2.2.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 37/33


Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Kansen en synergieën van een preventieve aanpassing aan de klimaatverandering om de duurzaamheid en de kwaliteit van het bestaan in regio’s en gemeenten te bevorderen: Welke randvoorwaarden zijn hiervoor vereist?

(2021/C 37/06)

Rapporteur:

Markku MARKKULA (FI/EVP), voorzitter van het gemeentebestuur van Espoo

Referentiedocument:

Raadpleging door het voorzitterschap — artikel 41, onder b), i)

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

Wereldwijde noodsituatie vergt snellere actie

1.

benadrukt dat de politieke leiders de klimaatverandering moeten behandelen als een noodsituatie en een wereldwijde dreiging die vereende krachten vergt in de vorm van gezamenlijke activiteiten en normen waarmee het hokjesdenken wordt doorbroken en barrières worden geslecht. De EU moet in de transitie naar een klimaatneutrale economie en een veerkrachtigere samenleving actief het voortouw nemen, teneinde goede levensomstandigheden te waarborgen en ervoor te zorgen dat duidelijke, geloofwaardige en gelijkwaardige procedures voor Europese bedrijven en particuliere en overheidsinstellingen in de hele wereld worden toegepast.

2.

Steden en regio’s moeten beslist een actieve rol vervullen en samen met het lokale en internationale bedrijfsleven de schouders onder het aanpassings- en mitigatiebeleid zetten door steeds ambitieuzere doelstellingen aan te nemen. Het is van essentieel belang dat er sneller in actie wordt gekomen op alle relevante beleidsterreinen van de EU, meer geld voor klimaataanpassing wordt uitgetrokken, samen geschikte aanpassingsmethoden en -instrumenten worden ontwikkeld, grensoverschrijdende samenwerking en uitwisseling van ervaringen en best practices worden uitgebreid, de veerkracht en het aanpassingsvermogen worden vergroot en er meer op de natuur gebaseerde oplossingen en innovatiemogelijkheden worden uitgewerkt.

3.

Ongeveer 800 regionale overheden in 17 lidstaten hebben de klimaatnoodtoestand afgekondigd. Dit komt neer op ongeveer 40 % van de EU-burgers die wonen in lokale en regionale gemeenschappen waar de politieke leiders de ernstige wereldwijde klimaatnoodtoestand hebben onderstreept, officieel hebben geaccepteerd en afgekondigd. Het Comité van de Regio’s benadrukt dat dit een grote steun is voor een actief leiderschap dat streeft naar een klimaatneutraal Europa door nadruk te leggen op een bottom-up-perspectief (1).

4.

Met de COVID-19-pandemie is de noodzaak om vroegtijdig en gecoördineerd actie te ondernemen alleen maar dringender geworden; het is duidelijk geworden dat sociale en economische systemen veerkrachtiger moeten worden om grootschalige verstoringen op te kunnen vangen, aangezien onvoorziene crises meervoudige risico’s opleveren, met name in economieën met een te smalle basis.

5.

De aanpassings- en mitigatiemaatregelen van de EU moeten beter worden geïntegreerd in de openbare en de particuliere sector alsook in de activiteiten van burgers in relevante beleidssectoren van de EU: het emissiehandelssysteem (ETS), de beschikking inzake de verdeling van de inspanningen (Effort Sharing Decision — ESD), en landgebruik, verandering van landgebruik en bosbouw (LULUCF). Wil de EU in 2050 klimaatneutraal zijn, dan moet zij in alle sectoren harder werken aan het koolstofvrij maken van activiteiten. Steden en regio’s zijn, met het bedrijfsleven als partner, primair verantwoordelijk voor de sectoren die onder de ESD vallen, met name verwarming, koeling, ruimtelijke ordening en vervoer.

Subnationale overheden en de SDG’s/het UNFCCC

6.

Het Comité vindt dat subnationale overheden van cruciaal belang zijn om de klimaatinspanningen naar een hoger niveau te tillen en dat het aanpassingsbeleid een fundamentele rol toekomt bij het “lokaliseren” van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG’s). De EU moet maatregelen uitwerken om gemeenten te stimuleren de SDG’s te halen.

7.

De partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) zouden de rol van het subnationale niveau in het aanpassings- en mitigatiebeleid officieel moeten erkennen, zich sterk moeten maken voor de participatie van subnationale overheden en ambitieuze doelstellingen moeten vaststellen. In de vrijwillige lokale evaluaties van de uitvoering van de SDG’s wordt aangegeven dat steden het verschil maken en het aangewezen niveau zijn om nader onderzoek te doen naar de synergie-effecten van en onderlinge verbanden tussen de verschillende SDG’s.

8.

De 26e conferentie van de partijen (COP-26) bij het UNFCCC biedt de EU een cruciale gelegenheid om haar koppositie te versterken. Tijdens die COP-26 moet er een duidelijke plaats worden ingeruimd voor de activiteiten die regio’s en steden inmiddels hebben ontplooid en de verbintenissen die zij zijn aangegaan. Het Comité is bereid de EU-instellingen in verband met het UNFCCC de nodige ondersteuning te bieden opdat er binnen de mondiale klimaatdiplomatie en -activiteiten meer aandacht en erkenning komt voor de subnationale overheden. Het wijst in dit verband op de samenwerking met internationale gemeenschappen en netwerkorganisaties, zoals ICLEI, Under2Coalition, Regions4, Climate Alliance en UCLG United Cities and Local Governments.

Naar een invloedrijkere aanpassingsstrategie van de EU op basis van nieuwe inzichten, leren en innovaties

9.

Het Comité is ingenomen met de blauwdruk voor een nieuwe, ambitieuzere EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering. Daarmee wordt binnen de klimaatambities van de EU voor 2030 en 2050 meer nadruk gelegd op aanpassing door middel van betere kennis, een stevigere planning en snellere actie en door de erkenning dat lokale en regionale aanpassingsmaatregelen noodzakelijk zijn. Het Comité benadrukt dat kwesties in verband met de klimaataanpassing doeltreffend in alle beleidsterreinen moeten worden geïntegreerd. Wel dringt het Comité er bij de Commissie op aan dat bij de verdere uitwerking van de nieuwe strategie duidelijke doelstellingen en indicatoren worden geformuleerd en de beginselen van actieve subsidiariteit en evenredigheid in acht worden genomen.

10.

Om subnationale overheden te ondersteunen bij hun wereldwijde SDG-maatregelen, moet de EU zelf het goede voorbeeld geven; dit houdt ook in dat zij met potentiële partners buiten de EU samenwerkt op basis van waarden van de EU.

11.

Wil er actie ondernomen kunnen worden, dan moet er een systeem op het gebied van klimaataanpassing komen dat voor heel Europa geldt, plus een adequate multilevel-governancestructuur met duidelijke verantwoordelijkheden. Het is belangrijk dat er doeltreffende lokale en regionale aanpassings- en mitigatiemechanismen worden opgezet, waarbij gebruik wordt gemaakt van gezamenlijke netwerken van de publieke, de particuliere en de derde sector en waarbij kennis, capaciteiten en financiële middelen naar een hoger plan worden getild.

12.

Op de natuur gebaseerde oplossingen zijn van belang voor de aanpassing aan het klimaat, aangezien de uitvoering daarvan mogelijkheden biedt om onderling samenhangende crises op het gebied van klimaat, natuur en gezondheid aan te pakken, wat zowel op sociaal als op ecologisch gebied voordelen oplevert en tegelijkertijd de duurzaamheid en de veerkracht bevordert. Op de natuur gebaseerde oplossingen kunnen ook een belangrijk middel zijn om de SDG’s en UNFCCC-ambities gestalte te geven, met name wat betreft de benutting van synergieën tussen verschillende SDG’s en klimaatactie.

13.

Aanpassing aan de klimaatverandering zal een ingrijpende transformatie vergen en moet binnen het ruimtelijkeordeningsbeleid over de hele linie prioriteit krijgen; aanpassingsmaatregelen hebben grote gevolgen op het vlak van gezondheid en sociale rechtvaardigheid.

14.

De mate van paraatheid in verband met de klimaataanpassing verschilt per gemeente, zowel binnen Europa als in de rest van de wereld. Momenteel is binnen de algemene risicobeheers- en paraatheidsplannen van gemeenten geen grote plaats ingeruimd voor klimaatrisico’s.

15.

Klimaatactie heeft alleen kans van slagen als alle maatregelen, met inbegrip van aanpassingsmaatregelen, zijn gebaseerd op de beste beschikbare kennis en innovatie. Bovendien staat of valt klimaatactie met de participatie van burgers. Lokale en regionale overheden zijn de overheidsniveaus die het meeste vertrouwen genieten, aangezien zij als geen ander weten wat er gedaan moet worden en hoe efficiënt tegemoet kan worden gekomen aan wat Europese burgers willen en verwachten.

16.

Het Comité roept de Europese Commissie en de lidstaten op om de ontwikkeling te ondersteunen van:

a.

duurzaamheid als het “nieuwe normaal” voor alle gemeenschappen, bedrijven en individuele personen;

b.

duurzaamheid, koolstofneutraliteit, de circulaire economie en veerkracht als leidraad bij alle besluitvorming — openbaar en particulier, met inbegrip van begrotingsprocessen;

c.

op duurzaamheid gerichte planning en acties op basis van samenwerking, kennis en goede praktijken;

d.

onderzoek op het gebied van duurzaamheid en gezamenlijke activiteiten — multidisciplinair en interdisciplinair — om de knowhow en de diversificatie hiervan te verbeteren;

e.

digitale connectiviteit voor alle burgers met adequate vaardigheden, als een collectief element dat de groene en digitale transformatie moet garanderen;

f.

manieren om al deze elementen in alle vormen van leren binnen de EU onder te brengen;

g.

financiering voor steden en regio’s ten behoeve van de bij- en omscholing van de beroepsbevolking.

17.

Het Comité pleit ervoor om de koolstofvoetafdruk te verminderen door de negatieve effecten van producten, diensten en organisaties zo veel mogelijk te beperken. Bovendien zou er ook meer aandacht moeten uitgaan naar de koolstofhandafdruk door te laten zien welk positief duurzaamheidseffect producten, diensten of organisaties kunnen opleveren.

18.

Het Comité steunt de ontwikkeling van lokale wetenschappelijke platforms inzake klimaatverandering (die al in verschillende regio’s bestaan en als “lokale IPCC” fungeren) om de samenwerking met wetenschappers te stimuleren en de besluitvorming van lokale gekozen bestuurders te ondersteunen.

19.

Het is bij de aanpassing aan de klimaatverandering essentieel dat mensen, gemeenschappen en regio’s veerkrachtiger worden. Bewustwording, leren, capaciteitsontwikkeling en concepten om de cultuur voor interregionale en transnationale samenwerking te verbeteren zijn belangrijk om vrijwel wereldwijd actief te zijn.

20.

Het Comité verzoekt de Commissie instrumenten te ontwikkelen om in heel Europa samen te werken aan nieuwe oplossingen voor klimaatproblemen en het gebruik van dergelijke instrumenten te bevorderen. Ook pleit het voor digitale virtuele coachingteams en peer-to-peermentoring om nieuwe, innovatieve regionale en lokale initiatieven op het gebied van duurzame ontwikkeling te ondersteunen. Regio’s en steden zijn bereid als proeftuin te fungeren voor nieuwe oplossingen waarmee kan worden ingespeeld op de uiteenlopende behoeften van gebieden in de EU.

21.

Het European Network of Living Labs kan een nuttige bijdrage leveren aan het dichten van de “aanpassings- en mitigatiekloof” en aan het bevorderen van op duurzame ontwikkeling gerichte innovatie.

22.

De land- en bosbouw (het GLB) speelt een belangrijke rol in het mondiale klimaatbeleid, nl. bij het vergroten van veerkracht en duurzaamheid en het bevorderen van innovatieve oplossingen in plattelandsgebieden. De doelstellingen van de Green Deal, en met name ook de biodiversiteitsstrategie en de “van boer tot bord”-strategie, moeten daarom in het GLB worden opgenomen, zodat de koppeling tussen subsidies en de omvang van de landbouwgrond wordt losgelaten en subsidies in plaats daarvan worden gekoppeld aan de naleving van hoge en bindende normen inzake klimaatbescherming, biodiversiteit, gebruik van bestrijdingsmiddelen en dierenwelzijn, aan verkorting van de toeleveringsketens en aan bevordering van de lokale productie.

23.

Het Comité wijst op de positieve synergieën tussen het beleid ter behoud van de biodiversiteit en het aanpassings- en mitigatiebeleid, fundamentele pijlers waarop de wereldwijde strijd tegen de klimaatverandering is gebaseerd.

24.

Het is zaak dat bij beoordelingen van risico’s en gevaren in gemeenschappen gebruik wordt gemaakt van systemen voor preventieve informatie, zoals Galileo en Copernicus. Dit vereist meer systematische en integrale oplossingen op het gebied van datamining en gegevensverwerking op lokaal en regionaal niveau, zoals het gebruik van satellieten en sensoren met GIS-ondersteunde instrumenten om de kwetsbare punten in kaart te brengen die verband houden met verschillende klimaatgerelateerde risico’s. Het Comité spoort de lokale en regionale overheden aan om de beschikbare gegevens en diensten te gebruiken en te exploiteren, met name die welke worden aangeboden door C3S, de dienst van Copernicus voor klimaatverandering.

25.

Het is beslist noodzakelijk om verder te investeren in ruimtetechnologie; deze sector speelt bij het streven naar duurzame en veerkrachtige ontwikkeling een cruciale rol door relevante informatie over klimaatrisico’s en gerelateerde aanpassingsmaatregelen te verstrekken. Het Comité is bereid om samen met de Commissie, het JRC en het EEA na te gaan hoe deze technologieën meer op het niveau van de lokale en regionale overheden gebracht kunnen worden.

26.

Aanpassing moet worden aangemerkt als een belangrijke pijler van de Europese Green Deal, die de nieuwe groeistrategie van de EU is. Het Comité is ingenomen met de voorgestelde Europese klimaatwet als een manier om een overkoepelend kader voor zowel klimaatmitigatie als klimaataanpassing te bieden.

Een grotere rol voor steden en regio’s in het aanpassingsbeleid

27.

Het is belangrijk dat steden en regio’s innovatoren en pioniers zijn wat betreft klimaatactie en -aanpassing en vaak deelnemen aan onderzoeks- en innovatieprojecten, zoals die in het kader van Horizon 2020 en Horizon Europa, waardoor zij als ambassadeurs van klimaataanpassing in heel Europa kunnen optreden en grensoverschrijdende samenwerking tussen subnationale niveaus bij de aanpak van klimaatuitdagingen kunnen bevorderen.

28.

Lokale overheden nemen ruim 70 % van de vermindering van de klimaatverandering en tot 90 % van de aanpassingsmaatregelen voor hun rekening. Geen enkel aanpassingsbeleid heeft kans van slagen als er geen rekening wordt gehouden met de behoeften, standpunten en expertise van regio’s en steden. Binnen de EU heeft naar schatting 40 % van het aantal steden met meer dan 150 000 inwoners aanpassingsplannen opgesteld (2).

29.

Digitale toepassingen kunnen de lokale en regionale overheden in belangrijke mate helpen om de SDG’s en klimaatdoelstellingen te verwezenlijken of om zich aan te passen aan de klimaatverandering. Bij aanpassings- en mitigatiemaatregelen moet dan ook altijd worden gekeken naar duurzame digitale oplossingen. Er moeten best practices worden uitgewisseld, terwijl ook altijd moet worden nagegaan of digitale oplossingen wel doeltreffend zijn.

30.

De meest zichtbare gevolgen van de klimaatverandering in Europa en de rest van de wereld worden veroorzaakt door extreme weersomstandigheden, zoals hittegolven, overstromingen, waterschaarste, bosbranden en ziekten, die vele mensenlevens kosten, een aanzienlijke financiële schadepost inhouden en de levenskwaliteit aantasten. Verder is het ook zo dat de ontvolking van het platteland, het verlies aan toegang tot vruchtbare grond en het verlies aan biodiversiteit sociale en economische problemen veroorzaken die wereldwijd een toenemend probleem vormen dat in Europa enorme gevolgen zal hebben (3).

31.

De twee klimaatmissies — “een klimaatbestendig Europa” en “100 klimaatneutrale steden tegen 2030” zijn van cruciaal belang. Het Comité zou graag met de Commissie samenwerken bij het aanmoedigen van aanmeldingen en voordrachten van gemeenschappen, steden en regio’s die de volledige geografische, sociale en economische diversiteit van de Europese gebieden vertegenwoordigen. Het is tevens bereid om met de missies, het Burgemeestersconvenant en anderen een implementatiekader te ontwikkelen om klimaatneutraliteit te realiseren.

32.

Het Comité beveelt aan dat het Europees Milieuagentschap, samen met diverse deskundige organisaties zoals het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, het partnerschap voor aanpassing aan de klimaatverandering in het kader van de stedelijke agenda (4) en het Burgemeestersconvenant voor klimaat en energie (5), regelmatig updates van de wetenschappelijke kennis uitbrengt en specifieke projecten op het gebied van klimaatverandering, klimaatgevolgen en kwetsbaarheid voor klimaatverandering in de belangrijkste biogeografische regio’s in Europa onder de aandacht brengt.

33.

De gevolgen van de klimaatverandering zijn niet overal gelijk en een juiste beleidskeuze kan alleen worden gemaakt als rekening wordt gehouden met territoriale factoren. Welke aanpassingsmaatregelen precies geboden zijn, is afhankelijk van de specifieke kwetsbare punten waar bijvoorbeeld ultraperifere gebieden, eilanden, berg- en kustgebieden en het Noordpoolgebied mee te maken hebben.

34.

In het Noordpoolgebied zijn maatregelen dringend geboden: de temperatuur in de winter ligt er inmiddels 2,5 oC boven het pre-industriële niveau, wat betekent dat zee-ijs en sneeuwlaag in een ongekend tempo smelten, zoals bijvoorbeeld de MOSAiC-expeditie onlangs nog heeft aangetoond. Speciale aandacht is noodzakelijk omdat het Noordpoolgebied extra snel opwarmt (“polaire amplificatie”).

35.

De natuur in het Middellandse Zeegebied wordt gekenmerkt door een uitzonderlijke rijkdom en is bijzonder kwetsbaar voor natuurrampen, klimaatverandering en sociaaleconomische ontwikkeling. Er zijn specifieke maatregelen nodig om de duurzaamheid van de natuurlijke hulpbronnen te vergroten. Met name dient de biodiversiteit beschermd te worden.

36.

Klimaatverandering hangt nauw samen met sociaaleconomische veranderingen zoals verstedelijking. Stedelijke gebieden in Europa, waar driekwart van de bevolking woont, staan voor klimaatproblemen die op maat gesneden oplossingen en steun van de EU en de lidstaten vergen (6). Het Comité wijst tevens op het belang van halfverstedelijkte en plattelandsgebieden, waar het soms nog moeilijker is om de uitstoot terug te dringen; ook daar zouden passende oplossingen geboden moeten worden.

37.

De klimaat- en energiedialoog op verschillende niveaus kan uitgroeien tot een krachtig instrument om een effectieve verticale integratie en mainstreaming van aanpassingsmaatregelen te bewerkstelligen. Het Comité pleit in dit verband voor een verruiming tot de hele Green Deal.

38.

Het Burgemeestersconvenant voor klimaat en energie en soortgelijke initiatieven zijn van cruciaal belang om aanpassingsmaatregelen dichter bij steden en regio’s te brengen. De ondertekenaars van het Convenant spelen een essentiële rol bij het uitvoeren van de actieplannen voor duurzame energie en klimaat.

39.

wijst erop dat het belangrijk is het gebruik, de uitbreiding en het gebruik van innovatieve digitale technologieën die ten goede komen aan integratiecapaciteit en cohesie, te bevorderen, met het oog op een strategie voor slimme gebieden; Als voorbeelden van deze technologieën moeten 5G, het internet der dingen en gegevensanalyse worden gezien als aanjagers van de digitale en groene transformatie van regio’s en steden, en met name als een disruptieve hefboom voor digitale overheidsdiensten, energie-efficiëntie, bevordering van cultuur en toerisme en sociale en territoriale cohesie.

40.

Het Comité wijst ook op de rol van energiesystemen bij de klimaataanpassing en op de koppelingen tussen energiesystemen, zoals uiteengezet in de mededeling over een EU-strategie voor een geïntegreerd energiesysteem (7), en verzoekt de Europese Commissie deze koppelingen in de follow-up van die mededeling nader te onderzoeken.

41.

Het is belangrijk dat Europese regio’s en steden meer partnerschappen vormen die gebruikmaken van concepten op basis van slimme specialisatie. Het Comité beveelt aan dat steden en regio’s een grotere rol krijgen binnen het Climate Adapt-platform (8) en wil graag intensiever samenwerken, vooral met het Europees Milieuagentschap, de kennis- en innovatiegemeenschap voor klimaat van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT), en het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek.

42.

Belangrijk punt is dat regio’s en steden meer capaciteit krijgen om een en ander te implementeren en over voldoende medewerkers beschikken, inclusief geschoold personeel. Met name gemeenten moeten structureel de nodige medewerkers kunnen inzetten om de vele werkterreinen en verantwoordelijkheidsgebieden die verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en klimaatactie te coördineren.

Financiering en wereldwijde regels

43.

Het Comité dringt er bij de Commissie op aan extra aandacht te besteden aan het CO2-beprijzingssysteem. Om een klimaattransformatie teweeg te brengen, zijn nieuwe investeringen in aanpassing en mitigatie nodig, met name in de particuliere sector. Willen de benodigde investeringen aangetrokken kunnen worden, dan moet de prijs van CO2 op een voorspelbaar en passend niveau worden vastgesteld. Een dergelijk systeem zou energie- en andere bedrijven moeten stimuleren om een sterke rol te spelen bij het bereiken van de klimaatdoelstellingen en bij het creëren van nieuwe koolstofneutrale oplossingen.

44.

Een efficiënter CO2-beprijzingssysteem, met inbegrip van een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens, is nodig om van CO2 een transparant onderdeel van het economische systeem te maken en de overgang naar koolstofneutraliteit te bevorderen; dit zou een nieuw gelijk speelveld voor duurzame actie creëren en is een cruciaal instrument om van CO2 een transparant systeem op alle niveaus en in alle sectoren te maken.

45.

Het CvdR onderschrijft de oproep van het EP om op basis van de meest recente wetenschappelijke berekeningen van het IPCC een netto-broeikasgasbegroting voor de EU-27 op te stellen, die het billijke aandeel van de Unie in de resterende mondiale emissies vormt overeenkomstig de doelstellingen van het Akkoord van Parijs en als richtsnoer dient voor de vaststelling van het traject van de Unie naar broeikasgasneutraliteit tegen 2050.

46.

De EU moet een krachtige leidersrol in de wereld op zich nemen om vóór 2030 de noodzakelijke systemen voor CO2-beprijzing en -budgettering te ontwikkelen en om met haar mondiale handelspartners over soortgelijke elementen te onderhandelen.

47.

De EU moet meer langetermijninvesteringen in infrastructuur doen om deze aan de klimaatverandering aan te passen. Het is belangrijk dat alle overheidsniveaus beschikken over adequate mogelijkheden om aanpassingsmaatregelen te bekostigen, dat wordt nagegaan of er mogelijke nieuwe opties voor bestaande voorzieningen zijn en dat wordt gekeken naar nieuwe en innovatieve oplossingen.

48.

De EU en de nationale regeringen zouden zorg moeten dragen voor een stabiele en systematische overheidsfinanciering voor aanpassingsmaatregelen voor bijv. openbare nutsvoorzieningen, nood- en reddingsdiensten en de gezondheidszorg. Voorzorgsmaatregelen op het gebied van klimaataanpassing vergen omvattende investeringen in infrastructuur en reddingsinstrumenten waarbij klimaataanpassing en -mitigatie in algemene duurzaamheidsmaatregelen worden geïntegreerd.

49.

Het Comité is verheugd dat er groene obligaties zullen worden uitgegeven om klimaatmaatregelen te financieren. Wel waarschuwt het ervoor dat de noodzakelijke aanpassingen wellicht niet uitsluitend met publieke middelen bekostigd kunnen worden en dat private financiering gestimuleerd moet worden. Het is belangrijk dat de criteria voor de taxonomie en het omgaan met wat als duurzaam wordt beschouwd en geen schade veroorzaakt zodanig worden vastgesteld dat ze geen administratieve lasten met zich meebrengen voor wie duurzame investeringen wil doen. Dit geldt met name wanneer verder wordt gegaan dan de geldende Europese en nationale regelgeving.

50.

Het nieuwe kader voor 2021-2027 is sterk gericht op een Europa dat dankzij innovatie slimmer is en op een groener en koolstofvrij Europa. Het CvdR zou een grotere begeleidende rol moeten krijgen bij de inzet van het instrumentarium voor regionale publiek-private investeringen in klimaataanpassing en -mitigatie. Dit houdt ook in dat lokaal geleide strategieën moeten worden ondersteund en dat de lokale overheden meer zeggenschap moeten krijgen over het beheer van EU-, nationale, regionale en lokale fondsen. Het Comité wijst erop dat de Europese programma’s het creëren en delen van goede klimaatoplossingen moeten bevorderen, ten voordele van gemeenten van verschillende grootte.

51.

Lokale en regionale overheden kennen de behoeften van en uitdagingen voor burgers het beste en zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het EU-beleid op lokaal en regionaal niveau. Daarom moet worden bepaald dat de lidstaten de lokale en regionale overheden betrekken bij de besluitvorming over EU- en nationale wetgeving. Het CvdR moedigt de lidstaten aan om aan de lokale en regionale overheden ook het beheer van de middelen en financiële instrumenten te delegeren, op basis van het subsidiariteitsbeginsel.

52.

De Europese Investeringsbank (EIB) heeft niet alleen aangegeven dat zij in de periode tot 2025 een steeds groter gedeelte van haar financiering zal uittrekken voor klimaatactie en milieuduurzaamheid, maar heeft ook een routekaart ontwikkeld om uit te groeien tot een klimaatbank (9). Het Comité is tevens verheugd dat de EIB een systematische beoordeling van fysieke klimaatrisico’s heeft ingevoerd, de Climate Risk Assessment (CRA).

53.

De ontwikkeling van de nieuwe EU-aanpassingsstrategie moet worden verankerd in de beginselen die zijn vastgelegd in de Europese Green Deal. Het Comité dringt er bij de Commissie op aan om steden en regio’s in dit kader als volwaardige partners te erkennen en om de kloof tussen lokale, bottom-upstrategieën en nationale strategieën beter aan te pakken.

Betere samenhang en activiteiten in heel Europa

54.

De doelstellingen van het klimaatpact berusten op actieve subsidiariteit en multilevel governance. Het Comité is bereid om politieke steun te verlenen bij de uitvoering van het klimaatpact (10) en om het pact op het niveau van iedere stad en regio in Europa te brengen. Het roept de Commissie in dit verband op om ook aanpassingsmaatregelen in dit belangrijke initiatief op te nemen.

55.

Het klimaatpact kan een tweeledige functie vervullen: enerzijds als een innovatief governance-instrument om de samenwerking tussen de lokale en regionale overheden en de Europese instellingen te bevorderen en anderzijds als een overkoepelend initiatief om de totstandkoming van lokale klimaatpacten in de hele EU te stimuleren en het gebruik van best practices, ook op het gebied van klimaataanpassing, te vergemakkelijken.

56.

Het Comité wijst er nogmaals op hoe belangrijk het is dat klimaataanpassing wordt ingebed in de planning en het beheer van infrastructuur en landschap op lokaal en regionaal niveau (11): steden en regio’s moeten aanzienlijke inspanningen op dit vlak leveren.

57.

Het Comité is verheugd over het voorstel voor een ambitieus klimaatdoelstellingsplan voor 2030 en roept de Commissie op om ook aanpassingsmaatregelen en -doelstellingen in dit kader op te nemen.

58.

Diverse initiatieven, zoals burgerdialogen, territoriale effectbeoordelingen, energie- en klimaatdialogen op verschillende niveaus en het RegHub-netwerk alsook het Stedelijk Europa-initiatief in het kader van het cohesiebeleid na 2020, kunnen zowel de beoordeling van aanpassingsmaatregelen als strategische agenderingen ondersteunen door degenen die rechtstreeks door de klimaatverandering en de aanpassingsmaatregelen worden getroffen, te betrekken.

59.

Het Comité is verheugd over de “renovatiegolf”, het toekomstgerichte initiatief van de EU om meer te doen op een gebied dat in verband met de verwezenlijking van onze klimaatdoelstellingen van groot belang is. Het roept de Commissie op om de renovatie van gebouwen een nog grotere rol toe te kennen bij de inspanningen om de aanpassingsdoelstellingen naar een hoger plan te tillen en de bebouwde omgeving klimaatbestendiger te maken.

60.

De gevolgen van de klimaatverandering voor burgers variëren naargelang van hun sociale en economische kwetsbaarheid, leeftijd en geslacht; de sociale dimensie van het aanpassingsbeleid moet daarom zorgvuldig worden meegenomen in de nieuwe EU-strategie, op basis van de werkzaamheden die het Europees Milieuagentschap op dit gebied verricht (12).

61.

Klimaataanpassingsstrategieën, nationale energie- en klimaatplannen, nationale langetermijnstrategieën en strategieën voor duurzame ontwikkeling en beleid in andere sectoren zoals biodiversiteit, bosbouw en landbouw, en ruimtelijke ordening: er zijn nu allerlei nationale plannen en strategieën. Dit kan verwarrend zijn voor steden en regio’s. De Commissie zou dan moeten bekijken of het overkoepelende kader niet beter ingeruild kan worden voor een meer geïntegreerde aanpak.

62.

Het Comité roept de Commissie op de lidstaten met klem aan te bevelen om subnationale overheden te betrekken bij het opstellen van hun aanpassingsstrategieën en bij het bevorderen van de ontwikkeling van regionale en lokale strategieën, alsook een regionale uitsplitsing van nationale strategieën. Het is bereid om daartoe klimaat- en energiedialogen op verschillende niveaus te organiseren.

Brussel, 10 december 2020.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Apostolos TZITZIKOSTAS


(1)  https://climateemergencydeclaration.org/climate-emergency-declarations-cover-15-million-citizens/

(2)  Verslag inzake de uitvoering van de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering (COM(2018) 738 final).

(3)  https://www.eea.europa.eu/themes/climate-change-adaptation

(4)  https://ec.europa.eu/futurium/en/climate-adaptation

(5)  https://www.eumayors.eu/

(6)  https://www.eumayors.eu/

(7)  COM(2020) 299 final.

(8)  https://climate-adapt.eea.europa.eu/

(9)  https://www.eib.org/en/about/partners/cso/consultations/item/cb-roadmap-stakeholder-engagement.htm

(10)  Zie advies 1360/2020 over het Europees klimaatpact (PB C 440 van 18.12.2020, blz. 99) van Rafał Trzaskowski (PL/EVP): https://cor.europa.eu/NL/our-work/Pages/OpinionTimeline.aspx?opId=CDR-1360-2020

(11)  https://ec.europa.eu/clima/sites/clima/files/adaptation/what/docs/swd_2013_137_en.pdf

(12)  https://www.eea.europa.eu/publications/unequal-exposure-and-unequal-impacts