereniging met een eigen rechtspersoonlijkheid die is onderscheiden van die van zijn leden, een geldboete oplegde die het plafond van 1 000 000 ECU overschreed. Ter zake betoogt hij, dat hij als ondernemersvereniging geen van de activiteiten uitoefent die kenmerkend zijn voor die welke door de ondernemingen worden uitgeoefend, en dat bijgevolg de geldboete die aan de Groupement is opgelegd, niet hoger kan zijn dan 1 000 000 ECU. Volgens verzoeker moet de deelneming aan een inbreuk individueel worden aangetoond, daar de simpele toetreding van een onderneming tot een ondernemersvereniging niet een onweerlegbaar vermoeden vormt van de deelneming van deze onderneming aan een door de vereniging begane inbreuk. Door haar beschikking op een dergelijk vermoeden te baseren, heeft de Commissie het beginsel van het persoonlijk karakter van de straffen en de elementaire rechten van de verdediging ernstig geschonden.

129 Verzoeker voegt hieraan toe, dat de omstandigheid dat de aan de Groupement opgelegde geldboete is vastgesteld op basis van de winsten die zijn behaald door derden die niet bij de administratieve procedure waren betrokken, een schending van het beginsel van het persoonlijk karakter van de straffen oplevert, dat een integrerend onderdeel van het gemeenschapsrecht uitmaakt.

130 Bovendien zou de Commissie geen rekening hebben gehouden met de verzachtende omstandigheid, dat de uniforme tarifering van de voor betalingen per CB-kaart in rekening gebrachte commissies in 1985 is afgeschaft.

131 Ten slotte betwist verzoeker dat er sprake is van verzwarende omstandigheden; hij stelt dat het in strijd is met de fundamentele rechtsbeginselen om een niet bewezen inbreuk, namelijk de belemmering van de ontwikkeling van de nationale eurocheque in Frankrijk, als verzwarende omstandigheid voor een andere inbreuk aan te voeren. Ook verweerster is van mening dat de Groupement of de Franse banken niet kan worden verweten dat hij een belangrijke inlichting voor de Commissie verborgen hebben gehouden of jegens haar hebben blijk gegeven van een gebrek aan loyaliteit.

132 De Commissie antwoordt om te beginnen dat zij ingevolge de bepalingen van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 een geldboete kan opleggen tot een bedrag van 10 % van de omzet van elk van de leden van een ondernemersvereniging die inbreuk hebben gemaakt op de bepalingen van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. Zij stelt dat in feite de ondernemingen die lid zijn van de vereniging, de besluiten van de vereniging nemen en aldus via de vereniging deelnemen aan de inbreuk. De door verzoeker verdedigde interpretatie zou tot gevolg hebben dat artikel 85, lid 1, en artikel 15 van verordening nr. 17 zinledig zouden worden en geen gelding meer zouden hebben, omdat het dan voor ondernemingen die zeer hoge omzetten behalen en vastbesloten zijn om inbreuk te maken op artikel 85, lid 1, zou volstaan om een ondernemersvereniging op te richten en vervolgens door deze vereniging met de bepalingen van dit artikel strijdige besluiten te laten nemen om te voorkomen dat de Commissie een geldboete van meer dan 1 000 000 ECU kan opleggen, ongeacht de zwaarte van de begane inbreuk en ongeacht de grootte van de ondernemingen die voordeel trekken uit de inbreuk.

133 Vervolgens betoogt verweerster dat zij ter bepaling van het bedrag van de geldboete bij benadering het door de Franse banken door de toepassing van de overeenkomst van Helsinki behaalde voordeel heeft geraamd en dat deze raming slechts een van de voor de vaststelling van de geldboete in aanmerking genomen factoren is geweest, waarbij de beschikking geen enkel rechtstreeks verband legt tussen deze raming en het bedrag van de geldboete.

134 Aangaande de zwaarte van de inbreuk is de Commissie enerzijds van mening dat de overeenkomst van Helsinki als prijskartel dat geldt in de relaties met de cliënten, een bijzonder ernstige beperking van de mededinging vormt en verklaart zij anderzijds dat zij bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk rekening heeft gehouden met de verzachtende omstandigheid dat de uniforme tarifering van de commissies, zoals in punt 50 wordt vastgesteld, is afgeschaft. Deze verzachtende omstandigheid is uitdrukkelijk vermeld in het punt van de beschikking waarop in punt 78 van de beschikking wordt gedoeld wanneer het naar de punten 46 en volgende van de beschikking verwijst. Evenzo heeft de Commissie rekening gehouden met het feit dat het het eerste geval betrof waarin in de banksector een geldboete is opgelegd.

135 Daarentegen betoogt de Commissie, dat zij het gebrek aan medewerking van de partijen als verzwarende omstandigheid in aanmerking mocht nemen, doch dat de belemmering van de ontwikkeling van de nationale eurocheques in Frankrijk slechts is vastgesteld om de context van de mededingingsregeling te beschrijven. Het is geen bestanddeel van de inbreuk, waarvoor in de beschikking een geldboete is opgelegd.

Beoordeling van het Gerecht

136 Het Gerecht is van mening, dat het gebruik van het genus-begrip "inbreuk" in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, waar het zonder onderscheid van toepassing is op overeenkomsten, onderlinge afgestemde feitelijke gedragingen en besluiten van ondernemersverenigingen, erop duidt dat de in deze bepaling voorziene maxima gelijkelijk gelden voor overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en besluiten van ondernemersverenigingen. Daaruit volgt dat het maximum van 10 % van de omzet moet worden berekend op basis van de omzet die door elk van de ondernemingen die partij is bij deze overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, of door alle ondernemingen die lid zijn van deze ondernemersverenigingen gezamenlijk is behaald, althans wanneer de vereniging op grond van haar interne regels haar leden kan binden.

137 De juistheid van deze analyse wordt bevestigd door het feit dat bij de vaststelling van het bedrag van de geldboetes onder meer rekening kan worden gehouden met de invloed die de onderneming in het bijzonder als gevolg van haar omvang en haar economische macht, waarvoor de omzet van de onderneming een aanwijzing vormt, op de markt heeft kunnen uitoefenen (arrest van het Hof van 7 juni 1983, gevoegde zaken 100/80-103/80, Musique Diffusion française, Jurispr. 1983, blz. 1825, r.o. 120 en 121), alsmede met de preventieve werking die van deze geldboetes moet uitgaan (arrest van het Gerecht van 10 maart 1992, zaak T-12/89, Solvay, Jurispr. 1992, blz. II-907, r.o. 309). De invloed die een ondernemersvereniging op de markt heeft kunnen uitoefenen, hangt namelijk niet van haar eigen "omzet" af, die niets zegt over haar omvang of haar economische macht, maar wel van de omzet van haar leden die een aanwijzing van haar omvang en haar economische macht vormt.

138 In casu blijkt uit de artikelen 11 en 12 van de oprichtingsakte van de Groupement, dat deze laatste haar leden kan binden, en artikel 9 van deze akte bepaalt dat haar leden hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk zijn voor alle verbintenissen van de Groupement jegens derden en dat de crediteuren van de Groupement een lid slechts om betaling van schulden kunnen aanspreken na vergeefs de Groupement in gebreke te hebben gesteld. Ten aanzien van de verplichtingen van elk lid jegens de andere leden wordt krachtens de oprichtingsakte de last van de solidariteit verdeeld overeenkomstig het aantal van de door middel van de kaarten van de Groupement verrichte transacties, waaronder de door de handelaren ter inning aangeboden betalingstransacties.

139 Met betrekking tot het argument betreffende de schending van het beginsel van het persoonlijke karakter van de straffen is het Gerecht van oordeel dat uit zijn vaststellingen betreffende het prijskartel volgt, dat de inbreuk is begaan door de ondernemersvereniging, gevormd door de Groupement, en dat de Commissie dus terecht aan hem de geldboete heeft opgelegd. In dit verband zij opgemerkt dat een ondernemersvereniging die een inbreuk heeft begaan, de Commissie niet kan verwijten dat zij dit beginsel schendt wanneer zij ter bepaling van het maximum van de geldboete de omzet van haar leden in aanmerking neemt en aldus haar leden voor de financiële last van deze geldboete laat opkomen. Het feit dat bij de bepaling van het maximum van de geldboete rekening is gehouden met hun omzet, betekent namelijk in geen enkel opzicht dat hun een boete is opgelegd, noch, op zichzelf, dat de betrokken vereniging verplicht is de last ervan op haar leden te verhalen. Zo een dergelijke verplichting voortvloeit uit de interne regels van de betrokken vereniging, is deze omstandigheid van geen belang wat de mededingingsregels van het gemeenschapsrecht betreft.

140 In casu wordt niet gesteld dat de opgelegde geldboete hoger is dan 10 % van de som van de door de leden van deze ondernemersvereniging behaalde omzetten.

141 Daaruit volgt dat het bedrag van de bij de beschikking opgelegde geldboete niet hoger is dan het bij artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 vastgestelde maximum.

142 Gelezen in onderlinge samenhang volgt uit de punten 78, 49 en 50 van de bestreden beschikking, dat de Commissie, die de overeenkomst van Helsinki achtereenvolgens heeft gekwalificeerd als een overeenkomst over het bedrag van een commissie en als een overeenkomst over het beginsel van het in rekening brengen van commissie, de Groupement een geldboete van 5 000 000 ECU heeft opgelegd. Het Gerecht acht ten aanzien van de Groupement slechts de in punt 50 van de beschikking bedoelde mededingingsregeling betreffende het beginsel van het in rekening brengen van commissie bewezen. In deze omstandigheden dient het Gerecht in het kader van zijn volledige rechtsmacht te onderzoeken, of er termen aanwezig zijn om de aan de Groupement opgelegde geldboete te verlagen.

143 Blijkens de rechtspraak van het Hof moet het bedrag van de boete worden gegradueerd met inachtneming van de omstandigheden van de schending en de zwaarte van de inbreuk (arrest van het Hof van 12 november 1985, zaak 183/83, Krupp, Jurispr. 1985, blz. 3609) en dient de waardering van de zwaarte van de inbreuk voor de vaststelling van het bedrag van de boete te geschieden onder afweging van in het bijzonder de aard van de beperkingen van de mededinging (arresten van het Hof van 15 juli 1970, zaak 41/69, Chemiefarma, Jurispr. 1970, blz. 661, en zaak 45/69, Boehringer, Jurispr. 1970, blz. 769).

144 Ter beoordeling van de zwaarte van de inbreuk moet worden opgemerkt dat de in punt 50 van de beschikking gewraakte aantasting van de mededinging enkel ziet op het feit dat bij de overeenkomst van Helsinki aan de leden van de Groupement de verplichting is opgelegd om aan de bij hen aangesloten handelaren een commissie in rekening te brengen ter vergoeding van het incasseren van de betalingen per eurocheque. Paragraaf 3 van de overeenkomst laat de leden van de Groupement volledig vrij om voor de betalingen per eurocheque aan de handelaren lagere incasso-commissies in rekening te brengen dan die welke zij voor de betalingen per kaart voorschrijven. Aangezien de voor de betalingen per eurocheque in rekening gebrachte commissie lager kan zijn dan de voor de betalingen per kaart in rekening gebrachte commissie, moet ervan worden uitgegaan dat ten opzichte van de handelaren een mogelijkheid van concurrentie is blijven bestaan, omdat zij de bank konden kiezen die de laagste commissie in rekening bracht. Ter zake wijst het Gerecht erop, dat de Commissie niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat de leden van de Groupement de hun bij paragraaf 3 van de overeenkomst van Helsinki geboden ruimte volledig hebben benut.

145 Ook merkt het Gerecht nog op, dat de Commissie in punt 80 van de beschikking verklaart dat het bedrag van de geldboete is vastgesteld met inachtneming van de winst die de leden van de Groupement in een periode van zes jaar jaarlijks uit de overeenkomst hebben behaald. Uit het voorgaande blijkt, dat de tegen de Groupement in aanmerking genomen inbreuk niet betrekking heeft op de vaststelling van het bedrag van de commissie, zodat de door de Commissie voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete gehanteerde raming niet meer relevant is.

146 Bovendien is het Gerecht van mening, dat de Commissie in de punten 88, 89 en 90 van haar beschikking ten aanzien van de Groupement terecht rekening heeft gehouden met verzachtende omstandigheden.

147 In het licht van al deze overwegingen is het Gerecht van mening, dat de aan de Groupement opgelegde geldboete van 5 000 000 ECU niet beantwoordt aan de aard en de zwaarte van de in artikel 50 van de beschikking bedoelde inbreuk en in het kader van zijn volledige rechtsmacht stelt het de aan de Groupement opgelegde geldboete vast op 2 000 000 ECU.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

148 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, indien zulks is gevorderd.

149 Aangezien in zaak T-40/92 de Commissie in het ongelijk is gesteld en verzoekster heeft gevorderd dat zij in de kosten wordt verwezen, dient de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten, alsmede in de kosten van verzoekster Europay.

150 Aangezien in zaak T-39/92 de Groupement gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld en heeft gevorderd dat verweerster in de kosten wordt verwezen, acht het Gerecht het billijk, te gelasten dat hij de helft van zijn eigen kosten draagt en dat de Commissie haar eigen kosten alsmede de andere helft van de kosten van de Groupement draagt.

Dictum


HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),

rechtdoende:

1) Verklaart nietig de artikelen 1 en 3 van beschikking 92/212/EEG van de Commissie van 25 maart 1992 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/30.717-A ° Eurocheque: overeenkomst van Helsinki), voor zover zij betrekking hebben op Eurocheque International.

2) Stelt het bedrag van de aan de Groupement des cartes bancaires CB in artikel 3 van de beschikking opgelegde geldboete vast op 2 000 000 ECU.

3) Verwerpt het beroep van de Groupement des cartes bancaires CB voor het overige.

4) Verstaat dat de Commissie haar eigen kosten, de kosten van Europay, alsmede de helft van de kosten van de Groupement zal dragen. De Groupement zal de helft van haar eigen kosten dragen.