61992J0107

ARREST VAN HET HOF VAN 2 AUGUSTUS 1993. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN ITALIAANSE REPUBLIEK. - NIET-NAKOMING - PROCEDURES VOOR HET PLAATSEN VAN OVERHEIDSOPDRACHTEN VOOR UITVOERING VAN WERKEN - UITZONDERING. - ZAAK C-107/92.

Jurisprudentie 1993 bladzijde I-04655


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


Harmonisatie van wetgevingen ° Procedures voor plaatsen van overheidsopdrachten voor werken ° Richtlijn 71/305 ° Afwijkingen van gemeenschappelijke regels ° Voorwaarden ° Bestaan van uitzonderlijke omstandigheden

(Richtlijn 71/305 van de Raad, art. 9, sub d)

Samenvatting


Ingevolge artikel 9, sub d, van richtlijn 71/305 betreffende de cooerdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, kan in uitzonderlijke omstandigheden worden afgeweken van de gemeenschappelijke regels, waaronder met name die inzake de bekendmaking. Dat artikel is evenwel niet van toepassing wanneer de aanbestedende diensten over voldoende tijd beschikken om een versnelde aanbestedingsprocedure overeenkomstig artikel 15 van de richtlijn te organiseren.

Partijen


In zaak C-107/92,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Aresu en R. Pellicer, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verzoekster,

tegen

Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door professor L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door I. M. Braguglia, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie Adelaïde 5,

verweerster,

betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door na te laten het Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen een aankondiging van de voorgenomen opdracht voor de aanleg van een lawinewering in Colle Isarco/Brennero toe te zenden voor bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de cooerdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: O. Due, president, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse en D. A. O. Edward, rechters,

advocaat-generaal: C. Gulmann

griffier: L. Hewlett, administrateur

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 31 maart 1993,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 mei 1993,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 1 april 1992, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door na te laten het Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen een aankondiging van de voorgenomen opdracht voor de aanleg van een lawinewering in Colle Isarco/Brennero toe te zenden voor bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de cooerdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB 1971, L 185, blz. 5; hierna: "richtlijn").

2 Titel III van de richtlijn bevat, naast andere maatregelen, regels voor een doeltreffende bekendmaking van aan te besteden werken, zodat alle belangstellende ondernemingen uit de Gemeenschap van de aanbesteding op de hoogte kunnen zijn en er eventueel aan kunnen deelnemen.

3 Volgens artikel 12 van de richtlijn moeten uitnodigingen tot inschrijving worden toegezonden aan het Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen, dat ervoor zorgt dat deze uiterlijk negen dagen na de datum van verzending worden gepubliceerd in het Publikatieblad. De vierde alinea van deze bepaling schrijft echter voor, dat deze publikatietermijn ten hoogste vijf dagen na de datum van verzending bedraagt bij toepassing van de versnelde procedure van artikel 15.

4 Krachtens artikel 14 van de richtlijn bedragen de termijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming, en de termijn voor de ontvangst van de inschrijvingen die de uitgekozen gegadigden worden uitgenodigd te doen, elk ten minste 21 dagen, respectievelijk te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging en de datum van verzending van de schriftelijke uitnodiging aan de gegadigden. Artikel 15 bepaalt echter dat, indien het in dringende gevallen onmogelijk is de in artikel 14 voorgeschreven termijnen in acht te nemen, de aanbestedende diensten verkorte termijnen kunnen toepassen, namelijk een termijn van twaalf dagen te rekenen vanaf de dag van de verzending van de aankondiging indien het aanvragen tot deelneming betreft, en een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de schriftelijke uitnodiging wat betreft de inschrijvingen. Bij deze versnelde procedure wordt derhalve de totale duur van de bekendmakingsprocedure van 42 dagen bekort tot ten minste 22 dagen.

5 Artikel 9 van de richtlijn zondert een reeks gevallen uit van het toepassingsgebied van deze bepalingen over de bekendmaking. Meer in het bijzonder voorziet artikel 9, sub d, in een uitzondering "in strikt noodzakelijke gevallen waarin de bij de uitvoering van een werk te betrachten dringende spoed, voortvloeiende uit voor de aanbestedende diensten onvoorziene gebeurtenissen, onverenigbaar is met de inachtneming van de termijnen behorende bij andere procedures".

6 Op 18 juni 1988 heeft het Ufficio del Genio Civile (bureau voor civiele bouwkunde) van Bolzano, dat onder het Italiaanse Ministerie van Openbare werken ressorteert, de Italiaanse onderneming Collini e Rabbiosi SpA de bouw gegund van een lawinewering in het zogenoemde "Alpe Gallina"-gebied, te Colle Isarco/Brennero, zonder voorafgaande aankondiging van de aanbesteding in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

7 De Commissie beschouwde dit verzuim als een inbreuk op de bepalingen van de richtlijn en heeft de Italiaanse Republiek bij brief van 24 januari 1990 in gebreke gesteld en haar verzocht, haar binnen een termijn van een maand haar opmerkingen te doen toekomen.

8 Nadat de Italiaanse regering op 15 maart 1990 hierop had geantwoord heeft de Commissie op 13 februari 1991 een met redenen omkleed advies uitgebracht. Wegens het uitblijven van een reactie op dit advies heeft de Commissie besloten het onderhavige beroep in te stellen.

9 De Commissie is van mening, dat de Italiaanse regering er niet in is geslaagd het bewijs te leveren van het bestaan van dringende spoed ten gevolge van onvoorziene gebeurtenissen, in de zin van artikel 9, sub d, van de richtlijn. In dit verband brengt de Commissie allereerst naar voren, dat er meer dan drie maanden zijn verstreken tussen het tijdstip waarop het rapport van de geologische dienst van het Ministerie van Milieu waarin in het onderhavige geval een dringend optreden werd aanbevolen, aan de bevoegde nationale autoriteiten werd gepresenteerd, te weten 10 juni 1988, en de aanvang van de werkzaamheden op 21 september 1988, en dat gedurende deze periode de Italiaanse regering de versnelde procedure van 22 dagen, die is voorzien in de richtlijn, had kunnen instellen. De Commissie benadrukt voorts, dat de laatste lawine in het Brennergebied in 1975 een dringend optreden niet kan rechtvaardigen.

10 Volgens de Italiaanse regering houdt de opvatting van de Commissie geen rekening met het uit het voorvermelde geologische rapport voortvloeiende nieuwe feit aangaande het onvoorzienbare en naderende lawinegevaar in het gebied. De regering voert aan dat, gezien de dringendheid waarop in het rapport werd gewezen, de Italiaanse autoriteiten van oordeel waren dat de werkzaamheden in ieder geval moesten beginnen voor het einde van de herfst van 1988, dat dientengevolge de administratieve procedure voltooid moest worden in de korte tijdspanne van de drie zomermaanden, en dat het bijgevolg onmogelijk was de bepalingen van de richtlijn na te leven.

11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

12 Volgens artikel 9, sub d, van de richtlijn moet voor de toepassing van de in die bepaling voorziene afwijking, te weten de ontheffing van de verplichting om een uitnodiging tot inschrijving bekend te maken aan de drie voorwaarden zijn voldaan. Die afwijking onderstelt namelijk het bestaan van een onvoorziene gebeurtenis, van dwingende spoed die onverenigbaar is met de inachtneming van de termijnen behorende bij andere procedures, en, ten slotte, van een oorzakelijk verband tussen de onvoorziene gebeurtenis en de daaruit voortvloeiende dwingende spoed.

13 De door de advocaat-generaal in de punten 8 en 13 van zijn conclusie nauwkeurig onderzochte chronologie van de feiten toont aan, dat in het onderhavige geval niets de eerbiediging van de in de richtlijn genoemde termijnen van de versnelde procedure door de Italiaanse regering belette.

14 Derhalve dient met de Commissie te worden aanvaard, dat de Italiaanse regering het bestaan van dwingende spoed in de zin van artikel 9, sub d, niet heeft aangetoond.

15 Zonder dat behoeft te worden onderzocht, of de twee andere afwijkingsvoorwaarden in het onderhavige geval zijn vervuld, dient mitsdien te worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, door na te laten het Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen een aankondiging van de voorgenomen opdracht voor de aanleg van een lawinewering in Colle Isarco/Brennero toe te zenden voor bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de richtlijn.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

16 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Daar de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende, verstaat:

1) Door na te laten het Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen een aankondiging van de voorgenomen opdracht voor de aanleg van een lawinewering in Colle Isarco/Brennero toe te zenden voor bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de cooerdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken.

2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.