61988J0115

ARREST VAN HET HOF (VIJFDE KAMER) VAN 10 JANUARI 1990. - MARIO REICHERT EN HANS-HEINZ REICHERT EN INGEBORG KOCKLER TEGEN DRESDNER BANK. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COUR D'APPEL D'AIX-EN-PROVENCE - FRANKRIJK. - EEG-EXECUTIEVERDRAG VAN 27 SEPTEMBER 1968 - ACTIO PAULIANA - SCHENKING VAN ONROERENDE GOED IN BLOTE EIGENDOM - ARTIKEL 16, SUB. 1. - ZAAK 115/88.

Jurisprudentie 1990 bladzijde I-00027


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen - Exclusieve bevoegdheid - Geschillen "ten aanzien van zakelijke rechten op onroerende goederen" - Begrip - Autonome uitlegging - Zogenoemde "actio Pauliana" - Daarvan uitgesloten

( Executieverdrag, artikel 16, sub 1 )

Samenvatting


Het begrip geschillen "ten aanzien van zakelijke rechten op onroerende goederen" in artikel 16, sub 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet op autonome wijze worden uitgelegd . Het omvat alleen die rechtsvorderingen die een zakelijk recht op onroerend goed betreffen, welke zowel binnen het toepassingsgebied van het Executieverdrag vallen als tot de rechtsvorderingen behoren die ertoe strekken, de omvang, de hoedanigheid, de eigendom of het bezit van een onroerend goed of het bestaan van andere zakelijke rechten op dit onroerend goed vast te stellen en om de rechthebbenden de bescherming van de aan hun titel verbonden bevoegdheden te verzekeren .

Dit is niet het geval bij een door een schuldeiser ingestelde rechtsvordering, die ertoe strekt dat te zijnen aanzien geen beroep kan worden gedaan op een beschikkingshandeling betreffende een zakelijk recht op onroerend goed, waarvan hij stelt dat zij door zijn schuldenaar met bedrieglijke benadeling van zijn rechten is verricht .

Partijen


In zaak C-115/88,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van de cour d' appel te Aix-en-Provence, in het aldaar aanhangig geding tussen

M . Reichert, H.-H . Reichert en I . Kockler

en

Dresdner Bank,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 16, sub 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),

samengesteld als volgt : Sir Gordon Slynn, kamerpresident, M . Zuleeg, R . Joliet, J . C . Moitinho de Almeida en F . Grévisse, rechters,

advocaat-generaal : J . Mischo

griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier

gelet op de opmerkingen ingediend door :

- de Dresdner Bank, vertegenwoordigd door Jestaedt, advocaat,

- de Franse regering, vertegenwoordigd door R . de Gouttes, bijgestaan door G . de Bergues, als gemachtigden,

- de Duitse regering, vertegenwoordigd door C . Boehmer als gemachtigde,

- de Britse regering, vertegenwoordigd door J . A . Gensmantel van het Treasury Solicitor' s Department, bijgestaan door C . L . Carpenter van het Lord Chancellor' s Department, als gemachtigden,

- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door O . Fiumara, avvocato dello stato, als gemachtigde,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, bijgestaan door G . Cherubini, Italiaans ambtenaar gedetacheerd bij de Commissie krachtens de regeling betreffende de uitwisseling met nationale ambtenaren, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 7 november 1989,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 november 1989,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij arrest van 18 november 1987, ingekomen ten Hove op 11 april 1988, heeft de cour d' appel te Aix-en-Provence krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ( hierna : Executieverdrag ) een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 16, sub 1, van het Executieverdrag .

2 Deze vraag is gerezen in een geschil tussen de echtelieden Reichert en hun zoon M . P . A . Reichert enerzijds en de vennootschap Dresdner Bank anderzijds .

3 Reichert en zijn echtgenote, woonachtig in de Bondsrepubliek Duitsland, zijn eigenaar van onroerend goed, gelegen in de gemeente Antibes ( Frankrijk, departement Alpes-Maritimes ) waarvan zij bij notariële akte welke te Creutzwald ( Frankrijk, departement Moselle ) werd verleden, de blote eigendom hebben overgedragen aan hun zoon M . Reichert . Een schuldeiser van het echtpaar Reichert, de Dresdner Bank, vocht voor het tribunal de grande instance te Grasse, in het ressort waarvan het betrokken onroerend goed is gelegen, de rechtsgeldigheid van deze schenking aan op grond van artikel 1167 van het Franse burgerlijk wetboek, volgens welke bepaling de schuldeiser "op persoonlijke titel, kan opkomen tegen handelingen die zijn schuldenaar met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeiser heeft verricht", en waarbij dus de zogenoemde "actio Pauliana" is ingevoerd .

4 Hoewel partijen Reichert de bevoegdheid van het tribunal de grande instance te Grasse hadden betwist, verklaarde het zich bij vonnis van 20 februari 1987 bevoegd op grond van artikel 16, sub 1, Executieverdrag, volgens hetwelk ongeacht de woonplaats bij uitsluiting bevoegd zijn : "ten aanzien van zakelijke rechten op ... onroerende goederen : de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed gelegen is ".

5 Reichert c.s . stelden tegen deze beslissing hoger beroep in bij de cour d' appel te Aix-en-Provence, die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende vraag heeft gesteld :

"Beoogt het Executieverdrag, waar het bepaalt dat ten aanzien van zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen, de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed is gelegen, bij uitsluiting bevoegd zijn, een bevoegdheidsregel vast te stellen die, zonder enige verwijzing naar de indeling van vorderingen in persoonlijke, zakelijke en gemengde vorderingen, uitsluitend de inhoud van het recht, dat wil zeggen de aard van de in geding zijnde rechten, in aanmerking neemt, in dier voege dat, op grond van de aldus vastgelegde bevoegdheidsregel, de schuldeiser die opkomt tegen handelingen die zijn schuldenaar met bedrieglijke benadeling van zijn rechten heeft verricht - in casu een schenking van zakelijke rechten op onroerend goed -, zijn vordering aanhangig kan maken bij het gerecht van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed is gelegen?"

6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .

7 Uit de bewoordingen zelf van de gestelde vraag, alsmede uit de motivering van het arrest van de cour d' appel te Aix-en-Provence blijkt dat deze wenst te vernemen, of het geval waarin een schuldeiser door middel van een in het nationale recht voorziene rechtsvordering, in casu de actio Pauliana naar Frans recht, opkomt tegen een schenking van onroerend goed die zijn schuldenaar zijns inziens met bedrieglijke benadeling van zijn rechten heeft verricht, onder het toepassingsgebied van artikel 16, sub 1, Executieverdrag valt .

8 Om te beginnen moet ter verzekering van de grootst mogelijke gelijkheid en eenvormigheid van de rechten en verplichtingen die voor de verdragsluitende staten en de belanghebbende personen uit het Executieverdrag voortvloeien, op autonome wijze worden bepaald welke betekenis de uitdrukking "ten aanzien van zakelijke rechten op onroerende goederen" heeft in het gemeenschapsrecht . Het Hof heeft dit overigens reeds gedaan met betrekking tot andere terreinen waarop artikel 16 in een exclusieve bevoegdheid voorziet, in het arrest van 14 december 1977 ( zaak 73/77, Sanders/Van der Putte, Jurispr . 1977, blz . 2383, ter zake van het begrip "huur en verhuur van onroerende goederen", artikel 16, sub 1 ) en in het arrest van 15 november 1983, ( zaak 288/82, Duijnstee/Goderbauer, Jurispr . 1983, blz . 3663, ter zake van het begrip "ten aanzien van de registratie of de geldigheid van octrooien", in artikel 16, sub 4 ).

9 Zoals het Hof reeds eerder heeft beslist, mag artikel 16 niet in een ruimere zin worden uitgelegd dan het oogmerk ervan verlangt, aangezien deze bepaling tot gevolg heeft dat partijen worden beroofd van de forumkeuze die hun anders zou toekomen, en dat zij in bepaalde gevallen worden gedaagd voor een rechter die ten aanzien van geen hunner de eigen rechter van de woonplaats is ( arrest van 14 december 1977, Sanders/Van der Putte, reeds aangehaald ).

10 Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de voornaamste reden voor de uitsluitende bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed is gelegen, is dat het gerecht van de plaats waar het onroerend goed is gelegen, vanwege zijn nabijheid het best in staat is zich op de hoogte te stellen van de feitelijke situatie en de ter zake geldende voorschriften en gebruiken toe te passen, in de regel de voorschriften en gebruiken van de staat waar het onroerend goed is gelegen ( arresten van 14 december 1977, Sanders/Van der Putte, reeds aangehaald, en van 15 januari 1985, zaak 241/83, Roesler/Rottwinkel, Jurispr . 1985, blz . 99 ).

11 Zo gezien dient artikel 16, sub 1, Executieverdrag aldus te worden uitgelegd, dat de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed is gelegen, niet alle mogelijke rechtsvorderingen omvat die een zakelijk recht op onroerend goed betreffen, maar alleen die welke zowel binnen het toepassingsgebied van het Executieverdrag vallen, als tot de rechtsvorderingen behoren die ertoe strekken, de omvang, de hoedanigheid, de eigendom of het bezit van een onroerend goed of het bestaan van andere zakelijke rechten op dit onroerend goed vast te stellen en om de rechthebbenden de bescherming van de aan hun titel verbonden bevoegdheden te verzekeren .

12 De zogenoemde "actio Pauliana" nu vindt haar grondslag in de schuldvordering, een persoonlijk recht van de schuldeiser jegens zijn schuldenaar waarmee de schuldeiser het hem eventueel toekomende verhaalsrecht op het vermogen van de schuldenaar kan veiligstellen . Wordt de vordering toegewezen, dan heeft zij tot gevolg dat alleen tegenover de schuldeiser geen beroep kan worden gedaan op de beschikkingshandeling die zijn schuldenaar met bedrieglijke benadeling van zijn rechten heeft verricht . Bovendien behoeven voor het onderzoek van deze vordering geen feiten te worden beoordeeld of voorschriften en gebruiken van de plaats waar het goed is gelegen, te worden toegepast, die een bevoegdheid van de rechter in de staat waar het onroerend goed is gelegen kunnen rechtvaardigen .

13 Weliswaar moeten in sommige Lid-Staten volgens de aldaar geldende publikatievoorschriften voor onroerend goed, rechtsvorderingen die strekken tot vernietiging van handelingen betreffende rechten die aan deze vorm van publikatie onderworpen zijn, of tot een verklaring dat daarop tegenover derden geen beroep kan worden gedaan, alsook de uiteindelijke rechterlijke uitspraken op die rechtsvorderingen worden gepubliceerd, doch deze omstandigheid is op zich nog geen reden voor een exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed is gelegen waarop deze rechten betrekking hebben . De rechtsbescherming van derden, waardoor dergelijke nationale voorschriften zijn ingegeven, kan zo nodig worden verzekerd door publikatie volgens de vormen en op de plaats die zijn voorgeschreven in de wet van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed is gelegen .

14 Hieruit volgt, dat deze rechtsvordering die door een schuldeiser is ingesteld tegen een door zijn schuldenaar gesloten overeenkomst tot verkoop van een onroerend goed of een door deze laatste gedane schenking, niet onder het toepassingsgebied van artikel 16, sub 1, valt .

15 Op de vraag van de cour d' appel moet derhalve worden geantwoord, dat de door een schuldeiser ingestelde rechtsvordering, die ertoe strekt dat te zijnen aanzien geen beroep kan worden gedaan op een beschikkingshandeling betreffende een zakelijk recht op onroerend goed, waarvan hij stelt dat zij door zijn schuldenaar met bedrieglijke benadeling van zijn rechten is verricht, niet valt onder het toepassingsgebied van artikel 16, sub 1, van het Executieverdrag .

Beslissing inzake de kosten


Kosten

16 De kosten door de regeringen van de Franse Republiek, van de Bondsrepubliek Duitsland, van het Verenigd Koninkrijk en van de Italiaanse Republiek, alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),

uitspraak doende op de door de cour d' appel te Aix-en-Provence bij arrest van 18 november 1987 gestelde vraag, verklaart voor recht :

De door een schuldeiser ingestelde rechtsvordering, die ertoe strekt dat te zijnen aanzien geen beroep kan worden gedaan op een beschikkingshandeling betreffende een zakelijk recht op onroerend goed, waarvan hij stelt dat zij door zijn schuldenaar met bedrieglijke benadeling van zijn rechten is verricht, valt niet onder het toepassingsgebied van artikel 16, sub 1, van het Executieverdrag .