61991J0024

ARREST VAN HET HOF VAN 18 MAART 1992. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN KONINKRIJK SPANJE. - RICHTLIJN 71/305/EEG - PLAATSING VAN OVERHEIDSOPDRACHTEN - BEKENDMAKING VAN OPDRACHTEN - AFWIJKING IN GEVAL VAN DRINGENDE SPOED. - ZAAK C-24/91.

Jurisprudentie 1992 bladzijde I-01989


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

Harmonisatie van wetgevingen - Procedures voor plaatsen van overheidsopdrachten voor werken - Richtlijn 71/305 - Afwijkingen van gemeenschappelijke regels - Voorwaarden - Bestaan van uitzonderlijke omstandigheden

(Richtlijn 71/305 van de Raad, art. 9, sub d)

Samenvatting


Ingevolge artikel 9, sub d, van richtlijn 71/305 betreffende de cooerdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, kan in uitzonderlijke omstandigheden worden afgeweken van de gemeenschappelijke regels, waaronder met name die inzake de bekendmaking. Dat artikel is evenwel niet van toepassing wanneer de aanbestedende diensten over voldoende tijd beschikken om een versnelde aanbestedingsprocedure overeenkomstig artikel 15 van de richtlijn te organiseren.

Partijen


In zaak C-24/91,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Pellicer, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verzoekster,

tegen

Koninkrijk Spanje, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Bastarreche Saguees, daarna door A. Navarro González, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Europese Gemeenschappen, en door R. Silva de Lapuerta, abogado del Estado voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard Emmanuel Servais 4-6,

verweerder,

betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door het besluit van de rector magnificus van de Universidad Complutense te Madrid om de werkzaamheden in verband met de uitbreiding en verbouwing van de Faculteit Politieke wetenschappen en Sociologie en de School voor Maatschappelijk werk onderhands te gunnen, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de cooerdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB 1971, L 185, blz. 5),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: O. Due, president, F. Grévisse en P. J. G. Kapteyn, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, J. C. Moitinho de Almeida, M. Díez de Velasco, M. Zuleeg en J. L. Murray, rechters,

advocaat-generaal: C. O. Lenz

griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 9 januari 1992, alwaar het Koninkrijk Spanje werd vertegenwoordigd door G. Calvo Díaz, abogado del Estado, als gemachtigde,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 februari 1992,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 januari 1991, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk Spanje, door het besluit van de rector magnificus van de Universidad Complutense te Madrid om de werkzaamheden in verband met de uitbreiding en verbouwing van de Faculteit Politieke wetenschappen en Sociologie en de School voor Maatschappelijk werk onderhands te gunnen ("contratación directa"), de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de cooerdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB 1971, L 185, blz. 5; hierna: de "richtlijn").

2 In titel III van de richtlijn wordt onder meer voorzien dat uitnodigingen tot inschrijving naar behoren moeten worden bekendgemaakt, zodat alle belanghebbende aannemers van de Gemeenschap kennis kunnen nemen van een aanbesteding en eventueel daaraan kunnen deelnemen.

3 Volgens artikel 12 van de richtlijn moeten de aankondigingen van aanbesteding worden toegezonden aan het Bureau voor officiële publikaties van de Europese Gemeenschappen, dat ervoor zorgt dat zij uiterlijk negen dagen na de datum van verzending in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen wordt bekendgemaakt. De vierde alinea van dat artikel preciseert evenwel, dat bij toepassing van de versnelde procedure van artikel 15 die termijn hoogstens vijf dagen na de datum van verzending bedraagt.

4 Krachtens artikel 14 van de richtlijn betreffende de niet-openbare procedures worden de termijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming en de termijn voor inzending van de inschrijvingen, welke de daartoe uitgekozen gegadigden worden uitgenodigd te doen, elk op ten minste 21 dagen vastgesteld, te rekenen vanaf respectievelijk de datum van verzending van de aankondiging en de datum waarop de schriftelijke uitnodiging aan de gegadigden is verzonden. Artikel 15 bepaalt echter dat, wanneer het in dringende gevallen onmogelijk is de termijnen van artikel 14 in acht te nemen, de aanbestedende diensten verkorte termijnen kunnen toepassen, namelijk twaalf dagen voor de aanvragen tot deelneming, te rekenen vanaf de datum waarop de aankondiging is verzonden, en tien dagen voor de inschrijvingen, te rekenen vanaf de datum van de schriftelijke uitnodiging.

5 Artikel 9 noemt een aantal gevallen waarin die bepalingen op het gebied van de bekendmaking niet van toepassing zijn. Meer in het bijzonder voorziet artikel 9, sub d, in een afwijking "in strikt noodzakelijke gevallen waarin de bij de uitvoering van een werk te betrachten dringende spoed, voortvloeiende uit voor de aanbestedende diensten onvoorziene gebeurtenissen, onverenigbaar is met de inachtneming van de termijnen behorende bij andere procedures".

6 Op 9 februari 1989 besloot het college van bestuur van de Universidad Complutense te Madrid dat de werkzaamheden in verband met de uitbreiding en verbouwing van de Faculteit Politieke wetenschappen en Sociologie en de School voor Maatschappelijk werk, waarvoor een bedrag van 430 256 250 PTA was begroot, met spoed moesten worden uitgevoerd. Dit bedrag was door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen in januari 1989 ter beschikking gesteld.

7 Op 27 februari 1989 verzocht de rector van die universiteit door middel van een aankondiging in vier Spaanse kranten om offertes voor die werkzaamheden.

8 Blijkens het dossier zou de uitvoering van de betrokken werkzaamheden volgens de verantwoordelijke architect zeveneneenhalve maand in beslag nemen en moesten deze werkzaamheden voor het begin van het academisch jaar in oktober 1989 zijn voltooid.

9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

10 De Commissie is van mening, dat er in casu geen reden was om gebruik te maken van de onderhandse procedure, omdat de voorwaarden voor toepassing van artikel 9, sub d, van de richtlijn niet waren vervuld. Dienaangaande betoogt zij, dat het groeiend aantal studenten een probleem is dat al jaren bestond, zodat de aankomst van een nieuwe lichting studenten in oktober 1989 niet kon worden aangemerkt als een onvoorziene gebeurtenis die een geval van dringende spoed in de zin van die bepaling opleverde.

11 Voorts stelt de Commissie, dat de rector van de universiteit de aankondiging in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen had kunnen bekendmaken volgens de versnelde procedure van artikel 15 van de richtlijn; de daarin vastgestelde verkorte termijnen stellen de aanbestedende diensten in staat te voldoen aan hun verplichting dat de bekendmaking binnen een maand moet geschieden. Volgens de Commissie strookte die termijn volledig met het door de rector opgestelde werkschema.

12 De Spaanse regering staat daarentegen op het standpunt, dat het beroep op artikel 9, sub d, van de richtlijn gerechtvaardigd was. Zij stelt met nadruk dat de werken beslist vóór 1 oktober 1989 voltooid moesten zijn en dat de communautaire bekendmakingsprocedures een vertraging zou hebben veroorzaakt. Zij merkt in dat verband op dat de collegezalen van de betrokken faculteit en school totaal ontoereikend waren voor de opvang van het grote aantal nieuwe studenten, dat voor het begin van het studiejaar in oktober 1989 werd verwacht.

13 Om te beginnen zij opgemerkt, dat aan alle voorwaarden voor toepassing van artikel 9, sub d, cumulatief moet zijn voldaan. Indien aan een van die voorwaarden niet wordt voldaan, kunnen de aanbestedende diensten bijgevolg niet afwijken van de bepalingen van de richtlijn, waaronder met name die inzake de bekendmaking.

14 In casu was de door de Spaanse regering aangevoerde dringende spoed niet onverenigbaar met de in het kader van de versnelde procedure van artikel 15 van de richtlijn vastgestelde termijnen.

15 De benodigde kredieten waren in de loop van januari 1989 aan de universiteit toegekend en de uitbreidings- en verbouwingswerkzaamheden, die zeveneneenhalve maand in beslag zouden nemen, moesten vóór het begin van het academisch jaar, begin oktober 1989, voltooid zijn. Derhalve restte de universiteit nog voldoende tijd om de aanbestedingsprocedure te organiseren overeenkomstig de versnelde procedure van artikel 15 van de richtlijn, waarvan de termijnen, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4 is gesteld, tot 22 dagen kunnen worden teruggebracht, namelijk twaalf dagen voor de aanvragen tot deelneming en tien dagen voor de inschrijvingen.

16 Derhalve moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje, door het besluit van de rector magnificus van de Universidad Complutense te Madrid om de werkzaamheden in verband met de uitbreiding en verbouwing van de Faculteit Politieke wetenschappen en Sociologie en de School voor Maatschappelijk werk onderhands te gunnen, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de richtlijn, en inzonderheid de artikelen 9 en 12 tot en met 15 ervan.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

17 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Koninkrijk Spanje in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende, verstaat:

1) Door het besluit van de rector magnificus van de Universidad Complutense te Madrid om de werkzaamheden in verband met de uitbreiding en verbouwing van de Faculteit Politieke wetenschappen en Sociologie en de School voor Maatschappelijk werk onderhands te gunnen, is het Koninkrijk Spanje de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de cooerdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, en inzonderheid de artikelen 9 en 12 tot en met 15 ervan.

2) Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten.