61978J0207

ARREST VAN HET HOF (EERSTE KAMER) VAN 31 MEI 1979. - OPENBAAR MINISTERIE TEGEN GILBERT EVEN EN RIJKSDIENST VOOR WERKNEMERSPENSIOENEN (RWP). - (" SOCIALE VOORDELEN "). - (VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET ARBEIDSHOF TE LUIK). - ZAAK NO. 207/78.

Jurisprudentie 1979 bladzijde 02019
Griekse bijz. uitgave bladzijde 00019


Samenvatting
Partijen
Onderwerp
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 . SOCIALE ZEKERHEID VAN MIGRERENDE WERKNEMERS - GEMEENSCHAPSREGELING - MATERIELE WERKINGSSFEER - PRESTATIES DIE DAAR WEL EN NIET ONDER VALLEN - ONDERSCHEIDENDE CRITERIA

( VERORDENING NR . 1408/71 VAN DE RAAD , ARTIKEL 4 , LEDEN 1 EN 4 )

2 . SOCIALE ZEKERHEID VAN MIGRERENDE WERKNEMERS - GEMEENSCHAPSREGELING - MATERIELE WERKINGSSFEER - PRESTATIES DIE DAAR BUITEN VALLEN - PRESTATIES AAN SLACHTOFFERS VAN OORLOGSHANDELINGEN OF DE GEVOLGEN DAARVAN

( VERORDENING NR . 1408/71 VAN DE RAAD , ARTIKEL 4 , LID 4 )

3 . VRIJ VERKEER VAN PERSONEN - WERKNEMERS - GELIJKE BEHANDELING - SOCIALE EN FISCALE VOORDELEN - BEGRIP

( VERORDENING NR . 1612/68 VAN DE RAAD , ARTIKEL 7 , LID 2 )

4 . VRIJ VERKEER VAN PERSONEN - WERKNEMERS - GELIJKE BEHANDELING - SOCIALE VOORDELEN - VOORDELEN UIT HOOFDE VAN EEN STATUUT VAN NATIONALE ERKENTELIJKHEID - UITSLUITING

( VERORDENING NR . 1612/68 VAN DE RAAD , ARTIKEL 7 , LID 2 )

Samenvatting


1 . DE ENKELE OMSTANDIGHEID DAT EEN BEPALING DIE VOORZIET IN PRESTATIES AAN SLACHTOFFERS VAN OORLOGSHANDELINGEN OF DE GEVOLGEN DAARVAN IN EEN NATIONALE WETGEVING VAN SOCIALE ZEKERHEID IS OPGENOMEN , IS OP ZICHZELF NIET VOLDOENDE OM TE KUNNEN BESLUITEN DAT HET BIJ DIE BEPALING VOORZIENE VOORDEEL EEN PRESTATIE VAN SOCIALE ZEKERHEID VORMT IN DE ZIN VAN VERORDENING NR . 1408/71 VAN DE RAAD , NU HET ONDERSCHEID TUSSEN PRESTATIES DIE VAN DE WERKINGSSFEER VAN DIE VERORDENING ZIJN UITGESLOTEN EN PRESTATIES DIE WEL DAARONDER VALLEN IN DE EERSTE PLAATS OP DE CONSTITUTIEVE ELEMENTEN VAN EEN PRESTATIE BERUST , MET NAME OP HET DOEL WAAROP ZIJ IS GERICHT EN DE VOORWAARDEN VOOR HAAR TOEKENNING .

2 . ARTIKEL 4 , LID 4 , VAN VERORDENING NR . 1408/71 MOET ALDUS WORDEN UITGELEGD DAT HET OOK BIJZONDERE NATIONALE REGELINGEN ( ZOALS DIE BEDOELD IN ARTIKEL 1 , SUB 4 , VAN HET BELGISCH KONINKLIJK BESLUIT VAN 27 JUNI 1969 ) DIE IN WEZEN TEN DOEL HEBBEN AAN WERKNEMERS , DIE TUSSEN 1940 EN 1945 BIJ DE GEALLIEERDE STRIJDKRACHTEN HEBBEN GEVOCHTEN EN EEN ARBEIDSONGESCHIKTHEID HEBBEN OPGELOPEN INGEVOLGE EEN OORLOGSHANDELING , EEN BLIJK TE GEVEN VAN NATIONALE ERKENTELIJKHEID WEGENS DE IN DIE TIJD ONDERGANE BEPROEVINGEN EN HUN DAARTOE , DOOR HET OPTREKKEN VAN HET VERVROEGD OUDERDOMSPENSIOEN , EEN VERGOEDING VOOR DE AAN HUN LAND BEWEZEN DIENSTEN TOE TE KENNEN , VAN DE WERKINGSSFEER VAN VERORDENING NR . 1408/71 UITSLUIT .

3 . UIT HET GEHEEL VAN DE BEPALINGEN VAN VERORDENING NR . 1612/68 VAN DE RAAD ALSMEDE UIT HET NAGESTREEFDE DOEL VOLGT , DAT DE SOCIALE EN FISCALE VOORDELEN DIE DEZE VERORDENING UITBREIDT TOT WERKNEMERS DIE ONDERDAAN ZIJN VAN ANDERE LID-STATEN , ALLE VOORDELEN ZIJN DIE , AL DAN NIET VERBONDEN AAN EEN ARBEIDSOVEREENKOMST , IN HET ALGEMEEN AAN NATIONALE WERKNEMERS WORDEN TOEGEKEND , VOORNAMELIJK OP GROND VAN HUN OBJECTIEVE HOEDANIGHEID VAN WERKNEMER OF ENKEL WEGENS HET FEIT DAT ZIJ INGEZETENEN ZIJN , ZODAT DE UITBREIDING ERVAN TOT WERKNEMERS DIE ONDERDAAN VAN ANDERE LID-STATEN ZIJN , GESCHIKT LIJKT OM HUN MOBILITEIT BINNEN DE GEMEENSCHAP TE VERGEMAKKELIJKEN .

4 . EEN VOORDEEL , DAT IS GEBASEERD OP EEN STATUUT VAN NATIONALE ERKENTELIJKHEID ( ZOALS HET VOORDEEL DAT BIJ HET BELGISCH KONINKLIJK BESLUIT VAN 27 JUNI 1969 WORDT TOEGEKEND ), KAN DERHALVE NIET ALS EEN AAN EEN NATIONALE WERKNEMER IN HOOFDZAAK OP GROND VAN ZIJN HOEDANIGHEID VAN WERKNEMER OF INGEZETENE TOEGEKEND VOORDEEL WORDEN BESCHOUWD EN BEANTWOORDT BIJ GEVOLG NIET AAN DE WEZENLIJKE KENMERKEN VAN ' ' SOCIALE VOORDELEN ' ' ALS BEDOELD IN ARTIKEL 7 , LID 2 , VAN VERORDENING NR . 1612/68 .

DIENTENGEVOLGE VALT HET NIET BINNEN DE MATERIELE WERKINGSSFEER VAN DEZE VERORDENING EN IS HET DUS , WAT DE TOEKENNINGSVOORWAARDEN BETREFT , NIET ONDERWORPEN AAN DE BEPALINGEN DAARVAN .

Partijen


IN ZAAK 207/78 ,

BETREFFENDE EEN VERZOEK AAN HET HOF KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG VAN HET ARBEIDSHOF TE LUIK , IN HET ALDAAR AANHANGIG GEDING TUSSEN

OPENBAAR MINISTERIE

EN

1 ) GILBERT EVEN , TE HERSTAL ,

2 ) RIJKSDIENST VOOR WERKNEMERSPENSIOENEN ( RWP ), TE BRUSSEL ,

Onderwerp


OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING OVER DE UITLEGGING VAN SOMMIGE BEPALINGEN VAN VERORDENING NR . 1408/71 , MET NAME ARTIKEL 3 , LID 1 , EN ARTIKEL 4 , LID 4 ,

Overwegingen van het arrest


1HET ARBEIDSHOF TE LUIK HEEFT BIJ ARREST VAN 8 SEPTEMBER 1978 , INGEKOMEN BIJ HET HOF OP 21 SEPTEMBER 1978 , ENKELE PREJUDICIELE VRAGEN GESTELD OVER DE UITLEGGING VAN DE ARTIKELEN 3 EN 4 VAN VERORDENING NR . 1408/71 VAN DE RAAD ' ' BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN DE SOCIALE ZEKERHEIDSREGELINGEN OP LOONTREKKENDEN EN HUN GEZINNEN , DIE ZICH BINNEN DE GEMEENSCHAP VERPLAATSEN ' ' .

2DEZE VRAGEN ZIJN GEREZEN IN EEN GEDING TUSSEN DE RIJKSDIENST VOOR WERKNEMERSPENSIOENEN TE BRUSSEL EN EEN FRANS ONDERDAAN DIE SEDERT ZIJN 60E LEVENSJAAR VAN DEZE DIENST EEN VERVROEGD RUSTPENSIOEN ONTVANGT .

3INGEVOLGE ARTIKEL 5 VAN HET BELGISCHE KONINKLIJK BESLUIT NR . 50 VAN 24 OKTOBER 1967 , KAN HET RUSTPENSIOEN , DAT BIJ HET BEREIKEN VAN DE 65-JARIGE LEEFTIJD VOLLEDIG WORDT UITGEKEERD , NAAR KEUZE EN OP VERZOEK VAN DE BELANGHEBBENDE INGAAN BINNEN DE PERIODE VAN VIJF JAAR VOOR DE NORMALE PENSIOENLEEFTIJD MAAR WORDT DAN MET 5 % PER JAAR VERVROEGING VERLAAGD .

4ARTIKEL 1 , SUB 4 , VAN HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 27 JUNI 1969 HOUDENDE VASTSTELLING VAN DE VOORWAARDEN WAARONDER EEN STATUUT VAN NATIONALE ERKENTELIJKHEID RECHT GEEFT OP EEN VERVROEGD NIET-VERMINDERD RUSTPENSIOEN ALS WERKNEMER , BEPAALT ECHTER DAT VOORNOEMDE VERMINDERING NIET WORDT TOEGEPAST TEN AANZIEN VAN BELGISCHE ONDERDANEN DIE WERKELIJKE DIENST HEBBEN VOLBRACHT BIJ DE GEALLIEERDE STRIJDKRACHTEN TUSSEN 10 MEI 1940 EN 8 MEI 1945 EN EEN MILITAIR INVALIDITEITSPENSIOEN ONTVANGEN DAT DOOR EEN GEALLIEERDE NATIE IS TOEGEKEND VOOR EEN ARBEIDSONGESCHIKTHEID DIE AAN EEN OORLOGSHANDELING IS TOE TE SCHRIJVEN .

5IN CASU MAAKT BETROKKENE DIE KRACHTENS DE FRANSE WETGEVING EEN MILITAIR PENSIOEN ONTVANGT WEGENS BLIJVENDE INVALIDITEIT VAN 10 % TEN GEVOLGE VAN EEN IN EEN GEVECHT OP 13 MEI 1940 OPGELOPEN VERWONDING , AANSPRAAK OP HET IN DEZE BEPALING TOEGEKENDE VOORDEEL VAN EEN NIET-VERMINDERD VERVROEGD RUSTPENSIOEN , OP GROND VAN HET IN DE GEMEENSCHAPSWETGEVING NEERGELEGDE BEGINSEL VAN GELIJKE BEHANDELING VAN NATIONALE WERKNEMERS EN WERKNEMERS DIE ONDERDAAN ZIJN VAN EEN ANDERE LID-STAAT .

6HIJ STELT DAT HIJ , AFGEZIEN VAN DE NATIONALITEIT , VOLDOET AAN ALLE IN ARTIKEL 1 , LID 4 , VAN HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 27 JUNI 1969 GENOEMDE VOORWAARDEN VOOR TOEKENNING VAN HET VERLANGDE SOCIALE VOORDEEL EN DAT WEIGERING HIERVAN EEN MET HET VERDRAG STRIJDIGE DISCRIMINATIE OP GROND VAN NATIONALITEIT OPLEVERT .

7TER OPLOSSING VAN DIT PROBLEEM HEEFT HET ARBEIDSHOF TE LUIK , RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP VAN HET VONNIS VAN DE ARBEIDSRECHTBANK TE LUIK DIE HET VERZOEK VAN BELANGHEBBENDE HAD GEHONOREERD , AAN HET HOF DE VOLGENDE VRAGEN VOORGELEGD :

' ' A ) MOET DE BEPALING VAN ARTIKEL 4 , LID 4 , VAN VERORDENING NR . 1408/71 VAN DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN VAN 14 JUNI 1971 , BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN DE SOCIALE ZEKERHEIDSREGELINGEN OP LOONTREKKENDEN EN HUN GEZINNEN , DIE ZICH BINNEN DE GEMEENSCHAP VERPLAATSEN , VOLGENS WELKE BEPALING GENOEMDE VERORDENING NIET VAN TOEPASSING IS OP REGELINGEN BETREFFENDE PRESTATIES AAN SLACHTOFFERS VAN OORLOGSHANDELINGEN OF DE GEVOLGEN DAARVAN , ENG WORDEN UITGELEGD IN DIE ZIN DAT ZIJ SLECHTS DOELT OP EEN OF MEER WETTELIJKE REGELINGEN , EN BLOC ' WAARBIJ EEN OF MEER SPECIFIEKE REGELINGEN BETREFFENDE PRESTATIES AAN SLACHTOFFERS VAN OORLOGSHANDELINGEN EN DE GEVOLGEN DAARVAN WORDEN INGEVOERD EN UITGEWERKT EN DIE DUIDELIJK BUITEN HET KADER VAN DE BESTAANDE SOCIALE ZEKERHEIDSREGELINGEN VALLEN , OF MOET ZIJ RUIMER WORDEN UITGELEGD IN DIER VOEGE DAT ZIJ OOK BEPAALDE BIJZONDERE WETTELIJKE BEPALINGEN OMVAT ZOALS DIE VAN HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 27 JUNI 1969 HOUDENDE VASTSTELLING VAN DE VOORWAARDEN WAARONDER EEN STATUUT VAN NATIONALE ERKENTELIJKHEID RECHT GEEFT OP EEN VERVROEGD NIET-VERMINDERD RUSTPENSIOEN ALS WERKNEMER - EN IN HET BIJZONDER DIE BEDOELD IN ARTIKEL 1 , SUB 4 , DAARVAN - WELKE BEPALINGEN DE BELGISCHE WETGEVING OP HET GEBIED VAN DE WERKNEMERSPENSIOENEN , VASTGESTELD EN UITGEWERKT BIJ KONINKLIJK BESLUIT NR . 50 VAN 24 OKTOBER 1967 , AANVULLEN DOOR TOEKENNING VAN , BIJZONDERE ' RECHTSTREEKS EN UITSLUITEND TEN LASTE VAN DE BELGISCHE STAAT KOMENDE PENSIOENVOORDELEN , AAN VERSCHILLENDE IN DEZE BEPALINGEN OPGESOMDE GROEPEN DIE ONDER EEN STATUUT VAN NATIONALE ERKENTELIJKHEID VALLEN?

B ) VOOR HET GEVAL HET HOF ZICH MOCHT UITSPREKEN VOOR EEN ENGE ( RESTRICTIEVE ) UITLEGGING VAN ARTIKEL 4 , LID 4 , VAN VERORDENING ( EEG ) NR . 1408/71 , IS HET HOF DAN VAN OORDEEL DAT ER , OVEREENKOMSTIG DE BEPERKING IN ARTIKEL 3 , LID 1 , IN FINE , DEZER VERORDENING , WELKE HET BEGINSEL VAN DE GELIJKHEID VAN BEHANDELING , BEHOUDENS BIJZONDERE BEPALINGEN VAN ( DEZE ) VERORDENING ' VASTLEGT , INDERDAAD EEN OF MEER BIJZONDERE BEPALINGEN HETZIJ IN GENOEMDE VERORDENING HETZIJ IN VERORDENING ( EEG ) NR . 574/72 , TOT VASTSTELLING VAN DE WIJZE VAN TOEPASSING VAN EERSTGENOEMDE VERORDENING , KUNNEN BESTAAN DIE OP HET GEBIED VAN DE ONDERHAVIGE PENSIOENEN IN DE WEG KUNNEN STAAN AAN DE TOEPASSING VAN HET BEGINSEL DAT PERSONEN DIE OP HET GRONDGEBIED VAN EEN DER LID-STATEN WONEN EN OP WIE DE BEPALINGEN VAN DE VERORDENING VAN TOEPASSING ZIJN , DE RECHTEN VOORTVLOEIENDE UIT DE WETGEVING VAN ELKE LID-STAAT , ONDER DEZELFDE VOORWAARDEN HEBBEN ALS DE ONDERDANEN VAN DIE STAAT?

C ) VOOR HET GEVAL HET BEGINSEL VAN NON-DISCRIMINATIE IN GENOEMD ARTIKEL 3 HIER VAN TOEPASSING ZOU WORDEN GEACHT , BRENGT DIT BEGINSEL DAN MEE DAT EEN NATIONALITEITSVOORWAARDE ( ' ' VAN BELGISCHE NATIONALITEIT ZIJN ' ' ) ZOALS VERMELD IN ARTIKEL 1 , SUB 4 , VAN HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 27 JUNI 1969 , VOOR NIET-GESCHREVEN MOET WORDEN GEHOUDEN EN MITSDIEN ALS ZONDER GEVOLG MOET WORDEN BESCHOUWD TEN AANZIEN VAN NIET-BELGISCHE ONDERDANEN VAN DE VERSCHILLENDE LID-STATEN DER EUROPESE GEMEENSCHAPPEN?

' '

8VOOR DE BEANTWOORDING VAN DE EERSTE VRAAG MOET IN HOOFDZAAK WORDEN ONDERZOCHT OF EEN VOORDEEL ALS BEDOELD IN ARTIKEL 1 , SUB 4 , VAN HET BELGISCHE KONINKLIJK BESLUIT VAN 27 JUNI 1969 KAN WORDEN BESCHOUWD ALS EEN PRESTATIE VAN SOCIALE ZEKERHEID IN DE ZIN VAN ARTIKEL 4 , LID 1 , SUB C , VAN VERORDENING NR . 1408/71 EN UIT DIEN HOOFDE ONDER DE MATERIELE WERKINGSSFEER DEZER VERORDENING VALT GELIJK DIE IN GENOEMD ARTIKEL 4 IS OMSCHREVEN .

9ZOALS DE NATIONALE RECHTER IN ZIJN VERWIJZINGSARREST VERDUIDELIJKT , VORMT ARTIKEL 1 , SUB 4 , VAN HET BELGISCHE KONINKLIJK BESLUIT VAN 27 JUNI 1969 EEN AANVULLING VAN DE BELGISCHE WETGEVING OP HET GEBIED VAN DE WERKNEMERSPENSIOENEN WELKE IS INGEVOERD EN GEREGELD BIJ KONINKLIJK BESLUIT NR . 50 VAN 24 OKTOBER 1967 .

10DE ENKELE OMSTANDIGHEID DAT ZODANIGE BEPALING IN EEN NATIONALE WETGEVING VAN SOCIALE ZEKERHEID IS OPGENOMEN , IS OP ZICHZELF ECHTER NIET VOLDOENDE OM TE KUNNEN BESLUITEN DAT HET BIJ DIE BEPALING VOORZIENE VOORDEEL EEN PRESTATIE VAN SOCIALE ZEKERHEID VORMT IN DE ZIN VAN VERORDENING NR . 1408/71 .

11ZOALS HET HOF BIJ ARREST VAN 6 JULI 1978 IN ZAAK 9/78 ( GILLARD ) HEEFT UITGEMAAKT , BERUST IMMERS HET ONDERSCHEID TUSSEN PRESTATIES DIE VAN DE WERKINGSSFEER VAN VERORDENING NR . 1408/71 ZIJN UITGESLOTEN , EN PRESTATIES DIE WEL DAARONDER VALLEN , IN DE EERSTE PLAATS OP DE CONSTITUTIEVE ELEMENTEN VAN EEN PRESTATIE , MET NAME OP HET DOEL WAAROP ZIJ IS GERICHT , EN DE VOORWAARDEN VOOR HAAR TOEKENNING .

12BLIJKENS DE STUKKEN HEEFT HET KRACHTENS DE ONDERHAVIGE NATIONALE BEPALINGEN TOEGEKENDE VOORDEEL IN WEZEN TEN DOEL AAN BELGISCHE WERKNEMERS DIE TUSSEN 10 MEI 1940 EN 8 MEI 1945 BIJ DE GEALLIEERDE STRIJDKRACHTEN HEBBEN GEVOCHTEN EN EEN ARBEIDSONGESCHIKTHEID HEBBEN OPGELOPEN INGEVOLGE EEN OORLOGSHANDELING , EEN BLIJK TE GEVEN VAN NATIONALE ERKENTELIJKHEID WEGENS DE IN DIE TIJD ONDERGANE BEPROEVINGEN EN HUN DAARTOE , DOOR HET OPTREKKEN VAN HET VERVROEGD OUDERDOMSPENSIOEN , EEN VERGOEDING VOOR DE AAN HUN LAND BEWEZEN DIENSTEN TOE TE KENNEN .

13GELET OP DIT DOEL EN DEZE TOEKENNINGSVOORWAARDEN , VERTOONT ZODANIG VOORDEEL NIET DE CONSTITUTIEVE ELEMENTEN VAN EEN PRESTATIE VAN SOCIALE ZEKERHEID IN DE ZIN VAN ARTIKEL 4 , LID 1 , VAN DE VERORDENING .

14ARTIKEL 4 VAN VERORDENING NR . 1408/71 , WAARIN DE MATERIELE WERKINGSSFEER ERVAN WORDT OMSCHREVEN , BEPAALT IN LID 4 DAT DEZE VERORDENING ONDER MEER NIET VAN TOEPASSING IS ' ' OP DE REGELINGEN BETREFFENDE PRESTATIES AAN SLACHTOFFERS VAN OORLOGSHANDELINGEN OF DE GEVOLGEN DAARVAN ' ' .

15OP DE EERSTE VRAAG DIENT DERHALVE TE WORDEN GEANTWOORD DAT ARTIKEL 4 , LID 4 , VAN VERORDENING NR . 1408/71 ALDUS MOET WORDEN UITGELEGD , DAT HET OOK BETREKKING HEEFT OP EEN BIJZONDERE REGELING ALS DIE , BEDOELD IN ARTIKEL 1 , SUB 4 , VAN HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 27 JUNI 1969 HOUDENDE VASTSTELLING VAN DE VOORWAARDEN WAARONDER EEN STATUUT VAN NATIONALE ERKENTELIJKHEID RECHT GEEFT OP EEN VERVROEGD NIET-VERMINDERD RUSTPENSIOEN ALS WERKNEMER .

16GEZIEN DIT ANTWOORD KOMT AAN DE OVERIGE VRAGEN VAN DE NATIONALE RECHTER DE GRONDSLAG TE ONTVALLEN .

17DE COMMISSIE HEEFT ECHTER IN HAAR OPMERKINGEN BETOOGD DAT EEN VOORDEEL ALS HET ONDERHAVIGE , AL IS HET GEEN PRESTATIE VAN SOCIALE ZEKERHEID IN DE ZIN VAN VERORDENING NR . 1408/71 , NIETTEMIN KAN WORDEN AANGEMERKT ALS SOCIAAL VOORDEEL IN DE ZIN VAN ARTIKEL 7 , LID 2 , VAN VERORDENING NR . 1612/68 VAN DE RAAD VAN 15 OKTOBER 1968 BETREFFENDE HET VRIJE VERKEER VAN WERKNEMERS BINNEN DE GEMEENSCHAP ( PB 1968 , L 257 , BLZ . 2 ), EN ALDUS ONDER DE WERKINGSSFEER VAN LAATSTGENOEMDE VERORDENING KOMT TE VALLEN .

18ZIJ LEIDT HIERUIT AF DAT DE TOEKENNING VAN EEN DERGELIJK VOORDEEL WELISWAAR IS ONTTROKKEN AAN DE BEPALINGEN VAN VERORDENING NR . 1408/71 , MET INBEGRIP VAN ARTIKEL 3 , LID 1 , DOCH NIETTEMIN ONDERWORPEN BLIJFT AAN DE BEPALINGEN VAN VERORDENING NR . 1612/68 EN MET NAME AAN ARTIKEL 7 , LID 2 , DAT BEPAALT DAT EEN WERKNEMER DIE ONDERDAAN IS VAN EEN LID-STAAT OP HET GRONDGEBIED VAN ANDERE LID-STATEN ' ' DEZELFDE SOCIALE EN FISCALE VOORDELEN ( GENIET ) ALS DE NATIONALE WERKNEMERS ' ' .

19EEN ONDERZOEK NAAR DE GEGRONDHEID VAN DIE STELLING IS OP ZIJN PLAATS .

20VERORDENING NR . 1612/68 IS UITGEVAARDIGD TER UITVOERING VAN DE ARTIKELEN 48 EN 49 VAN HET VERDRAG EN IN HET KADER VAN DE BIJ VERORDENING NR . 38/64 VAN DE RAAD VAN 25 MAART 1964 ( PB L 62 VAN 1964 , BLZ . 965 ) VASTGESTELDE MAATREGELEN EN BEOOGT HET VRIJE VERKEER VAN WERKNEMERS BINNEN DE GEMEENSCHAP TE VERWEZENLIJKEN .

21TE DIEN EINDE VOORZIET ZIJ IN DE AFSCHAFFING VAN ELK VERSCHIL IN BEHANDELING TUSSEN NATIONALE WERKNEMERS EN WERKNEMERS DIE ONDERDAAN ZIJN VAN ANDERE LID-STATEN , WAT BETREFT DE WERKGELEGENHEID , DE ARBEIDSVOORWAARDEN EN DE BELONING , EN GEEFT ZIJ DE WERKNEMERS DIE ONDERDAAN ZIJN VAN ANDERE LID-STATEN EN HUN GEZINSLEDEN TOEGANG TOT DE SOCIALE EN FISCALE VOORDELEN DIE DE NATIONALE WERKNEMERS IN HET LAND VAN TEWERKSTELLING GENIETEN .

22UIT HET GEHEEL DEZER BEPALINGEN ALSMEDE UIT HET NAGESTREEFDE DOEL VOLGT , DAT DE VOORDELEN DIE DEZE VERORDENING UITBREIDT TOT WERKNEMERS DIE ONDERDAAN ZIJN VAN ANDERE LID-STATEN , ALLE VOORDELEN ZIJN DIE , AL DAN NIET VERBONDEN AAN EEN ARBEIDSOVEREENKOMST , IN HET ALGEMEEN AAN NATIONALE WERKNEMERS WORDEN TOEGEKEND , VOORNAMELIJK OP GROND VAN HUN OBJECTIEVE HOEDANIGHEID VAN WERKNEMER OF ENKEL WEGENS HET FEIT DAT ZIJ INGEZETENEN ZIJN , ZODAT DE UITBREIDING ERVAN TOT WERKNEMERS DIE ONDERDAAN VAN ANDERE LID-STATEN ZIJN GESCHIKT LIJKT OM HUN MOBILITEIT BINNEN DE GEMEENSCHAP TE VERGEMAKKELIJKEN .

23ZOALS IN HET VORIGE WERD VASTGESTELD , VINDT EEN VOORDEEL ALS DOOR DE ONDERHAVIGE BELGISCHE WETGEVING AAN BEPAALDE GROEPEN NATIONALE WERKNEMERS TOEGEKEND DAARENTEGEN ZIJN VOORNAAMSTE GROND IN DE DIENSTEN DIE DE RECHTHEBBENDEN IN TIJD VAN OORLOG AAN HUN EIGEN LAND HEBBEN BEWEZEN EN HEEFT HET ALS WEZENLIJK DOEL , DEZE ONDERDANEN EEN VERGOEDING TOE TE KENNEN WEGENS DE VOOR DAT LAND DOORSTANE BEPROEVINGEN .

24EEN DERGELIJK VOORDEEL , DAT IS GEBASEERD OP EEN STATUUT VAN NATIONALE ERKENTELIJKHEID , KAN DERHALVE NIET ALS EEN AAN EEN NATIONALE WERKNEMER IN HOOFDZAAK OP GROND VAN ZIJN HOEDANIGHEID VAN WERKNEMER OF INGEZETENE TOEGEKEND VOORDEEL WORDEN BESCHOUWD EN BEANTWOORDT BIJ GEVOLG NIET AAN DE WEZENLIJKE KENMERKEN VAN ' ' SOCIALE VOORDELEN ' ' ALS BEDOELD IN ARTIKEL 7 , LID 2 , VAN VERORDENING NR . 1612/68 .

25HIERUIT VOLGT DAT HET ONDERHAVIGE VOORDEEL NIET VALT BINNEN DE MATERIELE WERKINGSSFEER VAN VERORDENING NR . 1612/68 EN DERHALVE WAT DE TOEKENNINGSVOORWAARDEN BETREFT NIET IS ONDERWORPEN AAN DE BEPALINGEN VAN DIE VERORDENING .

Beslissing inzake de kosten


KOSTEN

26DE KOSTEN DOOR DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN WEGENS INDIENING VAN HAAR OPMERKINGEN GEMAAKT , KUNNEN NIET VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KOMEN . TEN AANZIEN VAN DE PARTIJEN IN HET HOOFDGEDING IS DE PROCEDURE ALS EEN ALDAAR GEREZEN INCIDENT TE BESCHOUWEN , ZODAT DE NATIONALE RECHTER OVER DE KOSTEN HEEFT TE BESLISSEN .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE ( EERSTE KAMER )

UITSPRAAK DOENDE OP DE DOOR HET ARBEIDSHOF TE LUIK BIJ ARREST VAN 8 SEPTEMBER 1978 VOORGELEGDE VRAGEN , VERKLAART VOOR RECHT :

ARTIKEL 4 , LID 4 , VAN VERORDENING NR . 1408/71 MOET ALDUS WORDEN UITGELEGD DAT HET OOK BETREKKING HEEFT OP EEN BIJZONDERE REGELING ALS DIE , BEDOELD IN ARTIKEL 1 , SUB 4 , VAN HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 27 JUNI 1969 HOUDENDE VASTSTELLING VAN DE VOORWAARDEN WAARONDER EEN STATUUT VAN NATIONALE ERKENTELIJKHEID RECHT GEEFT OP EEN VERVROEGD NIET-VERMINDERD RUSTPENSIOEN ALS WERKNEMER .