61970J0025

ARREST VAN HET HOF VAN 17 DECEMBER 1970. - EINFUHR - UND VORRATSSTELLE FUER GETREIDE UND FUTTERMITTEL TEGEN KOESTER, BERODT & CO. - (VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET HESSISCHE VERWALTUNGSGERICHTSHOF). - ZAAK NO. 25/70.

Jurisprudentie 1970 bladzijde 01161
Deense bijz. uitgave bladzijde 00259
Griekse bijz. uitgave bladzijde 00617
Portugese bijz. uitgave bladzijde 00659
Spaanse bijz. uitgave bladzijde 00281
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00515
Finse bijz. uitgave bladzijde 00515


Samenvatting
Partijen
Onderwerp
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1 . LANDBOUW - GEMEENSCHAPPELIJK LANDBOUWBELEID - COMMUNAUTAIRE VERORDENINGEN - INRICHTING - ONDERSCHEID TUSSEN BASISVOORSCHRIFTEN EN UITVOERINGSBEPALINGEN )

( EEG-VERDRAG, ARTT . 43, 155 )

2 . LANDBOUW - GEMEENSCHAPPELIJKE ORDENING DER MARKTEN - GRANEN - COMITE VAN BEHEER - WETTIGHEID

(' S RAADS VERORDENING NR . 19, ARTT . 25, 26 )

3 . LANDBOUW - GEMEENSCHAPPELIJKE ORDENING DER MARKTEN - GRANEN - INVOERCERTIFICATEN - WAARBORGREGELING - UITBREIDING, BIJ VERORDENING VAN DE COMMISSIE, TOT UITVOER EN TOT VEREDELINGSPRODUKTEN - WETTIGHEID

(' S RAADS VERORDENING NR . 19, ART . 16; VERORDENING NR . 120/64 VAN DE COMMISSIE )

4 . GEMEENSCHAPSRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - GRONDRECHTEN - VERZEKERING HUNNER EERBIEDIGING DOOR HET HOF

5 . LANDBOUW - GEMEENSCHAPPELIJKE ORDENING DER MARKTEN - INVOER - EN UITVOERCERTIFICATEN MET WAARBORGSTELLING - DEZE REGELING ALS NOODZAKELIJK EN PASSEND MIDDEL TE BESCHOUWEN - GEEN SCHENDING VAN GRONDRECHTEN

( EEG-VERDRAG, ARTT . 40, 43 )

6 . LANDBOUW - GEMEENSCHAPPELIJKE ORDENING DER MARKTEN - INVOER - EN UITVOERCERTIFICATEN - GELDIGHEIDSDUUR - OVERSCHRIJDING DAARVAN - OVERMACHT - BEGRIP

7 . LANDBOUW - GEMEENSCHAPPELIJKE ORDENING DER MARKTEN - INVOER - EN UITVOERCERTIFICATEN - VERVAL VAN VERPLICHTING TOT INVOER OF UITVOER - BEPERKING TOT OVERMACHT - ZODANIGE BEPERKING GEOORLOOFD

Samenvatting


1 . AAN ARTIKEL 43, LID 2, ALINEA 3, IS VOLDAAN ZODRA DE RAAD IN ZIJN LANDBOUWVERORDENINGEN OVEREENKOMSTIG DE IN GENOEMD VOORSCHRIFT VOORZIENE PROCEDURE EEN REGELING IN HOOFDZAKEN GEEFT . DAARENTEGEN KUNNEN VOORSCHRIFTEN TER UITVOERING VAN BASISVERORDENINGEN VOLGENS EEN ANDERE PROCEDURE DAN DIE VAN ARTIKEL 43 - HETZIJ DOOR DE RAAD ZELF , HETZIJ DOOR DE COMMISSIE KRACHTENS MACHTIGING OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 155 - WORDEN VASTGELEGD .

2 . HET VOOR HET COMITE VAN BEHEER VOORZIENE MECHANISME MAAKT HET - ZONDER AAN HET WEZEN VAN DE COMMUNAUTAIRE STRUCTUUR EN AAN HET INSTITUTIONELE EVENWICHT AFBREUK TE DOEN - DE RAAD MOGELIJK AAN DE COMMISSIE VOLDOENDE RUIME UITVOERENDE BEVOEGDHEDEN TE VERLENEN, ONDER VOORBEHOUD VAN HET RECHT OM DESNODIG DE BESLISSING AAN ZICH TE TREKKEN . DE WETTIGHEID VAN DE PROCEDURE VOOR HET COMITE VAN BEHEER, BEDOELD IN DE ARTIKELEN 25 EN 26 VAN VERORDENING NR . 19, KAN DERHALVE NIET MET EEN BEROEP OP DE INSTITUTIONELE STRUCTUUR VAN DE GEMEENSCHAP WORDEN AANGEVOCHTEN .

3 . GEZIEN DE SYSTEMATIEK EN DOELSTELLINGEN VAN ARTIKEL 16, LID 3, VAN VERORDENING NR . 19, WAS DE COMMISSIE GEMACHTIGD OM, VOOR ZOVEEL UITVOERCERTIFICATEN BETREFT, IN VERORDENING NR . 102/64 DE VOORSCHRIFTEN VAN DE ARTIKELEN 1 EN 7 INZAKE DE UITVOERVERPLICHTING EN WAARBORGSTELLING OP TE NEMEN, AL WELKE VOORSCHRIFTEN MOETEN DIENEN OM DE IN ARTIKEL 16 VOOR BEPAALDE ASPECTEN VOORZIENE MAATREGELEN AAN TE VULLEN .

4 . DE EERBIEDIGING DER GRONDRECHTEN MAAKT EEN BESTANDDEEL UIT VAN DE ALGEMENE RECHTSBEGINSELEN WELKER EERBIEDIGING DOOR HET HOF VAN JUSTITIE WORDT VERZEKERD .

5 . DAT IN DE LANDBOUWVERORDENINGEN VAN DE GEMEENSCHAP INVOER - EN UITVOERCERTIFICATEN WORDEN VERLANGD, DES DAT DE HOUDERS VERPLICHT ZIJN TOT UITVOERING DER VOORGENOMEN TRANSACTIES EN VOOR NAKOMING DIER VERPLICHTING DOOR HET STELLEN VAN EEN WAARBORG WORDT INGESTAAN, IS EEN NOODZAKELIJK EN TEVENS PASSEND MIDDEL IN DE ZIN VAN DE ARTIKELEN 40, LID 3, EN 43 VAN HET EEG-VERDRAG OM DE BEVOEGDE GEZAGSORGANEN IN STAAT TE STELLEN TOT EEN ZO EFFICIENT MOGELIJK INTERVENTIEBELEID OP DE GRAANMARKT . DE CERTIFICATENREGELING MAAKT GEEN INBREUK OP ENIGERLEI GRONDRECHT .

6 . DE TERM OVERMACHT, ZOALS DIE IN DE LANDBOUWVERORDENINGEN WORDT GEBEZIGD, OMVAT NIET SLECHTS VOLSTREKTE ONMOGELIJKHEID, DOCH MEDE ABNORMALE, BUITEN TOEDOEN VAN DE IMPORTEUR CASU QUO EXPORTEUR INGETREDEN OMSTANDIGHEDEN, WAARVAN DE GEVOLGEN, ALLE DILIGENTIE TEN SPIJT, SLECHTS TEN KOSTE VAN ONEVENREDIG GROTE OFFERS TE VERMIJDEN WAREN GEWEEST ( ARREST VAN 11 JULI 1968, ZAAK 4-68, JURISPRUDENTIE XIV, 1968, BLZ . 537, 538 ).

7 . DOOR HET DOEN VERVALLEN VAN DE UITVOERVERPLICHTING EN HET VRIJGEVEN VAN DE WAARBORGSOM TOT GEVALLEN VAN OVERMACHT TE BEPERKEN, HEEFT DE COMMUNAUTAIRE WETGEVER EEN REGELING GETROFFEN WELKE, ZONDER DE IMPORTEURS OF EXPORTEURS IN ONEVENREDIGE MATE TE BELASTEN, ZICH ERTOE LEENT DE NORMALE WERKING VAN DE ORDENING VAN DE GRAANMARKT - IN HET ALGEMEEN BELANG, ZOALS DAT IN ARTIKEL 39 VAN HET VERDRAG IS OMSCHREVEN - TE VERZEKEREN .

Partijen


IN DE ZAAK 25-70

- VERZOEK, DOOR HET HESSISCHE VERWALTUNGSGERICHTSHOF TE KASSEL KRACHTENS ARTIKEL 177 VAN HET EEG-VERDRAG GEDAAN IN HET VOOR DIE RECHTERLIJKE INSTANTIE AANHANGIG GEDING TUSSEN

EINFUHR - UND VORRATSSTELLE FUER GETREIDE UND FUTTERMITTEL TE FRANKFURT AM MAIN

EN

KOESTER, BERODT UND CO ., GEVESTIGD TE HAMBURG

Onderwerp


EN STREKKENDE TOT HET BEKOMEN VAN EEN PREJUDICIELE BESLISSING INZAKE DE GELDIGHEID VAN VERORDENING NR . 102/64/EEG VAN DE COMMISSIE VAN 28 JULI 1964 MET BETREKKING TOT DE INVOER - EN UITVOERCERTIFICATEN VOOR GRANEN, OP BASIS VAN GRANEN VERWERKTE PRODUKTEN, RIJST, BREUKRIJST EN OP BASIS VAN RIJST VERWERKTE PRODUKTEN -

WIJST

Overwegingen van het arrest


1 OVERWEGENDE DAT HET HESSISCHE VERWALTUNGSGERICHTSHOF BIJ BESCHIKKING VAN 21 APRIL 1970, INGEKOMEN OP 28 MEI 1970, HET HOF KRACHTENS ARTIKEL 177 VAN HET EEG-VERDRAG HEEFT VERZOCHT BIJ WEGE VAN PREJUDICIELE BESLISSING UITSPRAAK TE DOEN INZAKE "DE GELDIGHEID VAN VERORDENING NR . 102/64/EEG VAN DE COMMISSIE VAN 28 JULI 1964 MET BETREKKING TOT DE INVOER - EN UITVOERCERTIFICATEN VOOR GRANEN, OP BASIS VAN GRANEN VERWERKTE PRODUKTEN, RIJST, BREUKRIJST EN OP BASIS VAN RIJST VERWERKTE PRODUKTEN ( PUBLIKATIEBLAD 1964, BLZ . 2125 ), EN WEL MET NAME OVER DE VRAAG OF DE ARTIKELEN 1 EN 7 VAN GENOEMDE VERORDENING, VOOR ZOVEEL ZIJ BETREKKING HEBBEN OP UITVOERCERTIFICATEN EN OP DE TER BEKOMING VAN DIE CERTIFICATEN GESTELDE WAARBORG, GELDIG ZIJN";

2 OVERWEGENDE DAT DE GESTELDE VRAAG BLIJKENS DE VERWIJZINGSBESCHIKKING WERD OPGEWORPEN BIJ DE BEHANDELING VAN EEN BEROEP TEGEN EEN UITSPRAAK VAN HET VERWALTUNGSGERICHT TE FRANKFURT AM MAIN, HOUDENDE NIETIGVERKLARING VAN EEN BESCHIKKING VAN DE EINFUHR - UND VORRATSSTELLE FUER GETREIDE UND FUTTERMITTEL WAARIN TEN LASTE VAN VERWEERSTER EEN WAARBORGSOM WAS VERBEURD VERKLAARD OMDAT ZIJ NIET TIJDIG TOT UITVOER - GEDEKT DOOR EEN KRACHTENS ARTIKEL 7 VAN VERORDENING NR . 102/64 AFGEGEVEN CERTIFICAAT - WAS OVERGEGAAN;

DAT HET VERWALTUNGSGERICHT, ZOWEL GELET OP DE REDENGEVING VAN HET VONNIS IN EERSTE AANLEG ALS OP DE WEREN IN HOGER BEROEP DOOR VERWEERSTER IN HET BODEMGESCHIL VOORGEDRAGEN MET BETREKKING TOT DE RECHTMATIGHEID VAN DE WAARBORGREGELING, IN DE ARTIKELEN 1 EN 7 VAN VERORDENING NR . 102/64 VERVAT, ZIJN VRAAG HEEFT UITGEWERKT DOOR VIER NADERE VRAGEN TE STELLEN, WELKE AFZONDERLIJK DIENEN TE WORDEN BEZIEN;

1 - DE VRAAG BETREFFENDE DE PROCEDURE VOOR HET COMITE VAN BEHEER

3 OVERWEGENDE DAT AAN HET HOF IN DE EERSTE PLAATS VERZOCHT WORDT UIT TE SPREKEN OF DE PROCEDURE VAN ARTIKEL 26 VAN 'S RAADS VERORDENING NR . 19 VAN 4 APRIL 1962 HOUDENDE DE GELEIDELIJKE TOTSTANDBRENGING VAN EEN GEMEENSCHAPPELIJKE ORDENING DER MARKTEN IN DE SECTOR GRANEN ( PUBLIKATIEBLAD 1962, BLZ . 933 ), KRACHTENS WELKE VERORDENING NR . 102/64 VAN DE COMMISSIE IS UITGEVAARDIGD, MET HET EEG-VERDRAG IN STRIJD IS TE ACHTEN EN MET NAME OF DIE PROCEDURE VERENIGBAAR IS MET DE ARTIKELEN 43, LID 2, 155, 173, 177 EN 189, EERSTE ALINEA, VAN HET EEG-VERDRAG;

4 OVERWEGENDE DAT DEZE VRAAG DE WETTIGHEID BETREFT VAN DE PROCEDURE VOOR HET "COMITE VAN BEHEER", WELKE IS INGESTELD BIJ DE ARTIKELEN 25 EN 26 VAN VERORDENING NR . 19 EN IN EEN GROOT AANTAL ANDERE LANDBOUWVERORDENINGEN IS OVERGENOMEN;

DAT UIT VOORMELDE VERDRAGSBEPALINGEN DUIDELIJK WORDT, DAT DE GESTELDE VRAAG MEER IN HET BIJZONDER BETREKKING HEEFT OP DE VERENIGBAARHEID VAN DE PROCEDURE VOOR HET COMITE VAN BEHEER MET DE COMMUNAUTAIRE STRUCTUUR EN HET EVENWICHT TUSSEN DE INSTELLINGEN - ZOWEL WAT HUN ONDERLINGE VERHOUDING ALS WAT DE UITOEFENING HUNNER ONDERSCHEIDEN BEVOEGDHEDEN BETREFT -;

5 OVERWEGENDE DAT ALLEREERST WORDT GESTELD DAT DE BEVOEGDHEID TOT VASTSTELLING VAN DE OMSTREDEN REGELING TOEKWAM AAN DE RAAD, DIE - VOLGENS ARTIKEL 43, LID 2, ALINEA 3, VAN HET VERDRAG - OP VOORSTEL VAN DE COMMISSIE EN NA RAADPLEGING VAN DE VERGADERING HAD MOETEN BESLISSEN, EN DAT DERHALVE DOOR DE GEVOLGDE RECHTSGANG IS AFGEWEKEN VAN DE PROCEDURE - EN COMPETENTIEREGELEN, IN DIE VERDRAGSBEPALING VERVAT;

6 OVERWEGENDE DAT ZOWEL IN HET LEGISLATIEVE STELSEL VAN HET VERDRAG, ZOALS DAT MET NAME IN ARTIKEL 155, LAATSTE STREEPJE, TOT UITDRUKKING KOMT, ALS IN DE CONSTANTE PRAKTIJK DER COMMUNAUTAIRE INSTELLINGEN - OVEREENKOMSTIG DE IN ALLE LID-STATEN AANVAARDE RECHTSOPVATTINGEN - ONDERSCHEID WORDT GEMAAKT TUSSEN MAATREGELEN WELKE RECHTSTREEKS OP HET VERDRAG ZELF BERUSTEN EN AFGELEID RECHT WAARDOOR DE UITVOERING DIER MAATREGELEN MOET WORDEN VERZEKERD;

DAT DERHALVE NIET MAG WORDEN VERLANGD DAT DE VERORDENINGEN BETREFFENDE HET GEMEENSCHAPPELIJK LANDBOUWBELEID IN AL HUN ONDERDELEN DOOR DE RAAD VOLGENS DE PROCEDURE VAN ARTIKEL 43 WORDEN VASTGESTELD;

DAT AAN DIT VOORSCHRIFT IS VOLDAAN ZODRA DE HOOFDZAKEN VAN DE TE REGELEN MATERIE OVEREENKOMSTIG DE ALDAAR VOORZIENE PROCEDURE ZIJN VASTGELEGD;

DAT DAARENTEGEN VOORSCHRIFTEN TER UITVOERING VAN BASISVERORDENINGEN VOLGENS EEN ANDERE PROCEDURE DAN DIE VAN ARTIKEL 43 - HETZIJ DOOR DE RAAD ZELF, HETZIJ DOOR DE COMMISSIE KRACHTENS MACHTIGING OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 155 - KUNNEN WORDEN VASTGESTELD;

7 DAT DE MAATREGELEN VOORZIEN IN UITVOERINGSVERORDENING NR . 102/64 DER COMMISSIE HET KADER VAN DE TOEPASSING DER BEGINSELEN VAN BASISVERORDENING NR . 19 NIET TE BUITEN GAAN;

DAT DE COMMISSIE DERHALVE IN VERORDENING NR . 19 RECHTSGELDIG KON WORDEN GEMACHTIGD TOT HET NEMEN VAN DE ONDERHAVIGE UITVOERINGSMAATREGELEN, WELKER GELDIGHEID DERHALVE NIET MET HET OOG OP DE IN ARTIKEL 43, LID 2, VAN HET VERDRAG GESTELDE EISEN KAN WORDEN BETWIST;

8 OVERWEGENDE DAT VERWEERSTER IN HET HOOFDGEDING IN DE TWEEDE PLAATS BEZWAAR MAAKT TEGEN DE PROCEDURE VOOR HET "COMITE VAN BEHEER" OMDAT ZIJ EEN INBREUK OP DE BESLISSINGSBEVOEGDHEID DER COMMISSIE ZOU INHOUDEN EN WEL ZOZEER DAT DE ONAFHANKELIJKHEID DEZER INSTELLING IN GEVAAR ZOU WORDEN GEBRACHT;

DAT BOVENDIEN DOOR DE OMSTANDIGHEID DAT EEN IN HET VERDRAG ONBEKEND LICHAAM EEN PLAATS TUSSEN DE RAAD EN DE COMMISSIE INNEEMT, IN DE VERHOUDING TUSSEN DE INSTELLINGEN EN IN DE UITOEFENING VAN DE BESLISSINGSBEVOEGDHEID EEN ONZUIVER ELEMENT ZOU WORDEN GEBRACHT;

9 OVERWEGENDE DAT DE COMMISSIE VOLGENS ARTIKEL 155 "DE BEVOEGDHEDEN UITOEFENT WELKE DE RAAD HAAR VERLEENT TER UITVOERING VAN DE REGELS DIE HIJ VASTSTELT";

DAT DIT - FACULTATIEVE - VOORSCHRIFT HET AAN DE RAAD OVERLAAT UIT TE MAKEN VAN WELKE EVENTUELE MODALITEITEN HIJ DE UITOEFENING DER AAN DE COMMISSIE VERLEENDE BEVOEGDHEID AFHANKELIJK WENST TE STELLEN;

DAT DE PROCEDURE VOOR HET COMITE VAN BEHEER BEHOORT TOT DE UITVOERINGSVOORSCHRIFTEN WAARVAN DE RAAD EEN MACHTIGING AAN DE COMMISSIE AFHANKELIJK MAG STELLEN;

DAT NAMELIJK BIJ ANALYSE VAN HET MECHANISME DAT DOOR DE ARTIKELEN 25 EN 26 VAN VERORDENING NR . 19 IN HET LEVEN WERD GEROEPEN, BLIJKT DAT HET COMITE VAN BEHEER TOT TAAK HEEFT VAN ADVIES TE DIENEN INZAKE DOOR DE COMMISSIE ONTWORPEN MAATREGELEN;

DAT DE COMMISSIE, ONGEACHT HET ADVIES VAN HET COMITE VAN BEHEER, ONMIDDELIJK TOEPASSELIJKE MAATREGELEN KAN VASTSTELLEN;

DAT WANNEER HET COMITE IN ANDERE ZIN ADVISEERT, OP DE COMMISSIE ALLEEN DE VERPLICHTING RUST DE GENOMEN MAATREGELEN TER KENNIS VAN DE RAAD TE BRENGEN;

DAT HET COMITE VAN BEHEER BLIJVEND OVERLEG HEEFT TE VERZEKEREN OPDAT DE COMMISSIE ZICH DAARDOOR KAN LATEN LEIDEN BIJ DE UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEDEN WELKE HAAR DOOR DE RAAD ZIJN VERLEEND EN TEVENS OM HET DE RAAD MOGELIJK TE MAKEN IN PLAATS VAN DE COMMISSIE ZELF EEN BESLUIT TE NEMEN;

DAT HET COMITE VAN BEHEER DERHALVE NIET BEVOEGD IS IN PLAATS VAN DE COMMISSIE OF VAN DE RAAD TE BESLISSEN;

DAT VOORMELD MECHANISME HET DERHALVE - ZONDER AAN HET WEZEN VAN DE COMMUNAUTAIRE STRUCTUUR EN AAN HET INSTITUTIONEEL EVENWICHT AFBREUK TE DOEN - DE RAAD MOGELIJK MAAKT AAN DE COMMISSIE VOLDOENDE RUIME UITVOERENDE BEVOEGDHEDEN TE VERLENEN, ONDER VOORBEHOUD VAN HET RECHT OM DESNODIG DE BESLISSING AAN ZICH TE TREKKEN;

10 DAT DE WETTIGHEID VAN DE PROCEDURE VOOR HET COMITE VAN BEHEER, BEDOELD IN DE ARTIKELEN 25 EN 26 VAN VERORDENING NR . 19, DERHALVE NIET MET EEN BEROEP OP DE INSTITUTIONELE STRUCTUUR VAN DE GEMEENSCHAP KAN WORDEN AANGEVOCHTEN;

11 OVERWEGENDE DAT VERWEERSTER IN HET HOOFDGEDING DE PROCEDURE VOOR HET COMITE VAN BEHEER OOK HEEFT BESTREDEN IN VERBAND MET HET FEIT DAT DIT MECHANISME - DOOR AAN DE RAAD EEN "RECHT VAN CASSATIE" TEN AANZIEN VAN DOOR DE COMMISSIE GENOMEN MAATREGELEN IN TE RUIMEN - HET HOF VAN JUSTITIE VAN BEPAALDE BEVOEGDHEDEN ZOU HEBBEN BEROOFD;

12 OVERWEGENDE DAT DEZE GRIEF OP EEN ONJUISTE KWALIFICATIE VAN HET AAN DE RAAD VERBLEVEN EIGEN BESLISSINGSRECHT BERUST;

DAT DE PROCEDURE VOORZIEN IN ARTIKEL 26 VAN VERORDENING NR . 19 MEDEBRENGT DAT DE RAAD ZELF IN PLAATS VAN DE COMMISSIE MAG OPTREDEN, WANNEER HET COMITE VAN BEHEER EEN NEGATIEF ADVIES UITBRENGT;

DAT HET STELSEL DERHALVE ZODANIG IS INGERICHT, DAT DE KRACHTENS DE BASISVERORDENING VASTGESTELDE UITVOERINGSBESCHIKKINGEN IN ALLE GEVALLEN HETZIJ DOOR DE COMMISSIE HETZIJ - BIJ WIJZE VAN UITZONDERING - DOOR DE RAAD WORDEN GENOMEN;

DAT DEZE HANDELINGEN, VAN WIE OOK UITGEGAAN, ONDER DEZELFDE VOORWAARDEN HETZIJ TOT DE PROCEDURE TOT NIETIGVERKLARING, VOORZIEN IN ARTIKEL 173, HETZIJ TOT DE PREJUDICIELE PROCEDURE VAN ARTIKEL 177 VAN HET VERDRAG KUNNEN LEIDEN;

DAT DAN OOK, WANNEER DE RAAD GEBRUIK MAAKT VAN ZIJN RECHT DE BESLISSING AAN ZICH TE TREKKEN, ZULKS DE BEVOEGDHEDEN VAN HET HOF VAN JUSTITIE GEENSZINS BEPERKT;

2 - DE VRAAG BETREFFENDE DE AAN DE COMMISSIE VERLEENDE MACHTIGING

13 OVERWEGENDE DAT HET HOF VERZOCHT WORDT UIT TE SPREKEN, OF EEN MACHTIGING ONTBRAK OP GROND WAARVAN IN ARTIKEL 1 VAN VERORDENING NR . 102/64 DER COMMISSIE DE AAN HET UITVOERCERTIFICAAT INHERENTE VERPLICHTING TOT UITVOER, IN ARTIKEL 7, LID 1, DIER VERORDENING DE VERPLICHTING TOT HET STELLEN VAN EEN WAARBORG BIJ VERLENING VAN ZODANIG CERTIFICAAT EN IN ARTIKEL 7, LID 2, DE VERBEURTE VAN DE WAARBORG BIJ NIET-NAKOMING DER UITVOERVERPLICHTING MOCHT WORDEN GEREGELD, DAN WEL OF HET EEG-VERDRAG IN HET ALGEMEEN CASU QUO ARTIKEL 16, LID 2 JUNCTO LID 3, RESPECTIEVELIJK ARTIKEL 19 OF ARTIKEL 20 VAN 'S RAADS VERORDENING NR . 19 ZODANIGE MACHTIGING AAN DE COMMISSIE INHOUDT;

14 OVERWEGENDE DAT DE VRAAG BLIJKENS DE REDENGEVING VAN HET VONNIS IN EERSTE AANLEG EN DE OPMERKINGEN VAN VERWEERSTER IN HET HOOFDGEDING GESTELD WORDT IN VERBAND MET HET FEIT DAT TWIJFEL IS GEREZEN OMTRENT DE VRAAG OF DE AAN DE COMMISSIE VERSTREKTE MACHTIGING MEDEBRENGT DAT ZIJ DE WAARBORGREGELING MEDE OP DE UITVOER VAN GRANEN EN DE INVOER OF DE UITVOER VAN OP BASIS VAN GRANEN VERWERKTE PRODUKTEN VAN TOEPASSING MOCHT DOEN ZIJN;

DAT DEZE TWIJFEL ZIJN OORSPRONG VINDT IN DE REDACTIE VAN ARTIKEL 16 VAN VERORDENING NR . 19, ZODAT MOET WORDEN NAGEGAAN OF DIT VOORSCHRIFT WEL EEN VOLDOENDE GRONDSLAG KAN VORMEN VOOR UITVOERENDE MAATREGELEN, IN HET KADER VAN VERORDENING NR . 102/64 GENOMEN VOOR DE UITVOER EN VOOR VEREDELINGSPRODUKTEN IN HET ALGEMEEN;

15 OVERWEGENDE DAT VOLGENS ARTIKEL 16, LID 1, VAN VERORDENING NR . 19 VOOR IN - EN UITVOER VAN DE IN ARTIKEL 1 BEDOELDE PRODUKTEN EEN CERTIFICAAT MOET WORDEN OVERGELEGD;

DAT DIT ALGEMEEN VOORSCHRIFT IN LID 2 VAN HETZELFDE ARTIKEL VOOR ZOVEEL DE DUUR VAN HET INVOERCERTIFICAAT VOOR GRANEN BETREFT NADER WORDT UITGEWERKT, TERWIJL VOORTS IS BEPAALD DAT "DE AFGIFTE VAN HET CERTIFICAAT ... AFHANKELIJK ¡WORDT¢ GESTELD VAN HET STELLEN VAN EEN WAARBORG ...";

DAT TEN SLOTTE IN LID 3 WORDT BEPAALD, DAT "DE WIJZE VAN TOEPASSING VAN DIT ARTIKEL ... ¡WORDT VASTGESTELD¢ VOLGENS DE IN ARTIKEL 26 VOORGESCHREVEN PROCEDURE", MET VERMELDING VOORTS DAT HET VOORSCHRIFT "MET NAME" VAN TOEPASSING IS OP DE BEPALING VAN DE GELDIGHEIDSDUUR VAN HET INVOERCERTIFICAAT VOOR OP BASIS VAN GRANEN VERWERKTE PRODUKTEN;

DAT DE REDACTIE VAN DIT ARTIKEL DE VRAAG DEED RIJZEN OF DE COMMISSIE, NU IN LID 2 VAN ARTIKEL 16 VAN DE WAARBORGREGELING SLECHTS GEWAG WORDT GEMAAKT IN VERBAND MET DE INVOERCERTIFICATEN VOOR GRANEN STRICTO SENSU, DE REGELING IN UITVOERINGSVERORDENING NR . 102/64 TOT UITVOER EN TOT VEREDELINGSPRODUKTEN MOCHT UITSTREKKEN;

16 OVERWEGENDE DAT BIJ DE UITLEGGING VAN DEZE VERSCHILLENDE VOORSCHRIFTEN MET SYSTEMATIEK EN DOELSTELLING VAN ARTIKEL 16 EN VAN VERORDENING NR . 19 IN HAAR GEHEEL MOET WORDEN TE RADE GEGAAN;

DAT LID 1 VAN ARTIKEL 16 DE BEDOELING VERRAADT EEN REGELING TOT STAND TE BRENGEN WELKE ZONDER ONDERSCHEID ZAL GELDEN VOOR IN - EN UITVOER VAN ALLE IN VERORDENING NR . 19 ONDER EEN MARKTORDENING GEBRACHTE PRODUKTEN;

DAT EEN ZELFDE GEDACHTENGANG TOT UITDRUKKING KOMT IN LID 3, WAARIN VOOR ALLE IN HET RAAM VAN ARTIKEL 16 TE GEVEN BIJZONDERE UITVOERINGSVOORSCHRIFTEN NAAR DE IN ARTIKEL 26 VOORGESCHREVEN PROCEDURE WORDT VERWEZEN;

17 DAT HET TUSSEN TWEE BEPALINGEN VAN ALGEMENE STREKKING GEPLAATSTE TWEEDE LID IS TE BESCHOUWEN ALS EEN BIJZONDERE UITVOERINGSMAATREGEL WELKE ERTOE STREKT EEN GEDEELTE VAN DE IN LID 1 BEDOELDE VOORSCHRIFTEN TOT GELDING TE BRENGEN;

DAT EEN UITLEGGING IN DIE ZIN, DAT DE IN DE VERORDENING VOORZIENE WAARBORGEN VOOR DE DOELTREFFENDHEID DER REGELING ALLEEN VOOR HET INVOERCERTIFICAAT - EN DAN NOG SLECHTS VOOR EEN GEDEELTE VAN DE PRODUKTEN WELKE ONDER DE MARKTORDENING VALLEN - ZOU GELDEN, DE GOEDE WERKING VAN HET STELSEL ZOU AANTASTEN;

18 DAT ARTIKEL 16 DERHALVE ALDUS IS TE VERSTAAN, DAT DE VERWIJZING NAAR DE IN LID 3 BEDOELDE UITVOERINGSMAATREGELEN MEDE BETREKKING HEEFT OP ALLE VOORSCHRIFTEN WELKE MOETEN DIENEN OM DE IN LID TWEE VOOR BEPAALDE ASPECTEN VOORZIENE MAATREGELEN NAAR HET MODEL VAN DIT VOORSCHRIFT AAN TE VULLEN;

DAT DE COMMISSIE DERHALVE GEMACHTIGD WAS OM, VOOR ZOVEEL DE UITVOERCERTIFICATEN BETREFT, IN VERORDENING NR . 102/64 DE VOORSCHRIFTEN VAN DE ARTIKELEN 1 EN 7 INZAKE DE UITVOERVERPLICHTING EN WAARBORGSTELLING OP TE NEMEN, ALSMEDE DE BEPALINGEN BETREFFENDE VEREDELINGSPRODUKTEN - WAARTOE DE WAREN BEHOREN WELKE AANLEIDING GAVEN TOT HET GEDING DOORDIEN HUN UITVOER ACHTERWEGE BLEEF;

19 DAT HET DERHALVE NIET NOODZAKELIJK VOORKOMT TE ONDERZOEKEN, IN HOEVERRE DE ARTIKELEN 19 EN 20 VAN VERORDENING NR . 19 EVENTUEEL EEN RECHTSGRONDSLAG VOOR DE VOORSCHRIFTEN VAN VERORDENING NR . 102/64 HADDEN KUNNEN OPLEVEREN;

3 - DE VRAAG BETREFFENDE HET VRIJHEIDSBEGINSEL EN HET EVENREDIGHEIDSBEGINSEL

20 OVERWEGENDE DAT HET HOF VERZOCHT WORDT UIT TE SPREKEN OF DE BEPALINGEN VAN VERORDENING NR . 102/64 VAN DE COMMISSIE BETREFFENDE EEN AAN HET UITVOERCERTIFICAAT INHERENDE VERPLICHTING TOT UITVOER ( ARTIKEL 1 ) EN BETREFFENDE HET STELLEN EN DE VERBEURTE VAN EEN WAARBORG BIJ AFGIFTE VAN UITVOERCERTIFICATEN ( ARTIKEL 7 ) IN STRIJD ZIJN MET HET EVENREDIGHEIDSBEGINSEL CASU QUO MET HET VERBOD VAN ONEVENREDIGHEID TUSSEN MIDDEL EN DOEL, EN OF ZULKS MET NAME GELDT WANNEER OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 7, LID 1, SPRAKE IS VAN DE WAARBORG VOOR UITVOERCERTIFICATEN WAARBIJ HET BEDRAG VAN DE RESTITUTIE NIET VOORAF IS VASTGESTELD;

21 OVERWEGENDE DAT HET VERWALTUNGSGERICHT BLIJKENS DE REDENGEVING VAN HET VONNIS IN EERSTE AANLEG DE IN ARTIKEL 1 VAN VERORDENING NR . 102/64 AAN DE AFGIFTE DER IN - OF UITVOERCERTIFICATEN GEKOPPELDE VERPLICHTING EN DE IN ARTIKEL 7, ALINEA 1, DIER VERORDENING ALS GARANTIE VOOR DE NAKOMING DIER VERPLICHTING VOORZIENE WAARBORGSTELLING NIET RECHTSGELDIG HEEFT GEACHT OP GROND VAN - MET DE BEGINSELEN VAN ECONOMISCHE VRIJHEID EN EVENREDIGHEID STRIJDIGE - OVERSCHRIJDING VAN RECHTSMACHT;

DAT DEZE BEGINSELEN, BESTEMD ALS ZIJ ZIJN OM DE EERBIEDIGING DER GRONDRECHTEN TE VERZEKEREN, VOLGENS HET VERWALTUNGSGERICHT EEN BESTANDDEEL VAN HET INTERNATIONALE RECHT ALSOOK VAN DE SUPRANATIONALE RECHTSORDE UITMAKEN, ZODAT EEN DAARTEGEN INDRUISENDE COMMUNAUTAIRE WET NIETIG MOET WORDEN GEACHT;

22 OVERWEGENDE DAT DE EERBIEDIGING DER GRONDRECHTEN EEN BESTANDDEEL UITMAAKT VAN DE ALGEMENE RECHTSBEGINSELEN, WELKER EERBIEDIGING DOOR HET HOF VAN JUSTITIE WORDT VERZEKERD;

DAT DERHALVE TERMEN AANWEZIG ZIJN OM, TER BEANTWOORDING VAN DE GESTELDE VRAAG EN MET HET OOG OP DE INGEROEPEN BEGINSELEN, NA TE GAAN OF DE WAARBORGREGELING INDRUISTE TEGEN RECHTEN VAN FUNDAMENTELE AARD, WELKER EERBIEDIGING IN DE COMMUNAUTAIRE RECHTSORDE MOET WORDEN VERZEKERD;

23 OVERWEGENDE DAT HET DOEL VAN DE WAARBORGREGELING IN DE ZESDE OVERWEGING VAN DE CONSIDERANS VAN VERORDENING NR . 102/64 IN DIER VOEGE IS OMSCHREVEN DAT "VERMEDEN MOET WORDEN DAT IN - EN UITVOERCERTIFICATEN IN OMLOOP WORDEN GEBRACHT, DIE NIET GEREALISEERD WORDEN", OMDAT ZIJ "EEN ONJUIST BEELD ZOUDEN GEVEN VAN DE MARKTSITUATIE", WESHALVE DE AFGIFTE VAN CERTIFICATEN AFHANKELIJK IS GESTELD VAN EEN WAARBORG, DIE VERBEURD WORDT WANNEER AAN DE VERPLICHTING TOT IN - OF UITVOER NIET IS VOLDAAN;

DAT DE WAARBORGREGELING BLIJKENS DEZE OVERWEGINGEN EN DE SYSTEMATIEK DER VERORDENINGEN NR . 19 EN NR . 102/64 DIENT OM TE GARANDEREN DAT IMPORT - EN EXPORTTRANSACTIES WAARVOOR CERTIFICATEN WORDEN AANGEVRAAGD WERKELIJK WORDEN UITGEVOERD, ZULKS TEN EINDE TE VERZEKEREN DAT ZOWEL DE GEMEENSCHAP ALS DE LID-STATEN ZO NAUWKEURIG MOGELIJK KENNIS DRAGEN VAN DE VOORGENOMEN TRANSACTIES;

24 DAT KENNIS DIENAANGAANDE EN ALLE VERDERE BESCHIKBARE GEGEVENS BETREFFENDE DE MARKTSITUATIE ONONTBEERLIJK ZIJN OM DE BEVOEGDE GEZAGSORGANEN IN STAAT TE STELLEN EEN VERANTWOORD GEBRUIK TE MAKEN VAN DE GEWONE EN BUITENGEWONE MIDDELEN WELKE TER VERZEKERING VAN DE WERKING VAN HET BIJ DE VERORDENING INGESTELDE PRIJSSTELSEL TE HUNNER BESCHIKKING ZIJN GESTELD, ZOALS AANKOPEN, OPSLAG EN VERKOOP VAN IN OPSLAG GENOMEN VOORRADEN, VASTSTELLING VAN DENATURERINGSPREMIES, VASTSTELLING VAN EXPORTRESTITUTIES, VRIJWARINGSMAATREGELEN EN DE KEUZE VAN MAATREGELEN TER VOORKOMING DAT HET HANDELSVERKEER ZICH VERLEGT;

DAT DEZE NOODZAAK ZICH TE MEER DOET GEVOELEN NU DE INVOERING VAN EEN GEMEENSCHAPPELIJK LANDBOUWBELEID VOOR DE GEMEENSCHAP EN DE LID-STATEN ZWARE FINANCIELE VERANTWOORDELIJKHEDEN MEDEBRENGT;

25 DAT HET DERHALVE VAN BELANG IS DAT DE BEVOEGDE GEZAGSORGANEN NIET SLECHTS DE BESCHIKKING HEBBEN OVER STATISTISCHE GEGEVENS BETREFFENDE DE MARKTSITUATIE, DOCH OOK OVER NAUWKEURIGE PROGNOSES VOOR DE IN - EN UITVOER;

DAT NU IN ARTIKEL 16, LID 1, VAN VERORDENING NR . 19 AAN DE LID-STATEN DE VERPLICHTING WORDT OPGELEGD AAN IEDERE BELANGHEBBENDE IN - OF UITVOERCERTIFICATEN TE VERSTREKKEN, EEN PROGNOSE GEEN ENKELE BETEKENIS ZOU HEBBEN INDIEN DE CERTIFICATEN VOOR DE HOUDER NIET DE VERPLICHTING ZOUDEN MEDEBRENGEN ZICH NAAR DEZELVE TE GEDRAGEN;

DAT AAN DEZE VERPLICHTING WEDEROM GEEN FEITELIJK GEZAG ZOU TOEKOMEN WANNEER HAAR NALEVING NIET DOOR PASSENDE MIDDELEN WARE VERZEKERD;

26 DAT ER GEEN BEZWAAR TEGEN KAN WORDEN GEMAAKT DAT DE COMMUNAUTAIRE WETGEVER DAARTOE ZIJN KEUZE OP HET MIDDEL VAN DE WAARBORGSTELLING HEEFT BEPAALD, IN AANMERKING GENOMEN DAT DIT MECHANISME IS AFGESTEMD OP DE VRIJWILLIGE AARD VAN DE AANVRAGEN DER CERTIFICATEN EN VERGELEKEN MET ANDERE MOGELIJKE STELSELS HET VOORDEEL BIEDT ZOWEL EENVOUDIG ALS EFFICIENT TE ZIJN;

27 DAT DOOR EEN REGELING IN VOEGE ALS DOOR VERZOEKSTER IN HET BODEMGESCHIL BEPLEIT, VOLGENS WELKE ALLEEN OPGAVE VAN GEREALISEERDE EXPORTEN EN NIET-GEBRUIKTE CERTIFICATEN BEHOEFT TE WORDEN GEDAAN, UIT HOOFDE VAN HAAR RETROSPECTIEVE AARD EN BIJ GEBREKE VAN ENIGERLEI GARANTIE TEN AANZIEN VAN HAAR TOEPASSING, AAN DE BEVOEGDE GEZAGSORGANEN GEEN BETROUWBARE GEGEVENS NOPENS DE ONTWIKKELING VAN HET HANDELSVERKEER KUNNEN WORDEN VERSCHAFT ;

DAT OOK AAN EEN STELSEL VAN A POSTERIORI OPGELEGDE GELDBOETEN UIT EEN OOGPUNT VAN BESTUUR EN RECHTSBEDELING ZOWEL IN HET STADIUM WAARIN DE BESCHIKKING MOEST GENOMEN ALS IN DAT VAN HAAR UITVOERING NIET ONAANZIENLIJKE MOEILIJKHEDEN VERBONDEN ZOUDEN ZIJN;

28 DAT DAN OOK HET VERLANGEN VAN IN - EN UITVOERCERTIFICATEN , DES DAT DE HOUDERS VERPLICHT ZIJN TOT UITVOERING DER VOORGENOMEN TRANSACTIES EN DAT VOOR NAKOMING DIER VERPLICHTING DOOR HET STELLEN VAN EEN WAARBORG WORDT INGESTAAN, EEN NOODZAKELIJK EN TEVENS PASSEND MIDDEL IS OM DE BEVOEGDE GEZAGSORGANEN IN STAAT TE STELLEN TOT EEN ZO EFFICIENT MOGELIJK INTERVENTIEBELEID OP DE GRAANMARKT;

29 DAT DE RECHTSGELDIGHEID VAN BEDOELDE VOORSCHRIFTEN VAN VERORDENING NR . 102/67 DERHALVE IN BEGINSEL NIET KAN WORDEN BETWIST;

30 OVERWEGENDE DAT NOCHTANS MOET WORDEN ONDERZOCHT OF BEPAALDE ONDERDELEN VAN DE WAARBORGREGELING, GETOETST AAN DE BEGINSELEN DIE IN DE VRAAG ZIJN OPGESOMD, NIET AANVECHTBAAR ZIJN, TERWIJL VOORTS DOOR VERZOEKSTER IN HET BODEMGESCHIL IS GESTELD DAT DE AAN DE WAARBORGSTELLING VERBONDEN LAST DE HANDEL AL TE ZEER BEZWAART, EN WEL IN ZODANIGE MATE DAT INBREUK OP DE GRONDRECHTEN ZOU WORDEN GEMAAKT;

31 OVERWEGENDE DAT TER BEOORDELING VAN DE WERKELIJKE LAST DIE DOOR DE WAARBORGSTELLING OP DE HANDEL WORDT GELEGD , NIET ZO ZEER DE - TERUGBETAALDE - WAARBORGSOM ( 0,5 RE/1000 KG ) ALS WEL DE AAN HET STELLEN DER WAARBORG VERBONDEN KOSTEN EN LASTEN IN AANMERKING DIENEN TE WORDEN GENOMEN;

DAT BIJ HET WAARDEREN VAN DEZE LAST MET VERBEURTE VAN DE WAARBORGSOM ZELVE GEEN REKENING MAG WORDEN GEHOUDEN, AANGEZIEN DE HANDELAREN DOOR DE VOORSCHRIFTEN DER VERORDENING NOPENS ALS OVERMACHT TE BESCHOUWEN OMSTANDIGHEDEN AFDOENDE WORDEN BESCHERMD;

DAT VOORMELDE KOSTEN, VERGELEKEN MET DE TOTALE WAARDE VAN DE BETROKKEN GOEDEREN EN DE ANDERE KOSTEN VAN DE HANDEL , NIET ONEVENREDIG HOOG ZIJN;

32 DAT DE LASTEN VERBONDEN AAN DE WAARBORGREGELING DERHALVE NIET BUITENSPORIG ZWAAR ZIJN EN ALS HET NORMALE GEVOLG ZIJN TE BESCHOUWEN VAN EEN REGELING TOT ORDENING DER MARKTEN - IN DE ZIN WAARIN ZODANIGE REGELING IS TE VERSTAAN NAAR DE EIS VAN HET ALGEMEEN BELANG, OMSCHREVEN IN ARTIKEL 39 VAN HET VERDRAG, DAT BEOOGT DE LANDBOUWBEVOLKING EEN REDELIJKE LEVENSSTANDAARD EN TEVENS AAN VERBRUIKERS BIJ LEVERING REDELIJKE PRIJZEN TE VERZEKEREN -;

33 OVERWEGENDE DAT VERWEERSTER IN HET GEDING VOOR DE NATIONALE RECHTER VOORTS BETOOGT DAT VERBEURTE VAN DE WAARBORG ALS GEVOLG VAN NIET-NAKOMING VAN DE IN - OF UITVOERVERPLICHTING IN WERKELIJKHEID EEN GELDBOETE OF STRAFMAATREGEL IS, TOT INSTELLING WAARVAN HET VERDRAG DE RAAD EN DE COMMISSIE NIET HEEFT BEVOEGD VERKLAARD;

34 OVERWEGENDE DAT DEZE STELLING BERUST OP EEN ONJUISTE BEOORDELING VAN HET WAARBORGSTELSEL DAT NIET MET EEN STRAFSANCTIE MAG WORDEN GELIJKGESTELD OMDAT HET SLECHTS DE NAKOMING ENER VRIJWILLIG AANGEGANE VERBINTENIS GARANDEERT;

35 OVERWEGENDE VOORTS DAT HET ARGUMENT DAT VERZOEKSTER IN HET HOOFDGEDING WIL ONTLENEN AAN DE OMSTANDIGHEID DAT DE DIENSTEN DER COMMISSIE HAARS INZIENS IN TECHNISCH OPZICHT NIET IN STAAT ZIJN TE WERKEN MET DE GEGEVENS VERKREGEN DANK ZIJ HET GEWRAAKTE STELSEL - ZODAT HET GENERLEI NUTTIG EFFECT ZOU SORTEREN - NIET TER ZAKE DIENENDE IS, AANGEZIEN DIT BEZWAAR AAN HET BEGINSEL DER WAARBORGREGELING OP ZICHZELF NIET VERMAG AF TE DOEN;

36 OVERWEGENDE DAT DE CERTIFICATENREGELING - MET DE DAARAAN VOOR DE AANVRAGERS VERBONDEN EN DOOR EEN WAARBORGSOM GEGARANDEERDE IN - EN UITVOERVERPLICHTING - BLIJKENS AL HET VORENOVERWOGENE GEEN INBREUK OP ENIGERLEI GRONDRECHT MAAKT;

DAT HET WAARBORGMECHANISME EEN PASSEND MIDDEL VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE ORDENING DER LANDBOUWMARKTEN IS IN DE ZIN VAN ARTIKEL 40, PARAGRAAF 3, VAN HET VERDRAG DAT GEENSZINS EXCESSIEF IS TE ACHTEN EN BOVENDIEN AAN ARTIKEL 43 VOLDOET;

4 - DE VRAAG BETREFFENDE HET BEGRIP OVERMACHT

37 OVERWEGENDE DAT HET HOF VERZOCHT WORDT UIT TE SPREKEN OF DE BEPALING VAN VERORDENING NR . 102/64 BETREFFENDE DE VERBEURTE VAN DE WAARBORGSOM ( ARTIKEL 7, LID 2 ) NIET RECHTSGELDIG IS OMDAT HET VERBEUREN VAN DE WAARBORG ONAFHANKELIJK VAN SCHULD AAN DE NIET-NAKOMING VAN DE VERPLICHTING TOT UITVOER, SLECHTS ACHTERWEGE BLIJFT WANNEER DE UITVOER, IN VOEGE ALS IN ARTIKEL 8 OMSCHREVEN, TIJDENS DE GELDIGHEIDSDUUR VAN HET CERTIFICAAT DOOR ALS OVERMACHT TE BESCHOUWEN OMSTANDIGHEDEN WORDT VERHINDERD;

38 OVERWEGENDE DAT DE TERM OVERMACHT, ZOALS DIE IN DE LANDBOUWVERORDENINGEN WORDT GEBEZIGD, OP DE BIJZONDERE AARD VAN DE PUBLIEKRECHTELIJKE BETREKKINGEN TUSSEN DE ONDERNEMERS EN HET NATIONAAL BESTUUR EN OP DE DOELSTELLINGEN DIER VERORDENINGEN IS AFGESTEMD;

DAT BLIJKENS DEZE DOELSTELLINGEN EN DE STELLIGE VOORSCHRIFTEN DER BETROKKEN VERORDENINGEN ONDER DE TERM OVERMACHT NIET SLECHTS VOLSTREKTE ONMOGELIJKHEID IS TE VERSTAAN, DOCH DAT ZIJ MEDE VAN TOEPASSING IS OP ABNORMALE, BUITEN TOEDOEN VAN DE IMPORTEUR CASU QUO EXPORTEUR INGETREDEN OMSTANDIGHEDEN, WAARVAN DE GEVOLGEN, ALLE DILIGENTIE TEN SPIJT, SLECHTS TEN KOSTE VAN ONEVENREDIG GROTE OFFERS TE VERMIJDEN WAREN GEWEEST;

DAT DEZE TERM NIET SLECHTS VOOR WAT DE AARD VAN HET INGEROEPEN EVENEMENT BETREFT, DOCH OOK WANNEER MOET WORDEN BESLIST WELKE DILIGENTIE DE EXPORTEUR HAD MOETEN BETRACHTEN OM AAN HET EVENEMENT HET HOOFD TE BIEDEN EN WELKE OFFERS HIJ DAARTOE HAD DIENEN TE AANVAARDEN, VOLDOENDE ELASTISCH IS;

39 DAT HET STELSEL VAN VERORDENING NR . 102/64 ERTOE STREKT DE ONDERNEMERS ALLEEN VAN HUN VERBINTENIS TE ONTSLAAN WANNEER DE IN - OF UITVOER TIJDENS DE GELDIGHEIDSDUUR VAN HET CERTIFICAAT NIET KON WORDEN GEREALISEERD ALS GEVOLG VAN DE IN DIE BEPALING BEDOELDE EVENEMENTEN;

DAT DE IMPORTEURS EN EXPORTEURS, WANNEER VAN ZODANIGE EVENEMENTEN - WAARVOOR ZIJ DE VERANTWOORDELIJKHEID NIET KUNNEN AANVAARDEN - GEEN SPRAKE IS, ZICH HEBBEN TE GEDRAGEN NAAR DE VOORSCHRIFTEN DER LANDBOUWVERORDENINGEN EN NIET NAAR OVERWEGINGEN AAN HUN EIGEN BELANG ONTLEEND;

40 DAT DE COMMUNAUTAIRE WETGEVER DERHALVE DOOR HET DOEN VERVALLEN VAN DE UITVOERVERPLICHTING EN HET VRIJGEVEN VAN DE WAARBORG TOT GEVALLEN VAN OVERMACHT TE BEPERKEN, EEN REGELING HEEFT GETROFFEN WELKE, ZONDER DE IMPORTEURS OF EXPORTEURS IN ONEVENREDIGE MATE TE BELASTEN, ZICH ERTOE LEENT DE NORMALE WERKING VAN DE ORDENING VAN DE GRAANMARKT - IN HET ALGEMEEN BELANG ZOALS DAT IN ARTIKEL 39 VAN HET VERDRAG IS OMSCHREVEN - TE VERZEKEREN;

DAT DE VOORSCHRIFTEN WAARIN HET VRIJGEVEN VAN DE WAARBORG TOT ALS OVERMACHT TE BESCHOUWEN OMSTANDIGHEDEN WORDT BEPERKT, DERHALVE GEEN ENKELE GROND TOT BETWISTING VAN DE RECHTSGELDIGHEID DER WAARBORGREGELING BLIJKEN OP TE LEVEREN ;

Beslissing inzake de kosten


41 OVERWEGENDE DAT TEN AANZIEN VAN DE KOSTEN DOOR DE RAAD EN DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN WEGENS INDIENING HUNNER OPMERKINGEN AAN HET HOF GEMAAKT, GEEN LAST TOT TERUGBETALING KAN WORDEN GEGEVEN;

DAT DE PROCEDURE TEN AANZIEN VAN PARTIJEN ALS EEN IN DE LOOP VAN HET GEDING VOOR HET HESSISCHE VERWALTUNGSGERICHTSHOF GEREZEN INCIDENT MOET WORDEN BESCHOUWD, ZODAT LAATSTGENOEMDE RECHTERLIJKE INSTANTIE OVER DE KOSTEN HEEFT TE BESLISSEN;

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

UITSPRAAK DOENDE OP DE VRAAG, DOOR HET HESSISCHE VERWALTUNGSGERICHTSHOF TE KASSEL BIJ BESCHIKKING VAN 21 APRIL 1970 GESTELD, VERKLAART VOOR RECHT :

BIJ ONDERZOEK NAAR DE GESTELDE VRAAG IS NIET GEBLEKEN VAN GEGRONDE BEZWAREN TEGEN DE RECHTSGELDIGHEID VAN :

1 . VERORDENING NR . 102/64/EEG VAN DE COMMISSIE VAN 28 JULI 1964 MET BETREKKING TOT DE INVOER - EN UITVOERCERTIFICATEN VOOR GRANEN, OP BASIS VAN GRANEN VERWERKTE PRODUKTEN, RIJST , BREUKRIJST EN OP BASIS VAN RIJST VERWERKTE PRODUKTEN, KRACHTENS ARTIKEL 16, LID 3, VAN VERORDENING NR . 19 VASTGESTELD VOLGENS DE PROCEDURE VOOR HET "COMITE VAN BEHEER", INGESTELD BIJ ARTIKEL 26 DIER VERORDENING;

2 . DE ARTIKELEN 1 EN 7 VAN VERORDENING NR . 102/64/EEG VAN DE COMMISSIE, VOOR ZOVEEL BETREFFENDE DE UITVOERCERTIFICATEN EN DE TER VERKRIJGING DIER CERTIFICATEN GESTELDE WAARBORG .