61987J0102

ARREST VAN HET HOF VAN 13 JULI 1988. - FRANSE REPUBLIEK TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - STEUNMAATREGELEN VAN DE LID-STATEN - LENING TOEGEKEND DOOR HET FONDS INDUSTRIEL DE MODERNISATION. - ZAAK 102/87.

Jurisprudentie 1988 bladzijde 04067


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

Steunmaatregelen van de staten - Ongunstige beïnvloeding van handelsverkeer tussen Lid-Staten - Aantasting van mededinging - Steun die wordt toegekend aan onderneming die activiteiten tot binnenlandse markt beperkt - Geen overcapaciteit

( EEG-Verdrag, artikel 92, lid 1 )

Samenvatting


Steun aan een onderneming kan het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloeden en de mededinging vervalsen, wanneer die onderneming zich in een situatie bevindt dat zij moet concurreren met produkten uit andere Lid-Staten, zonder dat zij zelf deelneemt aan de uitvoer, of wanneer in de betrokken sector geen overcapaciteit bestaat .

Immers, wanneer een staat steun toekent aan een onderneming, kan de binnenlandse produktie in stand blijven of stijgen, met als gevolg dat de kansen van in andere Lid-Staten gevestigde ondernemingen om hun produkten uit te voeren naar de markt van die Lid-Staat, afnemen .

Partijen


In zaak 102/87,

Franse Republiek, vertegenwoordigd door G . Guillaume en R . de Gouttes als gemachtigden, en B . Botte, als plaatsvervangend gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseurs A . Abate en T . F . Cusack als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,

verweerster,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 14 januari 1987 inzake een lening van het Fonds industriel de modernisation aan een onderneming in de bierbrouwerijsector ( PB 1987, L 152, blz . 27 ),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt : Mackenzie Stuart, president, O . Due, kamerpresident, T . Koopmans, U . Everling, Y . Galmot, C . Kakouris en T . F . O' Higgins, rechters,

advocaat-generaal : C . O . Lenz

griffier : D . Louterman, administrateur

gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 27 april 1988,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 juni 1988,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 4 april 1987, heeft de Franse Republiek krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 14 januari 1987 inzake een lening van het Fonds industriel de modernisation aan een onderneming in de bierbrouwerijsector . Die beschikking werd bij brief van 29 januari 1987 ter kennis gebracht van de Franse regering en is later in het Publikatieblad gepubliceerd ( PB 1987, L 152, blz . 27 ).

2 Het "Fonds industriel de modernisation" ( hierna : het FIM ) werd door de Franse regering opgericht in 1983; het werd in 1986 opgeheven . Het had tot taak, bij te dragen tot de financiering van industriële ondernemingen die materiële en immateriële investeringen verrichtten voor de modernisering van produktieprocédés of de ontwikkeling van nieuwe produkten en procédés . De activiteiten van het FIM waren bij voorrang gericht op een bepaald aantal doelstellingen, waaronder de installatie van technologisch geavanceerde machines en uitrusting in bedrijven . Volgens de toepasselijke voorschriften kon de FIM bijstand verlenen in de vorm van leningen aan industriële ondernemingen; voor die leningen gold een financiële garantie van de staat .

3 De FIM-leningen werden gefinancierd uit de opbrengst van de "comptes de développement industriel" ( hierna : de Codevi ), privé-spaarrekeningen op zeer korte termijn waarmee werd beoogd de Franse huishoudens de gelegenheid te geven om door hun sparen mee bij te dragen tot het door de Franse regering nagestreefde industrieel herstel . De door de Codevi-houders ontvangen rente was vrijgesteld van inkomstenbelasting en werd door de regering vastgesteld op een niveau dat aanzienlijk lager was dan de marktrente . Een gedeelte van de aldus bijeengebrachte middelen werd ter beschikking gesteld van een Franse financiële instelling, de "Caisse de dépôts et consignations", die deze omzette in FIM-leningen . De hoogte van de rente van die leningen werd bepaald door bij de kosten van de Codevi-middelen, die gelijk waren aan de rente die aan de spaarder werd betaald, een bankmarge van 2 % en een bijdrage in de beheerskosten van de regeling op te tellen .

4 In februari 1984 leidde de Commissie de in artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag voorziene procedure in ten aanzien van de FIM-leningen, op grond dat zij steunmaatregelen van de staten waren en dat moest worden onderzocht of deze steunmaatregelen verenigbaar waren met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92, lid 3, EEG-Verdrag . Aan het einde van die procedure werd beschikking 85/378 van de Commissie van 19 december 1984 betreffende de Franse steunregeling voor de industrie in de vorm van speciale investeringen, gesubsidieerde leningen aan ondernemingen, aanvullende herfinancieringsleningen en leningen van het "Fonds industriel de modernisation" vastgesteld ( PB 1985, L 216, blz . 12 ). Tegen die beschikking heeft de Franse regering geen beroep ingesteld .

5 In de considerans van beschikking 85/378 wordt met name verklaard, dat de rente voor de FIM-leningen systematisch op een lager niveau dan dat van de marktrente werd vastgesteld, hetwelk een gevolg was van het feit, dat de FIM-leningen werden gefinancierd uit de opbrengst van de Codevi . De aldus bijeengebrachte middelen werden omgezet in leningen op lange termijn aan de industrie . Deze fondsen konden tegen een zo lage rente en in dergelijke grote hoeveelheden worden verworven ten gevolge van de belastingvrijstelling die voor de Codevi werd verleend door de staat, die aldus afzag van aanzienlijke fiscale inkomsten . In die omstandigheden kwam de combinatie van de belastingvrijstelling van de Codevi en de omzetting van de opbrengst ervan in FIM-leningen erop neer, dat aan de begunstigde ondernemingen een rentesubsidie werd verleend ten koste van de belastingontvangsten van de staat . De toekenning van FIM-leningen tegen het desbetreffende preferentiële tarief had dus het karakter van een steunmaatregel van een staat in de zin van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag .

6 Aangaande de verenigbaarheid van deze steunregeling met de gemeenschappelijke markt wordt in de considerans van beschikking 85/378 vastgesteld dat deze steun in verband met het grote aantal gevallen waarin de steun kan worden verleend zonder dat de voorwaarden worden veranderd waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, per concreet geval moet worden onderzocht . Bijgevolg diende de Commissie in staat te worden gesteld om voor "significante individuele gevallen", waarin de voorwaarden waaronder het handelsverkeer binnen de Gemeenschap plaatsvindt, door de toekenning van steun zodanig kunnen worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad, na te gaan of deze steun verenigbaar is met de bepalingen van artikel 92 van het Verdrag .

7 Volgens artikel 1 van de beschikking verzet de Commissie zich niet tegen de toepassing van steunmaatregelen in de vorm van, onder meer, leningen van het "Fonds industriel de modernisation", op voorwaarde evenwel dat de Franse regering overeenkomstig het bepaalde in artikel 93, lid 3, van het Verdrag haar voordat deze leningen worden verstrekt in kennis stelt van de significante, concrete gevallen . In artikel 2 wordt aan de hand van variabele drempels volgens intensiteit in netto-subsidie-equivalent vastgesteld welke de concrete, significante gevallen zijn, die moeten worden aangemeld . In de beschikking wordt gepreciseerd dat de aanmeldingsplicht zowel voor de nieuwe als voor de bestaande steunmaatregelen geldt .

8 Bij nota van 26 april 1985 legde de Franse overheid de Commissie de dossiers over van de ondernemingen waaraan sinds de oprichting van het FIM FIM-leningen waren toegekend, in gevallen die door de Commissie als "significant" waren bestempeld . In de nota merkte de Franse overheid op, dat zij weliswaar de dossiers overlegde, doch betwistte dat de FIM-leningen het karakter van steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag hadden . Een van de overgelegde dossiers betrof een lening aan de "Société européenne de brasserie ". Met betrekking tot deze lening heeft de Commissie op 14 januari 1987 de beschikking gegeven, die het voorwerp uitmaakt van het onderhavige beroep .

9 In de bestreden beschikking wordt vastgesteld, dat de aan een bierbrouwerij verstrekte lening van 40 miljoen FF, die aan de Commissie was aangemeld bij brief van 30 april 1985 - datum waarop de Commissie de nota van 26 april ontving -, en die vanwege de daaraan verbonden rentesubsidie van 4,75 punten steunelementen in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag inhoudt, in strijd is met de bepalingen van artikel 93, lid 3, van het Verdrag en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92 . Volgens artikel 2 van de beschikking dient de betrokken steun te worden teruggevorderd en moet de Franse regering de Commissie in kennis stellen van de maatregelen welke zij heeft genomen om daaraan gevolg te geven .

10 Voor een nadere uiteenzetting van de voorgeschiedenis van het geding en de middelen en argumenten van partijen, alsmede van de antwoorden op de vragen van het Hof wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen uit het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .

11 De middelen van de Franse regering zijn respectievelijk ontleend aan : schending van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag, schending van wezenlijke vormvoorschriften en schending van het algemene rechtszekerheidsbeginsel . De eerste twee middelen hebben beide betrekking op het karakter van met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel van de omstreden lening en de wijze waarop de Commissie de rentesubsidie heeft berekend . Die twee problemen dienen achtereenvolgens zowel ten gronde als wat betreft de motivering te worden onderzocht .

A - Het karakter van met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel van de omstreden lening

12 De Franse regering stelt om te beginnen, dat de lening die door het FIM aan de "Société européenne de brasserie" is verstrekt, geen steunmaatregel van een staat inhoudt waardoor zij onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt .

13 In antwoord op de vraag van het Hof, of de Franse regering, door geen beroep in te stellen tegen beschikking 85/378, de daarin vervatte criteria voor de vaststelling van het steunelement had aanvaard, heeft deze laatste verklaard, dat krachtens die beschikking zelfs de steunmaatregelen die "significante individuele gevallen" vormen, niet noodzakelijk onwettig zijn . Bijgevolg kan de definitie van deze "significante" gevallen slechts een formeel, en geen materieel belang hebben .

14 In de considerans van beschikking 85/378 wordt een grondige analyse gegeven van de procedure voor het verstrekken van de FIM-leningen, waarna wordt besloten dat die leningen een steunelement inhouden : in het bijzonder de preferentiële rente, een element dat nog wordt versterkt door de financiële waarborg van de staat en de wijze waarop deze de middelen van de spaarrekeningen naar de industrie geleidt . Weliswaar heeft de Franse regering geprotesteerd tegen de omstandigheid dat de FIM-leningen als steunmaatregel zijn aangemerkt, doch zij heeft de beoordeling van de Commissie niet aan het oordeel van het Hof voorgelegd . Integendeel, zij heeft zich naar beschikking 85/378 gevoegd door de "significante concrete gevallen" van steunverlening in de zin van die beschikking bij de Commissie aan te melden .

15 Gelet op deze omstandigheden kan de Franse regering in een geding betreffende een beschikking inzake een bepaald significant concreet geval, niet gewoonweg verklaren dat zij het karakter van steunmaatregel van de FIM-leningen betwist, zonder andere argumenten aan te voeren dan die welke de Commissie reeds in de considerans van beschikking 85/378 heeft onderzocht . In het kader van het onderhavige geding heeft de Franse regering evenwel geen enkel nieuw element aangevoerd .

16 Aangezien bijgevolg het karakter van steunmaatregel van de omstreden lening niet meer kan worden betwist, moet worden nagegaan of de betrokken steunmaatregel onverenigbaar moet worden geacht met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92 .

17 In dit verband stelt de Franse regering, dat de betrokken lening niet kan worden geacht het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en de mededinging ongunstig te beïnvloeden . Bovendien zou de beschikking geen gegevens bevatten, op grond waarvan de redenering kan worden begrepen die de Commissie op dit punt heeft gevolgd .

18 In de bestreden beschikking wordt de biermarkt in Frankrijk onderzocht . Na de vaststelling, dat het jaarlijks verbruik per inwoner in de periode 1975-1985 in de meeste Lid-Staten is gelijk gebleven en in Frankrijk iets is teruggelopen, wordt opgemerkt dat Frankrijk van oudsher iets meer dan 10 % van zijn behoeften uit andere Lid-Staten importeert . In dezelfde periode was de Franse export naar die landen licht gedaald en vertegenwoordigde zij nog slechts ongeveer 1,5 % van de Franse produktie . De door de betrokken lening begunstigde onderneming werd voor 100 % gecontroleerd door een Frans concern waarvan de bierproduktie meer dan 50 % van de Franse produktie bedroeg en dat aan de intracommunautaire bierhandel deelnam . De onderneming zelf nam ongeveer 20 % van de Franse markt voor haar rekening .

19 De feiten worden door de Franse regering niet betwist . Wel merkt zij op, dat de Commissie noch een overcapaciteit in de sector van de bierproduktie, noch het aandeel van de begunstigde onderneming in de uitvoer naar andere Lid-Staten heeft vastgesteld . Steun aan een onderneming kan evenwel het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloeden en de mededinging vervalsen, zelfs indien die onderneming niet zelf deelneemt aan de uitvoer doch zich in een situatie bevindt dat zij moet concurreren met produkten uit andere Lid-Staten . Een dergelijke situatie kan zich ook voordoen, wanneer in de betrokken sector geen overcapaciteit bestaat . Immers, wanneer een staat steun toekent aan een onderneming, kan de binnenlandse produktie in stand blijven of stijgen, met als gevolg dat in omstandigheden als door de Commissie werden vastgesteld, de kansen van in andere Lid-Staten gevestigde ondernemingen om hun produkten uit te voeren naar de markt van die Lid-Staat, afnemen . Een dergelijke steunmaatregel kan bijgevolg het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloeden en de mededinging vervalsen .

20 Bijgevolg kunnen de overwegingen van de Commissie, in hun geheel genomen, de conclusie van de Commissie rechtvaardigen, dat de steunmaatregel onwettig is .

21 Mitsdien moeten de grieven betreffende het karakter van steunmaatregel, met inbegrip van de grieven betreffende de motivering van de beschikking, worden verworpen .

B - De berekeningswijze van de rentesubsidie

22 De Franse regering voert aan, dat in de bestreden beschikking een rentesubsidie van 4,75 punten wordt vermeld, zonder dat hiervoor een rechtvaardiging wordt gegeven . Aangezien de FIM-leningen werden toegekend tegen een rente van 9,25 %, was de Commissie waarschijnlijk ervan uitgegaan, dat de marktrente voor een soortgelijke lening 14 % bedroeg . Dit werd in de beschikking niet gezegd en was onjuist, aangezien de toenmalige marktrente lager was .

23 De Commissie stelt, dat de marktrente van 14 % afkomstig is van gegevens die de Franse regering zelf heeft verstrekt voor de cooerdinatie van steunregelingen met regionale strekking . In dat verband was de gemiddelde marktrente die in aanmerking diende te worden genomen, de rente die gold voor de leningen voor uitrustingen van het crédit national . Deze bedroeg destijds 14 %.

24 Uit de processtukken alsmede uit de discussie voor het Hof blijkt dat in 1971 en vervolgens in 1979 tussen de Commissie en de Lid-Staten overleg is gevoerd met het oog op de vaststelling van de modaliteiten volgens welke zij de beginselen voor de cooerdinatie van de steunregelingen met regionale strekking zou toepassen . Deze modaliteiten zijn gepubliceerd in de vorm van mededelingen van de Commissie . De mededeling van 1971 ( PB 1971, C 111, blz . 7 ) bevat een gemeenschappelijke waarderingsmethode voor de steunregelingen, waarbij onder meer een referentiepercentage wordt vastgesteld ter beoordeling van de omvang van de eventuele vermindering van de rentevoet . In de mededeling van 1979 ( PB 1979, C 31, blz . 9 ) wordt gepreciseerd, dat het referentiepercentage voortaan zal worden vastgesteld volgens een schema waarin wordt bepaald welk tarief voor iedere Lid-Staat in aanmerking moet worden genomen . Voor Frankrijk verwijst de mededeling naar "het tarief van het crédit national voor leningen voor gebouwen en uitrusting ". Het staat vast dat dit tarief op het ogenblik van de feiten 14 % bedroeg .

25 De Franse regering stelt om te beginnen, dat het voor regionale steunmaatregelen gebruikte tarief van het crédit national niet kan worden toegepast op andere soorten steunmaatregelen . Dit argument moet worden verworpen . Het tarief van het crédit national werd weliswaar in de mededeling van 1979 opgenomen om de doorzichtigheid van de nationale regionale steunregelingen te bevorderen en om de Commissie en andere belangstellenden in staat te stellen, het eventuele steunelement in de leningen met regionale strekking op te sporen, maar dit tarief moet niettemin worden beschouwd als een deugdelijke aanwijzing van de marktrente voor leningen voor industriële investeringen, en als zodanig worden aanvaard .

26 De Franse regering stelt eveneens, dat ter beoordeling van de omvang van de steunverlening niet moet worden uitgegaan van het algemene tarief van 14 %, zoals de Commissie doet, doch van een aanzienlijk lager tarief, gelet op de gunstiger voorwaarden die de onderneming bij de financiële instellingen had kunnen verkrijgen, aangezien het ging om een investering in geavanceerde technologie door een zeer grote onderneming .

27 Ter zake heeft de Franse regering weliswaar tot staving van haar beroep enige overigens beperkte gegevens verstrekt, maar tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij deze in de loop van de administratieve procedure die aan de bestreden beschikking voorafging, nooit aan de Commissie heeft kenbaar gemaakt, waardoor zij niet loyaal met deze laatste heeft samengewerkt . In die omstandigheden kan zij niet beweren, dat de Commissie ten onrechte de rente van 14 % als enige beschikbare, tegenover haar niet aangevochten referentie heeft gehanteerd .

28 Op grond van het voorgaande kon de Commissie in casu terecht uitgaan van een marktrente van 14 %.

29 Met betrekking tot de grieven inzake de motivering dient te worden vastgesteld, dat deze op het punt van de berekening van de rentesubsidie beknopt is . De motivering van de bestreden beschikking moet evenwel worden bezien in het licht van die van beschikking 85/378 waarvan zij een toepassingsgeval is . In die beschikking wordt ten aanzien van de FIM-leningen juist het accent gelegd op de rentesubsidie die zou voortvloeien uit het verschil tussen de preferentiële rente die door de Franse regering werd vastgesteld, en de marktrente . Blijkens een parameter die in overleg tussen de Commissie en de Franse overheid is vastgesteld en laatstgenoemde goed bekend is, is de marktrente de rente die door het crédit national wordt toegepast voor leningen voor gebouwen en uitrusting .

30 Gelet op het voorgaande en de wijze waarop de Franse regering overeenkomstig artikel 93 EEG-Verdrag werd betrokken bij de totstandkoming van zowel de bestreden beschikking als beschikking 85/378, beschikte die regering over alle inlichtingen die nodig waren om de gegrondheid ervan te oordelen . Bovendien heeft de motivering van de twee beschikkingen het Hof in staat gesteld, de wettigheidstoetsing ten volle uit te oefenen .

31 Bijgevolg is de Franse regering niet erin geslaagd, aan te tonen dat de bestreden beschikking onvoldoende was gemotiveerd .

C - Het algemene rechtszekerheidsbeginsel

32 Met haar derde middel voert de Franse regering aan, dat het dispositief van de bestreden beschikking de noodzakelijke duidelijkheid ontbeert, met name in zoverre het de Franse regering verplicht, "de betrokken steun" terug te vorderen, zonder te preciseren waaruit deze steun bestaat . Op die manier zou de adressaat van de beschikking niet in staat zijn het effectieve bedrag van de terug te vorderen steun te bepalen .

33 Dit middel moet worden verworpen . In het eerste artikel van de bestreden beschikking wordt immers verklaard, dat de rentesubsidie 4,75 punten bedraagt en dat zij betrekking heeft op een lening van 40 miljoen FF . De adressaat van de beschikking kan dus zonder buitensporige moeilijkheden het bedrag vaststellen, dat volgens de bewoordingen van de beschikking moet worden teruggevorderd .

34 Uit het voorgaande volgt dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen .

Beslissing inzake de kosten


Kosten

35 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Daar verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende,

1 ) Verwerpt het beroep .

2 ) Verwijst de Franse Republiek in de kosten .