RAPPORT TER TERECHTZITTING

in zaak C-3/87 ( *1 )

I — Feiten en procesverloop

1.

Agegate Ltd, verzoekster in het hoofdgeding, is een vennootschap die in 1981 in het Verenigd Koninkrijk is opgericht. Haar zetel is gelegen in het Verenigd Koninkrijk, het aandelenkapitaal is voor 95% in Spaanse en voor 5% in Britse handen. Zij is eigenaar van een vissersschip, de Ama Antxine, dat naar behoren is geregistreerd in het Verenigd Koninkrijk en de Britse vlag voert. De bemanning van de Ama Antxine bestaat voor een deel uit Spaanse vissers die worden beloond met een aandeel in de besomming („share fishermen”).

2.

Ingevolge de Sea Fish (Conservation) Act 1967, zoals gewijzigd bij de Fishery Limits Act 1976 en de Fisheries Act 1981, moeten Britse vissersvaartuigen een vergunning hebben voor de visvangst.

3.

In 1983 namen de Britse autoriteiten, bezorgd over het toenemend aantal vissersvaartuigen dat in het Verenigd Koninkrijk was geregistreerd doch in Spaanse handen was, de British Fishing Boats Act 1983 aan, die de basis vormde voor de British Fishing Boats Order 1983. Krachtens de bepalingen van de Act en de Order, in onderlinge samenhang gelezen, mogen Britse vissersvaartuigen bepaalde verrichtingen niet uitvoeren, tenzij 75% van hun bemanning Brits onderdaan is of onderdaan van een andere Lid-Staat. Het betreft de volgende verrichtingen:

a)

het vissen op zeevis in wateren gelegen binnen de Britse visserijzone;

b)

het overladen van zeevis in die wateren;

c)

het aanvoeren van zeevis in het Verenigd Koninkrijk.

4.

In een op 6 december 1985 door het Ministry of Agriculture, Fisheries and Food uitgegeven persbericht werd aangekondigd, dat per 1 januari 1986 nieuwe voorwaarden voor visvergunningen zouden worden ingevoerd. Met die voorwaarden diende te worden verzekerd, dat vissersvaartuigen die onder de aan het Verenigd Koninkrijk toegekende quota visten, een „reële economische band” met dat land hadden.

5.

Op 23 januari 1986 ontving Agegate een reeks nieuwe vergunningen voor de Ama Antxine. Aan alle vergunningen waren de volgende voorwaarden verbonden:

a)

ten minste 75% van de bemanning moest bestaan uit Britse onderdanen of EEG-onderdanen (tot 1 januari 1988 met uitzondering van Griekse onderdanen en tot 1 januari 1993 met uitzondering van Spaanse en Portugese onderdanen, niet zijnde een echtgenoot of een kind beneden de 21 jaar van een Griekse, Spaanse of Portugese werknemer die reeds in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd, in overeenstemming met de overgangsregeling inzake het vrije verkeer van werknemers na de toetreding van Griekenland, Spanje en Portugal tot de Gemeenschappen, bedoeld in de betrokken Toetredingsverdragen) ;

b)

datzelfde percentage bemanningsleden moest aan wal woonachtig zijn in het Verenigd Koninkrijk;

c)

de kapitein en alle bemanningsleden moesten bijdragen betalen aan het nationale verzekeringsstelsel van het Verenigd Koninkrijk.

6.

De afgegeven vergunningen gelden voor verschillende zones waarvoor Britse quota bestaan. Zij berusten uitdrukkelijk op de Sea Fish (Conservation) Act 1967 en op de Sea Fish Licensing Order 1983 in hun gewijzigde versies. Vorengenoemde voorwaarden werden evenwel in de vergunningen opgenomen zonder dat die wetgeving opnieuw was gewijzigd.

7.

Van mening dat de gestelde voorwaarden onder meer in strijd waren het het gemeenschapsrecht, maakte Agegate Ltd een zaak aanhangig bij de High Court of Justice of England and Wales.

8.

Dat rechtscollege kwam tot het oordeel, dat voor het geschil enkele bepalingen van het gemeenschapsrecht moesten worden uitgelegd, en besloot bij beschikking van 1 december 1986 krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de behandeling van de zaak te schorsen totdat het Hof van Justitie bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak zou hebben gedaan over de volgende vragen:

„A —

Aan de hand van welke criteria moet worden vastgesteld, of een visser die wordt beloond met een aandeel in de besomming (share fisherman), een dienstverrichter of een werknemer is ?

B —

Mag een Lid-Staat na de toetreding van Spanje en Portugal tot de Europese Gemeenschappen bij de afgifte van een vergunning aan de eigenaar of charteraar van een onder de vlag van die Lid-Staat varend en aldaar geregistreerd vissersvaartuig op grond van de artikelen 55 en 56 van de Akte inzake de toetreding van Spanje en Portugal tot de Europese Gemeenschappen (die alleen van toepassing zijn op werknemers) als voorwaarde stellen dat:

i)

75% van de bemanning van een onder de vlag van die Lid-Staat varend en aldaar geregistreerd vissersvaartuig bestaat uit EEG-onderdanen die in die Lid-Staat woonplaats aan de wal hebben, doch tot 1 januari 1993 met uitzondering van Spaanse onderdanen, niet zijnde een echtgenoot of een kind beneden de 21 jaar van een Spaanse werknemer die reeds in de Lid-Staat die de vergunning afgeeft, is gevestigd, en dat

ii)

de kapitein en alle bemanningsleden bijdragen moeten betalen aan het socialezekerheidsstelsel van die Lid-Staat ?

C —

Is het hoe dan ook verenigbaar met het gemeenschapsrecht, daaronder begrepen het gemeenschappelijk visserijbeleid, dat na de toetreding van Spanje en Portugal tot de Europese Gemeenschappen de afgifte van een vergunning door een Lid-Staat aan de eigenaar of charteraar van een onder de vlag van die Lid-Staat varend en aldaar geregistreerd vissersvaartuig wordt gekoppeld aan de volgende voorwaarden:

i)

dat ten minste 75% van de bemanning

1.

onderdaan is van de Lid-Staat die de vergunning afgeeft, dan wel EEG-onderdaan (doch tot 1 januari 1993 met uitzondering van Spaanse onderdanen, niet zijnde een echtgenoot of een kind beneden de 21 jaar van een Spaanse werknemer die reeds in de Lid-Staat die de vergunning afgeeft, is gevestigd in overeenstemming met de overgangsregeling inzake het vrije verkeer van werknemers na de toetreding van Spanje tot de Gemeenschappen, voorzien in het Toetredingsverdrag), en

2.

zijn gewone woonplaats heeft in de Lid-Staat die de vergunning afgeeft (dat wil zeggen woonplaats aan wal, dienst aan boord van een onder de vlag van die Lid-Staat varend schip niet daaronder begrepen) ;

ii)

dat de kapitein en alle bemanningsleden bijdragen betalen aan het socialezekerheidsstelsel van de Lid-Staat die de vergunning afgeeft ?

D —

Kan de houder van een dergelijke vergunning voor de nationale rechter een beroep doen op de onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een of meer van de in de derde vraag bedoelde voorwaarden, ten einde te doen vaststellen dat het opleggen van dergelijke voorwaarden onwettig is en moet worden nietig verklaard ?”

9.

De beschikking van de High Court of Justice of England and Wales is op 1 januari 1987 ter griffie van het Hof ingeschreven.

10.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn op 3 april 1987 schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Oliver en J. Currall, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, op 9 april 1987 door Agegate Ltd, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door D. Vaughan QC, K. P. E. Lasok, barrister, en S. J. Swabey, solicitor, op 13 april 1987 door de Ierse regering, vertegenwoordigd door L. J. Dockery, chief state solicitor, als gemachtigde, op 16 april 1987 door het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door H. R. L. Purse, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door J. Laws en C. Vajda, barristers, op 17 april 1987 door de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door O. Fiumara, avvocato dello stato, als gemachtigde, en op 21 april 1987 door het Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door F. J. Conde de Saro, directeur-generaal Coördinatie van juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, als gemachtigde.

11.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

II — Schriftelijke opmerkingen

De eerste vraag

12.

De Akte betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Economische Gemeenschappen (PB 1985, L 302) bevat specifieke bepalingen betreffende het vrije verkeer van „werknemers”. Artikel 55 bepaalt het volgende:

„Artikel 48 van het EEG-Verdrag is, wat het vrije verkeer van werknemers tussen Spanje en andere Lid-Staten betreft, slechts van toepassing onder voorbehoud van de overgangsbepalingen in de artikelen 56 tot en met 59 van deze Akte.”

13.

De eerste vraag is dan ook gesteld om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of artikel 55, dat betrekking heeft op personen in loondienst, dan wel de bepalingen van gemeenschapsrecht betreffende personen die diensten verrichten, van toepassing zijn op vissers die worden beloond met een aandeel in de besomming (share fishermen).

14.

Volgens Agegate, verzoekster in het hoofdgeding, heeft de term „werknemer” een communautaire betekenis. Om te bepalen of iemand „werknemer” of „zelfstandige” is in de zin van het Verdrag, kan verwijzing, naar het nationale recht evenwel noodzakelijk zijn.

15.

Agegate verwijst naar de door het Hof in het arrest van 3 juli 1986 (zaak 66/85, Lawrie-Blum, Jurispr. 1986, blz. 2121, r. o. 17) gegeven definitie van werknemer, volgens welke „het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt”. Agegate acht de definitie ontoereikend, voor zover daarin de mate van gezag als enig criterium wordt gehanteerd om tussen werknemers en zelfstandigen te onderscheiden.

16.

Volgens haar moeten in deze zaak ook andere criteria worden gehanteerd, waarbij met name met bepaalde objectieve factoren rekening wordt gehouden, zoals de uit de betrokken overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen, de wijze waarop in de overeenkomst de verhouding tussen de betrokkenen wordt gekwalificeerd en de wijze waarop die verhouding in het nationale recht wordt behandeld.

17.

Op grond van een analyse van die factoren komt zij tot de conclusie, dat in de onderhavige zaak de bemanningsleden van de Ama Antxine geen werknemers zijn. Naar Engels recht worden de vissers van de Ama Antxine door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk in alle opzichten behandeld als zelfstandigen. Het Verenigd Koninkrijk kan dan ook niet met een beroep op de situatie in andere Lid-Staten de onderdanen van die Lid-Staten rechten onthouden die hen door de gemeenschapswetgeving worden toegekend. In geen geval kan het gemeenschapsrecht die personen in een slechtere toestand brengen dan die waarin personen die hetzelfde beroep uitoefenen, op grond van het nationale recht verkeren.

18.

De Britse regering evenwel acht „share fishermen” werknemers; zij beroept zich daarvoor op het zojuist aangehaalde arrest Lawrie-Blum.

19.

Naar Brits recht wordt iemand die in dienst is op grond van een overeenkomst, als werknemer aangemerkt, terwijl iemand bij wie dat element, zoals in casu, ontbreekt, als zelfstandige wordt gezien. Desondanks is het feit dat een „share fisherman” als zelfstandige wordt beschouwd, niet voldoende om hem als een verrichter van diensten aan te merken, aangezien hij in aanmerking komt voor werkloosheidsuitkering. De wijze waarop de verhouding in de overeenkomst wordt gekwalificeerd, de vorm van de overeenkomst en de wijze van beloning bieden niet voldoende uitsluitsel om iemands rechtspositie naar Engels recht of naar het recht van andere landen vast te stellen. Daarom moet een communautaire definitie van de term werknemer worden vastgesteld.

20.

Gezien het restkarakter van het begrip „verrichter van diensten” in het EEG-Verdrag, kan die term niet zo ruim worden uitgelegd dat daaronder ook situaties vallen die normaal gesproken binnen de verdragsbepalingen betreffende werknemers vallen. Bij een dergelijke benadering zouden „share fishermen” op den duur van alle voordelen kunnen profiteren, die het gemeenschapsrecht enkel aan werknemers toekent.

21.

De Ierse regering ondersteunt het betoog van het Verenigd Koninkrijk en meent dat indien de derde vraag zoals zij voorstelt, bevestigend wordt beantwoord, de eerste vraag geen beantwoording behoeft.

22.

De Italiaanse regering is van mening, dat het begrip werknemer moet worden gedefinieerd op basis van de beginselen welke de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben. Zij wijst er in dit verband op, dat „share fishermen” slechts als werknemers kunnen worden beschouwd.

23.

Ook het Koninkrijk Spanje stelt, dat het begrip werknemer een communautaire betekenis moet hebben. Aangezien de gemeenschapsbepalingen niet een zodanige definitie kennen, concludeert het Koninkrijk Spanje na een analyse van artikel 48 EEG-Verdrag, dat vissers die zonder arbeidsovereenkomst werken, voor afzonderlijke reizen, en wier verdiensten afhankelijk zijn van de omvang van de vangst, als verrichters van diensten moeten worden aangemerkt.

24.

Ten slotte meent ook de Commissie, dat het begrip werknemer een communautaire betekenis moet hebben. Zij beroept zich daarvoor op de rechtspraak van het Hof en op de nadelige gevolgen die een verwijzing naar nationale wetgeving zou hebben. In zijn arrest van 11 juli 1985 (zaak 105/84, Mikkelsen, Jurispr. 1985, blz. 2639) heeft het Hof weliswaar vastgesteld, dat het begrip werknemer in richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen (PB 1977, L 61, blz. 26) naar nationaal recht moet worden gedefinieerd, maar die rechtspraak is in deze zaak niet relevant, aangezien die richtlijn slechts een gedeeltelijke harmonisering beoogde en niet een uniforme bescherming op basis van gemeenschappelijke criteria in heel de Gemeenschap wilde bieden. Voor het onderscheid tussen een werknemer en een zelfstandige moet het criterium worden gehanteerd dat het Hof in zijn arrest Lawrie-Blum heeft neergelegd. Het begrip werknemer en het begrip zelfstandige moeten ruim worden uitgelegd, aangezien deze beide begrippen de werkingssfeer van twee in het Verdrag gewaarborgde grondrechten bepalen.

De tweede vraag

25.

De nationale rechter gaat ervan uit, dát de artikelen 55 en 56 van de Toetredingsakte van 1985 alleen op werknemers betrekking hebben. Hij vraagt, of die artikelen aldus moeten worden uitgelegd, dat op grond daarvan voor aan boord van Britse vaartuigen werkzame vissers voorwaarden mogen worden gesteld als die welke het onderwerp van het hoofdgeding vormen, te weten een nationaliteitsvereiste, een vestigingsvereiste en het vereiste bijdragen aan het sociale-verzekeringsstelsel te betalen.

26.

Agegate voegt er een vraag aan toe over de Gemeenschappelijke verklaring betreffende het vrije verkeer van werknemers, gevoegd bij de Toetredingsakte van 1985.

I — De gemeenschappelijke verklaring betreffende het vrije verkeer van werknemers, gevoegd bij de Toetredingsakte

27.

De gemeenschappelijke verklaring „betreffende werknemers van de huidige Lid-Staten die in Spanje of Portugal zijn gevestigd en Spaanse of Portugese werknemers die in de Gemeenschap zijn gevestigd, alsmede hun gezinsleden”, gevoegd bij de Toetredingsakte van 1985 (PB 1985, L 302, biz. 480), luidt als volgt:

„1.

De huidige en de nieuwe Lid-Staten verplichten zich ertoe om op onderdanen van de andere Lid-Staten die op regelmatige wijze op hun grondgebied verblijven of werken, geen nieuwe restrictieve maatregelen toe te passen indien zij deze na de datum van ondertekening van deze Akte zouden aannemen op het gebied van het verblijf en de werkgelegenheid van buitenlanders.

2.

De huidige en de nieuwe Lid-Staten verplichten zich ertoe om na de ondertekening van deze Akte in hun voorschriften geen nieuwe beperkingen op te nemen ten aanzien van de toegang tot de arbeidsmarkt voor de gezinsleden van deze werknemers.”

28.

Agegate stelt, dat de gemeenschappelijke verklaring gezien haar bewoordingen zowel betrekking heeft op werknemers als op zelfstandigen. De door het Verenigd Koninkrijk gestelde voorwaarden betekenen nieuwe beperkingen en zijn daarom in strijd met de standstill-bepaling in de Toetredingsakte.

29.

Het Koninkrijk Spanje is van mening, dat de door het Verenigd Koninkrijk gestelde voorwaarden zelfs indien „share fishermen” als werknemer worden beschouwd, in strijd zijn met de standstill-bepaling in de gemeenschappelijke verklaring, daar zij nieuwe beperkingen vormen.

30.

Met betrekking tot met name het woonplaatsvereiste merkt het Koninkrijk Spanje op, dat aan boord van een Brits vissersvaartuig werkzame personen moeten worden geacht in het Verenigd Koninkrijk woonachtig te zijn. Die stelling wordt bovendien gesteund door artikel 8 van de overeenkomst van 13 december 1974 tusser het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk, volgens welke het werken aar boord van een vissersvaartuig gelijk staat aan daadwerkelijk woonachtig zijn op hel grondgebied van de staat waar het vaartuig is geregistreerd. De voorwaarde betreffende het hebben van een woonplaats aan de wal vormt dus een nieuwe beperking voor Spaanse vissers die vóór 12 juni 1985 aan boord van Britse vissersvaartuigen werkzaam waren.

31.

De Commissie ziet in de gemeenschappelijke verklaring de bevestiging van haar opvatting, dat de artikelen 55 en 56, lid 1, van de Toetredingsakte eraan in de weg staan dat aan Spaanse onderdanen nieuwe beperkingen worden opgelegd om als werknemer werkzaam te zijn.

II — De artikelen 55 en volgende van de Toetredingsakte van 1985

32.

Voor het geval dat „share fishermen” zijn te beschouwen als werknemers, worden de volgende opmerkingen gemaakt.

33.

Agegate meent, dat de overgangsbepalingen, neergelegd in de artikelen 56 tot en met 59 van de Toetredingsakte, niet afdoen aan de rechtstreekse werking van artikel 48 EEG-Verdrag. Het Verenigd Koninkrijk kan dan ook niet de rechten beperken die de vissers aan artikel 48 ontlenen.

34.

Meer in het bijzonder met betrekking tot de voorwaarde inzake de sociale zekerheid merkt Agegate op, dat artikel 60 van de Toetredingsakte van 1985 overgangsbepalingen bevat betreffende de toepassing van verordening (EEG) nrs. 1408/71 en 574/72. Geen van die bepalingen is evenwel in deze zaak van belang.

35.

Het Verenigd Koninkrijk is daarentegen de mening toegedaan, dat op grond van artikel 56 van de Toetredingsakte Spaanse vissers tot 1 januari 1993 van de bemanning van Britse vissersvaartuigen kunnen worden uitgesloten, omdat daarin de toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 van verordening (EEG) nr. 1612/68 op Spaanse onderdanen tot die datum wordt opgeschort. De in artikel 57 van de Toetredingsakte toegekende rechten betreffen de gezinsleden van Spaanse werknemers die op 12 juni 1985 (de datum dat de Toetredingsakte werd ondertekend) reeds in het Verenigd Koninkrijk waren geïnstalleerd; deze rechten worden in de gestelde voorwaarden gerespecteerd.

36.

Ierland ondersteunt díe opvatting van het Verenigd Koninkrijk voor het geval een antwoord op deze vraag noodzakelijk is.

37.

Het Koninkrijk Spanje betoogt, dat een Lid-Staat niet het recht heeft om op grond van de artikelen 55 en 56 van de Toetredingsakte van 1985 bijzondere eisen te stellen betreffende de nationaliteit en de betaling van bijdragen aan een stelsel van sociale zekerheid.

38.

Volgens de Commissie staan de artikelen 55 en 56, lid 1, van de Toetredingsakte de Lid-Staten niet toe, nieuwe beperkingen in te voeren voor de toegang tot en het verrichten van arbeid in loondienst door Spaanse en Portugese onderdanen. Die uitlegging berust op het beginsel dat door het Hof werd neergelegd in zijn arrest van 23 maart 1983 (zaak 77/82, Peskeloglou, Jurispr. 1983, blz. 1085) en op vorengenoemde gemeenschappelijke verklaring bij de Toetredingsakte van 1985. De in na 1 januari 1986 afgegeven vergunningen opgenomen voorwaarden betreffende de nationaliteit en de woonplaats, vormen nieuwe beperkingen die in strijd zijn met artikel 48 EEG-Verdrag. Men kan erover twisten of nieuwe beperkingen voor Spaanse onderdanen konden worden ingevoerd tussen de datum van ondertekening van de Toetredingsakte (12 juni 1985) en de datum van inwerkingtreding daarvan (1 januari 1986). Dat is evenwel in deze zaak niet aan de orde, aangezien de door Agegate bestreden vergunningen in de loop van januari 1986 zijn verleend.

39.

De voorwaarden betreffende de nationaliteit en de woonplaats zijn gedeeltelijk onverenigbaar met artikel 57 Toetredingsakte, daar zij Spanjaarden die op 12 juni 1985 reeds in het Verenigd Koninkrijk waren geïnstalleerd, van de bemanning van Britse vaartuigen uitsluiten en enkel gezinsleden van die Spanjaarden tot de visserij toelaten. Wordt dat recht ingevolge artikel 57 Toetredingsakte aan de gezinsleden van een migrerende werknemer toegekend, maar aan de migrerende werknemer zelf ontzegd, dan is zulks niet alleen in strijd met verordening (EEG) nr. 1612/68, volgens welke de rechten van gezinsleden afhangen van de werknemer, maar ook met de logica, voor zover bij voorbeeld de echtgenoot, indien hij of zij na 1 januari 1986 aan boord van een Brits vaartuig mag werken en de nationaliteit van een Lid-Staat bezit, daardoor zelf een migrerend werknemer wordt en in die hoedanigheid ingevolge artikel 11 van verordening (EEG) nr. 1612/68 rechten voor gezinsleden op de andere echtgenoot overdraagt, zodat hij of zij hoe dan ook mag werken.

40.

Met betrekking tot de voorwaarde betreffende sociale zekerheid ten slotte speelt artikel 60, de enige bepaling van de Toetredingsakte inzake sociale zekerheid voor migrerende werknemers, in de onderhavige zaak geen rol, daar dit artikel enkel betrekking heeft op gezins- en kinderbijslagen.

De derde vraag

41.

Mochten de drie door het Verenigd Koninkrijk ingevoerde voorwaarden niet onder de Toetredingsakte van 1985 vallen, dan vraagt de verwijzende rechter, of die voorwaarden verenigbaar zijn met de overige bepalingen van gemeenschapsrecht.

I — Artikel 52 en volgende EEG-Verdrag

42.

Agegate gaat ervan uit, dat „share fishermen” zelfstandigen zijn en meent, met een beroep op de rechtspraak van het Hof, dat de door het Verenigd Koninkrijk gestelde voorwaarden betreffende de nationaliteit en de woonplaats in strijd zijn met de artikelen 52, 59 en 60 EEG-Verdrag en niet krachtens de daarin voorziene afwijkingen kunnen worden gerechtvaardigd.

43.

Het woonplaatsvereiste is discriminerend omdat de onderdanen van de staat die deze voorwaarde stelt, daaraan automatisch voldoen, terwijl dat voor onderdanen van andere Lid-Staten niet het geval is.

44.

Het Koninkrijk Spanje stelt, dat het nationaliteitsvereiste in de visvergunningen een met artikel 7 EEG-Verdrag strijdige discriminatie vormt ten opzichte van Griekse onderdanen, die sinds 1 januari 1981 als verrichters van diensten op alle Britse vaartuigen werkzaam mochten zijn.

45.

De Commissie wijst erop, dat indien de betrokken vissers als zelfstandigen worden beschouwd, de vorengenoemde voorwaarden in strijd zijn met de artikelen 52 en 59 EEG-Verdrag, aangezien het aantal Spaanse onderdanen in de bemanning de 25% niet mag overschrijden, behoudens bepaalde uitzonderingen. Zowel het doel als de werking van het woonplaatsvereiste is discriminerend en daarom in strijd met de artikelen 52 en 59 EEG-Verdrag.

II — Verordening (EEG) nr. 1408/71

46.

Agegate stelt, dat om vast te stellen of de voorwaarde betreffende de aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel van het Verenigd Koninkrijk verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, moet worden bepaald bij welk sociaalzekerheidsstelsel de betrokken vissers krachtens de gemeenschapswetgeving moeten zijn aangesloten. De desbetreffende bepalingen van het gemeenschapsrecht zijn te vinden in verordening (EEG) nr. 1408/71. Indien een visser tegelijkertijd werknemer is in Spanje en zelfstandige in het Verenigd Koninkrijk, blijft hij onder het Spaanse stelsel van sociale zekerheid vallen (artikel 14 quater, sub a, juncto artikel 14 quinqies, lid 1). Datzelfde geldt, indien de visser in Spanje zelfstandige is en voor eigen rekening gedurende een periode van niet langer dan twaalf maanden aan boord van een Brits vaartuig werkzaam is (artikel 14 ter, sub 2). In die gevallen is de door het Verenigd Koninkrijk gestelde sociale-zekerheidsvoorwaarde in strijd met verordening (EEG) nr. 1408/71.

47.

Aangezien de Britse autoriteiten vissers als zelfstandige beschouwen, moeten die vissers zelf premies betalen. Aangezien Agegate dienaangaande geen zeggenschap over hen heeft, kan zij er niet voor instaan dat zij inderdaad die premies aan het Britse socialezekerheidsstelsel betalen; desondanks is zij aansprakelijk in geval van niet-nakoming van die voorwaarde. De sociale-zekerheidsvoorwaarde vormt dan ook een indirecte of verkapte belemmering voor het aannemen van zelfstandigen; in samenhang met de beide andere voorwaarden heeft zij tot gevolg dat eigenaars of charteraars van Britse vissersvaartuigen worden gestimuleerd Britse onderdanen aan te stellen. Mitsdien is ook de sociale-zekerheidsvoorwaarde in strijd met de artikelen 52, 59 en 60 EEG-Verdrag en kan zij niet door de daarin voorziene afwijkingen worden gerechtvaardigd.

48.

Volgens de Britse regering is het feit dat iemand bij het Britse socialezekerheidsstelsel is aangesloten, in samenhang met het feit dat hij op de Britse eilanden woonachtig is, een bruikbare aanwijzing voor het bestaan van een economische band tussen de betrokkene en het Verenigd Koninkrijk. Dat geldt zelfs in het geval dat vissers, anders dan de Britse regering stelt, als zelfstandige worden aangemerkt en krachtens het gemeenschapsrecht onder het Spaanse socialezekerheidsstelsel blijven vallen (artikel 14 ter, sub 2, in samenhang met artikel 14 bis, sub 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71). Indien de vissers als werknemer worden beschouwd, is op hen conform artikel 13, lid 2, sub c, van verordening (EEG) nr. 1408/71 uitsluitend de Britse wetgeving van toepassing.

49.

Ten aanzien van de sancties wegens de niet-naleving van deze voorwaarde geeft de Britse regering toe, dat de vergunning van de onderneming die het vissersvaartuig in de vaart heeft, wordt ingetrokken, maar zij voegt daaraan toe, dat een enkele overtreding niet automatisch tot het verlies van de visvergunning behoeft te leiden. Voorts hebben de gestelde voorwaarden deels ten doel, de aanwerving van Britse vissers te bevorderen.

50.

De Ierse regering ondersteunt het Britse standpunt voor het geval deze vraag beantwoording behoeft.

51.

De Spaanse regering meent daarentegen, dat het Verenigd Koninkrijk niet het recht heeft, die voorwaarde te stellen.

52.

De Commissie stelt allereerst, dat verordening (EEG) nr. 1408/71 een volledig stelsel van collisieregels bevat dat per geval bepaalt, bij welk socialezekerheidsstelsel werknemers of zelfstandigen moeten zijn aangesloten. Die regels hebben tot gevolg dat de Lid-Staten niet meer bevoegd zijn de personele en territoriale werkingssfeer van hun nationale wetgeving vast te stellen.

53.

Een voorwaarde als de onderhavige is in beginsel verenigbaar met verordening (EEG) nr. 1408/71, daar ingevolge artikel 13, lid 2, sub c, van die verordening op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een Brits vaartuig in de regel de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk van toepassing is. Deze bepaling, die in de Franse versie van „activité professionnelle” spreekt, heeft zowel betrekking op werknemers als op zelfstandigen, terwijl de formulering „a person employed” in de Engelse versie enkel op werknemers slaat.

54.

Een dergelijke voorwaarde is evenwel onverenigbaar met het gemeenschapsrecht ingeval de vissers enkel onder de Spaanse wetgeving vallen krachtens de artikelen 14 ter, sub 1 („degene die werkzaamheden in loondienst uitoefent”), 14 ter, sub 2 („degene die ... werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent”), en 14 quater („degene die gelijktijdig werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst op het grondgebied van verschillende Lid-Staten uitoefent”) van verordening (EEG) nr. 1408/71.

III — Gemeenschapswetgeving inzake visserij

55.

Agegate is van mening, dat het feit dat de Lid-Staten maatregelen tot de instandhouding en het beheer van de visbestanden kunnen treffen, niet betekent dat zij van de artikelen 48 tot en met 66 EEG-Verdrag mogen afwijken. In elk geval moet een dergelijke afwijking door de gemeenschapsinstellingen worden vastgesteld en niet door de Lid-Staten.

56.

Artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB 1983, L 24, biz. 1) verleent de Lid-Staten de bevoegdheid voorschriften vast te stellen voor het gebruik van quota in verband met de in artikel 1 van die verordening genoemde doelstellingen. De in casu door het Verenigd Koninkrijk vastgestelde voorschriften houden geen verband met die doelstellingen en staan in elk geval niet in verhouding tot het beoogde doel. Het door de Gemeenschap ingevoerde quotastelsel mag niet een verkapte manier zijn om het beginsel van gelijke toegang tot de wateren van de Lid-Staten af te schaffen. Aanvaarding van het tegendeel zou neerkomen op een erkenning, dat de Lid-Staten de uit de gemeenschapsregelingen voortvloeiende voordelen aan hun eigen onderdanen mogen voorbehouden, hetgeen het einde van de gemeenschappelijke markt zou betekenen.

57.

Na de historische ontwikkeling van het gemeenschappelijk visserijbeleid te hebben beschreven, stelt het Verenigd Koninkrijk, dat het de litigieuze maatregelen heeft ingevoerd ten einde het hoofd te kunnen bieden aan de problemen die zijn ontstaan door de registratie van Spaanse vissersvaartuigen als Britse vissersvaartuigen. Die problemen zijn hoofdzakelijk daaraan te wijten dat de betrokken vaartuigen onder de aan het Verenigd Koninkrijk toegewezen quota vissen zonder werkelijke economische banden met dat land te hebben.

58.

Artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 170/83 moet aldus worden uitgelegd, dat de Lid-Staten maatregelen mogen vaststellen ten einde de hun toegewezen quota aan hun onderdanen te laten toekomen. Juist om die reden heeft de Raad besloten, de quota te koppelen aan de vlag van de Lid-Staat waaraan zij zijn toegewezen (artikel 10 van verordening (EEG) nr. 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten, PB 1982, L 220, blz. 1). Hiervoor is het nodig, dat vaartuigen die onder de vlag van een Lid-Staat varen, een daadwerkelijke en niet enkel een formele band met die staat hebben. Verordening (EEG) nr. 170/83 berust op de gedachte dat in feite de Lid-Staten bevoegd zijn, regels te stellen betreffende de vlag en de registratie van vaartuigen. Bovendien dienen de vastgestelde maatregelen een eerlijke verdeling van quota tussen de Lid-Staten te verzekeren, hetgeen de grondslag van het gemeenschappelijk visserijbeleid vormt.

59.

Indien de Lid-Staten ten tijde van de onderhandelingen over het quotastelsel hadden geweten dat de aan een Lid-Staat toegewezen quota konden worden omzeild door vaartuigen van andere Lid-Staten onder de vlag van die staat te brengen, dan zouden zij verordening (EEG) nr. 170/83 nooit hebben aanvaard. Ook zou het zorgvuldig uitgewerkte compromis tussen Spanje en de Gemeenschap zinloos zijn, indien de beperkingen in de Toetredingsakte zouden kunnen worden ontdoken door Spaanse vissersvaartuigen onder de vlag van een andere Lid-Staat te brengen.

60.

Zoals het Hof heeft vastgesteld in zijn arrest van 15 januari 1987 (gevoegde zaken 271/83, 15/84, 36/84, 113/84, 158/84 en 203/84 en 13/85, Ainsworth en anderen, Jurispr. 1987, blz. 167) is een verschil in behandeling tussen onderdanen van de Gemeenschap objectief gerechtvaardigd, indien daarvoor een zwaarwegende reden bestaat. De vaststelling van de in geding zijnde maatregelen is zeer zeker objectief gerechtvaardigd door de zwaarwegende vereisten van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

61.

Volgens de Ierse regering is het voornaamste probleem in deze zaak het gemeenschappelijk visserijbeleid en niet het vrije verkeer van personen of diensten. Dat beleid berust op het bij verordening (EEG) nr. 170/83 ingevoerde quotastelsel dat, wat Spanje betreft, is opgenomen in de Toetredingsakte (artikelen 154 tot en met 166). De door het Verenigd Koninkrijk vastgestelde maatregelen moeten garanderen dat de aan die staat toegewezen quota ten goede komen aan Britse vissers of aan onderdanen van andere Lid-Staten, met uitzondering van de onderdanen van nieuwe Lid-Staten. Tot staving van die stelling wijst de Ierse regering op het beginsel van de relatieve stabiliteit van visserijactiviteiten, neergelegd in artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 170/83, op de bij artikel 5, lid 2, van die verordening aan de Lid-Staten toegekende bevoegdheid en op de elfde overweging van de considerans van die verordening, waarin uitdrukkelijk de bevoegdheid van de Lid-Staten tot invoering van een vergunningstelsel wordt erkend. Voorts blijkt uit artikel 10 van verordening (EEG) nr. 2057/82, krachtens hetwelk het aan een Lid-Staat toegekende quotum is gekoppeld aan de vaartuigen die de vlag daarvan voeren, dat die staat het recht heeft maatregelen vast te stellen ten einde het profijt van dat quotum voor zich te behouden. Indien Spaanse vissersvaartuigen de beperkingen van het quotastelsel zouden kunnen ontduiken door deze onder de vlag van een andere Lid-Staat te brengen, dan zou dat de artikelen 154 tot en met 166 van de Toetredingsakte zinledig maken.

62.

Het Koninkrijk Spanje is evenwel van mening, dat het Verenigd Koninkrijk de gemeenschapsregels voor de visserij heeft overtreden door de in geding zijnde maatregelen vast te stellen. De uitsluitende bevoegdheid om regels te stellen betreffende de toegang tot de gemeenschapswateren komt toe aan de Gemeenschap en de Lid-Staten mogen enkel de hun toegekende quota beheren overeenkomstig de toepasselijke gemeenschapsbepalingen. Zoals het Hof vaststelde in zijn arrest van 10 juli 1984 (zaak 63/83, Kirk, Jurispr. 1984, blz. 2689) vallen nationale voorschriften die de toegang tot de nationale wateren verbieden, terwijl zij niet op instandhouding van de visbestanden zijn gericht, niet onder de soevereiniteit of bevoegdheid van de Lid-Staten, daar zij inbreuk maken op de beginselen van gemeenschapsrecht. Het Verenigd Koninkrijk is derhalve niet bevoegd, maatregelen vast te stellen die voor bepaalde vissers de toegang tot het werken aan boord van Britse vaartuigen beperken.

63.

De Commissie beklemtoont, dat artikel 5, lid 2, van de verordening de Lid-Staten niet de bevoegdheid geeft, in strijd met de artikelen 48, 52 of 59 EEG-Verdrag maatregelen vast te stellen voor de toegang tot een quotum. Volgens die bepaling moeten de nationale maatregelen immers in overeenstemming zijn met de geldende communautaire bepalingen.

64.

De aan de Ama Antxine verleende vergunning voor de vangst van witte vis heeft voorts betrekking op soorten waarvoor op het ogenblik van de feiten geen quotastelsel gold. Die soorten vielen derhalve onder artikel 20, lid 1, van verordening (EEG) nr. 171/83 van de Raad van 25 januari 1983 houdende bepaalde technische maatregelen voor het behoud van de visbestanden (PB 1983, L 24, blz. 14). Uit die bepaling, gelezen in samenhang met artikel 14 van de eerdergenoemde verordening (EEG) nr. 2057/82, blijkt duidelijk, dat een stelsel van visvergunningen wel verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, maar voorwaarden betreffende nationaliteit en woonplaats niet. De Commissie begrijpt de bezorgdheid van het Verenigd Koninkrijk, waarvan het quotum wordt gebruikt door vaartuigen die onder zijn vlag varen maar die in handen zijn van eigenaars uit andere Lid-Staten, maar zij wijst erop dat dit probleem niet kan worden opgelost door maatregelen die in strijd zijn met het gemeenschapsrecht. De Commissie onderzoekt op dit ogenblik de mogelijkheid van communautaire stappen dienaangaande.

De vierde vraag

65.

Agegate merkt op, dat de artikelen 48, 52, 59 en 60 EEG-Verdrag, waarop zij zich beroept, rechtstreekse werking hebben.

66.

De Britse regering is van mening, dat de vierde vraag, gezien de door haar voorgestelde antwoorden op de tweede en de derde vraag, geen beantwoording behoeft.

67.

Het Koninkrijk Spanje stelt zich op het standpunt, dat de houder van een vergunning zich mag beroepen op de onverenigbaarheid van de in de vergunning opgenomen voorwaarden met de bepalingen van het Verdrag en met bepalingen van afgeleid recht.

68.

De Commissie stelt, dat de artikelen 48, 52 en 59 EEG-Verdrag volgens 's Hofs rechtspraak rechtstreeks toepasselijk zijn. De artikelen 55 en 56 van de Toetredingsakte zijn, voor zover zij zelf rechten in het leven roepen, eveneens rechtstreeks toepasselijk. De bepalingen van verordening (EEG) nr. 1408/71 hebben uiteraard rechtstreekse werking.

C. N. Kakouris

rechter-rapporteur


( *1 ) Procestaal: Engels.


ARREST VAN HET HOF

14 december 1989 ( *1 )

In zaak C-3/87,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de High Court of Justice of England and Wales, in het aldaar aanhangig geding tussen

The Queen

en

Ministry of Agriculture, Fisheries and Food, ex parte Agegate Ltd,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de bepalingen van gemeenschapsrecht inzake met name het vrije verkeer van werknemers en de visserij, en van de artikelen 55 en 56 van de Akte van 1985 betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Gemeenschappen (PB 1985, L 302, biz. 23), in verband met de vraag of de voorwaarden waaraan de bemanning van onder Britse vlag varende vissersvaartuigen volgens de nationale wettelijke regeling moet voldoen, verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: O. Due, president, Sir Gordon Slynn, C. N. Kakouris en F. A. Schockweiler, kamerpresidenten, T. Koopmans, G. F. Mancini, R. Joliét, T. F. O'Higgins, G. C. Rodríguez Iglesias, F. Grévisse en M. Diez de Velasco, rechters,

advocaat-generaal: J. Mischo

griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur

gelet op de opmerkingen ingediend door:

Agegate Ltd, vertegenwoordigd door D. Vaughan QC, en K. P. E. Lasok en G. Barling, barristers, en S. J. Swabey, solicitor, van Thomas Cooper & Stibbard, in de schriftelijke procedure, en door D. Vaughan QC en G. Barling, barrister, in de mondelinge procedure,

de regering van het Verenigd Koninkrijk, in de schriftelijke procedure vertegenwoordigd door H. R. L. Purse van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door J. Laws en C. Vajda, barristers, en ter terechtzitting door T. J. G. Pratt, als gemachtigde, bijgestaan door C. Bellamy QC en C. Vajda, barrister,

de regering van de Ierse Republiek, vertegenwoordigd door L. J. Dockery, Chief State solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door J. O'Reilly, barrister-atlaw,

de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door O. Fiumara, avvocato dello stato, als gemachtigde,

de regering van het Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door F. J. Conde de Saro, directeur-generaal Coördinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, en door R. Silva de Lapuerta, abogado del Estado, als gemachtigde.

de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Oliver en J. Curall, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 26 oktober 1988,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 november 1988,

het navolgende

Arrest

1

Bij beschikking van 1 december 1986, ingekomen ten Hove op 12 januari 1987, heeft de High Court of Justice of England and Wales krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de bepalingen van gemeenschapsrecht inzake met name het vrije verkeer van werknemers en de visserij, en van de artikelen 55 en 56 van de Akte van 1985 betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Gemeenschappen (PB 1985, L 302, biz. 23, hierna: de Toetredingsakte van 1985).

2

Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen het Ministry of Agriculture, Fisheries and Food en Agegate Ltd, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap, die grotendeels in Spaanse handen is (hierna: verzoekster in het hoofdgeding).

De wetgeving en de praktijk inzake de visserij in het Verenigd Koninkrijk

3

Ingevolge de Sea Fish (Conservation) Act 1967, zoals gewijzigd bij de Fishery Limits Act 1976 en de Fisheries Act 1981, moeten in het Verenigd Koninkrijk geregistreerde vissersvaartuigen beschikken over een visvergunning. Die wettelijke regeling is aangevuld bij de British Fishing Boats Act 1983, de British Fishing Boats Order 1983 en de Sea Fish Licensing Order 1983.

4

In de visvergunningen die vanaf 1 januari 1986 door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk krachtens die wettelijke regeling werden verleend, werden de door die vergunningen gedekte visserijzones en vissoorten vastgesteld en werden de voorwaarden vermeld die steeds cumulatief moesten zijn vervuld. Werd aan deze voorwaarden niet voldaan, dan werden de vergunningen ingetrokken. Het doel van die voorwaarden was, te verzekeren dat vissersvaartuigen een „reële economische band” met het Verenigd Koninkrijk hadden. Die voorwaarden betreffen in de eerste plaats de activiteiten van het vaartuig waarvoor de vergunning werd verleend, en in de tweede plaats de bemanning.

5

De voorwaarden betreffende de bemanning van het vissersvaartuig waren geformuleerd als volgt:

„ i)

Ten minste 75% van de bemanning moet bestaan uit Britse onderdanen of EEG-onderdanen (tot 1 januari 1988 met uitzondering van Griekse onderdanen en tot 1 januari 1993 met uitzondering van Spaanse en Portugese onderdanen, niet zijnde een echtgenoot of een kind beneden de 21 jaar van een Griekse, Spaanse of Portugese werknemer die reeds in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd in overeenstemming met de overgangsregeling inzake het vrije verkeer van werknemers na de toetreding van Griekenland, Spanje en Portugal tot de Gemeenschappen, voorzien in de desbetreffende Toetredingsverdragen), die zijn gewone woonplaats heeft in het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden; de gewone woonplaats is de woonplaats aan wal en ter zake wordt dienst aan boord van een Brits schip niet aangemerkt als woonplaats in het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden.

ii)

De kapitein en alle bemanningsleden moeten bijdragen betalen aan het nationale verzekeringsstelsel van het Verenigd Koninkrijk, of aan de gelijkwaardige stelsels van het eiland Man of de Kanaaleilanden: als zodanig zijn aan te merken de bijdragen van klasse 1, ‚special mariners’, en de bijdragen voor zelfstandigen (self-employed) van klasse 2 of klasse 4.”

Het hoofdgeding

6

Blijkens de stukken is verzoekster eigenaar van een vissersvaartuig, de Ama Antxine, dat in het Verenigd Koninkrijk is geregistreerd en de Britse vlag voert. De bemanning bestaat voor een deel uit Spaanse vissers die worden beloond met een aandeel in de besomming („share fishermen”).

7

Op 23 januari 1986 verkreeg verzoekster een reeks nieuwe vergunningen voor de Ama Antxine, waarin de vorengenoemde voorwaarden waren opgenomen.

8

Van mening dat de voorwaarden betreffende de bemanning van het vaartuig onder meer indruisten tegen het gemeenschapsrecht, verzocht verzoekster de High Court of Justice of England and Wales om een uitspraak over de wettigheid van de vergunningen die deze voorwaarden bevatten.

9

Ten einde het geschil over de voorwaarden betreffende de bemanning te kunnen oplossen, heeft de High Court of Justice het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:

„A —

Aan de hand van welke criteria moet worden vastgesteld, of een visser die wordt beloond met een aandeel in de besomming (share fisherman), een dienstverrichter of een werknemer is ?

B —

Mag een Lid-Staat na de toetreding van Spanje en Portugal tot de Europese Gemeenschappen bij de afgifte van een vergunning aan de eigenaar of charteraar van een onder de vlag van die Lid-Staat varend en aldaar geregistreerd vissersvaartuig op grond van de artikelen 55 en 56 van de Akte inzake de toetreding van Spanje en Portugal tot de Europese Gemeenschappen (die alleen van toepassing zijn op werknemers) als voorwaarde stellen dat:

i)

75% van de bemanning van een onder de vlag van die Lid-Staat varend en aldaar geregistreerd vissersvaartuig bestaat uit EEG-onderdanen die in die Lid-Staat woonplaats aan wal hebben, doch tot 1 januari 1993 met uitzondering van Spaanse onderdanen, niet zijnde een echtgenoot of een kind beneden de 21 jaar van een Spaanse werknemer die reeds in de Lid-Staat die de vergunning afgeeft, is gevestigd,

en dat

ii)

de kapitein en alle bemanningsleden bijdragen moeten betalen aan het sociale zekerheidsstelsel van die Lid-Staat ?

C —

Is het hoe dan ook verenigbaar met het gemeenschapsrecht, daaronder begrepen het gemeenschappelijk visserijbeleid, dat na de toetreding van Spanje en Portugal tot de Europese Gemeenschappen de afgifte van een vergunning door een Lid-Staat aan de eigenaar of charteraar van een onder de vlag van die Lid-Staat varend en aldaar geregistreerd vissersvaartuig wordt gekoppeld aan de volgende voorwaarden:

i)

dat ten minste 75% van de bemanning

1.

onderdaan is van de Lid-Staat die de vergunning afgeeft, dan wel EEG-onderdaan (doch tot 1 januari 1993 met uitzondering van Spaanse onderdanen, niet zijnde een echtgenoot of een kind beneden de 21 jaar zijn van een Spaanse werknemer die reeds in de Lid-Staat die de vergunning afgeeft, is gevestigd in overeenstemming met de overgangsregeling inzake het vrije verkeer van werknemers na de toetreding van Spanje tot de Gemeenschappen, voorzien in het Toetredingsverdrag), en

2.

zijn gewone woonplaats heeft in de Lid-Staat die de vergunning afgeeft (dat wil zeggen woonplaats aan wal, dienst aan boord van een onder de vlag van die Lid-Staat varend schip niet daaronder begrepen);

ii)

dat de kapitein en alle bemanningsleden bijdragen betalen aan het socialezekerheidsstelsel van de Lid-Staat die de vergunning afgeeft ?

D —

Kan de houder van een dergelijke vergunning voor de nationale rechter een beroep doen op de onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een of meer van de in de derde vraag bedoelde voorwaarden, ten einde te doen vaststellen dat het opleggen van dergelijke voorwaarden onwettig is en moet worden nietig verklaard ?”

10

Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

11

Blijkens de stukken betreft het hoofdgeding in wezen de voorwaarden die mogen worden gesteld aan Britse vaartuigen die vissen onder de door de Gemeenschap aan het Verenigd Koninkrijk toegekende quota. De vraag of dergelijke voorwaarden in overeenstemming met het gemeenschapsrecht zijn ter zake van visserij waarvoor geen quota gelden, buiten beschouwing latend, dient dus, alvorens de door de gestelde vragen opgeworpen punten worden geïnventariseerd en onderzocht, een overzicht te worden gegeven van de hoofdlijnen van de regeling betreffende de visserijquota binnen het algemene kader van het gemeenschapsrecht betreffende de visserij.

12

De gemeenschapsregeling stelt als beginsel dat alle vissersvaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren of aldaar zijn ingeschreven, onder gelijke voorwaarden toegang hebben tot de visbestanden [artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (PB 1976, L 20, blz. 19)], behoudens voor de zone binnen de grens van twaalf zeemijl gerekend vanaf de laagwaterlijn van de Lid-Staten, ten aanzien waarvan de Lid-Staten tot 31 december 1992 van de regel van gelijke toegang mogen afwijken [artikel 100 van de Toetredingsakte van 1972, in samenhang met artikel 6 van verordening (EEG) nr. 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhoudng en het beheer van de visbestanden, PB 1983, L 24, biz. 1]. De gestelde vragen betreffen niet de bijzondere regeling voor die twaalfmijlszone.

13

Bij verordening nr. 170/83 van de Raad werd ter uitvoering van artikel 102 van de Toetredingsakte van 1972 een gemeenschapsregeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden vastgesteld, waarbij de visserijactiviteit werd beperkt. Bovendien waren reeds bij verordening (EEG) nr. 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 (PB 1982, L 220, biz. 1) controlemaatregelen vastgesteld ten einde te verzekeren dat de aan de visvangst gestelde beperkingen werden nageleefd. Verordening (EEG) nr. 2057/82 werd gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 4027/86 van de Raad van 18 december 1986 (PB 1986, L 376, biz. 4).

14

Ingevolge artikel 3 van verordening nr. 170/83 wordt elk jaar overgegaan tot de vaststelling van totaal toegestane vangsten (TAC's) die door de Gemeenschap per bestand of groep bestanden mogen worden gevangen, wanneer blijkt dat de vangsten van een soort of aanverwante soorten moeten worden beperkt. Artikel 4, lid 1, van die verordening bepaalt, dat „het in artikel 3 bedoelde gedeelte dat voor de Gemeenschap beschikbaar is, zo onder de Lid-Staten (wordt) verdeeld dat elke Lid-Staat een relatieve stabiliteit wordt gewaarborgd in de visserijactiviteiten met betrekking tot elk van de betrokken bestanden”. In de bewoordingen van artikel 4, lid 2, is er een „verdeling van de bestanden over de Lid-Staten”. Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 170/83 bepaalt, dat de Lid-Staten de hun toegekende quota geheel of gedeeltelijk mogen uitwisselen.

15

Artikel 5, lid 2, bepaalt: „De Lid-Staten stellen, in overeenstemming met de geldende communautaire bepalingen, de voorschriften vast voor het gebruik van de hun toegewezen quota.” Voorts wordt bepaald, dat de uitvoeringsbepalingen van dat lid zo nodig worden vastgesteld volgens de in artikel 14 voorziene zogenoemde „beheerscomité-procedure”.

16

Aldus werd bij de bepalingen van die verordening een stelsel van nationale visquota ingevoerd. Zoals blijkt uit de bepalingen van verordening (EEG) nr. 2057/82, in het bijzonder uit artikel 10, lid 1, en uit de bepalingen van verordening (EEG) nr. 4027/86, koppelt de gemeenschapsregeling de nationale quota aan de vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren of aldaar zijn geregistreerd; enkel die vaartuigen mogen onder de quota van die staat vissen.

17

Bij de uitoefening van de hun toegekende bevoegdheid om de regels voor het gebruik van hun quota vast te stellen, mogen de Lid-Staten bepalen, welke vaartuigen onder hun nationale quota mogen vissen, mits de daarbij gehanteerde criteria verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht.

18

Wat dit aangaat, mogen de Lid-Staten bepaalde vissersvaartuigen verbieden onder hun nationale quota te vissen, tenzij wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden inzake bij voorbeeld de afmetingen, het bouwjaar, of de staat van het vaartuig, de uitrusting, het aantal vissers aan boord, de logies- en kantinefaciliteiten voor de bemanning, de sanitaire voorzieningen en de veiligheid, enzovoort, voor zover die voorwaarden niet bij uitsluiting door gemeenschapsbepalingen worden geregeld.

19

Derhalve moet worden onderzocht of en, zo ja, in hoeverre het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet dat voorwaarden als de onderhavige worden gesteld. Hiertoe kunnen de door de nationale rechter gestelde vragen als volgt worden samengevat:

„I —

Verzet het gemeenschapsrecht zich ertegen dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder zijn vangstquota als voorwaarde stelt, dat

a)

75% van de bemanning van het vaartuig bestaat uit onderdanen van een Lid-Staat van de Gemeenschap, en

b)

woonplaats aan wal heeft in die Lid-Staat, alsmede, dat

c)

de kapitein en de gehele bemanning bijdragen moeten betalen aan het socialezekerheidsstelsel van die Lid-Staat ?

II —

Is het op grond van de artikelen 55 en 56 van de Toetredingsakte van 1985 geoorloofd, Spaanse bemanningsleden die uit de besomming worden betaald, tot 1 januari 1993 van die 75% uit te sluiten ?

III —

Kunnen de betrokken partijen de bepalingen van gemeenschapsrecht die bovenstaande voorwaarden verbieden, voor de nationale rechter inroepen ?”

Vraag I a)

20

Zoals blijkt uit 's Hofs arrest van 19 januari 1988 (zaak 223/86, Pesca Valentia, Jurispr. 1988, biz. 83), verbiedt het gemeenschapsrecht een Lid-Staat niet, een wettelijke regeling vast te stellen op grond waarvan de bemanning van de in zijn registers ingeschreven vaartuigen voor ten minste een bepaald gedeelte uit onderdanen van de Gemeenschap moet bestaan.

21

Het antwoord op deze vraag moet derhalve luiden, dat het gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder zijn vangstquota als voorwaarde stelt, dat 75% van de bemanning van het vaartuig bestaat uit onderdanen van de Lid-Staten van de Gemeenschap.

Vraag I b)

22

Voor de beantwoording van deze vraag volstaat de vaststelling, dat het woonplaatsvereiste niet wordt gerechtvaardigd door het doel van het stelsel van nationale quota.

23

Dat doel blijkt vooral uit artikel 4 van verordening nr. 170/83, uitgelegd met inachtneming van de considerans van die verordening. Volgens dat artikel worden de totaal toegestane vangsten zo verdeeld, dat „elke Lid-Staat een relatieve stabiliteit wordt gewaarborgd in de visserijactiviteiten met betrekking tot elk van de betrokken bestanden”. De begrippen stabiliteit en relativiteit worden in de considerans van de verordening gedefinieerd. De zesde overweging stelt, dat „in het kader van deze stabiliteit... rekening moet worden gehouden met de bijzondere behoeften van de gebieden waar de plaatselijke bevolking zeer sterk is aangewezen op de visserij en aanverwante industrieën”. Volgens de zevende overweging moet „de nagestreefde relatieve stabiliteit in deze zin ... worden begrepen”. Uit de vierde overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 172/83 van de Raad van 25 januari 1983 inzake de vaststelling van de voor 1982 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden in de visserijzone van de Gemeenschap en het voor de Gemeenschap beschikbare gedeelte van deze vangsten, de verdeling van dit gedeelte over de Lid-Staten en de bij de visserij in het kader van de totaal toegestane vangsten in acht te nemen voorschriften (PB 1983, L 24, biz. 30) blijkt verder dat „voor een billijke verdeling van de beschikbare hoeveelheden in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de traditionele visserijactiviteit, de bijzondere behoeften van de gebieden waar de plaatselijke bevolking sterk afhankelijk is van de visserij en aanverwante industrieën, en het verlies van vangstmogelijkheden in de wateren van derde landen”.

24

Blijkens het voorgaande hebben de quota tot doel, te waarborgen dat elke Lid-Staat van de totaal toegestane vangsten van de Gemeenschap een deel krijgt, dat voornamelijk wordt vastgesteld aan de hand van de vangsten die vóór de invoering van het quotastelsel ten goede zijn gekomen aan de traditionele visserij, de plaatselijke bevolking die sterk afhankelijk is van de visserij, en de aanverwante industrieën van die Lid-Staat.

25

Zo gezien houdt een woonplaatsvereiste als het onderhavige geen verband met het doel van het quotastelsel en kan het derhalve niet door dat doel worden gerechtvaardigd.

26

Mitsdien moet op deze vraag worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet, dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder zijn vangstquota als voorwaarde stelt, dat 75% van de bemanning van dat vaartuig woonplaats aan wal heeft in die Lid-Staat.

Vraag I c)

27

Ten aanzien van de voorwaarde dat de kapitein en alle bemanningsleden bijdragen moeten betalen aan het socialezekerheidsstelsel van de betrokken Lid-Staat, zij erop gewezen dat het Hof in het arrest van 10 juli 1986 (zaak 60/85, Luijten, Jurispr. 1986, blz. 2365, 2368) betreffende de uitlegging van de bepalingen van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1390/81 (PB 1981, L 143, blz. 1), heeft vastgesteld dat de bepalingen van titel II van die verordening een volledig stelsel van conflictregels vormen, hetgeen ertoe leidt, dat de wetgevers der Lid-Staten niet meer bevoegd zijn om de draagwijdte en de toepassingsmodaliteiten van hun nationale wetgeving te bepalen met betrekking tot de personen die eraan onderworpen zijn en het grondgebied waarbinnen de nationale bepalingen effect sorteren.

28

Een voorwaarde als de in geding zijnde, is evenwel in overeenstemming met de verplichting, neergelegd in artikel 13 van titel II van die verordening, dat in lid 2, sub c, bepaalt dat „onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een Lid-Staat vaart, de wetgeving van die Staat van toepassing (is)”. Mitsdien kan zulk een voorwaarde niet in strijd met het gemeenschapsrecht worden geacht.

29

Deze conclusie onderstelt nochtans, dat de gestelde voorwaarde niet enkel in overeenstemming is met de regels maar ook met de uitzonderingen, die met name zijn voorzien in artikel 14 ter van verordening nr. 1408/71. Die bepaling, die speciaal op zeelieden betrekking heeft, bevat een uitzondering op de regel van artikel 13, lid 2, sub c, aangezien zij in bepaalde gevallen de wetgeving van een andere Lid-Staat dan de vlagstaat toepasselijk verklaart.

30

Derhalve is een voorwaarde, inhoudende dat de kapitein en de bemanning bijdragen moeten betalen aan het stelsel van sociale zekerheid van de betrokken Lid-Staat, niet door het gemeenschapsrecht verboden, voor zover zij in overeenstemming is met de regels neergelegd in verordening nr. 1408/71 van de Raad.

31

Mitsdien moet het antwoord op deze vraag luiden, dat het gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet, dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder zijn vangstquota als voorwaarde stelt, dat de kapitein en de gehele bemanning van het vaartuig bijdragen betalen aan het stelsel van sociale zekerheid van die Lid-Staat, behalve in de gevallen waarin verordening nr. 1408/71 van de Raad anders bepaalt.

Vraag II

32

Het doel van de artikelen 55 en 56 van de Toetredingsakte van 1985 is, voor een overgangsperiode vast te stellen welke regels op Spaanse werknemers van toepassing zijn. In het bijzonder voorzien de betrokken bepalingen in een afwijking van het beginsel van het vrije verkeer van werknemers, neergelegd in artikel 48 EEG-Verdrag, voor zover daarbij tot 1 januari 1993 de toepasselijkheid van de artikelen 1 tot en met 16 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2) op Spaanse werknemers wordt uitgesloten.

33

De nationale rechter vraagt, of vissers die aan boord van Britse vaartuigen werken, als werknemer in de zin van artikel 55 van de Toetredingsakte van 1985 moeten worden beschouwd, indien zij als „share fishermen”, dat wil zeggen met een aandeel in de besomming, worden betaald.

34

Allereerst zij opgemerkt, dat het begrip werknemer in de zin van artikel 55 van de Toetredingsakte van 1985 identiek is aan het begrip in artikel 48 EEG-Verdrag. Derhalve moet worden bepaald, wat het begrip werknemer gemeenschapsrechtelijk inhoudt.

35

In het arrest van 3 juli 1986 (zaak 66/85, Lawrie-Blum, Jurispr. 1986, blz. 2121) heeft het Hof vastgesteld dat bij de omschrijving van het begrip werknemer in de zin van het EEG-Verdrag, moet worden uitgegaan van objectieve criteria die, wat de rechten en plichten van de betrokkenen betreft, kenmerkend zijn voor de arbeidsverhouding. Het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is evenwel, dat iemand voor een ander en onder diens gezag prestaties met een bepaalde economische waarde levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt.

36

De vraag of een bepaalde verhouding niet als een dergelijke arbeidsverhouding kan worden aangemerkt, moet van geval tot geval worden beantwoord aan de hand van alle elementen en omstandigheden die de verhouding tussen de partijen kenmerken, zoals het delen in het commerciële risico van de onderneming, de vrijheid om zijn eigen werktijden te bepalen en zijn eigen assistenten aan te nemen. In elk geval is het enkele feit dat iemand met een „aandeel” (share) wordt beloond en dat zijn beloning eventueel op collectieve grondslag wordt berekend, niet van die aard, dat hij daardoor zijn hoedanigheid van werknemer verliest.

37

Derhalve sluit het enkele feit dat aan boord van Britse vaartuigen werkzame Spaanse vissers met een aandeel in de besomming worden betaald, niet uit dat de artikelen 55 en volgende van de Toetredingsakte van 1985 op hen van toepassing zijn.

38

Evenwel wordt in artikel 56, lid 1, tweede alinea, van deze Toetredingsakte bepaald: „Het Koninkrijk Spanje en de andere Lid-Staten zijn bevoegd, onderscheidenlijk ten aanzien van onderdanen van de andere Lid-Staten en ten aanzien van Spaanse onderdanen, tot en met 31 december 1992 de nationale bepalingen of bepalingen die voortvloeien uit bilaterale overeenkomsten waarbij immigratie en/of toegang tot arbeid in loondienst aan een voorafgaande vergunning wordt onderworpen, te handhaven.”

39

Ter zake zij verwezen naar het arrest van 23 maart 1983 (zaak 77/82, Peskeloglou, Jurispr. 1983, blz. 1085) betreffende de uitlegging van artikel 45, lid 1, tweede alinea, van de Toetredingsakte van 1979 betreffende de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap (PB 1979, L 291, blz. 27), dat identiek is aan artikel 56, lid 1, tweede alinea, van de Toetredingsakte van 1985. Blijkens dat arrest moet die bepaling, als afwijking van het in artikel 48 EEG-Verdrag neergelegde beginsel van het vrije verkeer van werknemers, eng worden uitgelegd en mogen de oude Lid-Staten en de tot de Gemeenschap toegetreden Lid-Staten weliswaar bestaande beperkingen handhaven, maar mogen zij tijdens de overgangsperiode in geen geval de voorwaarden voor toegang tot een betrekking voor hun respectieve onderdanen strenger maken door nieuwe beperkende maatregelen in te voeren. Artikel 56, lid 1, tweede alinea van de Toetredingsakte van 1985 moet op dezelfde wijze worden uitgelegd.

40

In zijn arrest van 27 september 1989 (zaak 9/88, Lopes da Veiga, Jurispr. 1989, blz. 2989) betreffende artikel 216, lid 1, van de Toetredingsakte van 1985, dat voor Portugese werknemers hetzelfde is geformuleerd als artikel 56, lid 1, van deze Toetredingsakte, heeft het Hof verder verklaard dat er geen reden is, aan reeds op het grondgebied van een van de oude Lid-Staten werkzame Portugezen de toepassing van de bepalingen van titel II van verordening (EEG) nr. 1612/68 betreffende het verrichten van arbeid en de gelijkheid van behandeling, te ontzeggen. Blijkens dat arrest mogen de oude Lid-Staten ingevolge artikel 216, lid 1, van de Toetredingsakte van 1985 bestaande beperkingen ten aanzien van Portugese onderdanen handhaven, doch niet ten aanzien van Portugese onderdanen die sedert een vóór de toetreding van Portugal gelegen tijdstip in loondienst werkzaam zijn aan boord van een onder de vlag van een andere Lid-Staat varend schip en die niet in het bezit zijn gesteld van een verblijfstitel voor het verrichten van arbeid in loondienst op het grondgebied van die staat, wanneer de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping heeft met het grondgebied van die Lid-Staat. Die uitlegging moet eveneens worden gegeven aan artikel 56, dat de situatie van Spaanse werknemers regelt.

41

Mitsdien moet het antwoord op deze vraag luiden, dat de artikelen 55 en 56 van de Toetredingsakte van 1985 aldus moeten worden uitgelegd, dat zij niet ophouden toepasselijk te zijn op Spaanse vissers die aan boord van Britse vaartuigen werken, wegens het enkele feit dat die vissers worden beloond met een aandeel in de besomming, en dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling of praktijk volgens welke tot 1 januari 1993 75% van de bemanning van die vaartuigen niet uit Spanjaarden mag bestaan, mits die na de Toetredingsakte van 1985 ingevoerde beperking in geen geval de situatie van Spaanse werknemers verslechtert en niet geldt voor Spaanse onderdanen die ten tijde van de toetreding reeds als werknemer op het Britse grondgebied of op een Brits vaartuig waren tewerkgesteld, wanneer de arbeidsverhouding een voldoende nauwe band met dat grondgebied heeft.

Vraag III

42

Het antwoord op deze vraag moet luiden, dat geen van de door het Hof toegepaste bepalingen van gemeenschapsrecht rechtstreekse werking mist. Die bepalingen kunnen derhalve door particulieren voor een nationale rechterlijke instantie worden ingeroepen.

Kosten

43

De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk, van Ierland, van de Italiaanse Republiek en van het Koninkrijk Spanje alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

 

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de High Court of Justice of England and Wales bij beschikking van 1 december 1986 gestelde vragen, verklaart voor recht:

 

1)

Het gemeenschapsrecht verzet zich er niet tegen, dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder zijn vangstquota als voorwaarde stelt, dat 75% van de bemanning van het vaartuig bestaat uit onderdanen van de Lid-Staten van de Gemeenschap.

 

2)

Het gemeenschapsrecht verzet zich ertegen, dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder zijn vangstquota als voorwaarde stelt, dat 75% van de bemanning van dat vaartuig woonplaats aan wal heeft in die Lid-Staat.

 

3)

Het gemeenschapsrecht verzet zich er niet tegen, dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder zijn vangstquota als voorwaarde stelt, dat de kapitein en de gehele bemanning van het vaartuig bijdragen betalen aan het stelsel van sociale zekerheid van die Lid-Staat, behalve in de gevallen waarin verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad anders bepaalt.

 

4)

De artikelen 55 en 56 van de Toetredingsakte van 1985 moeten aldus worden uitgelegd, dat zij niet ophouden toepasselijk te zijn op Spaanse vissers die aan boord van Britse vaartuigen werken, wegens het enkele feit dat die vissers worden beloond met een aandeel in de besomming, en dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling of praktijk volgens welke tot 1 januari 1993 75% van de bemanning van die vaartuigen niet uit Spanjaarden mag bestaan, mits die na de Toetredingsakte van 1985 ingevoerde beperking in geen geval de situatie van Spaanse werknemers verslechtert en niet geldt voor Spaanse onderdanen die ten tijde van de toetreding reeds als werknemer op het Britse grondgebied of op een Brits vaartuig waren tewerkgesteld, wanneer de arbeidsverhouding een voldoende nauwe band met dat grondgebied heeft.

 

5)

Daar geen van de toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht rechtstreekse werking mist, kunnen zij door parodieren voor een nationale rechterlijke instantie worden ingeroepen.

 

Due

Slynn

Kakouris

Schockweiler

Koopmans

Mancini

Joliet

O'Higgins

Rodríguez Iglesias

Grévisse

Díez de Velasco

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 december 1989.

De griffier

J.-G. Giraud

De president

O. Due


( *1 ) Procestaal: Engels.