61989A0142

ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (EERSTE KAMER) VAN 6 APRIL 1995. - USINES GUSTAVE BOEL SA TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - INBREUK OP ARTIKEL 85 EEG-VERDRAG. - ZAAK T-142/89.

Jurisprudentie 1995 bladzijde II-00867


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Onderling afgestemde feitelijke gedraging ° Begrip ° Uitwisseling van informatie tussen concurrenten, die kan worden gebruikt om mededingingsregeling tot stand te brengen

(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)

2. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Deelneming aan vergaderingen van ondernemingen, die ertoe strekken mededinging te verstoren ° Omstandigheid waaruit, bij gebreke van distantiëring van genomen beslissingen, kan worden geconcludeerd tot deelneming aan daarop volgende mededingingsregeling

(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)

3. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Overeenkomsten tussen ondernemingen ° Mededingingsverstorend doel of gevolg ° Ongunstige beïnvloeding van handel tussen Lid-Staten ° Criteria ° Globale beoordeling en niet met betrekking tot iedere deelnemer afzonderlijk

(EEG-Verdrag, art, 85, lid 1)

4. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Aantasting van mededinging ° Beoordelingscriteria ° Mededingingsverstorend doel ° Vaststelling toereikend

(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)

5. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Invoering van geheime mededingingsregelingen om het hoofd te bieden aan beweerd stilzitten van Commissie ° Ontoelaatbaarheid ° Verplicht gebruik van mogelijkheid van aanmelding

(EEG-Verdrag, art. 85, leden 1 en 3)

6. Mededinging ° Mededingingsregelingen ° Ongunstige beïnvloeding van handel tussen Lid-Staten ° Criteria

(EEG-Verdrag, art. 85, lid 1)

7. Mededinging ° Geldboeten ° Meerdere inbreuken ° Oplegging van één geldboete ° Toelaatbaarheid

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)

8. Mededinging ° Gemeenschapsregels ° Inbreuken ° Opzet ° Begrip

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)

9. Mededinging ° Geldboeten ° Betaling ° Vertragingsrente ° Vaststelling door Commissie van rentevoet die hoger is dan die van Europees Fonds voor monetaire samenwerking ° Toelaatbaarheid

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)

Samenvatting


1. Het feit dat tussen concurrerende ondernemingen inlichtingen worden uitgewisseld, die kunnen worden gebruikt om een mededingingsregeling tot stand te brengen, levert een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag op.

2. Wanneer een onderneming, zelfs zonder daarin een actief aandeel te hebben gehad, aan vergaderingen tussen ondernemingen deelneemt, die ertoe strekken de prijzen van hun produkten vast te stellen, en zij zich niet publiekelijk van de inhoud ervan distantieert, waardoor zij bij de andere deelnemers de indruk wekt dat zij instemt met het resultaat van de vergaderingen en dat zij zich daaraan zal houden, kan als bewezen worden beschouwd, dat zij deelneemt aan de uit deze vergaderingen resulterende mededingingsregeling.

3. Teneinde vast te stellen of een onderneming een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag ten laste kan worden gelegd, zijn de enige relevante vragen, of zij heeft deelgenomen aan een overeenkomst met andere ondernemingen, die ertoe strekte of ten gevolge had dat de mededinging werd beperkt, en of deze overeenkomst de handel tussen Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden. De vraag of de individuele deelneming van de betrokken onderneming aan de overeenkomst, in weerwil van haar geringe omvang, de mededinging kon beperken of de handel tussen Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden, is niet relevant.

Overigens vereist dit artikel niet, dat de vastgestelde beperkingen van de mededinging het handelsverkeer tussen Lid-Staten daadwerkelijk merkbaar hebben beïnvloed, doch enkel dat wordt aangetoond dat zij een dergelijk gevolg kunnen hebben gehad.

4. Voor de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag behoeven de concrete gevolgen van de mededingingsregelingen niet in aanmerking te worden genomen, wanneer blijkt dat zij ertoe strekken dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

5. Wanneer de Commissie voor bepaalde produkten krachtens het EGKS-Verdrag een quotastelsel heeft vastgesteld, kunnen de producenten van een bepaald produkt dat onder het EEG-Verdrag valt, maar door dit stelsel wordt geraakt, niet met een beroep op het stilzitten van de Commissie voor het ontbreken van een communautaire regeling voor hun produkt een oplossing treffen door de invoering van met artikel 85, lid 1, van het Verdrag strijdige geheime mededingingsregelingen. Deze producenten kunnen namelijk hun mededingingsregelingen krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag bij de Commissie aanmelden, hetgeen haar de mogelijkheid biedt om te beslissen of deze mededingingsregelingen voldoen aan de bij deze bepaling gestelde criteria.

6. Wil van een ongunstige beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten sprake zijn, moeten besluiten, overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen, gezien het geheel van de objectieve bestanddelen daarvan ° feitelijk en rechtens ° met een voldoende mate van waarschijnlijkheid doen verwachten dat zij, al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, op het ruilverkeer tussen Lid-Staten een zodanige invloed kunnen uitoefenen, dat de totstandkoming van een gemeenschappelijke markt tussen deze Lid-Staten wordt belemmerd.

7. Krachtens artikel 15 van verordening nr. 17 kan de Commissie voor verschillende inbreuken één geldboete opleggen. Dit geldt te meer wanneer de verschillende inbreuken hetzelfde soort van gedragingen op verschillende markten betroffen, in het bijzonder de vaststelling van prijzen en quota en de uitwisseling van informatie.

Bovendien wordt door het opleggen van één enkele geldboete de betrokken onderneming niet de mogelijkheid ontnomen, na te gaan of deze gegrond is, noch wordt de gemeenschapsrechter de mogelijkheid ontnomen zijn wettigheidstoetsing uit te oefenen, daar de beschikking, in haar geheel bezien, de daartoe benodigde gegevens verstrekt.

8. Het is niet noodzakelijk dat de onderneming zich ervan bewust was dat zij inbreuk maakte op de mededingingsregels van het Verdrag, om de inbreuk op deze regels als een opzettelijke inbreuk te kunnen beschouwen; het volstaat dat zij niet onkundig kon zijn dat haar gedrag ertoe strekte de mededinging te beperken.

9. Wanneer zij krachtens artikel 15 van verordening nr. 17 een geldboete oplegt, kan de Commissie bij een latere betaling en in elk geval bij een beroep voorschrijven dat rente moet worden betaald tegen een rentevoet die hoger is dan die van het Europees Fonds voor monetaire samenwerking, om te verhinderen dat een klaarblijkelijk ongegrond beroep wordt ingesteld, met als enige doel, de betaling van een geldboete te vertragen.

Partijen


In zaak T-142/89,

Usines Gustave Boël, vennootschap naar Belgisch recht, gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door G. Vandersanden en L. Defalque, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Schmitt, Rue Guillaume 62,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Koch, E. Traversa en J. Currall, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door N. Coutrelis en A. Coutrelis, advocaten te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 89/515/EEG van de Commissie van 2 augustus 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.553 ° Betonstaalmatten) (PB 1989, L 260, blz. 1),

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: H. Kirschner, kamerpresident, C. W. Bellamy, B. Vesterdorf, R. García-Valdecasas en K. Lenaerts, rechters,

griffier: H. Jung

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden van 14 tot en met 18 juni 1993,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


De aan het geschil ten grondslag liggende feiten

1 Het onderhavige beroep is gericht tegen beschikking 89/515/EEG van de Commissie van 2 augustus 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.533 ° Betonstaalmatten) (PB 1989, L 260, blz. 1; hierna: de "beschikking"), waarbij zij aan veertien producenten van betonstaalmatten een geldboete heeft opgelegd wegens inbreuken op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. De produkten waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, zijn betonstaalmatten, een geprefabriceerd wapeningsprodukt dat is gemaakt van gladde of geribde koudgetrokken betonstaaldraden die door puntlassing in een rechte hoek met elkaar zijn verbonden om een netwerk te vormen. Dit produkt wordt op bijna alle terreinen van de gewapend-betonconstructie gebruikt.

2 Vanaf 1980 zouden in deze sector een aantal kartels en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die de aanleiding voor de beschikking hebben gevormd, tot stand zijn gekomen op de Duitse, de Franse en de Benelux-markt.

3 Voor de Duitse markt verleende het Bundeskartellamt op 31 mei 1983 de Duitse producenten van betonstaalmatten toestemming voor de oprichting van een structuurcrisiskartel. Na één maal te zijn verlengd liep deze toestemming in 1988 af. Het kartel had tot doel de capaciteit te verminderen; het voorzag ook in leveringsquota en prijsregelingen, die echter slechts werden goedgekeurd voor de eerste twee jaar van de toepassing van de kartelovereenkomst (punten 126 en 127 van de beschikking).

4 Op 20 juni 1985 bracht de Franse Commission de la concurrence een advies omtrent de toestand van de mededinging op de markt voor betonstaalmatten in Frankrijk uit, waarna de Franse minister van Economische zaken, Financiën en Begroting beschikking nr. 85-6 DC van 3 september 1985 heeft vastgesteld, waarbij aan verschillende Franse ondernemingen een geldboete is opgelegd wegens handelingen en feitelijke gedragingen die ertoe strekten of ten gevolge hadden, dat gedurende het tijdvak 1982-1984 de mededinging werd beperkt of vervalst en de normale werking van de markt werd belemmerd.

5 Op 6 en 7 november 1985 verrichtten ambtenaren van de Commissie op grond van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), gelijktijdig en zonder voorafgaande waarschuwing verificaties ten kantore van zeven ondernemingen en twee ondernemersverenigingen, te weten Tréfilunion SA, Sotralentz SA, Tréfilarbed Luxembourg°Saarbruecken SARL, Ferriere Nord SpA (Pittini), Baustahlgewebe GmbH, Thibo Draad- en Bouwstaalprodukten BV (Thibodraad), NV Bekaert, Syndicat national du tréfilage d' acier (STA) en Fachverband Betonstahlmatten eV. Op 4 en 5 december 1985 verrichtten zij verder verificaties ten kantore van de ondernemingen ILRO SpA, GB Martinelli, NV Usines Gustave Boël (afdeling Trébos), Tréfileries de Fontaine-l' Évêque (TFE), Frère-Bourgeois Commerciale SA (FBC), Van Merksteijn Staalbouw BV en ZND Bouwstaal BV.

6 Op grond van de bij deze verificaties gevonden documenten, alsmede van de gegevens die zij krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 in handen had gekregen, kwam de Commissie tot de conclusie, dat de betrokken producenten tussen 1980 en 1985 inbreuk op artikel 85 EEG-Verdrag hadden gemaakt door een reeks overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen inzake leveringsquota en prijzen voor betonstaalmatten. De Commissie leidde de procedure van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 in en op 12 maart 1987 werden de betrokken ondernemingen op de hoogte gesteld van de punten van bezwaar, waarop die ondernemingen hebben gereageerd. Op 23 en 24 november 1987 vond een hoorzitting met hun vertegenwoordigers plaats.

7 Na afloop van deze procedure gaf de Commissie de beschikking. Volgens deze beschikking (punt 22) bestonden de concurrentiebeperkingen in een aantal overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die betrekking hebben op de vaststelling van prijzen en/of leveringsquota alsmede op de verdeling van de markten voor betonstaalmatten. Deze afspraken betroffen in hoofdzaak telkens een deelmarkt (de Franse markt, de Benelux-markt, de Duitse markt), doch beperkten de handel tussen de Lid-Staten, aangezien daaraan werd deelgenomen door in verschillende Lid-Staten gevestigde ondernemingen. Volgens de beschikking "gaat het niet zozeer om een globale afspraak tussen alle producenten uit alle betrokken Lid-Staten, maar veeleer om een geheel van verschillende afspraken met ten dele wisselende deelnemers. Door de reglementering van de afzonderlijke deelmarkten heeft dit geheel van afspraken echter geleid tot een vergaande reglementering van een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt."

8 Het dispositief van de beschikking luidt als volgt:

"Artikel 1

Tréfilunion SA, Société métallurgique de Normandie (SMN), CCG (Tecnor), Société de treillis et panneaux soudés (STPS), Sotralentz SA, Tréfilarbed SA, respectievelijk Tréfilarbed Luxembourg°Saarbruecken SARL, Tréfileries de Fontaine-l' Évêque, Frère-Bourgeois Commerciale SA (thans Steelinter SA), NV Usines Gustave Boël, afdeling Trébos, Thibo Draad- en Bouwstaalprodukten BV (thans Thibo Bouwstaal BV), Van Merksteijn Staalbouw BV, ZND Bouwstaal BV, Baustahlgewebe GmbH, ILRO SpA, Ferriere Nord SpA (Pittini) en GB Martinelli fu GB Metallurgica SpA hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door in de periode van 27 mei 1980 tot 5 november 1985 in een of meer gevallen deel te nemen aan een of meer overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen (afspraken) die bestonden uit het bepalen van verkoopprijzen, het beperken van de afzet, de verdeling van de markten, alsmede uit maatregelen voor de toepassing van deze afspraken en voor de controle daarop.

Artikel 2

De in artikel 1 genoemde ondernemingen die nog steeds actief zijn in de betonstaalmattensector in de Gemeenschap, moeten de genoemde inbreuken onverwijld beëindigen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, en zich voortaan met betrekking tot hun betonstaalmattenactiviteiten onthouden van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die hetzelfde of een soortgelijk doel beogen of tot gevolg hebben.

Artikel 3

Aan de in deze beschikking genoemde ondernemingen worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:

1. Tréfilunion SA (TU): een geldboete van 1 375 000 ECU;

2. Société métallurgique de Normandie (SMN): een geldboete van 50 000 ECU;

3. Société des treillis et panneaux soudés (STPS): een geldboete van 150 000 ECU;

4. Sotralentz SA: een geldboete van 228 000 ECU;

5. Tréfilarbed Luxembourg°Saarbruecken SARL: een geldboete van 1 143 000 ECU;

6. Steelinter SA: een geldboete van 315 000 ECU;

7. NV Usines Gustave Boël, afdeling Trébos: een geldboete van 550 000 ECU;

8. Thibo Bouwstaal BV: een geldboete van 420 000 ECU;

9. Van Merksteijn Staalbouw BV: een geldboete van 375 000 ECU;

10. ZND Bouwstaal BV: een geldboete van 42 000 ECU;

11. Baustahlgewebe GmbH (BStG): een geldboete van 4 500 000 ECU;

12. ILRO SpA: een geldboete van 13 000 ECU;

13. Ferriere Nord SpA (Pittini): een geldboete van 320 000 ECU;

14. GB Martinelli fu GB Metallurgica SpA: een geldboete van 20 000 ECU.

(...)"

9 Volgens de beschikking (punten 14 en 195, sub f) is de NV Usines Gustave Boël, afdeling Trébos, een afdeling van de vennootschap NV Usines Gustave Boël, die geen eigen rechtspersoonlijkheid heeft. Daarom heeft de Commissie de beschikking tot deze laatste gericht. Aan verzoekster zal dus zonder onderscheid worden gerefereerd onder de naam Boël, Trébos of Boël/Trébos.

De procedure

10 Onder deze omstandigheden heeft verzoekster bij op 17 oktober 1989 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift onderhavig beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld. Tien van de dertien andere ondernemingen tot wie de beschikking was gericht, hebben eveneens beroep ingesteld.

11 Bij beschikkingen van 15 november 1989 heeft het Hof deze zaak en de tien andere zaken krachtens artikel 14 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1) naar het Gerecht verwezen. Deze beroepen zijn ingeschreven onder de nummers T-141/89°T-145/89 en T-147/89°T-152/89.

12 Bij beschikking van 13 oktober 1992 heeft het Gerecht deze zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering wegens hun verknochtheid gevoegd voor de mondelinge behandeling.

13 Bij brieven, neergelegd ter griffie van het Gerecht tussen 22 april en 7 mei 1993, hebben partijen de hun door het Gerecht gestelde vragen beantwoord.

14 Gezien de antwoorden op die vragen en het rapport van de rechter-rapporteur, heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

15 Ter terechtzitting, die van 14 tot en met 18 juni 1993 plaatsvond, zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij vragen van het Gerecht beantwoord.

Conclusies van partijen

16 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

° onderhavig beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

° bijgevolg, primair de beschikking waarin wordt vastgesteld dat verzoekster inbreuk op artikel 85 EEG-Verdrag heeft gemaakt, nietig te verklaren;

° subsidiair, de aan verzoekster opgelegde geldboete van 550 000 ECU te verlagen;

° in elk geval het op de geldboete toegepaste rentepercentage te verlagen tot 9 %;

° verweerster te verwijzen in alle kosten.

17 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

° het beroep ongegrond te verklaren;

° verzoekster te verwijzen in de kosten.

Ten gronde

18 Tot staving van haar beroep voert verzoekster in wezen twee middelen aan: schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag en schending van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17.

Het middel: schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag

I ° De afspraken

A ° De Franse markt

1. De periode 1981-1982

De bestreden handeling

19 In de beschikking (punten 23-50 en 159) wordt verzoekster ten laste gelegd, dat zij tussen april 1981 en maart 1982 heeft deelgenomen aan een serie afspraken betreffende de Franse markt. Bij deze afspraken waren enerzijds de Franse producenten (Tréfilunion, STPS, SMN, CCG en Sotralentz) betrokken en anderzijds buitenlandse producenten die op de Franse markt actief waren (ILRO, Ferriere Nord, Martinelli, Boël/Trébos, TFE, FBC en Tréfilarbed). Bij deze afspraken werden prijzen en quota vastgesteld teneinde de invoer van betonstaalmatten in Frankrijk te beperken.

Argumenten van partijen

20 Verzoekster erkent, dat zij heeft deelgenomen aan de vergaderingen van de afspraken, doch zij stelt dat de Commissie ten onrechte uit haar deelneming aan de vergaderingen haar deelneming aan de afspraken afleidt.

21 In de eerste plaats betoogt zij, dat zij wegens haar geringe marktaandeel in Frankrijk geen beslissende rol heeft gespeeld in de vergaderingen en dat zij aan daaraan heeft deelgenomen om zich op de hoogte te stellen van de ontwikkeling van de markt en bijgevolg volledig vrij haar houding te bepalen op basis van haar commerciële belangen.

22 Met betrekking tot de prijzen betwist verzoekster dat de beweerde afspraak een spectaculaire prijsstijging mogelijk heeft gemaakt. Overigens heeft de Commissie niet het bewijs geleverd dat de door haar toegepaste prijzen identiek waren met die van de andere producenten.

23 Aangaande de quota erkent verzoekster, dat zij van gedachten heeft gewisseld over de ideale verdeling van de goederen, doch zij ontkent dat zij heeft deelgenomen aan een overeenkomst inzake quota en zich daaraan heeft gehouden. Zij betwist de conclusie die de Commissie in punt 49 van de beschikking en in bijlage 25 bij de mededeling van de punten van bezwaar (PvB) trekt uit een met de hand geschreven nota van Ferriere Nord, namelijk dat indien de verkoophoeveelheden voor België en Frankrijk 8 000 ton bedroegen en het TFB/FBC-quotum ° FBC verkoopt de produktie van TFE ° 4 000 ton bedroeg, het Boël/Trébos-quotum eveneens 4 000 moest bedragen.

24 De Commissie merkt op dat verzoekster heeft erkend dat zij aan de vergaderingen in het kader van de afspraken heeft deelgenomen en dat zij het met de mededingingsregels strijdige doel daarvan niet betwist. Het feit dat zij zich door haar deelname op de hoogte wilde stellen van de ontwikkeling van de markt en van gedachten wilde wisselen over de ideale verdeling van de produkten, ontneemt volgens haar aan deze deelneming niet het karakter van een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, omdat een dergelijke deelneming als zodanig in strijd met deze bepaling is.

25 De in de beschikking vermelde stukken tonen genoegzaam aan dat verzoekster een actief aandeel in de afspraken had. Het feit dat verzoekster zich niet aan de prijzen en de quota heeft gehouden, doet niet af aan het bestaan van de inbreuk.

26 De Commissie herinnert er ten slotte aan, dat de prijsverhoging het gevolg is van een kunstmatige situatie (punt 24 van de beschikking) en dat zij erop heeft gewezen (punten 40-50 van de beschikking) dat tussen de partijen meningsverschillen zijn gerezen over de prijzen, waarover verzoekster zich heeft beklaagd (punten 40 en 50 van de beschikking).

Beoordeling door het Gerecht

27 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster toegeeft dat zij heeft deelgenomen aan de vergaderingen, maar dat zij ontkent met overeenkomsten inzake prijzen en quota te hebben ingestemd. Zij betwist evenwel niet, dat de vergaderingen waaraan zij heeft deelgenomen, tot doel hadden prijzen en quota vast te stellen. Derhalve moet worden onderzocht, of de Commissie terecht uit verzoeksters deelneming aan deze vergaderingen haar deelneming aan de afspraken heeft afgeleid.

28 Het Gerecht is van mening dat op grond van de door de Commissie overgelegde stukken kan worden vastgesteld, dat verzoekster heeft deelgenomen aan de in 1981 en 1982 op de Franse markt ten uitvoer gelegde afspraken. Uit de nota van Ferriere Nord (bijlage 25 bij PvB, punt 49 van de beschikking) betreffende de op 1 april 1981 te Parijs gehouden vergadering tussen de Franse, de Italiaanse en de Belgische producenten blijkt namelijk dat op dat moment "reeds overeenstemming was bereikt" over een hoeveelheid van 8 000 ton voor de Belgische producenten. Uit een andere nota, van 23 oktober 1981, van Tréfilunion (bijlage 1 bij PvB, punten 46 en 48 van de beschikking) blijkt dat volgens "recente overeenkomsten" het quotum van de andere Belgische producent 4 000 ton bedroeg. Terecht heeft de Commissie uit deze beide stukken afgeleid, dat verzoekster volgens de gesloten overeenkomsten een quotum van 4 000 ton is toegekend, ten aanzien waarvan Tréfilarbed zich volgens het tweede stuk heeft geklaagd, dat "een veel te groot marktaandeel aan de Italianen en de Belgen is toebedeeld".

29 Volgens een telexbericht van 15 maart 1982 van Boël aan Ferriere Nord had de "Frans-Belgisch-Italiaanse afspraak van begin 1981" eveneens betrekking op de prijzen, voor zover de heer Castelnuovo van Boël erover klaagt dat "de heer Montanelli van ILRO in Frankrijk via een vennootschap te Briançon nogal grote hoeveelheden betonstaal verkoopt tegen prijzen die aanzienlijk lager zijn dan die welke zijn afgesproken" in het kader van deze afspraak en zich aansluit bij de heer Boël, die de heer Pittini van Ferriere Nord bedankt omdat hij de "markt voor aanzienlijke klappen heeft behoed" (bijlage 17 bij PvB, punt 50 van de beschikking).

30 In april 1982 heeft verzoekster aan gesprekken deelgenomen om de afspraken aan te passen en in de toekomst te doen naleven, zoals blijkt uit een nota van de heer Cattapan van Ferriere Nord betreffende een vergadering van 6 april 1982 (bijlage 19 bij PvB, punt 50 van de beschikking), alsmede uit een telexbericht van deze laatste aan Italmet, de gemachtigde van Ferriere Nord en Martinelli in Frankrijk, van 20 april 1982, waarin een telexbericht van 19 april 1982 aan de vertegenwoordigers van ILRO, Martinelli en Tréfilunion (bijlage 20 bij PvB, punt 50 van de beschikking) wordt weergegeven, volgens hetwelk "het initiatief van enkele Franse producenten om betonstaal op de markt te brengen tegen condities die niet in overeenstemming met de richtlijnen zijn" ter sprake is gebracht.

31 Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de Commissie verzoeksters deelneming aan de afspraken die de vaststelling van prijzen en quota op de Franse markt gedurende de periode 1981-1982 tot voorwerp hadden, rechtens genoegzaam heeft aangetoond.

32 Verzoeksters grief dient dus te worden afgewezen.

2. De periode 1983-1984

De bestreden handeling

33 In de beschikking (punten 51-76 en 160) wordt verzoekster ten laste gelegd, dat zij heeft deelgenomen aan een tweede serie afspraken, waarbij enerzijds de Franse producenten (Tréfilunion, STPS, SMN, CCG en Sotralentz) waren betrokken, en anderzijds de op de Franse markt opererende buitenlandse producenten (ILRO, Ferriere Nord, Martinelli, Boël/Trébos, TFE, FBC en Tréfilarbed). Bij deze afspraken zouden prijzen en quota zijn vastgesteld teneinde de invoer van betonstaalmatten in Frankrijk te beperken. Deze serie afspraken zou tussen begin 1983 en eind 1984 tot stand zijn gekomen en zijn vastgelegd in een op 14 oktober vastgesteld "protocole d' accord", dat voor het tijdvak van 1 juli 1983 tot 31 december 1984 is gesloten. In dit protocol werden de resultaten van de verschillende onderhandelingen tussen de Franse, de Italiaanse en de Belgische producenten en Arbed betreffende de op de Franse markt toe te passen quota en prijzen samengevat en werd het quotum van België, Italië en Duitsland "in het kader van een tussen deze producenten en de Franse producenten gesloten overeenkomst" op 13,95 % van het verbruik op de Franse markt vastgesteld. Verzoekster zou deze afspraken na juni 1984 niet meer zijn nagekomen (punt 76 van de beschikking)

Argumenten van partijen

34 Verzoekster ontkent dat zij heeft deelgenomen aan de daadwerkelijke toepassing van de quota en over een quotum van 2,86 % beschikte, zoals de Commissie stelt op basis van documenten van de Association technique pour le développement de l' emploi du treillis soudé (hierna: "ADETS"). Zij stelt dat zij pas in 1986 lid van de ADETS is geworden en dat zij zich nooit akkoord heeft verklaard met de inhoud van deze documenten. Zij beweert veel meer te hebben geleverd dan de zogenoemde quota.

35 Zij voegt hieraan toe, dat zij in het "protocole d' accord" van 14 oktober 1983 niet wordt genoemd en het niet heeft ondertekend.

36 Verzoekster merkt op dat de tabellen in bijlage 42 bij PvB, die betrekking hebben op de maanden januari, februari en maart 1984, in tegenspraak zijn met punt 65 van de beschikking, dat de gegevens van deze tabellen zou weergeven, doch in werkelijkheid betrekking heeft op het tijdvak juli 1983 tot maart 1984.

37 De Commissie betoogt dat de door de ADETS opgestelde documenten (bijlage 40-43 bij PvB, punt 62 van de beschikking) volstrekt in overeenstemming zijn met de bewoordingen van het "protocole d' accord", waaruit de Belgische deelneming blijkt (punt 60 van de beschikking), gelet op het bestaan van een tussen de buitenlandse producenten en de Franse producenten gesloten overeenkomst. Zij merkt op dat de door verzoekster overgelegde tabellen niets bewijzen, omdat zij geen gegevens bevatten die vergelijkbaar zijn met de stukken van de ADETS, en dat de leveringen die de quota veel te boven gingen, hebben plaatsgevonden na de datum die in de beschikking is aangehouden om de duur van de inbreuk te bepalen (punten 73 en 76). In een dergelijke context betekent het feit dat verzoekster het protocol niet heeft ondertekend, niet dat zij niet aan de afspraken heeft deelgenomen. Bovendien beklemtoont de Commissie dat bijlage 42 is opgesteld voor de maand maart 1984, doch de leveringen van betonstaalmatten op de Franse markt betreft in gecumuleerde cijfers voor de gehele periode van juli 1983 tot maart 1984, evenals de tabel in punt 65 van de beschikking.

Beoordeling door het Gerecht

38 Het Gerecht stelt vast dat verzoekster in de beschikking ten laste wordt gelegd, dat zij aan alle afspraken inzake de Franse markt heeft deelgenomen (punt 51), die gedurende de eerste helft van 1983 zijn voorbereid en zijn uitgemond in een "protocole d' accord", waarin de resultaten van deze verschillende onderhandelingen zijn samengevat (punt 60). Volgens de beschikking (punt 60, sub c) "blijkt de Belgische deelneming uit het 'protocole d' accord' zelf", terwijl het aan Boël toegewezen quotum kan worden opgemaakt uit documenten waarin de quota en feitelijke leveringen per maand en cumulatief met elkaar worden vergeleken (punt 62). In de beschikking wordt opgemerkt, dat de Belgische bedrijven in mei en juni 1984 hun quota op cumulatieve basis begonnen te overschrijden (punt 73), waaruit de conclusie wordt getrokken, dat Boël en de anderen de afspraken na juni 1984 niet meer nakwamen (punt 76).

39 Om te beginnen zij opgemerkt dat de Commissie over geen enkel bewijs beschikt, dat Boël betrokken was bij de onderhandelingen in 1983. Verzoekster was namelijk niet aanwezig bij de vergadering op 23 februari 1983 te Milaan, tijdens welke deze besprekingen zijn gevoerd (bijlagen 27 en 29 bij PvB, punt 53 van de beschikking). Verder is het telexbericht van de heer Chopin de Janvry, vertegenwoordiger van Sacilor, van 24 mei 1983 betreffende een vergadering van 19 mei (bijlage 30 bij PvB, punt 55 van de beschikking) niet aan verzoekster toegezonden en kan het dus niet tegen haar in aanmerking worden genomen.

40 Niettemin moet worden nagegaan of de betrokkenheid van Boël niet uit latere stukken kan worden afgeleid. In dit verband zij opgemerkt dat de Commissie twee soorten van documenten heeft overgelegd om de deelneming van Boël aan de quota-afspraken betreffende de Franse markt voor de periode 1983-1984 te bewijzen: een document, getiteld "protocole d' accord 'Treillis soudé' " van 14 oktober 1983 en een serie tabellen waarin de verkoopcijfers van de verschillende producenten op de Franse markt en hun aandeel van deze markt betreffende de maanden januari, februari, maart, mei en juni 1984 worden overgenomen en deze cijfers worden vergeleken met "referentiehoeveelheden".

41 Het Gerecht stelt vast dat in de overwegingen van het "protocole d' accord" de nadruk wordt gelegd op de noodzaak om "de Belgische, de Italiaanse en de Duitse (behalve Tréfilarbed) importen te beperken en te regelen, door deze vast te stellen op 13,95 % van het verbruik op de markt in het kader van een tussen deze producenten en de Franse producenten gesloten overeenkomst", en dat dit cijfer volledig overeenstemt met de in de tabellen aan de Belgische en de Italiaanse producenten toebedeelde "referentiehoeveelheid" ("référence").

42 Deze volledige overeenstemming krijgt bijzondere betekenis in verband met het feit dat verzoekster nauw betrokken is geweest bij de opstelling van deze tabellen. Tréfilunion beschikte in januari 1984 namelijk over de cijfers betreffende de maandelijkse verkopen van verzoekster in Frankrijk sedert juli 1983, omdat deze worden overgenomen in het in de tabel van januari 1984 gecumuleerde cijfer van haar verkopen (bijlage 42 bij PvB, punten 62 e.v. van de beschikking). Deze cijfers in de tabellen stemmen nagenoeg volledig overeen met verzoeksters werkelijke verkopen, zoals deze volgen uit de door haar ter terechtzitting geproduceerde cijfers, en zij heeft in het geheel niet verklaard, hoe deze cijfers in handen zijn gekomen van de ADETS, waarvan zij destijds geen lid was.

43 Daarbij komt nog, dat de cijfers van verzoekster voorkomen onder de rubriek "totaal aangesloten fabrikanten" ("total contractants") en dat zij in absolute termen en in termen van marktaandeel worden vergeleken met de cijfers in de kolom "referentiehoeveelheden" ("références").

44 Deze gegevens worden ten slotte bevestigd door het feit dat uit een telexbericht van 13 april 1984 blijkt dat verzoekster is uitgenodigd voor een bijeenkomst op 15 mei 1984 met als agendapunten: "het opstellen van een tijdschema voor de prijsverhogingen met nader vast te stellen bedragen" en "interpenetratie van de markten" (bijlage 47 bij PvB, punt 67 van de beschikking).

45 Gelet op al het voorgaande is het Gerecht van mening dat de Commissie terecht heeft geconcludeerd dat verzoekster aan de quota-afspraken betreffende de Franse markt tot juni 1984 had deelgenomen.

46 Bijgevolg dient verzoeksters grief te worden afgewezen.

B ° De Benelux-markt

47 In de beschikking wordt verzoekster verweten, dat zij heeft deelgenomen aan afspraken inzake de Benelux-markt, waarin enerzijds quota en anderzijds prijzen werden overeengekomen.

1. De quota-afspraken

De bestreden handeling

48 In de beschikking (punt 164) wordt gesteld dat in de vergaderingen te Breda en te Bunnik weliswaar geen quota-afspraken zijn gemaakt (daartoe strekkende voorstellen werden behandeld maar klaarblijkelijk niet aangenomen), maar dat niettemin gegevens over de afzonderlijke ondernemingen aan concurrenten werden meegedeeld voor de voorbereiding van een quotakartel en in het bijzonder door Tréfilunion exportcijfers werden meegedeeld aan Boël/Trébos (punt 85 van de beschikking), hetgeen een inbreuk op artikel 85 van het Verdrag oplevert.

49 In de beschikking (punten 78, sub b, en 171) wordt verzoekster ook ten laste gelegd, dat zij heeft deelgenomen aan afspraken tussen de Duitse producenten enerzijds en de Benelux-producenten anderzijds ("gesprekskring van Breda"), in het kader waarvan de Duitse exporten naar België en Nederland kwantitatief werden beperkt en exportcijfers van bepaalde Duitse producenten aan de Belgisch/Nederlandse groep werden meegedeeld.

Argumenten van partijen

50 Verzoekster ontkent dat na de bijeenkomst van 26 augustus 1982 gemeenschappelijk uitvoering is gegeven aan maatregelen om een quotakartel tot stand te brengen.

51 De Commissie is van mening dat niet kan worden ontkend dat na de bijeenkomst van 26 augustus 1982 pogingen in het werk zijn gesteld om een quotakartel tot stand te brengen, die evenwel niet zijn geslaagd (punt 112 van de beschikking). De uitwisseling van inlichtingen tussen concurrenten die eventueel konden worden gebruikt om een dergelijk kartel tot stand te brengen, vormde evenwel in elk geval een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85 van het Verdrag.

Beoordeling door het Gerecht

52 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster in de beschikking niet ten laste wordt gelegd, dat zij heeft deelgenomen aan een quotakartel, doch dat zij inlichtingen heeft uitgewisseld die konden worden gebruikt om een dergelijk kartel tot stand te brengen.

53 Waar verzoekster de uitwisseling van deze inlichtingen niet heeft betwist, die overigens wordt aangetoond door het in punt 85 van de beschikking genoemde document, moet worden geconcludeerd dat de Commissie het bestaan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85 van het Verdrag rechtens genoegzaam heeft bewezen (arrest Gerecht van 17 december 1991, zaak T-7/89, Hercules Chemicals, Jurispr. 1991, blz. II-1711, r.o. 258-261).

54 Bovendien stelt het Gerecht vast dat verzoekster in het geheel niet betwist dat zij heeft deelgenomen aan de afspraken inzake de kwantitatieve beperkingen van de Duitse exporten naar de Benelux, alsmede inzake de mededeling van de exportcijfers.

2. De prijsafspraken

De bestreden handeling

55 In de beschikking (punten 78, sub a en b, 163 en 168) wordt verzoekster ten laste gelegd dat zij heeft deelgenomen aan prijsafspraken tussen de belangrijkste producenten die op de Benelux-markt verkopen, met inbegrip van de "niet-Benelux"-producenten, en aan afspraken tussen de Duitse producenten die naar de Benelux exporteren, en de overige producenten die in de Benelux verkopen, betreffende het respecteren van voor de Benelux-markt vastgestelde prijzen. Volgens de beschikking (punt 168) zijn deze afspraken gemaakt tijdens bijeenkomsten te Breda en te Bunnik tussen augustus 1982 en november 1985, waarbij in elk geval Thibodraad, Tréfilarbed, Boël/Trébos, FBC, Van Merksteijn, ZND, Tréfilunion en van de Duitse producenten in elk geval BStG aanwezig waren. De beschikking is gebaseerd op vele telexberichten aan Tréfilunion door haar vertegenwoordiger voor de Benelux. Deze telexberichten bevatten nauwkeurige gegevens over elke bijeenkomst [datum, plaats, deelnemers, afwezigen, agendapunten (bespreking van de marktsituatie, voorstellen en besluiten betreffende prijzen), vaststelling van datum en plaats van de volgende bijeenkomst].

Argumenten van partijen

56 Verzoekster geeft toe, dat zij heeft deelgenomen aan vergaderingen betreffende de Benelux-markt, tijdens welke inlichtingen over de toegepaste prijzen zijn uitgewisseld, doch zij stelt dat zij daaraan enkel heeft deelgenomen om zich op de hoogte te stellen van de marktcondities, dat zij een louter passieve rol heeft gespeeld en zich nooit jegens de andere deelnemers heeft verbonden. Om een eventuele rol van gangmaker op dit gebied te betwisten, ontkent zij dat de vergadering van 26 augustus 1982 te Breda door Trébos op initiatief van de heer Boël is belegd (punt 84 van de beschikking), en stelt zij dat deze vergadering is belegd door de heer Broekman van Thibodraad.

57 De Commissie beklemtoont dat Trébos aanwezig was bij alle bijeenkomsten te Breda en te Bunnik, tijdens welke prijzen zijn vastgesteld, en dat haar bijzonder belang bij deze afspraak blijkt uit haar in punt 97 van de beschikking genoemd telexbericht van 26 maart 1984. Met betrekking tot de bijeenkomst van 26 augustus 1982 beklemtoont de Commissie dat in Tréfilunions verslag betreffende deze bijeenkomst geschreven staat, dat zij "was georganiseerd door Trébos op initiatief van de heer Boël" en dat verzoekster geen enkel bewijs levert om deze verklaring te weerleggen.

Beoordeling door het Gerecht

58 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster toegeeft dat zij heeft deelgenomen aan de vergaderingen, maar dat zij ontkent met overeenkomsten inzake prijzen te hebben ingestemd. Zij betwist evenwel niet dat de vergaderingen waaraan zij heeft deelgenomen, tot doel hadden prijzen vast te stellen. Derhalve moet worden onderzocht, of de Commissie terecht uit verzoeksters deelneming aan deze vergaderingen haar deelneming aan de afspraken heeft afgeleid.

59 Het Gerecht is van mening dat verzoekster, anders dan zij verklaart, zich tijdens de vergaderingen niet ertoe heeft beperkt om inlichtingen over de markt in te winnen, doch dat zij actief daaraan heeft deelgenomen. In dit verband is het niet van belang, dat verzoekster de vergadering van 26 augustus 1982 niet heeft georganiseerd; volstaan kan namelijk worden met een verwijzing naar de interventies van de heer Boël gedurende deze vergadering, tijdens welke hij een oplossing voor de Belgische markt heeft geëist, of naar het standpunt van de heer De Hornois, vertegenwoordiger van Boël/Trébos, zoals dat is weergegeven in zijn telexbericht van 26 maart 1984 aan de heer Marie van Tréfilunion (bijlage 68 bij PvB, punt 97 van de beschikking), waarin staat te lezen: "Ingevolge de bijeenkomst van 22 maart 1984 betreffende de Belgische markt zijn de prijzen voor betonstaalmatten voor maart/april verhoogd van 17 400 BFR tot 18 500 BFR. Voor de maand mei is een prijsstijging van 500 BFR gepland. Wij verzoeken u dit door te geven aan de heer Peters (...), want wij hebben geconstateerd dat u actief bent op de Belgische markt en zich voor deze markt interesseert, zulks ondanks (sic) de verklaringen van de heer Peters tijdens de laatste bijeenkomst te Breda." Bovendien zij eraan herinnerd dat het telexbericht van 3 april 1984 van Tréfilunion aan Trébos (genoemd in punt 97 van de beschikking, bijlage 69 bij PvB) aantoont, welke rol de heer Boël heeft gespeeld bij de introductie van Tréfilunion op de Belgische markt.

60 Ook al zou verzoekster niet een actief aandeel in de vergaderingen hebben gehad, het Gerecht is bovendien van oordeel, dat verzoekster door haar deelneming aan deze vergaderingen, die kennelijk ertoe strekten de mededinging te verstoren ° hetgeen blijkt uit de talrijke in de beschikking vermelde telexberichten van de heer Peters aan Tréfilunion °, zonder zich publiekelijk van de inhoud ervan te distantiëren, bij de andere deelnemers de indruk heeft gewekt, dat zij instemde met de resultaten van de vergaderingen en dat zij zich daaraan zou houden (arresten Gerecht, Hercules Chemicals, reeds aangehaald, r.o. 232, en van 10 maart 1992, zaak T-12/89, Solvay, Jurispr. 1992, blz. II-907, r.o. 98-100).

61 Uit het voorgaande volgt dat de Commissie verzoeksters deelneming aan de afspraken betreffende de Benelux-markt gedurende de periode van augustus 1982 tot november 1985, die betrekking hadden op de prijzen, rechtens genoegzaam heeft aangetoond.

62 Verzoeksters grief moet dus worden afgewezen.

C ° De Duitse markt

De bestreden handeling

63 In de beschikking (punten 147 en 182) wordt verzoekster ten laste gelegd, dat zij betrokken was bij afspraken betreffende de Duitse markt, die beoogden de uitvoer door Benelux-producenten naar Duitsland te reguleren en de op de Duitse markt geldende prijzen te eerbiedigen. Volgens de beschikking waren verzoekster, Tréfilarbed (Roermond), TFE/FBC, Thibodraad en BStG bij deze afspraken betrokken (punten 150, 153, 154, 179 en 181 van de beschikking).

Argumenten van partijen

64 Verzoekster ontkent dat zij heeft deelgenomen aan de afspraken betreffende de Duitse markt. Zij betoogt dat zij geen enkel belang bij export naar de Duitse markt had, omdat zij in Duitsland een volledige dochteronderneming had, via welke zij geheel op de hoogte werd gehouden van de besluiten van het Duitse structuurcrisiskartel en via of in overleg waarmee zij haar verkopen in Duitsland verrichtte.

65 Zij voegt daaraan toe, dat haar exporten naar Duitsland tussen 1983 en 1986 bijzonder omvangrijk waren, hetgeen zou aantonen dat zij niet aan de quota-afspraak heeft deelgenomen.

66 Ten slotte betoogt verzoekster dat haar verkoopprijs stelselmatig 10 DM onder de door het kartel vastgestelde prijs lag. Ter terechtzitting heeft zij beklemtoond dat het een onderneming niet verboden was haar produkten tegen een prijs te verkopen die dicht bij de op een markt voorgeschreven prijs lag, te meer daar deze prijs hoog was en haar dochteronderneming verplicht was deze prijs te eerbiedigen, omdat zij deel uitmaakte van het kartel.

67 De Commissie merkt op dat de in de beschikking genoemde documenten volstaan om verzoeksters deelneming aan de afspraken aan te tonen.

68 Wat verzoeksters dochteronderneming betreft, is de Commissie van mening dat deze op zichzelf niet bewijst dat zij geen belang erbij had om op de Duitse markt te penetreren. Bovendien toont het feit dat het naar Duitsland uitgevoerde tonnage gedurende dit tijdvak groot was, haars inziens juist aan dat Boël belang erbij had om op de Duitse markt te penetreren.

69 Zij merkt op dat de toename van de exporten van Boël naar de Duitse markt in 1982-1983 is te verklaren door de prijsverhoging op de Duitse markt in verband met de totstandkoming van het crisiskartel en dat de exporten van Boël zijn gestabiliseerd tussen 1983 en 1985, de jaren van de afspraken, in tegenstelling tot de andere jaren. Zij ziet daarin een consequentie van de nauwe afstemming tussen Trébos en BStG, waarnaar wordt verwezen in het telexbericht van de heer Mueller, algemeen directeur van BStG [bijlage 65 (b) bij PvB, punt 92 van de beschikking].

70 Met betrekking tot het vraagstuk van de prijzen merkt de Commissie op, dat verzoekster impliciet toegeeft dat zij haar prijs heeft bepaald in relatie tot de kartelprijs, hetgeen niet het geval zou zijn geweest, indien haar optreden enkel was bepaald door vraag en aanbod.

Beoordeling door het Gerecht

71 Het Gerecht is van mening dat verzoeksters deelneming aan de afspraken betreffende de Duitse markt blijkt uit het telexbericht van 15 december 1983, dat door de heer Mueller aan Thibodraad is gestuurd na een bijeenkomst te Breda op 5 december 1983 waaraan verzoekster heeft deelgenomen, en waarin wordt verklaard: "Ik veroorloof mij evenwel met alle nadruk erop te wijzen dat de grootste toeneming in de grensoverschrijdende handel van België naar Duitsland geschiedt; deze is gezien het nauwe overleg met Boël zeer duidelijk toe te schrijven aan de tweede Belgische producent." Verzoeksters betrokkenheid bij deze afspraken wordt bevestigd door een telexbericht van 11 januari 1984 van de heer Peters aan de heer Marie, waarin wordt verwezen naar een bijeenkomst van 5 januari 1984 te Breda, waarbij verzoekster, FBC, Tréfilarbed, Tréfilunion, BStG en andere Nederlandse ondernemingen aanwezig waren. In dit telexbericht wordt verklaard: "De traditionele deelnemers eisen van vertegenwoordigers van Baustahlgewebe dat zij de Benelux-markten niet meer verstoren door aanzienlijke hoeveelheden tegen zeer lage prijzen naar deze markten uit te voeren. De Duitsers verweren zich door te verklaren, dat de Belgen (Boël en onlangs Frère-Bourgeois) vergelijkbare hoeveelheden naar Duitsland uitvoeren. De Belgen stellen dat zij de prijzen van de Duitse markt in acht nemen en dat men moet spreken van procenten van het marktvolume en niet van tonnen. Er is niets concreets besloten." Deze beide bewijsstukken worden ook bevestigd door een interne nota van 24 april 1985 (bijlage 112 bij PvB, punt 153 van de beschikking) van de heer Debelle van FBC betreffende een bijeenkomst op dezelfde dag te Bunnik, volgens welke "de heer Ruthotto (vertegenwoordiger van BStG) tijdens de vergadering heeft bevestigd, dat de beide Belgische producenten de in het kader van Baustahlgewebe vastgestelde prijsovereenkomsten nauwgezet naleefden".

72 Uit deze documenten blijkt dus, dat verzoekster heeft deelgenomen aan een onderlinge afstemming betreffende haar exporten naar de Duitse markt met BStG en dat zij in elk geval heeft geprobeerd de indruk te wekken dat zij de overeengekomen prijzen en verkoophoeveelheden in acht nam.

73 Gelet op deze verschillende factoren kan verzoekster zich niet op de omvang en de toename van haar exporten naar Duitsland beroepen en op het feit dat zij, omdat zij een dochteronderneming in Duitsland had, er geen belang bij had om naar deze markt te exporteren. Het Gerecht stelt namelijk vast, dat de tussen 1982 en 1983 waargenomen toename van verzoeksters exporten naar Duitsland het belang van de Duitse markt voor verzoekster aantoont en derhalve haar verklaring ontkracht dat zij, doordat zij een dochteronderneming in Duitsland had, geen belang meer erbij had om naar deze markt te exporteren. Bovendien moet worden vastgesteld dat verzoeksters exporten naar de Duitse markt na de waargenomen stijging tussen 1982 en 1983 op een hoog niveau zijn gestabiliseerd.

74 Verder stelt het Gerecht met betrekking tot de prijzen vast, dat verzoekster in geen enkel opzicht heeft bewezen, dat zij stelselmatig haar produkten verkocht tegen een prijs die 10 DM onder de door het Duitse kartel vastgestelde prijs lag, zodat zij de bewijskracht die moet worden toegekend aan de in punt 90 van de beschikking vermelde telexberichten van 11 januari 1984 en 24 april 1985, waaruit blijkt dat de Belgische producenten de prijzen van de Duitse markt in acht namen, niet ongedaan heeft kunnen maken.

75 Uit het voorgaande volgt dat de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat verzoekster heeft deelgenomen aan de prijs- en quota-afspraken betreffende de Duitse markt.

76 Verzoeksters grief dient derhalve te worden afgewezen.

II ° Het niet-bindend karakter van de overeenkomsten

Argumenten van partijen

77 Verzoekster stelt dat zij louter aan een aantal vergaderingen heeft deelgenomen om zich te informeren. Zij beklemtoont dat zij zich niet heeft verbonden, noch zich gebonden heeft gevoeld door de tijdens de vergaderingen gedane prijs- en quotavoorstellen, die trouwens ook niet zijn nageleefd en waarop geen effectieve sancties zijn toegepast.

78 De Commissie brengt de door haar in de beschikking vastgestelde feiten in herinnering en verbindt daaraan de conclusie dat de deelnemers de gemeenschappelijke bedoeling hadden de marktontwikkeling duurzaam te controleren en een duurzame samenwerking in de plaats te stellen van de risico' s van de mededinging.

Beoordeling door het Gerecht

79 Het Gerecht is van mening dat de vastgestelde feiten het beweerde passieve karakter van verzoekster in het kader van de afspraken, alsook haar verklaring dat zij zich niet heeft verbonden noch zich gebonden heeft gevoeld aan de tijdens de vergaderingen vastgestelde prijzen en quota' s, ontkrachten. Ter zake zij opgemerkt dat verzoekster tijdens haar contacten met haar concurrenten de indruk heeft proberen te wekken dat zij de in het kader van de afspraken aangenomen besluiten in acht nam en zou nemen, hetgeen onderstelt dat zij zich jegens hen had verbonden.

80 Daaruit volgt dat verzoekster in feite niet kan stellen dat de afspraken niet een bindend karakter hadden. Verzoeksters grief dient dus te worden afgewezen.

III ° Het ontbreken van een "merkbare" beperking van mededinging

Argumenten van partijen

81 Verzoekster betoogt dat haar marktaandelen dermate gering waren dat haar deelneming aan de gewraakte vergaderingen in geen enkel opzicht ertoe kon strekken dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt werd verhinderd, beperkt of vervalst.

82 Zij stelt dat door de transparantie van de markt van betonstaalmatten, die een gevolg is van het feit dat de prijs ervan voor 70 % à 80 % afhangt van die van walsdraad en eveneens van die van betonstaafstaal, een concurrerend produkt waarvan de prijzen openbaar zijn, de beweerde afspraken slechts een te verwaarlozen invloed op de mededinging konden hebben gehad, die niet beantwoordt aan de merkbare beïnvloeding van de mededinging, zoals deze in de vaste rechtspraak van het Hof is gedefinieerd.

83 Verder beklemtoont verzoekster dat waar zowel voor de grondstof (walsdraad) als een concurrerend produkt (betonstaafstaal) een krachtens het EGKS-Verdrag voorgeschreven quotastelsel gold, de producenten van betonstaalmatten zelf maatregelen zijn gaan treffen om het hoofd te bieden aan de structurele problemen van de sector, daar in het gemeenschapsrecht niet een specifiek rechtsinstrument was voorzien. Zij is van mening dat de Commissie daarmee niet alleen rekening had moeten houden bij de vaststelling van de geldboete, maar ook bij de vaststelling van de inbreuk.

84 De Commissie antwoordt dat de door haar vastgestelde afspraken de mededinging merkbaar hebben beïnvloed. De deelneming van verzoekster aan de afspraken zou namelijk niet geïsoleerd moeten worden beoordeeld, doch in het meer algemene kader van de tussen de verschillende deelnemers gemaakte afspraken betreffende verschillende deelmarkten.

85 De Commissie beklemtoont dat de toegevoegde waarde van de betonstaalmatten weliswaar betrekkelijk gering is, doch dat juist de nog overgebleven werkzame mededinging niet mag worden vervalst (arrest Hof van 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78-215/78 en 218/78, Van Landewyck, Jurispr. 1980, blz. 3125, r.o. 133 en 134).

86 De Commissie verklaart dat zij de economische consequenties van de beschreven situatie voor de betonstaalmatten niet heeft genegeerd en daarmee rekening heeft gehouden bij de berekening van het bedrag van de geldboete (punt 201 van de beschikking). Zij verbindt daaraan evenwel niet dezelfde rechtsgevolgen als verzoekster, die zich op grond daarvan het recht aanmat om inbreuk te maken op de mededingingsregels van het Verdrag. De Commissie beklemtoont dat de ondernemingen weliswaar de noodzakelijke maatregelen mogen treffen om zich aan te passen aan de economische toestand, mits zij het Verdrag naleven, en verwijst in dit verband naar artikel 85, lid 3, van het Verdrag.

Beoordeling door het Gerecht

87 Ingevolge artikel 85, lid 1, van het Verdrag zijn als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen of alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden en in het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen.

88 Het Gerecht merkt op dat uit de tekst van artikel 85, lid 1, van het Verdrag blijkt dat de enige relevante vraag is, of de overeenkomsten waaraan verzoekster met andere ondernemingen heeft deelgenomen, ertoe strekten of ten gevolge hadden dat de mededinging werd beperkt. Bijgevolg is de vraag of de individuele deelneming van verzoekster aan deze overeenkomsten de mededinging in weerwil van haar geringe omvang kon beperken, niet ter zake dienend (arrest Gerecht van 17 december 1991, zaak T-6/89, Enichem Anic, Jurispr. 1991, blz. II-1623, r.o. 216).

89 Wat het ontbreken van gevolgen van de afspraken betreft merkt het Gerecht op, dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de concrete gevolgen van mededingingsregelingen niet in aanmerking behoeven te worden genomen, wanneer, zoals in casu, blijkt dat zij ertoe strekken dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst (arrest Hof van 11 januari 1990, zaak C-277/87, Sandoz prodotti farmaceutici, Jurispr. 1990, blz. I-45).

90 Hoe dan ook dient te worden vastgesteld dat de afspraken een beperking van de mededinging ten gevolge hebben gehad, door de verkopen op bepaalde markten te beperken en door aldus kunstmatige prijsstijgingen mogelijk te maken (zoals wordt aangetoond door de in de punten 50, 84-112 en 153 van de beschikking genoemde documenten).

91 Overigens was ten gevolge van de geringe toegevoegde waarde van de betonstaalmatten ten opzichte van walsdraad en hun substitueerbaarheid ten opzichte van betonstaafstaal ° voor beide produkten gold een quotastelsel krachtens het EGKS-Verdrag ° de op de markt voor betonstaalmatten bestaande concurrentiemarge stellig versmald. De prijs voor walsdraad vormde namelijk een bodem, terwijl de substitueerbaarheid van betonstaafstaal ten opzichte van betonstaalmatten, zoals de Commissie in de beschikking heeft opgemerkt (punt 202), ertoe leidt dat het prijsverschil dat tussen beide produkten kan bestaan, wordt beperkt en de marge voor de prijsconcurrentie dus wordt versmald. De bestaande marge was evenwel toereikend om een werkzame mededinging mogelijk te maken op de markt waarop de door de beschikking vastgestelde afspraken een merkbaar effect kunnen hebben gehad (arrest Van Landewyck, reeds aangehaald). Het feit dat deze marge van werkzame mededinging bestond, wordt bevestigd door de in de beschikking gewraakte afspraken, omdat dergelijke afspraken die ten doel hebben de mededinging te beperken, voor de producenten van geen enkel belang zouden zijn geweest, indien op de markt geen enkele mededinging had kunnen bestaan.

92 Wat het feit betreft dat het begrijpelijk zou zijn geweest dat de producenten een oplossing treffen voor het ontbreken van een communautaire regeling voor een produkt dat zo door het krachtens het EGKS-Verdrag ingevoerde quotastelsel wordt geraakt als de betonstaalmatten, zij opgemerkt dat de producenten hun afspraken krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag bij de Commissie konden aanmelden, hetgeen de Commissie in voorkomend geval de mogelijkheid had geboden om te beslissen of deze afspraken voldeden aan de in deze bepaling gestelde criteria. Omdat verzoekster van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, kan zij zich niet beroepen op het stilzitten van de Commissie om de invoering van met artikel 85, lid 1, van het Verdrag strijdige geheime afspraken te rechtvaardigen.

93 Bijgevolg dient verzoeksters grief te worden afgewezen.

IV ° Het ontbreken van ongunstige beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten

Argumenten van partijen

94 In de eerste plaats betoogt verzoekster, dat het nooit haar oogmerk is geweest om door aan de gewraakte vergaderingen deel te nemen, de markten af te grendelen en dat zij nooit, zelfs niet mondeling, heeft toegezegd dat zij aan een bepaalde afnemer niet zou leveren of tegen een bepaalde prijs zou verkopen.

95 In de tweede plaats stelt zij, dat de Commissie niet heeft bewezen, dat de handel tussen Lid-Staten daadwerkelijk ongunstig is beïnvloed door de betrokken overeenkomsten en feitelijke gedragingen. Ter zake beklemtoont zij enerzijds dat er ten gevolge van de hoge vervoerkosten enkel in de grensgebieden een bijzonder levendige intracommunautaire handel in betonstaalmatten bestaat. Anderzijds merkt zij op dat de Commissie niet kan stellen dat de handel tussen Lid-Staten ongunstig is beïnvloed door een algemene afspraak. De Commissie heeft een dergelijke algemene afspraak namelijk niet kunnen aantonen en heeft elke markt gedeeltelijk en afzonderlijk onderzocht.

96 De Commissie merkt op dat verzoeksters oogmerk, wat de afgrendeling van de markten betreft, niet van belang is voor de toetsing van haar gedrag aan artikel 85, lid 1, zodra zij heeft deelgenomen aan een afspraak die daadwerkelijk ertoe strekte de mededinging te beperken. Bovendien betoogt zij, dat het niet tegenstrijdig is om enerzijds elke deelmarkt te onderzoeken om elke afspraak en elke deelnemer te individualiseren, en anderzijds de cumulatieve effecten van deze afspraken te onderzoeken, die noodzakelijkerwijze met inachtneming van de algemene context moeten worden beoordeeld. De Commissie heeft niet gewoonweg de gevolgtrekking gemaakt dat het overeenkomsten betrof die de handel tussen Lid-Staten ongunstig konden beïnvloeden, doch zij heeft geconcludeerd dat deze handel inderdaad ongunstig werd beïnvloed (punten 160, 168 en 189 van de beschikking).

97 Bovendien herinnert zij eraan, dat het Hof in zijn arrest van 1 februari 1978 (zaak 19/77, Miller, Jurispr. 1978, blz. 131, r.o. 15) heeft geoordeeld, dat "artikel 85 lid 1, van het Verdrag (...) niet het bewijs verlangt dat (de) overeenkomsten (het) handelsverkeer (tussen Lid-Staten) inderdaad merkbaar hebben beïnvloed, welk bewijs trouwens in de meeste gevallen slechts moeilijk rechtens genoegzaam zou kunnen worden geleverd, doch veeleer het bewijs dat deze overeenkomsten een dergelijk gevolg kunnen hebben".

98 Ten slotte merkt zij op dat de vervoerkosten geen onoverkomelijke hinderpaal vormen, wanneer de prijs van het produkt op de desbetreffende markt betrekkelijk hoog is (punt 5 van de beschikking).

Beoordeling door het Gerecht

99 Uit de tekst van artikel 85 van het Verdrag volgt, dat de enige relevante vraag is of de overeenkomsten waaraan verzoekster met andere ondernemingen heeft deelgenomen, de handel tussen Lid-Staten ongunstig konden beïnvloeden (arrest Enichem Anic, reeds aangehaald, r.o. 224). Bijgevolg is de vraag of verzoekster het oogmerk heeft gehad de markten af te grendelen en dusdoende artikel 85 van het Verdrag te schenden, niet ter zake dienend.

100 Het is vaste rechtspraak dat wil van ongunstige beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten sprake zijn, een besluit, overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging, gezien het geheel van hun objectieve bestanddelen ° feitelijk en rechtens ° met een voldoende mate van waarschijnlijkheid moeten doen verwachten, dat zij, al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, op het ruilverkeer tussen Lid-Staten een zodanige invloed kunnen uitoefenen, dat de totstandkoming van een gemeenschappelijke markt tussen deze Lid-Staten wordt belemmerd (arrest Van Landewyck, reeds aangehaald, r.o. 170).

101 Overigens vereist artikel 85, lid 1, van het Verdrag niet dat degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan mededingsbeperkende gedragingen, het oogmerk hebben gehad, daarmee het handelsverkeer tussen Lid-Staten te beperken, noch dat deze gedragingen het handelsverkeer tussen Lid-Staten daadwerkelijk merkbaar hebben beïnvloed, doch enkel dat wordt aangetoond dat zij een dergelijk gevolg hebben kunnen gehad (arrest Miller, reeds aangehaald).

102 In elk geval dient te worden beklemtoond, dat de vastgestelde mededingingsbeperkingen de handelsstromen hebben kunnen doen afwijken van het verloop dat zij anders zouden hebben gehad, omdat zij ertoe strekten en ten gevolge hebben gehad dat de importen van de verschillende producenten werden gecontingenteerd en op de verschillende markten prijzen werden vastgesteld. Terzake moet worden opgemerkt dat aan deze afspraken Belgische, Duitse, Franse, Italiaanse en Nederlandse producenten hebben deelgenomen. Bijgevolg heeft de Commissie terecht vastgesteld, dat de afspraken waaraan verzoekster heeft deelgenomen, de handel tussen Lid-Staten hebben kunnen beïnvloeden.

103 Verzoeksters grief kan dus niet worden aanvaard.

104 Uit het voorgaande volgt, dat het middel, ontleend aan schending van artikel 85, lid 1, dient te worden afgewezen.

Het middel: schending van artikel 15 van verordening nr. 17

I ° Ontbreken van specificatie van de criteria voor de vaststelling van de zwaarte van de inbreuk en van het bedrag van de geldboete

Argumenten van partijen

105 Verzoekster stelt dat zij weliswaar in het feitelijke gedeelte van de beschikking verschillende keren wordt genoemd, doch dat in het gedeelte van de beschikking betreffende de juridische beoordeling niet precies wordt aangegeven, welke precies de zwaarte is van de haar verweten inbreuk. Ingevolge artikel 15 van verordening nr. 17 moet de Commissie evenwel zowel de feitelijke bestanddelen van de inbreuken als de voor de oplegging van de geldboete in aanmerking genomen criteria specificeren. De Commissie heeft het haar onmogelijk gemaakt om de ernst van haar gedraging te vergelijken met die van de andere ondernemingen, terwijl de geldboetes per onderneming aanzienlijk verschillen. Ten slotte merkt verzoekster op dat de Commissie weliswaar verklaart dat zij met bepaalde verzachtende omstandigheden rekening heeft gehouden, doch dat deze slechts summier, zonder enige verwijzing naar de betrokken onderneming zijn beschreven.

106 De Commissie antwoordt hierop, dat de gehele beschikking moet worden bekeken en niet alleen het gedeelte "juridische beoordeling". Zij geeft een opsomming van alle punten van de beschikking, waarin zij de bijzondere omstandigheden van verzoeksters deelneming aan de afspraken voor elke markt heeft onderzocht. Zij verbindt daaraan de conclusie dat zij de feitelijke bestanddelen van elke inbreuk toereikend heeft gespecificeerd en zet uiteen welke criteria zij heeft gehanteerd voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk, in het bijzonder wat de met betrekking tot elke onderneming in aanmerking genomen verzachtende omstandigheden betreft.

Beoordeling door het Gerecht

107 Het Gerecht merkt op, dat de Commissie volgens vaste rechtspraak (zie dienaangaande arresten Hof van 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73-48/73, 50/73, 54/73-56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Suiker Unie e.a., Jurispr. 1975, blz. 1663; 14 februari 1978, zaak 27/76, United Brands, Jurispr. 1978, blz. 207, en 7 juni 1983, gevoegde zaken 100/80-103/80, Musique diffusion française, Jurispr. 1983, blz. 1825) voor verschillende inbreuken één geldboete kan opleggen. Dit geldt te meer wanneer, zoals in casu, de in de beschikking vastgestelde inbreuken hetzelfde soort van gedragingen op verschillende markten betroffen, in het bijzonder de vaststelling van prijzen en quota en de uitwisseling van informatie. Niet kan worden voorbijgegaan aan het feit dat verzoekster, zoals de Commissie terecht opmerkt, op een bepaald ogenblik heeft deelgenomen aan afspraken betreffende de Franse, de Duitse en de Benelux-markt.

108 In casu moet worden vastgesteld, dat verzoekster bij haar lezing van de beschikking een deel kunstmatig daaruit licht, terwijl elk deel van de beschikking, die een geheel vormt, met inachtneming van de andere delen moet worden gelezen. Het Gerecht is namelijk van oordeel, dat de beschikking, in haar geheel bezien, de betrokkenen de nodige gegevens heeft verstrekt om te weten of zij al dan niet gegrond is en het in staat heeft gesteld zijn wettigheidstoetsing uit te oefenen. Wat de verzachtende omstandigheden betreft, zij opgemerkt dat de Commissie in haar schriftelijke antwoord op de vragen van het Gerecht heeft meegedeeld, dat ten aanzien van verzoekster geen enkele verzachtende omstandigheid gold.

109 Bijgevolg dient de grief te worden afgewezen.

II ° Het ontbreken van opzet

Argumenten van partijen

110 Verzoekster beroept zich op haar goede trouw en ontkent dat zij de inbreuken opzettelijk heeft gepleegd. Zij betoogt dat de ondernemingen die actief zijn op de markt van betonstaalmatten, in verband met de economische context van een crisis en het nauwe verband dat er bestond tussen de markt van betonstaalmatten en de markt van walsdraad en die van betonstaafstaal, ten aanzien waarvan de "crisismaatregelen" golden die door de Commissie krachtens het EGKS-Verdrag waren genomen ten behoeve van de ijzer- en staalindustrie, zich niet konden voorstellen dat hun informatie-uitwisseling en hun onderlinge afstemming een inbreuk opleverden. Ter zake wijst verzoekster op de bestaande commissies voor de EGKS-produkten, in het bijzonder voor walsdraad, waarin de belangrijkste producenten bijeenkomen om over prijzen en hoeveelheden te discuteren.

111 Verder betoogt zij, dat op de Duitse markt van betonstaalmatten een structuurcrisiskartel bestond, dat door het Bundeskartellamt was goedgekeurd en door de Commissie gedurende vier jaar werd getolereerd. Niet kan worden betwist dat het bestaan van dit kartel voor de producenten in de andere Lid-Staten aanleiding was om maatregelen voor hun bescherming te nemen, zoals wordt verklaard in de beschikking (punt 206).

112 Verzoekster verbindt daaraan de conclusie, dat indien een zo nauwe afstemming voor walsdraad geoorloofd was en in Duitsland een crisiskartel was toegestaan voor betonstaalmatten, het duidelijk is dat de producenten van betonstaalmatten te goeder trouw van mening konden zijn dat zij eveneens vergaderingen mochten beleggen en informatie uitwisselen.

113 De Commissie merkt op dat de betonstaalmatten onder het EEG-Verdrag vallen, dat zijn eigen regels betreffende onderlinge afstemming kent en uitdrukkelijk elke vorm van onderlinge afstemming inzake hoeveelheden en prijzen verbiedt. Indien de producenten dachten dat een onderlinge afstemming onontbeerlijk was wegens de structurele crisis op het gebied van de betonstaalmatten, moesten zij niettemin de specifieke regels van het EEG-Verdrag in acht nemen. De Commissie voegt hieraan toe, dat de onderhavige afspraken geen crisiskartels zijn, waarvoor noodzakelijkerwijs een herstructureringsplan vereist is, en die slechts na aanmelding met het oog op een ontheffing uit hoofde van artikel 85, lid 3, kunnen worden goedgekeurd. De Commissie merkt op dat zij bij de berekening van de geldboete rekening heeft gehouden met de economische gevolgen voor betonstaalmatten, die een indirect gevolg waren van het verband met walsdraad en betonstaafstaal.

114 Met betrekking tot het Duitse crisiskartel betoogt de Commissie dat de Gemeenschap niet bevoegd is ten aanzien van een nationaal crisiskartel en dat het zeer moeilijk te beoordelen is wanneer de nationale maatregelen het nationale belang te boven gaan en het communautaire belang aantasten. Wat haar stilzitten betreft, merkt de Commissie op dat slechts twee jaar zijn verstreken tussen het moment waarop zij door het Bundeskartellamt van het kartel op de hoogte is gesteld en het moment waarop zij haar onderzoek is begonnen. De Commissie verklaart dat zij onmiddellijk nadat zij kennis kreeg van de verstorende werking van het Duitse kartel voor het intracommunautaire handelsverkeer heeft gehandeld.

115 Bovendien brengt de Commissie in herinnering dat zij in punt 197 van de beschikking heeft uiteengezet, dat de deelnemende ondernemingen hun gedragingen meestentijds hebben verheimelijkt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (arresten van 11 juli 1989, zaak 246/86, Belasco e.a., Jurispr. 1989, blz. 2117, en 8 februari 1990, zaak C-279/89, Tipp-Ex, Jurispr. 1990, blz. I-261) is het voor het oordeel dat opzettelijk inbreuk is gemaakt "niet noodzakelijk dat de onderneming zich ervan bewust was het verbod van artikel 85 te overtreden; het volstaat dat de onderneming niet onkundig kon zijn van de omstandigheid, dat de gewraakte handelwijze ertoe strekte de mededinging te beperken". Dit zou in casu, waar het gaat om overeenkomsten inzake quota en prijzen, het geval zijn.

Beoordeling door het Gerecht

116 Het Gerecht brengt in herinnering dat het niet noodzakelijk is dat de onderneming zich ervan bewust was dat zij inbreuk maakte op de mededingingsregels van het Verdrag, om de inbreuk op deze regels als een opzettelijke inbreuk te kunnen beschouwen, doch dat het volstaat, dat zij niet onkundig kon zijn van de omstandigheid dat het gewraakte gedrag ertoe strekte de mededinging te beperken (arresten Belasco en Tipp-Ex, reeds aangehaald; arrest Gerecht van 10 maart 1992, zaak T-15/89, Chemie Linz, Jurispr. 1992, blz. II-1275, r.o. 350).

117 Bovendien merkt het Gerecht op dat de Commissie rekening heeft gehouden met een reeks factoren die voor alle ondernemingen gelden, naar aanleiding waarvan zij de geldboetes heeft beperkt tot een bedrag dat aanzienlijk lager ligt dan hetgeen onder normale omstandigheden gerechtvaardigd zou zijn (punt 208 van de beschikking). Deze factoren zijn onder meer het feit dat de prijs voor betonstaalmatten voor 75 tot 80 % afhankelijk is van de prijs voor walsdraad, voor welk produkt produktiequota golden, de structurele achteruitgang van de vraag, de overtollige produktiecapaciteit, de conjuncturele schommelingen op de markt en de onbevredigende rentabiliteit in de sector (punt 201 van de beschikking), alsmede de interdependentie tussen betonstaalmatten en betonstaafstaal (punt 202 van de beschikking). Bovendien is in de beschikking ook het bestaan van het structuurcrisiskartel in Duitsland, een situatie die voor de partijen in andere Lid-Staten aanleiding was om van hun kant te trachten maatregelen voor hun bescherming te nemen, als verzachtende omstandigheid in aanmerking genomen, zonder dat evenwel de door hen genomen ongeoorloofde maatregelen als gerechtvaardigd worden beschouwd (punt 206 van de beschikking).

118 De grief dient dus te worden afgewezen.

III ° Inaanmerkingneming van de gevolgen van de inbreuk

Argumenten van partijen

119 Verzoekster stelt dat de Commissie een beoordelingsfout heeft gemaakt door de inbreuk als ernstig te kwalificeren, omdat de ernst van de inbreuk afhankelijk moet zijn van de gevolgen op de markt, en in casu deze gevolgen volstrekt te verwaarlozen zijn. De aan verzoekster opgelegde geldboete moet dus tot een redelijker verhouding worden teruggebracht.

120 De Commissie merkt op dat zij geen beoordelingsfout heeft gemaakt. In tegenstelling tot hetgeen verzoekster verklaart, is de ernst van een inbreuk niet enkel afhankelijk van de gevolgen op de markt. De overeenkomsten inzake prijzen en quota worden uitdrukkelijk genoemd in artikel 85, lid 1, van het Verdrag en vormen op zichzelf bijzonder ernstige inbreuken op de mededingingsregels. Bovendien is de Commissie van mening dat zij bij de beoordeling van de specifieke ernst van de inbreuk in deze zaak rekening heeft gehouden met de reële gevolgen van de inbreuken op de markt.

Beoordeling door het Gerecht

121 Het Gerecht herinnert eraan dat de inbreuken waaraan verzoekster heeft deelgenomen, ertoe strekten en ten gevolge hebben gehad dat prijzen alsook export- en importhoeveelheden op de markt van de oorspronkelijke Lid-Staten van de Gemeenschap werden vastgesteld, en dat de gevolgen van deze mededingingsregelingen, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster verklaart, in geen geval als te verwaarlozen kunnen worden beschouwd.

122 Het Gerecht is van mening dat de gedragingen die een bestanddeel van de afspraken vormen, als ernstig moeten worden beschouwd wegens de overduidelijke inbreuk op artikel 85 en in het bijzonder op het bepaalde sub a en c. Bovendien zij opgemerkt dat in de beschikking (punt 200) rekening is gehouden met het feit dat in enige gevallen de overeengekomen prijzen en hoeveelheden door partijen niet werden gerespecteerd, hetgeen in een bepaalde omvang de rechtstreekse economische gevolgen van deze inbreuken heeft afgezwakt.

123 Daaruit volgt dat de Commissie bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk op juiste wijze met de gevolgen daarvan rekening heeft gehouden.

124 Verzoeksters grief dient derhalve te worden afgewezen.

IV ° Onevenredigheid van de geldboete

Argumenten van partijen

125 Ter terechtzitting heeft verzoekster in de eerste plaats betoogd dat de haar opgelegde geldboete, herleid tot een percentage van haar omzet (3 %), onevenredig lijkt, vergeleken met de aan andere ondernemingen opgelegde geldboete. Zo gezien, zou de haar opgelegde geldboete namelijk nagenoeg even hoog zijn als de geldboete van de ondernemingen, waaraan de Commissie een gangmakersrol in de afspraken heeft toegekend (3,15 % voor BStG en 3,60 % voor Tréfilunion), terwijl deze verzwarende omstandigheid niet voor haar zou kunnen gelden. Bovendien zou de Commissie geen rekening hebben gehouden met het feit dat zij niet tot een grote economische eenheid behoort, doch een zelfstandig, niet gesubsidieerd familiebedrijf is.

126 Ter terechtzitting heeft verzoekster de Commissie in de tweede plaats verweten, dat zij haar omzet over 1985 als grondslag voor de opgelegde geldboete heeft genomen, terwijl dat de hoogste omzet gedurende de gehele betrokken periode was. Volgens haar had de Commissie het gemiddelde van de gedurende de gehele periode behaalde omzet als grondslag voor haar berekening moeten nemen.

127 De Commissie betoogt, dat Boël, zoals zij in haar beschikking heeft uiteengezet, een grote onderneming is, die in ten minste twee andere Lid-Staten dochterondernemingen bezit, en dat zij om die reden niet tot de groep van zelfstandige ondernemingen is gerekend.

Beoordeling door het Gerecht

128 Het Gerecht stelt enerzijds vast, dat uit de antwoorden van de Commissie op vragen van het Gerecht en uit haar memories blijkt dat zij ten aanzien van verzoekster geen enkele verzachtende of verzwarende omstandigheid in aanmerking heeft genomen, en anderzijds dat verzoekster een geldboete ten belope van 3 % van haar omzet is opgelegd, terwijl aan BStG en Tréfilunion een geldboete ten belope van 3,15 %, respectievelijk 3,60 % van hun omzet in betonstaalmatten is opgelegd, waarbij ook nog rekening is gehouden met een verzwarende omstandigheid.

129 Voorts stelt het Gerecht vast, dat verzoekster geen aanwijzingen verstrekt die kunnen aantonen dat zij, gelet op de duur en de bijzondere zwaarte van de jegens haar vastgestelde inbreuken, strenger zou zijn behandeld dan BStG en Tréfilunion.

130 Het Gerecht is namelijk van oordeel, dat het verschil tussen het percentage dat op verzoekster (3 %) en op Tréfilunion (3,6 %) is toegepast, evenredig is aan het feit dat Tréfilunion een verzwarende omstandigheid wordt aangerekend. Wat het verschil tussen het op verzoekster toegepaste percentage (3 %) en het op BStG toegepaste percentage (3,15 %) betreft, moet worden vastgesteld dat hoewel aan BStG een verzwarende omstandigheid wordt aangerekend ° het feit één van de gangmakers van en één van de belangrijkste deelnemers aan de bestrafte gedragingen te zijn geweest ° in de beschikking aan verzoekster een deelneming aan de afspraken op de Franse markt gedurende de periodes 1981-1982 en 1983-1984 wordt aangerekend, terwijl BStG daarentegen niet een deelneming aan deze afspraken ten laste is gelegd.

131 Niettemin is het Gerecht van oordeel dat de Commissie verzoekster ten onrechte niet tot de ondernemingen heeft gerekend, die niet tot een grote economische eenheid behoren, ten aanzien waarvan zij "het geringere effect van hun inbreuk" als verzachtende omstandigheid in aanmerking heeft genomen. Boël/Trébos maakt evenmin deel uit van een grote economische eenheid als Sotralentz of ILRO, zulks in tegenstelling tot onder meer FBC, die wel tot een dergelijke eenheid behoort.

132 Daaruit volgt dat de Commissie, door ten aanzien van verzoekster niet de genoemde verzachtende omstandigheid in aanmerking te nemen, ten onrechte aan haar een geldboete van 3 % van haar omzet in betonstaalmatten gedurende het jaar 1985 heeft opgelegd.

133 Aangaande de keuze van het jaar 1985 als referentiejaar voor het bepalen van verzoeksters omzet die in aanmerking is genomen voor het bepalen van het bedrag van de geldboete, zij opgemerkt dat verzoekster, door de Commissie niet weersproken, verklaart dat dit het jaar is waarin de grootste hoeveelheden betonstaalmatten zijn geleverd, terwijl het voor de meeste andere producenten het jaar was, waarin minder werd geleverd (zie beschikking, tabel 2). Bijgevolg is door de keuze van dit jaar, die eerst na de beschikking aan de dag is getreden, het onevenredige karakter van de aan verzoekster opgelegde geldboete nog versterkt. De 3 % van de omzet over 1985 maakt dat verzoekster een hogere geldboete is opgelegd dan aan de overige producenten.

134 Verzoeksters grief dient dus te worden aanvaard.

135 Gelet op deze verschillende gegevens, is het Gerecht uit hoofde van zijn volledige rechtsmacht van oordeel dat het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete van 550 000 ECU met een vijfde dient te worden verlaagd en moet worden vastgesteld op 440 000 ECU.

De door de Commissie verlangde rentevoet ingeval van beroep

Argumenten van partijen

136 Verzoekster betoogt dat in de aangetekende brief van de Commissie, die de beschikking begeleidde, wordt meegedeeld dat ingeval van beroep de schuldvordering een rente van 10,50 % zal dragen. Dit zou het tarief zijn, dat door het Europees Fonds voor monetaire samenwerking wordt toegepast ter zake van verrichtingen in ECU, zoals dit is vastgesteld op de eerste werkdag van de maand waarin de beschikking is gegeven en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen is gepubliceerd (PB 1989, C 197, blz. 1), vermeerderd met anderhalf percentpunt. Verzoekster is van mening dat deze verhoging willekeurig is en slechts is ingegeven door het streven van de Commissie om beroepen voor het Gerecht tegen te gaan. Daarom verzoekt zij het Gerecht het op de geldboete toegepaste rentepercentage te verlagen tot 9 %.

137 De Commissie is van menig dat deze grief elke grondslag ontbeert, omdat in artikel 4 van de beschikking wordt bepaald, dat wanneer de geldboete niet binnen drie maanden wordt betaald, de rente 12,50 % bedraagt. Ingeval van beroep is deze rentevoet dus in het voordeel van de ondernemingen verlaagd, juist om niet een actie voor het Gerecht tegen te gaan.

Beoordeling door het Gerecht

138 Het Gerecht is van oordeel dat de Commissie de rentevoet van het Europees Fonds voor monetaire samenwerking bij een latere betaling en in elk geval bij een beroep mocht verhogen om te verhinderen dat een klaarblijkelijk ongegrond beroep wordt ingesteld, met als enig doel, de betaling van een geldboete te vertragen (arrest Hof van 25 oktober 1983, zaak 107/82, AEG, Jurispr. 1983, blz. 3151, r.o. 141).

139 Het Gerecht merkt op dat het begeleidend schrijven ingeval van beroep niet een verhoging van de rentevoet voorziet, doch een verlaging ten opzichte van het bedrag dat verschuldigd zou zijn bij een vertraagde betaling.

140 In tegenstelling tot hetgeen verzoekster verklaart, heeft de Commissie de beroepen niet willen tegengaan.

141 Bijgevolg moet deze grief worden afgewezen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

142 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens lid 3 van dit artikel kan het Gerecht de kosten over de partijen verdelen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien verzoekster gedeeltelijk in het gelijk is gesteld en partijen beide hebben gevorderd dat de wederpartij in de kosten wordt verwezen, is het Gerecht van oordeel dat aan de omstandigheden van de zaak recht wordt gedaan, wanneer wordt beslist dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen, alsmede drie vijfde van de kosten van de Commissie.

Dictum


HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),

rechtdoende:

1) Stelt het bedrag van de geldboete die verzoekster is opgelegd bij artikel 3 van beschikking 89/515/EEG van de Commissie van 2 augustus 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.553 ° Betonstaalmatten), vast op 440 000 ECU.

2) Verwerpt het beroep voor het overige.

3) Verstaat dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen, alsmede drie vijfde van de kosten van de Commissie.

4) Verstaat dat de Commissie twee vijfde van haar eigen kosten zal dragen.