61989J0345

ARREST VAN HET HOF VAN 25 JULI 1991. - STRAFZAAK TEGEN ALFRED STOECKEL. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNAL DE POLICE D'ILLKIRCH - FRANKRIJK. - GELIJKE BEHANDELING VAN MANNEN EN VROUWEN - WETTELIJK VERBOD VAN NACHTARBEID VOOR VROUWEN. - ZAAK C-345/89.

Jurisprudentie 1991 bladzijde I-04047
Zweedse bijz. uitgave bladzijde I-00345
Finse bijz. uitgave bladzijde I-00359


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Toegang tot arbeidsproces en arbeidsvoorwaarden - Gelijke behandeling - Richtlijn 76/207 - Artikel 5 - Rechtstreekse werking - Verbod op nachtarbeid door vrouwen, wanneer geen identiek verbod voor mannen bestaat - Ontoelaatbaarheid

(Richtlijn 76/207 van de Raad, art. 5)

Samenvatting


Artikel 5 van richtlijn 76/207 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, is voldoende nauwkeurig om voor de Lid-Staten de verplichting te scheppen, het verbod op nachtarbeid door vrouwen niet als wettelijk beginsel vast te leggen, ook al bestaan er afwijkingen van dat verbod, wanneer er geen verbod staat op nachtarbeid door mannen.

Partijen


In zaak C-345/89,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Tribunal de police te Illkirch (Frankrijk), in de aldaar dienende strafzaak tegen

A. Stoeckel,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang van het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, T. F. O' Higgins en G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, R. Joliet, F. A. Schockweiler, F. Grévisse en M. Zuleeg, rechters,

advocaat-generaal: G. Tesauro

griffier: D. Louterman, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- A. Stoeckel, vertegenwoordigd door G. Alexandre, advocaat te Straatsburg,

- de Franse regering, vertegenwoordigd door E. Belliard, adjunct-directeur Juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en M. Giacomini, secretaris bij dit ministerie, als gemachtigden,

- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door P. G. Ferri, avvocato dello Stato, als gemachtigde,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de opmerkingen van A. Stoeckel, de Franse regering, vertegenwoordigd door C. Chavance, hoofdbestuursattaché bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, de Italiaanse regering en de Commissie ter terechtzitting van 21 november 1990,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 januari 1991,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij vonnis van 4 oktober 1989, ingekomen bij het Hof op 9 november daaraanvolgend, heeft het Tribunal de police te Illkirch (Frankrijk) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40).

2 Deze vraag is gerezen in een strafzaak tegen A. Stoeckel, directeur van Suma, die ervan wordt verdacht op 28 oktober 1988 77 vrouwen in strijd met artikel L 213-1 Code du travail nachtarbeid te hebben laten verrichten.

3 Volgens artikel 5 van richtlijn 76/207 houdt de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden in, dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht. Te dien einde nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om te bereiken dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling worden ingetrokken (lid 2, sub a) en dat de met dit beginsel strijdige bepalingen worden herzien wanneer de aanvankelijk beschermende bedoelingen ervan niet meer gefundeerd zijn (lid 2, sub c). Volgens artikel 2, lid 3, doet de richtlijn evenwel geen afbreuk aan de bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name voor wat zwangerschap en moederschap betreft.

4 Ingevolge artikel 9, lid 1, van de richtlijn moesten de Lid-Staten binnen een termijn van 30 maanden volgende op de kennisgeving van de richtlijn, de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor het volgen van de richtlijn in werking doen treden; wat artikel 5, lid 2, sub c, betreft, was deze termijn vier jaar. Laatstgenoemde termijn is op 14 februari 1980 verstreken.

5 Volgens artikel L 213-1 van de Code du travail mogen vrouwen geen nachtarbeid verrichten, met name niet in fabrieken, manufacturen of ateliers van welke aard dan ook. Hetzelfde artikel bevat evenwel een bepaald aantal uitzonderingen, bij voorbeeld voor verantwoordelijke functies van leidinggevende of technische aard, en voor situaties waarin het nationaal belang om bijzonder zwaarwichtige redenen vereist, dat het verbod op nachtarbeid voor werkneemsters die in ploegendienst werken, onder bepaalde voorwaarden en volgens een in deze code voorziene procedure kan worden opgeschort.

6 Blijkens het dossier was Suma als gevolg van de buitenlandse concurrentie in moeilijkheden geraakt en dreigde er ontslag voor ongeveer 200 personen van haar vestiging te Obenheim. Toen echter duidelijk werd, dat het aantal ontslagen en de gevolgen daarvan zouden kunnen worden beperkt door het instellen van een continudienst in ploegen, wat nachtarbeid voor het gehele personeel betekende, besloot Suma met de vakorganisaties te gaan onderhandelen ten einde een bedrijfsovereenkomst te sluiten.

7 Deze overeenkomst werd op 30 juni 1988 gesloten. Overeengekomen werd, dat de nachtarbeid een uitzondering zou vormen en dat Suma, zodra de economische problemen voorbij zouden zijn, naar een werkorganisatie met uitsluitend dagdiensten zou terugkeren. Aangezien de vrouwelijke werknemers van de onderneming de vereiste vakbekwaamheid voor de gehandhaafde functies bezaten en zij dezelfde kansen als mannen moesten krijgen, kwamen partijen overeen alle functies voor zowel mannen als vrouwen open te stellen, wanneer het vrouwelijke personeel hiermee bij meerderheid van stemmen vrijwillig akkoord zou gaan. De meerderheid van de vrouwen stemde voor dit systeem van ploegenarbeid, dat vervolgens op 1 oktober 1988 werd ingevoerd.

8 Voor het Tribunal de police betoogde Stoeckel, dat artikel L 213 van de Code du travail in strijd is met artikel 5 van richtlijn 76/207 en met het arrest van 25 oktober 1988 (zaak 312/86, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1988, blz. 6315), waarin het Hof verklaarde dat de Franse Republiek haar verplichtingen niet was nagekomen door niet alle maatregelen te nemen die noodzakelijk waren voor de opheffing van de door deze richtlijn verboden ongelijkheden.

9 Onder deze omstandigheden besloot het Tribunal de police te Illkirch de behandeling van de zaak te schorsen totdat het Hof uitspraak zou hebben gedaan over de volgende prejudiciële vraag:

"Is artikel 5 van de richtlijn van 9 februari 1976 voldoende nauwkeurig om voor een Lid-Staat de verplichting te scheppen, het verbod op nachtarbeid door vrouwen niet als wettelijk beginsel vast te leggen, zoals in artikel L 213-1 van de Franse Code du travail?"

10 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

11 Het doel van de richtlijn is de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling tussen mannen en vrouwen in de Lid-Staten, onder meer wat betreft de toegang tot het arbeidsproces en de arbeidsvoorwaarden. Daartoe schrijft de richtlijn voor, dat met dit beginsel strijdige nationale bepalingen moeten worden ingetrokken of herzien, wanneer de aanvankelijk beschermende bedoelingen ervan niet meer gefundeerd zijn.

12 Gelijk het Hof in zijn arrest van 26 februari 1986 (zaak 152/84, Marshall, Jurispr. 1986, blz. 723, r.o. 55) verklaarde, geeft artikel 5 van richtlijn 76/207 de Lid-Staten niet de bevoegdheid om de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling in zijn eigen gebied aan voorwaarden te binden of te beperken, en is deze bepaling voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk om door particulieren voor de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen, ten einde de toepassing van nationale bepalingen te verhinderen die niet stroken met artikel 5, lid 1, waarin het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot arbeidsvoorwaarden is neergelegd.

13 Volgens artikel 2, lid 3, doet de richtlijn geen afbreuk aan de bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name voor wat zwangerschap en moederschap betreft. In zijn arrest van 15 mei 1986 (zaak 222/84, Johnston, Jurispr. 1986, blz. 1651, r.o. 44) verklaarde het Hof, dat uit de uitdrukkelijke vermelding van zwangerschap en moederschap in de richtlijn blijkt, dat zij de bescherming van de biologische gesteldheid der vrouw alsook van de bijzondere relatie tussen moeder en kind wil verzekeren.

14 De Franse en de Italiaanse regering betogen, dat het verbod op nachtarbeid door vrouwen, waarop overigens talrijke uitzonderingen bestaan, beantwoordt aan algemene doelstellingen gericht op bescherming van vrouwelijke arbeidskrachten, en aan bijzondere overwegingen van sociale aard, die onder meer verband houden met het gevaar voor agressie en met de zwaardere gezinslasten die op vrouwen rusten.

15 Gelet op de hiervoor genoemde beginselen kunnen doelstellingen gericht op bescherming van vrouwelijke arbeidskrachten slechts geldig worden nagestreefd, indien de noodzaak van een verschil in behandeling tussen mannen en vrouwen gerechtvaardigd is. Wat de ongemakken van nachtarbeid ook mogen zijn, de risico' s die vrouwen bij dergelijke werkzaamheden lopen, blijken, behoudens in geval van zwangerschap en moederschap, in het algemeen naar hun aard niet te verschillen van die waaraan ook mannen blootstaan.

16 Wat de risico' s van agressie betreft, gesteld dat deze 's nachts groter zijn dan overdag, hiertegen kunnen passende maatregelen worden genomen zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het fundamentele beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

17 Met betrekking tot de gezinsverantwoordelijkheden heeft het Hof reeds uitgemaakt, dat de richtlijn niet tot doel heeft vragen van gezinsstructuur te regelen en in de taakverdeling tussen de echtelieden wijziging aan te brengen (zie arrest van 12 juli 1984, zaak 184/83, Hofmann, Jurispr. 1984, blz. 3047, r.o. 24).

18 De beschermingsgedachte waardoor het principiële verbod op nachtarbeid door vrouwen aanvankelijk werd gemotiveerd, blijkt dus niet meer gefundeerd, en de handhaving van dit verbod wegens het bestaan van risico' s die niet typisch voor vrouwen zijn, of om redenen die niets met het doel van richtlijn 76/207 te maken hebben, kan geen rechtvaardiging vinden in de reeds in rechtsoverweging 3 van dit arrest genoemde bepalingen van artikel 2, lid 3, van deze richtlijn.

19 Voorts zijn de talrijke afwijkingen in de wetgevingen van de Lid-Staten die een verbod op nachtarbeid door vrouwen kennen en waarnaar de Franse en de Italiaanse regering verwijzen, niet voldoende om de doelstellingen van de richtlijn te waarborgen, aangezien deze verbiedt om het verrichten van nachtarbeid in het algemeen uit te sluiten voor vrouwen, en die afwijkingen bovendien een bron van discriminatie kunnen zijn.

20 Mitsdien moet op de vraag van het Tribunal de police te Illkirch worden geantwoord, dat artikel 5 van richtlijn 76/207 voldoende nauwkeurig is om voor de Lid-Staten de verplichting te scheppen, het verbod op nachtarbeid door vrouwen niet als wettelijk beginsel vast te leggen, ook al bestaan er afwijkingen van dat verbod, wanneer er geen verbod staat op nachtarbeid door mannen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

21 De kosten door de Franse en de Italiaanse regering en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Tribunal de police te Illkirch bij vonnis van 4 oktober 1989 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden is voldoende nauwkeurig om voor de Lid-Staten de verplichting te scheppen, het verbod op nachtarbeid door vrouwen niet als wettelijk beginsel vast te leggen, ook al bestaan er afwijkingen van dat verbod, wanneer er geen verbod staat op nachtarbeid door mannen.