61987J0368

ARREST VAN HET HOF (EERSTE KAMER) VAN 18 MEI 1989. - LIESELOTTE HARTMANN TROIANI TEGEN LANDESVERSICHERUNGSANSTALT RHEINPROVINZ. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET BUNDESSOZIALGERICHT. - NABETALING VAN VRIJWILLIGE VERZEKERINGSBIJDRAGEN VOOR OUDERDOMSPENSIOEN. - ZAAK 368/87.

Jurisprudentie 1989 bladzijde 01333


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1 . Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering - Recht op inkoop van pensioenrechten afhankelijk van aansluiting bij nationaal stelsel van verplichte verzekering - Voorwaarde niet vervuld door aansluiting bij stelsel van verplichte verzekering in andere Lid-Staat

( Verordening nr . 1408/71 van de Raad, artikel 9 )

2 . Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering - Nationale wettelijke regeling die recht op inkoop van pensioenrechten afhankelijk stelt van aansluiting bij nationaal stelsel van verplichte verzekering - Voorwaarde voor eigen onderdanen - Toelaatbaarheid

( EEG-Verdrag, artikelen 48 en 51 )

Samenvatting


1 . Artikel 9 van verordening nr . 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat de voorwaarde van aansluiting bij een stelsel van verplichte verzekering in een Lid-Staat, waaraan volgens de wettelijke regeling van die staat moet zijn voldaan op het tijdstip waarop een verzoek om nabetaling van vrijwillige verzekeringsbijdragen voor het ouderdomspensioen wordt ingediend, niet kan worden geacht te zijn vervuld wanneer degene die het verzoek indient, op dat tijdstip in een andere Lid-Staat is aangesloten bij een stelsel van verplichte verzekering .

2 . De artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag verzetten zich er niet tegen, dat ten aanzien van de onderdanen van een Lid-Staat een nationale wettelijke bepaling wordt toegepast, die voor de uitoefening van het recht om pensioenrechten in te kopen, aansluiting bij het nationale stelsel van verplichte verzekering als voorwaarde stelt . Het staat immers aan de wettelijke regeling van elke Lid-Staat om de voorwaarden vast te stellen waaronder het recht of de verplichting tot aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid of bij een bepaalde tak van een dergelijk stelsel ontstaat, zolang hierbij maar geen onderscheid wordt gemaakt tussen eigen onderdanen en onderdanen van de andere Lid-Staten .

Partijen


In zaak 368/87,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundessozialgericht, in het aldaar aanhangig geding tussen

L . Hartmann Troiani, te Vasia ( IM ), Italië,

en

Landesversicherungsanstalt Rheinprovinz, te Duesseldorf,

om een prejudiciële beslissing over de vraag of een bepaling als artikel 2, paragraaf 28, van het Arbeiterrentenversicherungs-Neuregelungsgesetz, volgens hetwelk vrouwen verzekeringsbijdragen voor het ouderdomspensioen kunnen nabetalen, verenigbaar is met artikel 9, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( PB 1971, L 149, blz . 2, en PB 1983, L 230, blz . 8, gecodificeerde versie ), en met de artikelen 48 en volgende EEG-Verdrag,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),

samengesteld als volgt : R . Joliet, kamerpresident, Sir Gordon Slynn en G . C . Rodríguez Iglesias, rechters,

advocaat-generaal : F . Jacobs

griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier

gelet op de opmerkingen ingediend door :

- L . Hartmann Troiani, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door K . Leingaertner, lid van het bureau voor Bundesrecht van de Deutsche Gewerkschaftsbund,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door I . Pernice, als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 14 februari 1989,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 februari 1989,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 10 september 1987, ingekomen ten Hove op 7 december daaraanvolgend, heeft het Bundessozialgericht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag prejudiciële vragen gesteld betreffende, in de eerste plaats, de uitlegging van artikel 9, lid 2, van verordening nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( PB 1971, L 149, blz . 2, en PB 1983, L 230, blz . 8, gecodificeerde versie ), en in de tweede plaats de uitlegging van de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag .

2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen mevr . Hartmann Troiani ( verzoekster in het hoofdgeding, hierna : verzoekster ) en het Duitse sociale-verzekeringsorgaan, de Landesversicherungsanstalt Rheinprovinz ( verweerster in het hoofdgeding, hierna verweerster ), met betrekking tot de nabetaling van vrijwillige verzekeringsbijdragen voor het ouderdomspensioen .

3 Verzoekster was vanaf 1 maart 1952 in de Bondsrepubliek Duitsland werkzaam in loondienst . Zij huwde in 1963 . Op haar verzoek werden haar bij die gelegenheid overeenkomstig paragraaf 1304 van de Duitse Reichsversicherungsordnung ( hierna : RVO ) de verzekeringsbijdragen terugbetaald die zij tot haar huwelijk voor het ouderdomspensioen had betaald . Na haar huwelijk was zij nog elf maanden werkzaam in de Bondsrepubliek Duitsland en gedurende die periode betaalde zij verplichte bijdragen voor het ouderdomspensioen .

4 In 1964 vestigde verzoekster zich in Italië, waar zij in loondienst trad . In 1981 diende zij een verzoek in als bedoeld in artikel 2, paragraaf 28, van het Duitse Arbeiterrentenversicherungs-Neuregelungsgesetz ( ArVNG; Wet tot herziening van de pensioenverzekering voor arbeiders, hierna : ArVNG ). Krachtens die bepaling kunnen vrouwen de verzekeringsbijdragen voor het ouderdomspensioen vrijwillig nabetalen, die hun bij huwelijk waren terugbetaald . Zij luidt als volgt :

" Vrouwelijke verzekerden, die een werkzaamheid verrichten waarvoor een verplichte ouderdomspensioenverzekering geldt en aan wie op grond van paragraaf 1304 van de Reichsversicherungsordnung ... bijdragen zijn terugbetaald, kunnen op verzoek ... terugwerkend tot 1 januari 1924 bijdragen nabetalen voor de tijdvakken waarvoor bijdragen op grond van voornoemde bepalingen zijn terugbetaald, voor zover die tijdvakken niet reeds door bijdragen zijn gedekt . Nabetaling van bijdragen is enkel mogelijk, indien na de terugbetaling van de bijdragen ten minste gedurende 24 kalendermaanden bijdragen zijn betaald in verband met een werkzaamheid waarvoor een verplichte pensioenverzekering geldt ."

5 Het sociale-verzekeringsorgaan wees dit verzoek af, op grond dat verzoekster niet aan de twee voorwaarden van deze Duitse bepaling voldeed . In de eerste plaats had zij ten tijde van de aanvrage geen werkzaamheid verricht die in Duitsland verzekeringsplichtig was voor het ouderdomspensioen . In de tweede plaats had zij, na de terugbetaling van bijdragen in verband met haar huwelijk, niet ten minste gedurende 24 maanden verplichte bijdragen voor de Duitse pensioenverzekering betaald .

6 Verzoekster ging tegen die beslissing in beroep bij het Sozialgericht Duesseldorf, dat de beslissing van verweerster bevestigde . Op het hoger beroep van verzoekster wees het Landessozialgericht echter de eis toe .

7 Verweerster stelde beroep in Revision in bij het Bundessozialgericht . Naar diens oordeel heeft verzoekster na de terugbetaling van bijdragen in verband met haar huwelijk wel degelijk ten minste gedurende 24 maanden bijdragen betaald ter zake van een in Duitsland voor het ouderdomspensioen verzekeringsplichtige werkzaamheid . Krachtens artikel 9, lid 2, van verordening nr . 1408/71 zouden de tijdvakken van arbeid, gedurende welke verzoekster in Italië verplicht verzekerd was voor het ouderdomspensioen, namelijk moeten worden gelijkgesteld met tijdvakken van arbeid onderworpen aan de Duitse verplichte ouderdomspensioenverzekering .

8 Met betrekking tot de voorwaarde van aansluiting, inhoudende dat ten tijde van de aanvrage een werkzaamheid moet worden verricht die voor het Duitse ouderdomspensioen een verzekeringsplicht doet ontstaan, stelt het Bundessozialgericht vast, dat verzoekster op het moment van indiening van haar aanvraag in Italië werkzaam was . Het vraagt zich derhalve af, of artikel 9, lid 2, van verordening nr . 1408/71 belang zou kunnen hebben voor de eis van verzoekster en, zo niet, of artikel 48 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen de toepassing van de aansluitingsvoorwaarde zoals die is neergelegd in artikel 2, paragraaf 28, ArVNG .

9 Artikel 9 van verordening nr . 1408/71 luidt als volgt :

" 1 . De bepalingen van de wetgeving van een Lid-Staat welke de toelating tot de vrijwillige of de vrijwillig voortgezette verzekering afhankelijk stellen van het wonen op het grondgebied van deze Staat, gelden niet voor personen die wonen op het grondgebied van een andere Lid-Staat, mits zij tevoren ooit als werknemer of zelfstandige aan de wetgeving van eerstbedoelde Staat onderworpen zijn geweest .

2 . Indien de wetgeving van een Lid-Staat de toelating tot de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, worden, voor zover nodig, de tijdvakken van verzekering of van wonen welke krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat vervuld zijn, in aanmerking genomen alsof het tijdvakken van verzekering betrof welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Staat vervuld waren ."

10 Van oordeel, dat het hier een uitleggingsvraag van gemeenschapsrecht betrof, heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen :

" 1 ) Moet artikel 9, lid 2, van verordening nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, aldus worden uitgelegd, dat het ook betrekking heeft op gevallen waarin de nabetaling van vrijwillige premies of bijdragen voor de pensioenverzekering afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde, dat op het moment van de aanvrage een werkzaamheid wordt verricht die naar nationaal recht onder de verplichte pensioenverzekering valt?

2 ) Zo neen : Is een nationale regeling als in de eerste vraag omschreven, in strijd met artikel 48 en volgende EEG-Verdrag of met andere gemeenschapsrechtelijke bepalingen?"

11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het juridisch kader van het hoofdgeding alsmede de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hieronder slechts weergegeven voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .

12 Vooraf zij erop gewezen, dat een nationale wettelijke regeling die het recht tot vrijwillige nabetaling van bijdragen voor de pensioenverzekering afhankelijk stelt van bepaalde voorwaarden,onder het begrip voortgezette verzekering in de zin van artikel 9 van verordening nr . 1408/71 valt . Zoals het Hof immers reeds in zijn arrest van 16 maart 1977 ( zaak 93/76, Liégeois, Jurispr . 1977, blz . 543 ) heeft vastgesteld, omvat die bepaling "alle soorten van verzekering met een element van vrijwilligheid ..., ongeacht of het daarbij gaat om de voortzetting van een tevoren gevestigde verzekeringsverhouding ".

De eerste vraag

13 De kern van de eerste vraag is, of artikel 9 van verordening nr . 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat de voorwaarde van aansluiting bij een stelsel van verplichte verzekering in een Lid-Staat, waaraan volgens de wettelijke bepalingen van die staat moet zijn voldaan op het tijdstip waarop een verzoek om nabetaling van vrijwillige bijdragen voor het ouderdomspensioen wordt ingediend, als vervuld kan worden beschouwd, wanneer degene die het verzoek indient, op dat tijdstip is aangesloten bij een stelsel van verplichte verzekering in een andere Lid-Staat .

14 Volgens artikel 9, lid 1, van verordening nr . 1408/71 gelden woonplaatsvereisten, waarvan een nationale wettelijke regeling de toelating tot de vrijwillige verzekering afhankelijk stelt, niet voor werknemers . Een voorwaarde van aansluiting zoals die van artikel 2, paragraaf 28, ArVNG kan evenwel niet worden gelijkgesteld met een woonplaatsvereiste . Aan een woonplaatsvereiste kan immers ook worden voldaan, wanneer de betrokkene niet uit hoofde van het verrichten van een werkzaamheid in zijn woonstaat is aangesloten bij een sociale-zekerheidsstelsel . Omgekeerd blijkt uit het voorbeeld van de grensarbeiders, dat de voorwaarde van aansluiting bij het nationale sociale-zekerheidsstelsel kan zijn vervuld, zonder dat de aanvrager op het nationale grondgebied woont . Mitsdien verzet artikel 9, lid 1, van verordening nr . 1408/71 zich niet tegen de toepassing van een voorwaarde van aansluiting zoals die van artikel 2, paragraaf 28, ArVNG .

15 Artikel 9, lid 2, van verordening nr . 1408/71 heeft ten doel de gelijkstelling van de in verschillende Lid-Staten vervulde verzekeringstijdvakken van verzekering te waarborgen, zodat de belanghebbenden kunnen voldoen aan de voorwaarde van een minimumperiode van verzekering, indien een nationale wettelijke regeling de toelating tot de vrijwillige of de vrijwillig voortgezette verzekering daarvan afhankelijk stelt .

16 Uit de bewoordingen van die bepaling blijkt daarentegen, dat zij niet de overige voorwaarden regelt die de wettelijke regelingen van de Lid-Staten kunnen stellen aan het ontstaan van een recht, zoals bij voorbeeld het recht om bijdragen te betalen aan een nationaal stelsel van vrijwillige verzekering of vrijwillig voortgezette verzekering .

17 Mitsdien moet aan de nationale rechterlijke instantie worden geantwoord, dat artikel 9 van verordening nr . 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat de voorwaarde van aansluiting bij een stelsel van verplichte verzekering in een Lid-Staat, waaraan volgens de wettelijke regeling van die staat moet zijn voldaan op het tijdstip waarop een verzoek om nabetaling van vrijwillige verzekeringsbijdragen voor het ouderdomspensioen wordt ingediend, niet kan worden geacht te zijn vervuld wanneer degene die het verzoek indient, op dat tijdstip is aangesloten bij een stelsel van verplichte verzekering in een andere Lid-Staat .

De tweede vraag

18 De tweede vraag houdt in wezen in, of de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten, dat de wettelijke regeling van een Lid-staat ten aanzien van de onderdanen van deze staat een aansluitingsvoorwaarde stelt als die van artikel 2, paragraaf 28, van het ArVNG .

19 In Artikel 48 EEG-Verdrag is het beginsel van het vrije verkeer van werknemers vastgelegd . Dit vrije verkeer houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers der Lid-Staten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden . Behoudens welbepaalde beperkingen houdt het voor de werknemers het recht in om in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling, zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied der Lid-Staten, in een der Lid-Staten te verblijven ten einde daar een beroep uit te oefenen en ten slotte om onder bepaalde voorwaarden op het grondgebied van een Lid-Staat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld .

20 Om de daadwerkelijke uitoefening van het in artikel 48 EEG-Verdrag neergelegde recht op vrij verkeer te waarborgen, diende de Raad ingevolge artikel 51 EEG-Verdrag een stelsel in te voeren dat de werknemers in staat stelt de moeilijkheden te overwinnen die voor hen kunnen voortvloeien uit de nationale wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid . Aan die verplichting heeft de Raad voldaan door de vaststelling van verordening nr . 1408/71 .

21 Het is weliswaar juist dat, zoals het Hof in zijn arrest van 25 februari 1986 ( zaak 284/84, Spruyt, Jurispr . 1986, blz . 685, r.o . 19 ) heeft vastgesteld, het doel van de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag niet zou worden bereikt, indien werknemers als gevolg van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer sociale-zekerheidsvoordelen zouden verliezen, die hen door de wettelijke regeling van een Lid-Staat worden toegekend . Zoals het Hof echter anderzijds in zijn arresten van 24 april 1980 ( zaak 110/79, Coonan, Jurispr . 1980, blz . 1445, r.o . 12 ) en van 24 september 1987 ( zaak 43/86, de Rijke, Jurispr . 1987, blz . 3611, r.o . 12 ) heeft geoordeeld, staat het niettemin aan de nationale wetgever om de voorwaarden vast te stellen waaronder het recht of de verplichting tot aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid of bij een bepaalde tak van een dergelijk stelsel ontstaat, zolang hierbij maar geen onderscheid wordt gemaakt tussen eigen onderdanen en onderdanen van de andere Lid-Staten . Uit de processtukken blijkt, dat de nationale wettelijke regeling waarom het in het hoofdgeding gaat, niet discrimineert op grond van nationaliteit .

22 Mitsdien moet aan de nationale rechterlijke instantie worden geantwoord, dat de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich er niet tegen verzetten, dat de wettelijke regeling van een Lid-Staat ten aanzien van de onderdanen van deze staat een aansluitingsvoorwaarde stelt als die welke is vervat in artikel 2, paragraaf 28, van het ArVNG .

Beslissing inzake de kosten


Kosten

23 De kosten door de Commissie wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),

uitspraak doende op de door het Bundessozialgericht bij beschikking van 10 september 1987 gestelde vragen, verklaart voor recht :

1 ) Artikel 9 van verordening nr . 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat de voorwaarde van aansluiting bij een stelsel van verplichte verzekering in een Lid-Staat, waaraan volgens de wettelijke regeling van die staat moet zijn voldaan op het tijdstip waarop een verzoek om nabetaling van vrijwillige verzekeringsbijdragen voor het ouderdomspensioen wordt ingediend, niet kan worden geacht te zijn vervuld wanneer degene die het verzoek indient, op dat tijdstip is aangesloten bij een stelsel van verplichte verzekering in een andere Lid-Staat .

2 ) De artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich er niet tegen verzetten, dat de wettelijke regeling van een Lid-Staat ten aanzien van de onderdanen van deze staat een aansluitingsvoorwaarde stelt als die welke is vervat in artikel 2, paragraaf 28, van het ArVNG .