Brussel, 20.10.2021

COM(2021) 638 final

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

over de uitoefening van de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen die aan de Commissie is verleend uit hoofde van Richtlijn 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA)


VERSLAG VAN DE COMMISSIE

AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

over de uitoefening van de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen die aan de Commissie is verleend uit hoofde van Richtlijn 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA)

1. INLEIDING

Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur( 1 ) (de AEEA-richtlijn) stelt regels vast met betrekking tot het beheer van AEEA en heeft ten doel bij te dragen tot duurzame productie en consumptie, in de eerste plaats door de preventie van AEEA, en daarnaast door hergebruik, recycling en andere vormen van nuttige toepassing van dergelijke afvalstoffen, teneinde de hoeveelheid te verwijderen afval te verminderen en bij te dragen tot efficiënt hulpbronnengebruik en de terugwinning van waardevolle secundaire grondstoffen.

De AEEA-richtlijn verleent de Commissie de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op:

·de instelling van de nodige overgangsaanpassingen om problemen aan te pakken waar lidstaten mee te maken krijgen bij de naleving van de inzamelingspercentages voor AEEA die in de richtlijn wordt vastgesteld, zoals bepaald in artikel 7, lid 4;

·de eventuele wijziging van bijlage VII inzake de vereisten voor selectieve behandeling om andere verwerkingstechnieken in te voeren, zoals bepaald in artikel 8, lid 4;

·de vaststelling van criteria om te beoordelen of de omstandigheden voor de verwerking van AEEA buiten de EU stroken met de voorschriften van de richtlijn, zoals bepaald in artikel 10, lid 3;

·de aanpassing van bijlagen IV, VII, VIII en IX aan de vooruitgang van wetenschap en techniek, zoals bepaald in artikel 19 daarvan.

2. RECHTSGRONDSLAG

Overeenkomstig artikel 20, lid 2, van de AEEA-richtlijn is aan de Commissie de bevoegdheid verleend om een aantal gedelegeerde handelingen vast te stellen voor een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf 13 augustus 2012.

De Commissie heeft op 18 april 2017 bij het Europees Parlement en de Raad haar verslag 2 ingediend over de uitoefening van de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig de AEEA-richtlijn. Overeenkomstig artikel 20, lid 2, derde zin, is de bevoegdheidsdelegatie stilzwijgend verlengd met nog eens vijf jaar, dat wil zeggen tot en met 13 augustus 2022. Dit verslag wordt door de Commissie overeenkomstig artikel 20, lid 2, tweede zin, bij het Europees Parlement en de Raad ingediend om haar activiteiten in verband met de uitoefening van de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen tijdens deze periode te presenteren.

De bevoegdheidsdelegatie wordt, in overeenstemming met artikel 20, lid 2, stilzwijgend met eenzelfde termijn verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen verlenging verzet.

3. UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEIDSDELEGATIE

Gedurende de verslagperiode heeft de Commissie om de redenen die hieronder worden toegelicht geen enkele van de gedelegeerde bevoegdheden die voortvloeien uit de AEEA-richtlijn gebruikt.

3.1. Overgangsaanpassingen om problemen aan te pakken waar lidstaten mee te maken krijgen bij de naleving van de in de richtlijn vastgestelde inzamelingspercentages (artikel 7, lid 4)

In het vorige verslag van de Commissie over de uitoefening van haar gedelegeerde bevoegdheden werd onder meer opgemerkt dat Tsjechië, Letland, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije gebruik hebben gemaakt van de in artikel 7, lid 3, van de AEEA-richtlijn geboden mogelijkheid om het bereiken van het inzamelingspercentage uit te stellen van 2019 tot een datum naar eigen keuze, die niet later mag zijn dan 14 augustus 2021. Bulgarije, Litouwen en Malta hebben ook van deze mogelijkheid tot afwijking gebruikgemaakt.

In het vorige verslag werd geconcludeerd dat er geen rechtvaardiging was in de vorm van specifieke omstandigheden die de vaststelling van een gedelegeerde handeling met verdere overgangsregelingen noodzakelijk zouden hebben gemaakt.

Zoals ook werd aangekondigd, heeft de Commissie de lidstaten steun en begeleiding verleend door hen te helpen bij het aanpakken van mogelijke problemen bij het bereiken van hun doelstellingen, door middel van een gericht initiatief inzake nalevingsbevordering, ondersteund door een studie die in 2016‑2017 is uitgevoerd 3 . Het doel was met name een overzicht te krijgen van de nationale praktijken op het gebied van het beheer van AEEA en de uitvoering en prestaties van de lidstaten met betrekking tot de AEEA-richtlijn te beoordelen. Daarbij zijn kritieke factoren en belemmeringen voor de verwezenlijking van de doelstellingen en goede praktijken vastgesteld, zodat van elkaar kon worden geleerd en het AEEA-beleid en AEEA-praktijken op het niveau van de lidstaten verder kunnen worden ontwikkeld.

Wat de inzamelingsdoelstellingen voor 2019 betreft, moet in aanmerking worden genomen dat de lidstaten overeenkomstig artikel 16, lid 6, van de AEEA-richtlijn de gegevens voor dat jaar uiterlijk 18 maanden na het einde van het verslagjaar, d.w.z. eind juni 2021, moeten indienen. Ten tijde van de opstelling van dit verslag heeft de Commissie nog geen volledige reeks officieel gerapporteerde gegevens van de lidstaten ontvangen over de inzamelingspercentages van AEEA voor het jaar 2019.

De Commissie merkt op dat er ook voor de huidige periode waarop dit verslag betrekking heeft, geen specifieke omstandigheden waren die de vaststelling van een gedelegeerde handeling met overgangsaanpassingen noodzakelijk zouden hebben gemaakt om de problemen aan te pakken waar de lidstaten mee te maken krijgen bij het behalen van de inzamelingspercentages die in de AEEA-richtlijn zijn vastgesteld, en met name de inzamelingspercentages die vanaf 2019 van toepassing zijn.

3.2. Wijziging van bijlage VII (artikel 8, lid 4)

Bijlage VII gaat in op de selectieve behandeling van AEEA-materialen en ‑bestanddelen.

Artikel 8, lid 4, van de AEEA-richtlijn verleent de Commissie de bevoegdheid om bijlage VII te wijzigen om andere verwerkingstechnieken die ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor de menselijke gezondheid en het milieu bieden, in te voeren.

Tijdens de verslagperiode heeft de Commissie geen besluit genomen over de noodzaak van actie op basis waarvan bijlage VII zou worden gewijzigd.

Van belang voor de kwestie waarop die bijlage betrekking heeft, heeft de Commissie tussen december 2018 en november 2020 een “Study on quality standards for the processing of WEEE” (Studie betreffende de kwaliteitsnormen voor de verwerking van WEE) 4 uitgevoerd, waarin uitvoerig overleg met belanghebbenden is opgenomen. In die studie werden onder meer wijzigingen voorgesteld van de vermeldingen van de lijst van stoffen, mengsels en onderdelen die uit gescheiden ingezamelde AEEA moeten worden verwijderd, zoals vastgesteld in bijlage VII, in het licht van nieuwe wetenschappelijke gegevens met betrekking tot gevaarlijke onderdelen, materialen of stoffen in AEEA 5 en rekening houdend met de huidige verwerkingstechnieken. De studie is uitgevoerd in de bredere context van een mogelijke verdere ontwikkeling en harmonisatie van de vereisten voor de verwerking van AEEA, mede op basis van het mandaat uit hoofde van artikel 8, lid 5, van de AEEA-richtlijn. De daaraan verwante economische, ecologische en sociale gevolgen en verdere maatregelen op basis daarvan worden momenteel geëvalueerd 6 , en zou een wijziging van bijlage VII kunnen inhouden, al is het op dit moment niet mogelijk daarover afzonderlijk een beslissing te nemen.

3.3. Criteria om te beoordelen of de omstandigheden voor de verwerking van AEEA buiten de EU stroken met de voorschriften van de richtlijn (artikel 10, lid 3)

In overeenstemming met artikel 10, lid 2, van de AEEA-richtlijn, wordt AEEA die buiten de Unie is uitgevoerd bij de narekening of de in artikel 11 van die richtlijn bedoelde verplichtingen en streefcijfers bereikt zijn, slechts meegeteld indien de exporteur in overeenstemming met de Verordeningen (EG) nr. 1013/2006 en (EG) nr. 1418/2007 betreffende de overbrenging van afvalstoffen kan aantonen dat de verwerking gebeurde in omstandigheden die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van die richtlijn. Krachtens artikel 10, lid 3, is de Commissie verplicht gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij gedetailleerde regels ter aanvulling van die van artikel 10, lid 2, worden vastgesteld, in het bijzonder criteria om te beoordelen of de omstandigheden voor de verwerking van AEEA buiten de EU stroken met de voorschriften van de richtlijn.

In aansluiting op de ontwikkelingen die in het vorige verslag aan de orde kwamen, heeft de Commissie in het kader van de “Study on quality standards for the treatment of WEEE 7 een in 2013 uitgevoerde studie bijgewerkt om mogelijke opties voor het beoordelen en documenteren van gelijkwaardige verwerkingsomstandigheden in kaart te brengen en te vergelijken, en aanbevelingen te doen over de best mogelijke beleidsoptie(s). Hierbij zijn belanghebbenden geraadpleegd. Voorts herziet de Commissie momenteel de verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen 8 en worden in dit verband criteria voor de beoordeling van gelijkwaardige omstandigheden voor de verwerking van afval buiten de EU in overweging genomen.

De Commissie heeft — onder meer rekening houdend met deze lopende werkzaamheden — geen gedelegeerde handeling vastgesteld op grond van artikel 10, lid 3, van de AEEA-richtlijn. In het kader van het EU-beleid op het gebied van milieu, grondstoffen en de circulaire economie blijven daarmee samenhangende maatregelen echter een prioriteit en zullen zij samen met voorstellen verder worden beoordeeld in het kader van de herziening van de verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen.

3.4. Aanpassing van de bijlagen IV, VII, VIII en IX aan de vooruitgang van wetenschap en techniek (artikel 19)

Bijlage IV verwijst naar een niet-uitputtende lijst van in EEA-categorieën ondergebrachte EEA; bijlage VII gaat in op de selectieve behandeling van materialen en onderdelen van AEEA; in bijlage VIII worden de technische vereisten toegelicht voor locaties voor de opslag en verwerking van AEEA en in bijlage IX wordt het symbool dat wordt gebruikt als merkteken voor EEA gepresenteerd.

Tijdens de verslagperiode heeft de Commissie geen relevante gedelegeerde handelingen vastgesteld om bovengenoemde bijlagen aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.

Wat de bovengenoemde bijlagen VII en VIII betreft, worden in de in opdracht van de Commissie uitgevoerde “Study on quality standards for the treatment of WEEE”, naast de voorgestelde opties, specifieke eisen genoemd die in deze twee bijlagen zouden kunnen worden opgenomen om deze aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, waaronder eisen voor de verwerking van verschillende soorten AEEA die in de afgelopen jaren in toenemende hoeveelheden voorkomen, zoals fotovoltaïsche panelen, klimaatregelingsapparatuur, platte beeldschermen, koelkasten met vacuümisolatiepanelen, of AEEA die lithium-ion-accu’s bevatten, maar die niet voorkomen in de bovengenoemde bijlagen, omdat dit soort afval in het verleden niet voorkwam.

De Commissie bestudeert deze opties momenteel samen met andere opties in het kader van een mogelijke verdere ontwikkeling en harmonisatie van AEEA-verwerkingsnormen, als onderdeel van de hierboven aangegeven follow-upbeoordeling.

4. CONCLUSIE

In afgelopen vijf jaar heeft de Commissie de gedelegeerde bevoegdheden die aan haar zijn verleend uit hoofde van Richtlijn 2012/19/EU om de redenen die in dit verslag worden beschreven niet uitgeoefend. De Commissie zal dit, om de genoemde redenen, in de toekomst mogelijk alsnog doen.

De Commissie verzoekt het Europees Parlement en de Raad om van dit verslag nota te nemen.

(1)

 PB L 197 van 24.7.2012, blz. 38.

(2)

 COM/2017/0172 definitief.

(3)

 “WEEE compliance promotion exercise” (bevordering van de naleving van de AEEA-richtlijn): https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/09c7215a-49c5-11e8-be1d-01aa75ed71a1/language-en  

(4)

  https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/2004b067-726a-11eb-9ac9-01aa75ed71a1/language-en/format-PDF/source-193365602  

(5)

 Voorbeelden van dergelijke wetenschappelijke gegevens zijn de bevindingen en ontwikkelingen op het gebied van persistente organische verontreinigende stoffen (POP’s) en zeer zorgwekkende stoffen (SVHC’s) in het kader van de wetgeving inzake chemische stoffen in de afgelopen 20 jaar.

(6)

 Tegelijk met het opstellen van dit verslag bereidt de Commissie een studie voor ter beoordeling van de waarschijnlijke effecten en haalbaarheid van maatregelen ter verdere harmonisatie van de voorschriften voor de verwerking van AEEA; die studie zal naar verwachting van start gaan op het moment dat dit verslag aan het Europees Parlement en de Raad wordt voorgelegd.

(7)

  https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/2004b067-726a-11eb-9ac9-01aa75ed71a1/language-en/format-PDF/source-193365602  

(8)

 Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1).