Brussel, 30.9.2020

COM(2020) 625 final

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

De Europese onderwijsruimte tegen 2025 tot stand brengen

{SWD(2020) 212 final}


Onderwijs is essentieel voor de vitaliteit van de Europese samenleving en economie. De Europese onderwijsruimte beoogt de onderwijs- en opleidingsgemeenschappen de nodige steun te geven om hun fundamentele taak te vervullen in spannende tijden vol uitdagingen – Voorzitter von der Leyen

1Inleiding

In haar politieke beleidslijnen heeft Commissievoorzitter von der Leyen zich ertoe verbonden de Europese onderwijsruimte tegen 2025 te verwezenlijken. Onderwijs vormt de basis voor persoonlijke ontplooiing, inzetbaarheid en actief en verantwoordelijk burgerschap. Het recht op hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor onderwijs, opleiding en een leven lang leren vormt het eerste beginsel van de Europese pijler van sociale rechten. De Unie is bezig haar groeistrategie te herbronnen op basis van duurzaamheid en met de groene en de digitale transitie als drijvende krachten van het transformatieproces. Onderwijs vormt een cruciaal onderdeel van de Europese levenswijze en versterkt de sociale markteconomie en de democratie met vrijheid, diversiteit, mensenrechten en sociale rechtvaardigheid.

In juli heeft de Europese Raad overeenstemming bereikt over een ongekend herstelpakket om de gevolgen van COVID‑19 voor onze economieën en samenlevingen op te vangen en het krachtige herstel van Europa en de transformatie en hervorming van onze economieën te bevorderen. Investeringen in onderwijs, opleiding en een doeltreffend gebruik van vaardigheden zullen in dat verband van cruciaal belang zijn om de economische en sociale welvaart van Europa te ondersteunen.

De COVID‑19-pandemie heeft aanzienlijke gevolgen voor de onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa. De pandemie confronteert de meer dan 100 miljoen Europeanen in de onderwijs- en opleidingssector met nieuwe uitdagingen en vergt nieuwe manieren om te leren, te onderwijzen en te communiceren. Het is van essentieel belang te voorkomen dat de gezondheidscrisis een structureel obstakel voor het onderwijs en de ontwikkeling van vaardigheden wordt en de werkgelegenheid van jongeren, de inkomens en de gelijkheid en inclusie in de samenleving als geheel negatief beïnvloedt. De lidstaten streven naar samenwerking op EU‑niveau bij hun inspanningen om veerkrachtige en toekomstgerichte onderwijsstelsels op te bouwen als basis voor een Europese onderwijsruimte.

In deze mededeling wordt uiteengezet hoe we onze inspanningen kunnen intensiveren om ervoor te zorgen dat tegen 2025 een Europese onderwijsruimte tot stand komt. De Europese onderwijsruimte strookt met Next Generation EU en de langetermijnbegroting van de Europese Unie voor 2021‑2027.

Beleidsmaatregelen waarbij de burgers centraal staan, zijn belangrijker dan ooit om het terrein te effenen en de nodige maatregelen ter bevordering van herstel en veerkracht te nemen. Aan voor- en vroegschoolse educatie en opvang, scholen, beroepsonderwijs en ‑opleiding (BOO), hoger onderwijs, onderzoek, volwassenenonderwijs en niet-formeel leren komt een belangrijke rol toe. In het kader van de beleidsmaatregelen moet een holistische benadering van onderwijs en opleiding worden ontwikkeld, de intrinsieke waarde van onderwijs en opleiding worden erkend en voor een basisvorming worden gezorgd om een zo groot mogelijke bijdrage tot en participatie in de samenleving te waarborgen.

De Europese onderwijsruimte is geworteld in tientallen jaren van Europese samenwerking op het gebied van onderwijs. Het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) heeft bijgedragen tot het opbouwen van vertrouwen en wederzijds begrip, wat de eerste initiatieven van de Europese onderwijsruimte 1 , de nationale hervormingen en de respons van de onderwijs- en opleidingssector op de COVID‑19-pandemie ten goede is gekomen.

Resultaten van de Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding

De samenwerking heeft tot dusver al aanzienlijke resultaten opgeleverd: de leerkrachten hebben meer armslag gekregen, het algemeen onderwijs is verbeterd, er is vooruitgang geboekt bij de aanpassing aan de digitale transformatie en er zijn nieuwe beginselen vastgesteld om beroepsonderwijs en -opleiding te verbeteren. Bovendien zijn in het ET 2020 gemeenschappelijke EU‑streefcijfers (“benchmarks”) vastgesteld en is gezorgd voor een grote verscheidenheid van instrumenten voor wederzijds leren en beleidsondersteuning die de lidstaten ertoe hebben aangezet hun inspanningen op de meest dringende prioriteiten te richten. Zoals hierboven geïllustreerd, zijn in 2020 de volgende resultaten bereikt:

-Bijna 95 % van de kinderen volgt voor- en vroegschoolse educatie vanaf 4 jaar. Deze uiterst belangrijke fase van het onderwijs kan nu ten volle bijdragen aan kwaliteitsnormen, met name ten behoeve van kinderen uit kansarme milieus.

-Het percentage jonge volwassenen met een diploma tertiair onderwijs is de afgelopen tien jaar enorm gestegen en ligt nu in de EU zelfs boven het in 2009 vastgestelde streefcijfer van 40 %. Personen met een hoger opleidingsniveau hebben betere kansen om een baan te vinden en te behouden, verdienen meer en zijn sterker bij het democratische leven betrokken.

-Het percentage jongeren dat het onderwijs zonder diploma hoger secundair onderwijs verlaat en geen opleiding volgt, is gedaald van 14 % in 2009 tot 10,2 % in 2019. Daarmee is het EU‑streefcijfer van 10 % bijna gehaald. Mede dankzij dit resultaat kan de vaardigheidskloof voor jonge volwassenen worden gedicht.

-De EU is er niet in geslaagd het percentage 15‑jarigen met lage vaardigheden op het gebied van lezen, wiskunde en wetenschappen terug te dringen tot minder dan 15 % in 2020. Op alle drie de gebieden is de EU als geheel er niet in geslaagd het streefcijfer te halen: meer dan 20 % van de 15‑jarigen kan geen eenvoudige taken op het gebied van lezen, wiskunde en wetenschappen uitvoeren en de resultaten hangen nauw samen met de sociaaleconomische status van de jongeren.

-De arbeidsparticipatie van pas afgestudeerden is in 2019 tot 80,9 % gestegen: een gestaag herstel vergeleken met het dieptepunt van 74,3 % in 2013 en dichtbij het EU‑streefcijfer van 82 %.

-Deels als gevolg van de financiële crisis en ondanks een stijging tot 10,8 % in 2019 bedraagt het percentage volwassenen dat onderwijs of een opleiding volgt, nog steeds minder dan het streefcijfer van 15 %. Er bestaan wel grote verschillen tussen de lidstaten.

In de nieuwe op 20 juni 2019 door de Europese Raad aangenomen strategische agenda voor de EU in 2019‑2024 wordt benadrukt dat de lidstaten “meer moeten investeren in de vaardigheden van de mensen en in onderwijs”. Tijdens hun allereerste gezamenlijke oriënterend debat op 8 november 2019 waren de ministers van Onderwijs en van Financiën het erover eens dat alle lidstaten in onderwijs, vaardigheden en competenties moeten investeren en dat dergelijke investeringen een strategische prioriteit voor de EU moeten zijn. 2 Voor sommige lidstaten bestaat de onmiddellijke uitdaging erin te zorgen voor voldoende investeringen in onderwijs en opleiding. Voor anderen is het vooral zaak de middelen efficiënt en doeltreffend te besteden.

Het Erasmus+-programma heeft bijgedragen tot het opschalen van succesvolle praktijken en het versterken van de samenwerking met het oog op nationale hervormingen en het heeft de uitvoering van maatregelen op EU‑niveau financieel ondersteunt (bijvoorbeeld door de inspanningen van de EU te steunen om burgerschap, fundamentele vrijheden, verdraagzaamheid en non-discriminatie via onderwijs te bevorderen). De Europese structuur- en investeringsfondsen hebben financiële middelen beschikbaar gesteld om systemische nationale hervormingen door te voeren. Het steunprogramma voor structurele hervormingen heeft technische bijstand verleend bij de hervormingen van de onderwijs- en opleidingsstelsels in de lidstaten.

Het belang van deze activiteiten heeft de hoogste politieke erkenning gekregen, waardoor de Europese ambities op onderwijsgebied zijn aangescherpt. In de verklaring van Rome van maart 2017 hebben de Europese leiders beloofd toe te werken naar een “Unie waar jongeren het best mogelijke onderwijs en de best mogelijke opleiding genieten en op het hele continent kunnen studeren en een baan kunnen vinden” 3 . Het eerste beginsel van de Europese pijler van sociale rechten, die tijdens de sociale top van Göteborg in 2017 gezamenlijk door de EU‑leiders is afgekondigd, luidt dat iedereen recht heeft op hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor onderwijs, opleiding en een leven lang leren 4 . In de conclusies van de Europese Raad van 14 december 2017 5 werd benadrukt dat “onderwijs en cultuur een sleutelrol vervullen bij het opbouwen van inclusieve, hechte samenlevingen, en bij het op peil houden van ons concurrentievermogen” en er werden een aantal prioritaire werkgebieden vastgesteld – in overeenstemming met de visie van de Commissie voor de Europese onderwijsruimte 6 . Op een aantal gebieden heeft de Commissie vooruitgang geboekt in het kader van de eerste initiatieven ter verwezenlijking van een Europese onderwijsruimte 7 .

Bij de inspanningen om de Europese onderwijsruimte tot stand te brengen zal naar synergie met de Europese vaardighedenagenda 8 , het vernieuwde beleid inzake beroepsonderwijs en ‑opleiding 9 en de Europese onderzoeksruimte worden gestreefd om kennis te benutten en tot grondslag te maken voor het herstel en de welvaart van Europa op basis van de gedeelde beginselen van inclusie, mobiliteit en innovatie. Samen met de nieuwe EU‑strategie voor gendergelijkheid 2020‑2025 10 zullen deze initiatieven tot een vlotte overgang van school naar academische studies, BOO en werk bijdragen en van een leven lang leren een realiteit maken. Ze zullen ook de gendergelijkheid op de werkplek bevorderen en racisme en alle vormen van discriminatie (met inbegrip van genderstereotypen) helpen bestrijden.

Voortbouwend op deze resultaten en in overeenstemming met de resolutie van de Raad van november 2019 over het verder ontwikkelen van de Europese onderwijsruimte 11 worden in deze mededeling concrete maatregelen beschreven om de Europese onderwijsruimte tegen 2025 tot stand te brengen.



2Een ambitieuze Europese onderwijsruimte

De Commissie stelt voor de huidige inspanningen te consolideren en de Europese onderwijsruimte verder te ontwikkelen vanuit zes invalshoeken.

2.1Kwaliteit:

Dankzij kwalitatief hoogwaardig onderwijs zijn jongeren uitgerust met de kennis, de vaardigheden en de attitudes om hun weg in het leven te vinden en aan de vele uitdagingen waarmee ze geconfronteerd zullen worden, het hoofd te bieden. Op EU‑niveau betekent kwaliteit in het onderwijs onder meer:

-het verwerven van basisvaardigheden (met inbegrip van digitale competenties), die onontbeerlijk zijn om in het leven vooruit te komen, een boeiende baan te vinden en zich als burger te engageren 12 . In 2018 bedroeg het gemiddelde percentage ondermaats presterende leerlingen in de EU – d.w.z. het percentage leerlingen dat er volgens de PISA-enquête van de OESO niet in slaagt basisopdrachten op het gebied van wiskunde, wetenschappen en lezen uit te voeren – 22,5 % voor lezen, 22,9 % voor wiskunde en 22,3 % voor wetenschappen. Tijdens de periode 2009‑2018 zijn de prestaties voor wetenschappen en lezen op EU‑niveau verslechterd, terwijl ze voor wiskunde stabiel zijn gebleven. In 2019 verklaarde 20 % van de jongeren in Europa niet over digitale basisvaardigheden te beschikken 13 .Toch zijn sommige EU‑landen erin geslaagd hun prestaties mettertijd te verbeteren door structurele onderwijshervormingen door te voeren, de autonomie van de scholen te vergroten, ongelijkheden vanaf jonge leeftijd aan te pakken en in leerkrachten te investeren. Bij gebrek aan deze basisvaardigheden – die onontbeerlijk zijn om verder te leren – ontstaan vaardigheidskloven die iemands hele leven lang grote gevolgen hebben en remediërende maatregelen op volwassen leeftijd vereisen 14 .

-het verwerven van transversale vaardigheden (bijvoorbeeld kritisch denken, ondernemerschap, creativiteit en maatschappelijk engagement) met behulp van transdisciplinaire, leerdergerichte en op uitdagingen gebaseerde methoden.

-het bevorderen van de dubbele vrijheid voor lerenden en leerkrachten om mobiel te zijn en voor instellingen om onderling relaties aan te knopen in Europa en elders. Leermobiliteit en grensoverschrijdende samenwerking zijn belangrijke factoren om de kwaliteit van onderwijs- en opleidingsinstellingen te verbeteren. Veel leerkrachten en lerenden stuiten echter nog steeds op een groot aantal obstakels wanneer ze transnationaal mobiel willen zijn. Het gebeurt dat ze over onvoldoende informatie en advies over leermobiliteit beschikken, onvoldoende voorbereid zijn met betrekking tot het leren van talen of met andere toegankelijkheidsproblemen worden geconfronteerd. Lerenden en leerkrachten kunnen worden ontmoedigd hun recht op mobiliteit uit te oefenen door financiële obstakels, een gebrek aan overdraagbaarheid van steunregelingen voor studenten, een onvolledige erkenning van tijdens de mobiliteitsperiode verworven leerresultaten en kwalificaties en moeilijkheden om mobiliteit met curriculavereisten te combineren. Toekomstige leermobiliteit zal ook ecologisch duurzamer moeten zijn en bereid moeten zijn digitale uitdagingen aan te gaan en digitale kansen te grijpen.

-het bevorderen van talenonderwijs en meertaligheid. Om in het buitenland te kunnen studeren en te werken en de culturele diversiteit van Europa ten volle te kunnen ontdekken is het zaak meerdere talen te spreken. Dankzij talenkennis kunnen lerenden en leerkrachten profiteren van een echte Europese leerruimte. De waardering en de mobilisering van de taalkundige achtergronden van de lerenden

-en de ondersteuning van de leerkrachten bij het beheer van de taalkundige en culturele diversiteit op school zijn van cruciaal belang om de kwaliteit in het onderwijs te bevorderen, met name door hardnekkige tekortkomingen op het gebied van leesvaardigheid te verhelpen. Een dergelijke aanpak leidt ook tot betere onderwijsresultaten van leerlingen en jongeren met een migrantenachtergrond.

-het introduceren van een Europees perspectief in het onderwijs zodat lerenden inzicht krijgen in wat Europa in het algemeen en de Unie in het bijzonder in hun dagelijkse leven betekenen. Dit Europese perspectief vormt een aanvulling op de nationale en regionale perspectieven en moet op dynamische en pluriforme wijze aan de orde worden gesteld, waarbij de ontwikkeling van kritisch denken wordt gestimuleerd.

-waarborgen dat onderwijs- en opleidingsinstellingen veilige omgevingen zijn, vrij van geweld, pesterijen, haatuitingen, desinformatie en alle vormen van discriminatie.

2.2Inclusie en gendergelijkheid:

Het onderwijs slaagt er niet in de sociaaleconomische ongelijkheden te reduceren, hoewel de best presterende onderwijsstelsels die stelsels zijn die op kansengelijkheid inzetten 15 . In heel Europa hangen de onderwijservaringen nauw samen met sociale patronen. Leerlingen uit kansarme milieus zijn oververtegenwoordigd in de groep ondermaats presterende leerlingen. Ondermaatse leesprestaties en voortijdig schoolverlaten komen gemiddeld vaker voor bij jongens dan bij meisjes 16 . Plattelandsgebieden hinken achterop en leerlingen met een migrantenachtergrond 17 doen het op school minder goed. De COVID‑19-pandemie heeft het belang van inclusie en rechtvaardigheid op onderwijsgebied nog sterker benadrukt en de relevantie van de geografische locatie van studenten en gezinnen aangetoond. Om het tij te keren is het zaak in de Europese onderwijsruimte:

-het opleidingsniveau en de onderwijsprestaties los te koppelen van de sociale, economische en culturele status, zodat de onderwijs- en opleidingsstelsels ieders capaciteiten stimuleren en opwaartse sociale mobiliteit mogelijk maken. Voor- en vroegschoolse educatie en opvang spelen hierbij een cruciale rol 18 . Het is ook belangrijk om op inclusieve wijze tegemoet te komen aan de onderwijsbehoeften van leerlingen met een hoog leerpotentieel.

-Ook moeten de onderwijsstelsels op alle niveaus het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap naleven.

-ervoor te zorgen dat de stelsels voor beroepsonderwijs en ‑opleiding, die jongeren kunnen helpen toegang tot een veranderende arbeidsmarkt te krijgen en ervoor kunnen zorgen dat volwassenen deelnemen aan op de groene en de digitale transitie toegesneden programma’s, flexibeler, veerkrachtiger en toekomstbestendiger zijn overeenkomstig het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad inzake beroepsonderwijs en ‑opleiding.

-in solide en inclusieve strategieën voor een leven lang leren te voorzien, zodat voortijdige schoolverlaters opnieuw onderwijs kunnen volgen en degenen die er behoefte aan hebben, toegang kunnen krijgen tot hoger onderwijs en BOO om vaardigheden te verwerven of bij te spijkeren (ook op latere leeftijd) waarnaar op de toekomstige arbeidsmarkt vraag zal zijn.

-voor meer grensoverschrijdende samenwerking te zorgen – zowel in het jeugdwerk als op het gebied van sport en cultuur – om niet-formeel leren (met inbegrip van de link ervan met formeel onderwijs) te bevorderen.

In de EU hebben vrouwen gemiddeld een hoger opleidingsniveau dan mannen en gemiddeld keren minder vrouwen dan mannen onderwijs en opleiding voortijdig de rug toe. Toch doet er zich een hardnekkige genderkloof voor in een aantal wetenschappelijke studierichtingen, die vaak toegang tot beter betaalde banen geven. Hoewel vrouwen beter scoren voor digitale geletterdheid in onderwijsenquêtes 19 , waren in 2018 slechts 26 % van de studenten in de studierichtingen engineering, machinebouw en bouwnijverheid vrouwen; bij de studies ICT bedroeg het percentage vrouwen amper 18 % 20 . Bovendien zijn vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd in leidinggevende functies in het hoger onderwijs. In de Europese onderwijsruimte is het zaak dat de onderwijs- en opleidingsstelsels:

-voor meer gendersensitiviteit 21 in onderwijsprocessen en -instellingen zorgen. Jongens en meisjes hebben gelijke toegang tot onderwijs, maar de nieuwe uitdaging op het gebied van gendergelijkheid in het onderwijs bestaat erin alle jongens en meisjes in scholen en universiteiten met hetzelfde respect te benaderen en voor passende voorwaarden te zorgen om hen in staat te stellen succesvolle volwassenen te worden. Seksisme en seksuele intimidatie treffen voornamelijk meisjes en jonge vrouwen en belemmeren hun onderwijservaring. Het onderwijs biedt een unieke gelegenheid om de basis voor jongens en meisjes te leggen om volwassenen te worden die hun eigen identiteit en die van hun leeftijdsgenoten volledig respecteren.

-genderstereotypen aanvechten en neutraliseren, met name genderstereotypen die de studiekeuze van jongens en meisjes inperken, maar ook alle genderstereotypen die via onderwijs- en opleidingspraktijken en leermiddelen worden verbreid. Traditioneel door mannen of vrouwen gedomineerde beroepen moeten worden opengesteld voor personen van het ondervertegenwoordigde geslacht.

-streven naar een adequaat genderevenwicht bij leidinggevende functies, onder meer in instellingen voor hoger onderwijs.

2.3De groene en de digitale transitie:

Het onderwijs- en opleidingsbeleid en investeringen in inclusieve groene en digitale transitieprocessen zijn van essentieel belang voor de toekomstige veerkracht en welvaart van Europa. Volgens de zomerprognose van de Commissie zal de economie van de EU in 2020 met 8,3 % krimpen en in 2021 met ongeveer 5,8 % groeien. Het werkloosheidscijfer in de EU zal naar verwachting stijgen van 6,7 % in 2019 tot 9 % in 2020 om vervolgens weer te dalen tot 8 % in 2021 22 . Jongeren die nu hun eerste stappen op de arbeidsmarkt zetten, zullen moeilijker werk vinden. Hoewel regelingen voor werktijdverkorting, loonsubsidies en bedrijfssteun het banenverlies wellicht zullen beperken, zal de COVID‑19-pandemie ernstige gevolgen voor de arbeidsmarkt hebben. Digitale geletterdheid is een must, des te meer in de wereld na COVID‑19. Voor vrijwel alle bijscholing en alle banen zijn digitale vaardigheden vereist, maar het ontbreekt gemiddeld 40 % van de Europeanen in de leeftijdsgroep van 16 tot en met 74 jaar aan dergelijke vaardigheden 23 .

De transitie naar een ecologisch duurzame, circulaire en klimaatneutrale economie heeft aanzienlijke gevolgen voor de werkgelegenheid en de samenleving 24 . De burgers willen dat hun regeringen prioriteit aan de bescherming van het milieu verlenen bij de planning van herstelmaatregelen om de economische en sociale gevolgen van de COVID‑19-crisis op te vangen en de transitie naar een groenere en meer digitale wereld te bevorderen 25 . Alleen met de juiste vaardigheden en het juiste onderwijs kan Europa voor een op de groene en de digitale transitie berekend duurzaam economisch herstel zorgen en tegelijkertijd daadwerkelijk wereldwijd leiderschap tonen, zijn concurrentiepositie wereldwijd versterken en trouw blijven aan de belofte voor een rechtvaardige transitie te zorgen. Om de transformatie tot stand te brengen is het zaak:

-een ingrijpende verandering in het gedrag en de vaardigheden van de bevolking mogelijk te maken, waarbij de onderwijsstelsels en -instellingen als katalysator fungeren. De maatregelen moeten erop gericht zijn het gedrag te veranderen, vaardigheden voor de groene economie te stimuleren, nieuwe duurzame onderwijs- en opleidingsinfrastructuur te bevorderen en bestaande gebouwen te renoveren (“renovatiegolf”), waardoor een gunstig klimaat voor deze verandering wordt gecreëerd 26 .

-bij de groene transitie in onderwijs en opleiding te investeren om het aantal deskundigen die zich inzetten voor een klimaatneutrale en hulpbronnenefficiënte economie te vergroten.

- de transitie naar duurzaamheid doeltreffend te ondersteunen door aandacht voor ecologische duurzaamheid in de natuur- en menswetenschappen te integreren en veranderingen op het gebied van vaardigheden, methoden, processen en culturen te ondersteunen.

-dat alle niveaus van onderwijs en opleiding mensen met digitale vaardigheden uitrusten, maar ook met andere competenties (bijvoorbeeld ondernemerszin en leren leren) die nodig zijn om zijn weg te vinden op de door technologische veranderingen getransformeerde arbeidsmarkt.

2.4Leerkrachten en opleiders:

Leerkrachten, opleiders en onderwijspersoneel nemen een centrale plaats in het onderwijs in. Zij zijn het vooral die van onderwijs een zinvolle ervaring voor alle lerenden maken. Miljoenen leerkrachten in heel Europa waren gedwongen zich snel aan te passen aan de schoolsluitingen als gevolg van de COVID‑19-pandemie. Ze hebben een vooraanstaande rol bij de voortzetting van het onderricht gespeeld en tijdens de lockdown voor de innovatie van het afstandsonderwijs gezorgd. Zonder leerkrachten en opleiders is het onmogelijk voor innovatie, inclusie en ingrijpende onderwijservaringen voor lerenden te zorgen. Binnen de Europese onderwijsruimte wordt gestreefd naar uiterst competente en gemotiveerde leerkrachten en opleiders die tijdens hun gevarieerde loopbaan kunnen profiteren van een reeks mogelijkheden op het gebied van professionele ondersteuning en ontwikkeling. Binnen de Europese onderwijsruimte moeten de beroepen van leerkracht en opleider worden gewaardeerd:

-Er is behoefte aan een uiterst competent, enthousiast en toegewijd onderwijscorps. Allereerst moeten de tekorten aan leerkrachten worden verholpen. De meeste EU‑lidstaten kampen met een tekort aan leerkrachten: de tekorten zijn algemeen of doen zich op specifieke vakgebieden voor, zoals STEM of het onderricht van leerlingen met speciale behoeften. Aangezien ongeveer een derde van het lerarencorps de volgende tien jaar met pensioen gaat, moet vooral aandacht worden geschonken aan het behoud en de verjonging van het corps.

-Het beroep van leerkracht moet sociaal en in sommige lidstaten ook financieel worden geherwaardeerd. Slechts 20 % van de leerkrachten in het lager secundair onderwijs vindt dat hun beroep door de samenleving wordt gewaardeerd en voor ongeveer de helft zijn de hoge administratieve lasten een bron van stress bij de uitoefening van hun beroep 27 .

-Leerkrachten en opleiders hebben permanent behoefte aan mogelijkheden voor professionele ontwikkeling. Uit de TALIS-enquête (Teaching and Learning International Survey) van de OESO blijkt dat veel leerkrachten er behoefte aan hebben hun competenties op een aantal gebieden – het onderricht van leerlingen met speciale behoeften, het gebruik van digitale technologieën en het onderricht in meertalige en multiculturele klassen – te ontwikkelen 28 .

-De internationale mobiliteit van studenten, leerkrachten en opleiders van leerkrachten zou deel moeten uitmaken van de lerarenopleiding om de toegang tot de diversiteit van hoogwaardige onderwijsmethoden te verruimen ten behoeve van de leerlingen.

2.5Hoger onderwijs:

Dankzij de mobiliteit van studenten en personeel is de toegang tot hoger onderwijs geleidelijk verruimd en de basis voor gestructureerde samenwerking versterkt. Het Bolognaproces is de drijvende kracht geweest achter internationalisering en mobiliteit. De toegevoegde waarde van mobiliteit is duidelijk: uit gegevens blijkt dat wie in het buitenland heeft gestudeerd, aanzienlijk betere loopbaanperspectieven heeft. 80 % van de deelnemers aan Erasmus+ heeft minder dan 3 maanden na het afstuderen een baan. Slechts 5 % van de studenten neemt echter aan Erasmus+ deel. Financiële overwegingen vormen nog steeds een van de voornaamste redenen waarom studenten niet in het buitenland gaan studeren, op de voet gevolgd door bezorgdheid over de erkenning van leerresultaten. In het kader van de 41  Europese universiteiten experimenteren meer dan 280 instellingen voor hoger onderwijs in heel de EU met nieuwe modellen voor diepere en ambitieuzere samenwerking 29 .

Het hoger onderwijs heeft bewezen over de nodige veerkracht te beschikken om de veranderingen tijdens de COVID‑19-pandemie het hoofd te bieden. De crisis heeft echter ook de uitdagingen verscherpt op het gebied van digitalisering, innovatieve pedagogische methoden, inclusie en welzijn, de ondersteuning van studenten, onderzoekers en personeel, mobiliteit en financiering. De Europese stelsels voor hoger onderwijs moeten streven naar:

-nauwere en diepere samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs, die tot de ontwikkeling van meer gezamenlijke curricula en gemeenschappelijke cursussen zou kunnen leiden en de mobiliteit van lerenden tussen onderwijsstelsels in verschillende landen zou bevorderen, waardoor een pan-Europese pool van talent wordt ontwikkeld, onder meer op het gebied van geavanceerde wetenschappelijke disciplines en technologieën zoals kunstmatige intelligentie, cyberbeveiliging en high-performance computing.

-een grensoverschrijdend beleidskader dat naadloze transnationale samenwerking mogelijk maakt, waardoor allianties van instellingen voor hoger onderwijs hun krachten kunnen bundelen door hun fysieke en onlinemiddelen, cursussen, expertise, gegevens en infrastructuur interdisciplinair te poolen.

- instellingen voor hoger onderwijs die als centrale actoren van de “kennisvierhoek” (onderwijs, onderzoek, innovatie en maatschappelijke dienstverlening) fungeren, een sleutelrol bij het herstel van COVID‑19 en op het gebeid van duurzame ontwikkeling in Europa spelen en tegelijkertijd onderwijs, onderzoek en de arbeidsmarkt helpen profiteren van talentstromen.

-de automatische erkenning van kwalificaties en studieperioden in het buitenland met het oog op bijscholing, de kwaliteitsborging van gezamenlijke transnationale activiteiten en de erkenning en overdraagbaarheid van korte cursussen die tot microcredentials leiden. De lidstaten zouden zo diepgaander en sneller kunnen samenwerken in vergelijking met wat nu mogelijk is in het kader van het Bolognaproces. De Europese onderwijsruimte kan als motor voor het Bolognaproces fungeren en andere lidstaten van de Europese ruimte voor hoger onderwijs inspireren en ondersteunen om een soortgelijk traject te volgen.

-meer aandacht voor gespecialiseerde onderwijsprogramma’s op het gebied van geavanceerde digitale vaardigheden (bijvoorbeeld vaardigheden op het gebied van geavanceerde technologieën zoals kunstmatige intelligentie, cyberbeveiliging en high-performance computing), aangezien er op dit punt een acuut gebrek is aan deskundigen.

2.6De geopolitieke dimensie:

De samenwerking op onderwijsgebied is geleidelijk uitgegroeid tot een belangrijk instrument van het extern beleid van de EU op basis van soft power. Dankzij de uitwisselingsprogramma’s van de Unie kunnen mensen wereldwijd contacten leggen en een groot aantal belanghebbenden, (onder meer het maatschappelijk middenveld) bereiken. De programma’s helpen een positief beeld van Europa en de fundamentele waarden van Europa in de wereld te verspreiden. Ze dragen ertoe bij de betrekkingen van de EU met andere landen en regio’s vorm te geven. Hoogwaardige internationale samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding is ook van vitaal belang om bestaande en nieuwe wereldwijde uitdagingen aan te gaan. Samenwerking is van essentieel belang om de geopolitieke prioriteiten van de Unie en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling 2030 te verwezenlijken.

Vanwege de veranderingen in de wereldorde (bijvoorbeeld de opkomst van China en de terugtrekking van de VS uit de multilaterale orde) is het zaak de Europese internationale samenwerking, onder meer op het gebied van onderwijs, te versterken. Het is noodzakelijk de Europese belangen en waarden te bevorderen. Wat de internationale dimensie van de Europese onderwijsruimte betreft, zullen wederkerigheid, een gelijk speelveld en ethische en integriteitsnormen een centrale rol spelen bij de ontwikkeling van ambitieuze partnerschappen met partnerlanden wereldwijd.

De internationalisering speelt een steeds grotere rol, niet alleen in het hoger onderwijs, maar ook in het basis- en middelbaar onderwijs. Sommige Europese studenten brengen hun studententijd ook gedeeltelijk of volledig buiten de EU door. In andere onderwijssectoren blijft echter nog steeds een enorm potentieel onbenut, met name in beroepsonderwijs en ‑opleiding en de jeugdsector. Het tertiair onderwijs moet bijzondere aandacht krijgen aangezien het in belangrijke mate vorm geeft aan het denken van de volgende generatie leiders en ondernemers in partnerlanden wereldwijd. Elk jaar komen honderdduizenden studenten uit derde landen naar de EU om tertiair onderwijs te volgen. Het EU‑recht 30 voorziet in een transparant en coherent rechtskader voor internationale studenten die naar de EU komen. Dankzij samenwerking tussen onderwijsinstellingen in de Unie en elders is het mogelijk het beste talent wereldwijd aan te trekken en peer learning en gezamenlijke internationale onderzoeks- en innovatieprojecten te bevorderen.

Met name in Afrika, de Westelijke Balkan en de nabuurschapslanden beogen de huidige hervormingen van de onderwijs-, opleidings- en onderzoekstelsels de werkgelegenheid voor jongeren, ondernemerschap en groene en digitale vaardigheden te stimuleren en de welvaart, de stabiliteit en de veiligheid te vergroten. De uitbreiding van de associatie van derde landen, met name de landen in de Westelijke Balkan, met de Europese onderwijsruimte vormt een integraal onderdeel van de tegen 2025 te verwezenlijken doelstellingen.

De afgelopen twee decennia heeft het Erasmus+-programma de banden tussen de Europese onderwijsruimte en de rest van de wereld ontwikkeld en aangehaald. Jaarlijks wisselen de Europese universiteiten ongeveer 50 000 studenten en personeelsleden uit met universiteiten in andere delen van de wereld 31 . Internationale partnerschappen hebben de ontwikkeling van innovatieve curricula en gezamenlijke opleidingen vergemakkelijkt en gezamenlijke onderzoeks- en innovatieprojecten bevorderd. Mede hierdoor is Europa een aantrekkelijke bestemming geworden en worden innovatie en werkgelegenheid gestimuleerd. De capaciteitsopbouw heeft ook bijgedragen tot de internationalisering van het hoger onderwijs in partnerlanden en zo de sociaaleconomische hervormingen en de democratische consolidatie ondersteund.

3Middelen en mijlpalen

Ter aanvulling van de initiatieven die sinds 2018 van start zijn gegaan, zal de Commissie een aantal nieuwe initiatieven voorstellen om samen met de lidstaten en de belanghebbenden tegen 2025 een ambitieuze Europese onderwijsruimte tot stand te brengen vanuit de zes in het vorige hoofdstuk beschreven invalshoeken 32 .

3.1De kwaliteit van het onderwijs verbeteren

Om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren moeten gecoördineerde inspanningen worden geleverd die op de uitdagingen van elk stelsel zijn afgestemd. Met behulp van EU‑wijde doelstellingen worden de lidstaten en hun onderwijsecosystemen gestimuleerd om vooral maatregelen te nemen ter verbetering van de vaardighedenniveaus en ter verhoging van de participatie en het opleidingsniveau. De uitwisseling van ervaringen en de collegiale ondersteuning op EU‑niveau beogen inzicht te verschaffen in de beleidsvorming van de lidstaten. Meer bepaald:

-zal de Commissie de lidstaten ondersteunen bij het vaststellen van doeltreffende beleidshervormingen om de verwerving van basisvaardigheden te bevorderen. Bijzondere aandacht zal uitgaan naar het curriculum en de beoordeling, alsook naar het vermogen van instellingen en personeel om innovatief te zijn en hun leermethoden en -omgevingen te ontwikkelen. De Commissie zal ook de samenwerking tussen Europese organisaties van belanghebbenden, lerarenverenigingen en aanbieders van lerarenopleidingen ondersteunen met het oog op input voor beleidsaanbevelingen over innovatieve en multidisciplinaire onderwijs- en leermethoden voor het verwerven van basisvaardigheden. De nationale maatregelen kunnen andere bronnen aanboren, zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen of de beschikbare middelen in het kader van de faciliteit voor herstel en veerkracht.

-is de Commissie van plan het versterkte Erasmus-programma te begeleiden door het kader voor leermobiliteit te actualiseren. Hierdoor zullen meer lerenden en leerkrachten de obstakels voor mobiliteit uit de weg kunnen ruimen. Het is de bedoeling dat het herziene kader een drieledige uitdaging aangaat: i) zorgen voor mobiliteitsmogelijkheden voor een veel grotere verscheidenheid van deelnemers, ii) groene en digitale mobiliteit, onder meer door online- en fysieke uitwisselingen te combineren, iii) evenwichtige mobiliteit stimuleren.

-Om de meertaligheid te bevorderen worden de belanghebbenden op nationaal, regionaal en schoolniveau verzocht de Aanbeveling van de Raad uit 2019 inzake een alomvattende benadering van het onderwijzen en leren van talen verder uit te voeren, onder meer in BOO. Via financiering uit hoofde van het toekomstige Erasmus-programma en peer learning zal de Commissie de lidstaten ondersteunen om zogenaamde “taalbewuste scholen” te promoten en zo leerlingen van diverse achtergronden een betere kennis van de onderwijstaal te geven 33 . Het Erasmus-programma beoogt taalvaardigheden in het kader van een leven lang leren verder te ondersteunen door mogelijkheden voor onderwijs- en leermobiliteitsperioden in het buitenland te bieden, maar ook door de verdere samenwerking tussen aanbieders van onderwijs en opleiding op alle niveaus te ondersteunen.

-is het van cruciaal belang transversale vaardigheden (bijvoorbeeld kritisch denken, ondernemerschap, creativiteit en maatschappelijk engagement) te bevorderen zodat de volgende generaties studenten, onderzoekers en innovatoren een veerkrachtige samenleving kunnen opbouwen 34 . Het toekomstige Erasmus-programma beoogt lerenden op alle niveaus een grote verscheidenheid van mogelijkheden te bieden om deze vaardigheden te ontwikkelen, met name door onderwijs- en opleidingsinstellingen meer mogelijkheden te bieden om in samenwerking met hun kennisecosystemen meer transdisciplinaire, leerdergerichte en op uitdagingen gebaseerde methoden te ontwikkelen. De Europese structuur- en investeringsfondsen kunnen maatregelen ondersteunen om dergelijke vaardigheden op regionaal en nationaal niveau te ontwikkelen.

-zal de Commissie belanghebbenden uit de onderwijssector en vertegenwoordigers van de lidstaten bijeenbrengen om peer learning en de ontwikkeling van een Europees perspectief in het onderwijs te stimuleren. Ze beoogt de Jean Monnet-acties uit te breiden en te versterken door ze dichter bij de scholen te brengen om de Europese manier van leven, duurzaamheid en de waarden van de EU te promoten 35 .

-Om democratische onderwijsomgevingen te creëren die vrij zijn van pesten, haatuitingen en desinformatie, is de Commissie voornemens de lidstaten en de belanghebbenden via het Erasmus-programma te blijven steunen bij de uitvoering van de Aanbeveling van de Raad van 22 mei 2018 inzake de bevordering van gemeenschappelijke waarden, inclusief onderwijs en de Europese dimensie in lesgeven 36 .

3.2Onderwijs en opleiding inclusiever en gendersensitiever maken

De Commissie zal deskundigen en belanghebbenden uit de lidstaten via speciale platforms voor wederzijds leren en samenwerking samenroepen om het verzamelen van naar geslacht uitgesplitste gegevens en innovatie met het oog op inclusief en gendergelijk onderwijs te ondersteunen en zo aan de beleidsbehoeften van de lidstaten te voldoen. Hierdoor zou het eenvoudiger moeten zijn om nationale en EU‑investeringen te focussen op de meest behoeftige groepen en gebieden.

Voor de nieuwe programmeringsperiode zal bijzondere aandacht aan inclusie, gelijkheid en diversiteit worden geschonken in het kader van het Erasmus-programma en het Europees Solidariteitskorps. Via een veelzijdige benadering zal het programma inclusiever worden gemaakt, onder meer door de invoering van meer flexibele en toegankelijke formats; steunmaatregelen om deelnemers voor te bereiden en te begeleiden; en financiële maatregelen ter ondersteuning van degenen die moeilijk aan het programma kunnen deelnemen.

Daarnaast zullen de volgende initiatieven bijdragen tot meer inclusie in het onderwijs:

-Mede dankzij het initiatief Pathways to School Success kunnen alle leerlingen een elementair bekwaamheidsniveau op het gebied van basisvaardigheden bereiken 37 . Het initiatief zal in het bijzonder gericht zijn op groepen die meer risico lopen op ondermaatse prestaties en voortijdig schoolverlaten. Voortbouwend op de aanbeveling van de Raad uit 2011 inzake beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten zal de Commissie met de lidstaten samenwerken om gezamenlijk beleidsrichtsnoeren te ontwikkelen om het aantal slecht presterende leerlingen te verlagen en het aantal leerlingen met een diploma middelbaar onderwijs te verhogen. Er zal worden voortgebouwd op de vier pijlers: i) monitoring (met het oog op tracering en gerichte maatregelen), ii) preventie (met name voor risicogroepen), iii) vroegtijdige interventie (voor leerlingen die reeds met moeilijkheden kampen), en iv) compensatie (voor wie al slechte resultaten heeft gehaald en een tweede kans nodig heeft) 38 . De Commissie zal ook een beroep doen op het Europees semester. Ze zal de lidstaten op maat gesneden beleidsondersteuning bieden bij hun inspanningen om de competentieniveaus te verhogen en bijzondere aandacht schenken aan het loskoppelen van opleidingsniveau en sociaaleconomische achtergrond. Het initiatief zal bijdragen tot de preventie van jeugdwerkloosheid en de Commissie zal zorgen voor nauwe coördinatie met de voorgenomen maatregelen in het recente voorstel voor een versterking van de jongerengarantie 39 .

-De Commissie zal een groep deskundigen samenroepen om voorstellen te ontwikkelen voor strategieën om ondersteunende leeromgevingen te creëren voor groepen die het risico lopen ondermaats te presteren 40 , en om het welzijn op school te bevorderen. Hierbij zullen onder meer de volgende problemen worden aangepakt: genderspecifieke problemen, zoals genderstereotypen in het onderwijs (onder meer bij de loopbaanontwikkeling) en de ondermaatse prestaties van jongens, en pesterijen en seksuele intimidatie. Wat dit laatste punt betreft, moeten vrouwen en meisjes ook worden geholpen om zichzelf tegen onlinegeweld te verdedigen. Voor maatregelen op nationaal niveau kunnen de lidstaten gebruikmaken van verschillende financieringsinstrumenten, het Europees Sociaal Fonds of de beschikbare middelen in het kader van de faciliteit voor herstel en veerkracht.

-Aangezien de deelname aan voor- en vroegschoolse educatie en opvang een belangrijke factor is voor het verwerven van basisvaardigheden op latere leeftijd, zal de Commissie de lidstaten ondersteunen bij de uitvoering van het Europese kwaliteitskader voor stelsels voor kwaliteitsvolle voor- en vroegschoolse educatie en kinderopvang 41 . Om kinderen beter voor te bereiden op een succesvol onderwijstraject gedurende hun hele leven, zal de Commissie in 2021 een op basis van de uitwisseling van beste praktijken en de input van deskundigen en belanghebbenden ontwikkelde toolkit ter beschikking stellen ter bevordering van de inclusie in voor- en vroegschoolse educatie en opvang, evenals een overzicht van de kerncompetenties van het personeel op dit gebied. De Commissie werkt ook aan een kindergarantie.

-Om – zoals aangekondigd in de Europese vaardighedenagenda – de inclusiviteit en de kwaliteit van de stelsels voor beroepsonderwijs en ‑opleiding te verbeteren is de Commissie voornemens steun te verlenen voor de oprichting van 50 kenniscentra voor beroepsopleiding met financiering uit het Erasmus-programma. De kenniscentra voor beroepsopleiding zullen fungeren als referentiepunten voor zowel de initiële opleiding van jongeren als de bij- en omscholing van volwassenen.

-De stelsels voor hoger onderwijs en voor beroepsonderwijs en -opleiding moeten zich aanpassen om een nog grotere sleutelrol te spelen bij het ondersteunen van een leven lang leren en het bereiken van een meer diverse studentenpopulatie. Hiervoor is een grondige verandering van mentaliteit, cultuur en structuur nodig. De Commissie zal met de lidstaten samenwerken om deze doelstelling te verwezenlijken en ze is van plan steun te verlenen via het Erasmus-programma en andere fondsen en instrumenten van de EU. Zoals beschreven in de vaardighedenagenda zal de Commissie ook werken aan de ontwikkeling van een Europese benadering van microcredentials om de leermogelijkheden te verruimen en de rol van instellingen voor hoger onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding op het gebied van een leven lang leren te versterken door in meer flexibele en modulaire leermogelijkheden te voorzien. Ze zijn niet alleen nuttig voor professionals, maar kunnen ook een aanvulling vormen op het curriculum van studenten op bachelor-, master- en doctoraatsniveau. Een groeiend aantal volwassenen – met of zonder diploma hoger onderwijs – zal zich moeten om- en bijscholen via flexibelere alternatieven dan een volledige opleiding om de kloof te dichten tussen de leerresultaten van hun initiële formele kwalificaties en de nieuwe behoeften aan vaardigheden op de arbeidsmarkt. De behoefte aan flexibelere en inclusievere leertrajecten is toegenomen naarmate de studentenpopulatie diverser is geworden en de leerbehoeften aan dynamisme hebben gewonnen. Hoewel een toenemend aantal instellingen voor hoger onderwijs (bijvoorbeeld de Europese universiteiten) reeds werkt aan de ontwikkeling van microcredentials, ontbreekt het aan een gemeenschappelijke definitie en een gemeenschappelijke methode voor de validatie en de erkenning ervan. Zoals aangekondigd in de vaardighedenagenda, is de Commissie in dit verband voornemens in 2021 een voorstel voor een aanbeveling van de Raad in te dienen. Doel van de aanbeveling is het vertrouwen in microcredentials in heel Europa via Europese maatregelen te helpen opbouwen en tegen 2025 alle nodige stappen te zetten voor het ruimer gebruik, de overdraagbaarheid en de erkenning ervan.

-Mede dankzij niet-formeel leren, met inbegrip van vrijwilligerswerk, kunnen levens- en beroepsvaardigheden en -competenties worden verworven. Deze vaardigheden en competenties moeten worden bevorderd, gewaardeerd en ten volle erkend 42 . Het Europees Solidariteitskorps heeft de leerwaarde en de erkenning van deze vaardigheden volledig geïntegreerd in zijn doelstellingen en activiteiten. Er zijn echter nog steeds obstakels voor de grensoverschrijdende mobiliteit van vrijwilligers (bijvoorbeeld het gebrek aan erkenning van leerresultaten door werkgevers). Voortbouwend op de evaluatie van de aanbeveling van de Raad uit 2008 over de mobiliteit van jonge vrijwilligers 43 zal de Commissie in 2021 geactualiseerde beleidsrichtsnoeren opstellen om de juridische, financiële en administratieve obstakels uit de weg te ruimen die nog steeds een belemmering vormen voor grensoverschrijdend vrijwilligerswerk van jongeren en solidariteit. Dankzij de richtsnoeren zullen de inclusiviteit, de kwaliteit en de erkenning van grensoverschrijdende ervaringen verder worden versterkt in het kader van het toekomstige programma van het Europees Solidariteitskorps.

-De overheid moet samen met de belanghebbenden de gendergelijkheid in alle onderwijs- en opleidingssectoren bevorderen, onder meer door ervoor te zorgen dat zowel jongens en meisjes als vrouwen en mannen in al hun diversiteit toegang hebben tot kwaliteitsonderwijs.

-De overheid moet samen met de belanghebbenden inclusief onderwijs in alle onderwijs- en opleidingssectoren bevorderen overeenkomstig de verbintenissen van de lidstaten en de EU in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap.

-De Commissie is voornemens het onderzoek te helpen bevorderen – onder meer met steun van Horizon Europa – en de rol van gender in het onderwijs- en opleidingsbeleid en het verband tussen gender, onderwijs en sociaal en economisch succes te onderzoeken.

-Mede dankzij specifieke modules in het kader van de Teacher Academies kan worden nagegaan hoe gendersensitief onderwijs op school doeltreffend kan worden bevorderd.

-Een nieuwe agenda voor de transformatie van het hoger onderwijs zal het genderevenwicht op het gebied van academische loopbanen en studiekeuze bevorderen, evenals de integratie van het concept gendergelijkheid in de curricula van universiteiten. In het kader van de nieuwe agenda zal bijzondere aandacht worden besteed aan vrouwen in leidinggevende functies in instellingen voor hoger onderwijs.

-De Commissie zal specifieke werkstromen in het kader van de Europese onderwijsruimte voorstellen om beleidsrichtsnoeren inzake gendergelijkheid in onderwijs en opleiding te ontwikkelen. Er zullen onder meer richtsnoeren worden opgesteld voor de ontwikkeling van gendersensitieve onderwijsprocessen. Bij het onderzoek, de studies en de analysen van de Commissie ter ondersteuning van de Europese onderwijsruimte zal aandacht aan de genderdimensie worden geschonken.

3.3De groene en de digitale transitie ondersteunen in en via onderwijs en opleiding

Om beide transities tot stand te brengen beveelt de Commissie aan prioriteit te verlenen aan maatregelen om mensen te helpen kennis, vaardigheden, waarden en attitudes te verwerven die nodig zijn om een duurzame en hulpbronnenefficiënte samenleving en economie te ontwikkelen en te ondersteunen en erin te leven. Financieringsprogramma’s ter ondersteuning van de groene en de digitale transitie, zoals de faciliteit voor herstel en veerkracht en het Fonds voor een rechtvaardige transitie, kunnen ook worden gebruikt om de onderwijs- en opleidingssector te helpen hun belangrijkste doelstellingen te verwezenlijken. De lidstaten worden aangemoedigd om de mogelijkheden zorgvuldig te overwegen en passende voorstellen in te dienen. Ook door iedereen de mogelijkheid te bieden praktische digitale ervaringen op het gebied van onderwijs en opleiding op te doen kunnen mensen een bijdrage leveren tot en zich thuis voelen in een hypergeconnecteerde samenleving.

-De Commissie zal uiterlijk eind 2020 een Education for Climate Coalition op touw zetten om knowhow te mobiliseren, middelen voor netwerkvorming ter beschikking te stellen en creatieve benaderingen met leerkrachten, leerlingen en studenten te ondersteunen. In synergie met het Europees klimaatpact zal het initiatief als link tussen bottom-upinitiatieven en maatregelen op EU-niveau fungeren en toezeggingen en concrete maatregelen ondersteunen om het duurzaamheidsgedrag in de EU te veranderen.

-Om de thema’s groene transitie en duurzaamheid in het schoolonderwijs, het hoger onderwijs en de beroepsopleiding te helpen integreren, zal de Commissie in 2021 een voorstel indienen voor een aanbeveling van de Raad betreffende onderwijs ter bevordering van milieuduurzaamheid. De aanbeveling zal richtsnoeren voor scholen, instellingen voor hoger onderwijs en leerkrachten bevatten over de wijze waarop kan worden samengewerkt en ervaringen tussen lidstaten kunnen worden uitgewisseld over onderwijs op het gebied van milieuduurzaamheid. De Commissie zal ook een Europees competentiekader voorstellen om kennis, vaardigheden en attitudes op het gebied van klimaatverandering en duurzame ontwikkeling te helpen ontwikkelen en beoordelen. Het kader zou aan de aanbeveling van de Raad kunnen worden gekoppeld.

-De Commissie zal de vergroening van de onderwijsinfrastructuur bevorderen. In de EU-lidstaten gaat gemiddeld 8 % van de uitgaven voor onderwijs en opleiding naar onderwijsinfrastructuur. De meeste schoolgebouwen en veel universiteitsgebouwen zijn desondanks niet uitgerust om aan de vraag naar nieuwe competenties en pedagogische methoden te voldoen of ze beantwoorden niet aan de huidige energienormen. Bovendien kunnen de groene ruimten op schoolterreinen nog aanzienlijk worden verbeterd ter bevordering van interactie en leren. De Commissie is voornemens met de Europese Investeringsbank samen te werken – onder meer via het InvestEU-programma 44 – om de lidstaten in staat te stellen van alle beschikbare financieringsbronnen gebruik te maken om zowel digitale en fysieke infrastructuur voor onderwijs en opleiding te ontwikkelen als de nodige capaciteit op te bouwen om ervan te profiteren.

-Het initiatief “Researchers at Schools” wil scholen in contact brengen met wetenschap door jonge door de Marie Skłodowska-Curie-acties ondersteunde onderzoekers de mogelijkheid te geven met leerkrachten en leerlingen een dialoog aan te gaan over klimaatverandering, duurzame ontwikkeling, digitalisering, gezondheid en andere kwesties in verband met de Europese Green Deal.

-Om de digitale vaardighedenkloof 45 in het kader van een leven lang leren te dichten en de digitale capaciteit en veerkracht van de Europese onderwijs- en opleidingsstelsels te versterken, stelt de Commissie vandaag een nieuwe alomvattende benadering van digitaal leren en onderwijs op Europees niveau voor in het kader van het nieuwe actieplan voor digitaal onderwijs. Het plan bevat ambitieuze maatregelen die gericht zijn op twee strategische prioriteiten: het bevorderen van de ontwikkeling van een Europees ecosysteem voor digitaal onderwijs en het versterken van digitale competenties en vaardigheden voor de digitale transformatie 46 .

-Het komende programma Digitaal Europa voorziet in financiering voor geavanceerde digitale vaardigheden – bijvoorbeeld op het gebied van kunstmatige intelligentie, cyberbeveiliging en high performance computing – om aan de behoeften van de lidstaten aan digitale deskundigen te helpen voldoen.

-In samenwerking met het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT), de kennis- en innovatiegemeenschappen (KIG’s) van het EIT en andere componenten van Horizon Europa zullen de workshops over digitale en ondernemersvaardigheden worden opgeschaald (40 000 studenten) en korte stageprogramma’s voor vrouwelijke studenten worden georganiseerd met betrekking tot digitale en STEM-gerelateerde gebieden in de verschillende economische sectoren.

-In overeenstemming met de voorstellen zullen het toekomstige programma Erasmus en het Europees Solidariteitskorps groener en digitaler zijn. Virtuele en gemengde mobiliteit kunnen een aanvulling vormen op fysieke mobiliteit. Het is de bedoeling dat groene en digitale thema’s prioriteit krijgen bij samenwerkingsprojecten vanwege het toekomstgerichte en strategische karakter ervan. De programma’s zullen de digitale dimensie in het kader van mobiliteit en samenwerking stroomlijnen en beogen klimaatvriendelijke samenwerkingsvormen en projectuitvoeringen te ondersteunen. Andere initiatieven, zoals stimuleringsmaatregelen ter bevordering van koolstofvriendelijke fysieke mobiliteit, zouden de maatregelen kunnen aanvullen.

3.4De competentie en de motivatie van het onderwijscorps aanscherpen

Nationale beleidsmakers en deskundigen hebben het potentieel van samenwerking op EU‑niveau benadrukt om het onderwijscorps te versterken. Op basis daarvan zal de Commissie een aantal initiatieven nemen om de ontwikkeling van competenties en de loopbaantrajecten van leerkrachten, opleiders en leidinggevenden in het schoolonderwijs beter te ondersteunen en de aantrekkelijkheid van het beroep van leerkracht te bevorderen. Mede dankzij deze initiatieven zullen de mogelijkheden voor professionele ontwikkeling en de erkenning van de individuele ontwikkeling van competenties in verschillende contexten worden verbeterd. De initiatieven zullen de diversificatie van de loopbaanmogelijkheden voor leerkrachten, opleiders en schoolleiders bevorderen en de persoonlijke ontwikkeling en de ontwikkeling van scholen en stelsels ten goede komen. Daarnaast zullen ze de leermobiliteit van de leerkrachten kwalitatief en kwantitatief verbeteren en mobiliteit tot een wezenlijk onderdeel van hun initiële en voortgezette educatie maken. Bovendien zullen deze initiatieven de samenwerking bevorderen tussen leerkrachten, aanbieders van lerarenopleidingen en op onderzoek gebaseerde lerarenopleidingen. Last but not least zullen deze initiatieven de leerkrachten beter in staat stellen hun ervaringen te delen en hun stem in de samenleving luider te laten horen. Om deze doelstellingen te verwezenlijken:

-is de Commissie van plan in 2021 Erasmus Teacher Academies op te starten in het kader van het nieuwe Erasmus-programma om netwerken van instellingen voor lerarenopleidingen en lerarenverenigingen op te zetten. Mettertijd zullen de academies praktijkgemeenschappen creëren – met name op het gebied van de initiële lerarenopleiding en de permanente professionele ontwikkeling – om het nationale en Europese beleid inzake lerarenopleiding te onderbouwen en innovatie in de dagelijkse praktijk van leerkrachten te ondersteunen. Deze netwerken zullen leerkrachten en leerlingen leermogelijkheden bieden met betrekking tot pedagogische kwesties van gemeenschappelijk belang. In het kader van specifieke modules zullen thema’s aan de orde worden gesteld zoals de dialoog met de samenleving, onderwijs ter bevordering van duurzame ontwikkeling of onderwijs in meertalige klassen. De Erasmus Teacher Academies zullen profiteren van structurele partnerschappen en gezamenlijke programma’s tussen instellingen, andere aanbieders van lerarenopleidingen en lerarenverenigingen, waarbij grensoverschrijdende opleidingen en leermogelijkheden een vast onderdeel vormen. Tegen 2025 zouden 25 Erasmus Teacher Academies moeten worden opgezet.

-zal de Commissie Europese richtsnoeren voor de ontwikkeling van nationale loopbaankaders in 2021‑2022 ontwikkelen om zo de loopbaanontwikkeling van het schoolonderwijskorps te ondersteunen. Dit zal gebeuren via wederzijds leren tussen landen naarmate ze het concept van een coherent kader voor schoolonderwijsloopbanen aanpassen en uitvoeren 47 .

-zal de Commissie – in het kader van haar werkzaamheden met betrekking tot een toekomstig mobiliteitskader en in samenspraak met de Erasmus Teacher Academies – samen met de lidstaten en belanghebbenden een beleidskader ontwikkelen om de leermobiliteit van leerkrachten in Europa kwalitatief en kwantitatief te verbeteren op basis van hun reële mobiliteitsbehoeften.

-zal de Commissie tegen 2021 een Europese prijs voor innovatief onderricht instellen om het werk te erkennen van leerkrachten (en hun scholen) die een uitzonderlijke bijdrage tot innovatief onderricht leveren. Dit initiatief zal voortbouwen op goede praktijken zoals het Europees Taallabel, de Jan Amos Comenius-prijs en de nationale en Europese prijzen voor eTwinning.

3.5De Europese instellingen voor hoger onderwijs versterken

De instellingen voor hoger onderwijs in Europa spelen een centrale rol bij zowel de Europese onderwijsruimte als de Europese onderzoeksruimte en zijn uitstekend geplaatst om een brug tussen beide ruimten te slaan. Om voor volledige synergie te zorgen verbindt de Commissie zich ertoe de lidstaten en de instellingen voor hoger onderwijs te ondersteunen bij de ontwikkeling van een beleidskader dat een naadloze en ambitieuze transnationale samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs in Europa mogelijk maakt. Hierbij zal worden voortgebouwd op de ervaringen van de allianties van Europese universiteiten die in het kader van het Erasmus+-programma zijn geselecteerd en ook in het kader van Horizon 2020 worden ondersteund.

Doel is de meer dan 5 000 instellingen voor hoger onderwijs in heel Europa ertoe aan te zetten zich aan de omstandigheden na COVID‑19 aan te passen en de toekomstige generaties op te leiden om gezamenlijk kennis over grenzen, disciplines en culturen heen te creëren met het oog op een veerkrachtige, inclusieve en duurzame samenleving. De Commissie zal met de sector van het hoger onderwijs en de lidstaten samenwerken om samen prikkels te creëren voor een versnelde open en inclusieve transformatie van de instellingen voor hoger onderwijs in Europa.

Een dergelijke transformatie zal vooral gericht zijn op connectiviteit tussen instellingen voor hoger onderwijs, maar ook met hun omringende ecosystemen en de samenleving, zodat de vier opdrachten van universiteiten worden vervuld: onderwijs en onderzoek, die leiden tot innovatie en dienstverlening aan de samenleving. Ook inclusie zal een belangrijke doelstelling zijn met het oog op toegankelijke instellingen voor hoger onderwijs, die openstaan voor een grote verscheidenheid van studenten en onderzoekers en meer mogelijkheden voor een leven lang leren bieden. Ten derde zal de transformatie het thema digitale en groene paraatheid en veerkracht aan de orde stellen om universiteiten te ondersteunen bij hun inspanningen digitale en groene capaciteit en digitale instrumenten te ontwikkelen en te versterken. Overeenkomstig het actieplan voor digitaal onderwijs zal de transformatie de behoeften van studenten, personeel en onderzoekers aan digitale vaardigheden en competenties versterken. Aangezien het hoger onderwijs van cruciaal belang is voor de verwezenlijking van de Europese Green Deal en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, zal de transformatie de integratie en de mainstreaming van onderwijs en opleiding ter bevordering van duurzame ontwikkeling ondersteunen in alle disciplines en op alle niveaus door middel van een interdisciplinaire en op uitdagingen gebaseerde aanpak, waarvan innovatie een cruciale component zal zijn. Er moet niet alleen naar innovatie in het kader van onderzoek worden gestreefd. Even belangrijk is innovatie op het gebied van leerlinggericht leren en onderricht, flexibeler en modulair leren en loopbaanmogelijkheden. In het kader van het programma Digitaal Europa zal de samenwerking tussen de academische wereld, onderzoekers en het bedrijfsleven op specifieke digitale gebieden worden ondersteund om deze ecosystemen te versterken en talenten aan te trekken, op te leiden en om te scholen.

Daartoe zal de Commissie dit jaar online een openbare raadpleging organiseren, die zal worden aangevuld met gerichte raadplegingen. Zo zal de aanzet worden gegeven tot de gezamenlijke ontwikkeling van een transformatieagenda voor het hoger onderwijs tegen eind 2021.

De volgende concrete initiatieven zullen deze transformatieagenda ondersteunen:

-Doel van de Commissie is zich voor de volledige uitrol van het initiatief Europese universiteiten in te zetten in het kader van het Erasmus-programma in synergie met Horizon Europa, het programma Digitaal Europa en andere EU-instrumenten. Op basis van de ervaringen van de in 2019 en 2020 opgestarte allianties van Europese universiteiten zal de Commissie met de lidstaten en het hoger onderwijs samenwerken om de visie op de Europese universiteiten te optimaliseren en concrete obstakels uit de weg te ruimen, zodat de instellingen voor hoger onderwijs hun hoge ambities kunnen waarmaken.

-Met steun van de EU‑coalitie voor STEM 48 zal de Commissie de ontwikkeling van nieuwe curricula voor engineering en ICT in het hoger onderwijs helpen bevorderen op basis van de STEAM-methode 49 . In overeenstemming met de in de Europese vaardighedenagenda aangekondigde maatregelen zal de Commissie onderzoeken hoe de STEM-gebieden aantrekkelijker kunnen worden gemaakt voor vrouwen. Mede hierdoor zal het genderevenwicht bij studenten en academisch personeel en de pool van vaardigheden en competenties op dit hoognodige gebied worden verbeterd.

-In dit verband zal de Commissie samen met de lidstaten en belanghebbenden ook de ontwikkeling van een Europees diploma onderzoeken, dat een kader zou kunnen bieden om de uitreiking van gezamenlijke diploma’s van universitaire allianties, zoals de Europese universiteiten, te vergemakkelijken. Een dergelijk Europees diploma is een basiselement om studenten op alle niveaus en in alle disciplines na grondig pedagogisch advies in staat te stellen te kiezen wat ze waar en wanneer willen studeren bij de leden van een transnationale universitaire alliantie.

-De instellingen voor hoger onderwijs moeten voor een meer doeltreffende organisatie van modulaire gezamenlijke programma’s zorgen. Afgezien van de formele vereisten voor uitgereikte diploma’s moet ook werk worden gemaakt van accreditatie en kwaliteitsborging. De Commissie zal op haar beurt de toepassing van de nodige instrumenten ter bevordering van de transparantie ondersteunen samen met de nationale informatiecentra voor academische erkenning, de instellingen voor hoger onderwijs, de instanties voor kwaliteitsborging en andere belangrijke belanghebbenden. Daarbij zal worden voortgebouwd op succesvolle Erasmus+-projecten, zoals de databank van externe kwaliteitsborgingsverslagen, het gebruik en de promotie van het digitale diplomasupplement, de ontwikkeling van online cursuscatalogi en databanken van studieprogramma’s en de ontwikkeling van nieuwe technologieën (bijvoorbeeld blockchain) om de automatische erkenning van bijscholing te vergemakkelijken. Een echt Europees systeem voor erkenning en kwaliteitsborging zal ervoor zorgen dat externe kwaliteitsborging de autonomie van de instellingen voor hoger onderwijs vrijwaart en tegelijkertijd het vertrouwen van het publiek in de automatische erkenning van bijscholing in en tussen lidstaten onaangetast laat. Met dit doel voor ogen zal de Commissie de aanbeveling van de Raad en het Parlement over kwaliteitsborging evalueren 50 in samenwerking met de lidstaten en het hoger onderwijs 51 .

-In nauwe samenwerking met de lidstaten en het hoger onderwijs zal de Commissie de noodzaak en de haalbaarheid onderzoeken van een wettelijk statuut voor allianties van universiteiten, zoals de Europese universiteiten. Indien gerechtvaardigd, kunnen vanaf 2023 maatregelen worden genomen om een dergelijke diepere en duurzame samenwerking tussen onderwijsinstellingen uit verschillende lidstaten te vergemakkelijken. Gedacht kan worden aan maatregelen ter bevordering van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van financiering, accreditatie, kwaliteitsborging, studenten- en arbeidsrelaties en infrastructuurbeheer. Het mogelijk gebruik van bestaande nationale en Europese statuten, zoals de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking, zal worden onderzocht om na te gaan of deze statuten – met aanpassingen – geschikt zijn voor het beoogde doel, dan wel of andere oplossingen nodig zijn.

-De Europese studentenpas – in de conclusies van de Europese Raad van 14 december 2017 aangemerkt als een van de sleutelacties om “de mobiliteit van studenten en van hun deelname aan onderwijs- en culturele activiteiten te bevorderen” – is een belangrijk instrument bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese onderwijsruimte en maakt het voor studenten in heel Europa uitermate eenvoudig om mobiel te zijn. Door de twee belangrijkste componenten ervan – de mobiele app van Erasmus+ en de digitalisering van het beheer van studentenmobiliteit – vormt het initiatief een echte revolutie voor de vereenvoudiging van de manier waarop universiteiten de studentenmobiliteit beheren. Door een digitale one-stop-shop te creëren met behulp van de mobiele app van Erasmus+ krijgen studenten gemakkelijk en veilig toegang tot alle informatie en diensten die ze vóór, tijdens en na hun mobiliteit in het buitenland nodig hebben 52 . Ze kunnen een mobiliteitsaanvraag indienen en cursussen kiezen, hun in het buitenland verworven studiepunten worden automatisch erkend en ze krijgen sneller toegang tot diensten – zoals bibliotheken, vervoer en huisvesting – en gemakkelijk toegang tot informatie over evenementen en activiteiten die worden georganiseerd door de lokale studentenvereniging of door lokale afdelingen van pan-Europese studentenorganisaties. Om bij te dragen tot de doelstellingen van de Europese studentenpas 53 zal het platform van de Europese e‑studentenpas voorzien in een kader voor de betrouwbare grensoverschrijdende uitwisseling van identificatiegegevens overeenkomstig de eIDAS-verordening betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten.

-

Doel van het initiatief is het beheer van mobiliteit eenvoudiger, efficiënter en groener te maken voor instellingen voor hoger onderwijs. Het initiatief zal alle administratieve stappen digitaliseren en de verschillende interoperabele IT‑systemen van universiteiten in de landen van het Erasmus+-programma met elkaar verbinden, waardoor uiteindelijk voor een papierloze Erasmus+-mobiliteit wordt gezorgd met volledige inachtneming van de algemene verordening gegevensbescherming. Het initiatief bevordert ook een sterke Europese studentenidentiteit door universiteiten de mogelijkheid te bieden een Europees studentenhologram en een uniek kaartnummer aan hun bestaande studentenkaarten toe te voegen, zodat hun mobiele studenten toegang hebben tot studentendiensten en -kortingen in het buitenland. Met steun van het Erasmus-programma, het programma Digitaal Europa en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen zal de Commissie met de geleidelijke uitrol van deze diensten in 2021 beginnen. Doel is dat alle mobiele studenten in Europa er uiterlijk 2025 van kunnen profiteren.

-Overeenkomstig de aanbeveling van de Raad betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland 54 moet een in een lidstaat uitgereikte kwalificatie geldig zijn in alle andere lidstaten om toegang te krijgen tot verdere leeractiviteiten. Daartoe zal de Commissie steun aan de lidstaten blijven verlenen om de nodige voorwaarden te creëren voor automatische wederzijdse erkenning tegen 2025. Hierbij zal ook nauw moeten worden samengewerkt met de door het Erasmus+-programma gesteunde nationale informatiecentra voor academische erkenning (NARIC). Erasmus+ heeft de oprichting van een technisch ondersteuningsteam voor het NARIC-netwerk gefinancierd dat de implementatie van automatische erkenning zal bevorderen. Het team zal het erkenningsnetwerk helpen bij capaciteitsopbouw, opleidingen en het delen van beste praktijken op het gebied van automatische erkenning. In 2022 zal de Commissie – op basis van bijdragen van de lidstaten – verslag uitbrengen over de voortgang bij de uitvoering van de aanbeveling van de Raad.

-In het kader van de vaardighedenagenda zal de Commissie steun aan de lidstaten en de instellingen voor hoger onderwijs verlenen om van de in Europass beschikbare Europese standaardinstrumenten gebruik te maken voor de afgifte van authentieke digitale credentials, met inbegrip van digitale diploma’s en microcredentials. Digitale credentials, die met behulp van gemeenschappelijke Europese instrumenten worden afgegeven, kunnen de erkenning vergemakkelijken, toelatings- en aanwervingsprocedures efficiënter maken en fraude verminderen.

-Feedback van afgestudeerden is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat de door studenten verworven kennis, vaardigheden en competenties van hoge kwaliteit zijn en op de arbeidsmarkt van vandaag en morgen zijn toegesneden. Dankzij de feedback uit enquêtes kunnen universiteiten hun curricula en onderricht aanpassen en beleidsmakers de inzetbaarheid van afgestudeerden verbeteren, vaardigheidskloven en discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden aanpakken, sociale inclusie, toegankelijkheid en mobiliteit bevorderen en instellingen voor hoger onderwijs ondersteunen bij de ontwikkeling van hun curricula. Dit is de essentie van het Europees initiatief voor het volgen van afgestudeerden, dat is vastgesteld in de aanbeveling van de Raad uit 2017 over het volgen van afgestudeerden 55 . In het kader van het initiatief hebben veel landen mechanismen ontwikkeld of versterkt om de studieresultaten en het traject van afgestudeerden op de arbeidsmarkt te monitoren. In 2022 zal de Commissie de balans opmaken van de voortgang bij de uitvoering van de aanbeveling. Verwacht wordt dat de aanbeveling uiterlijk eind 2024 voor 80 % zal zijn uitgevoerd. Om de Europese dimensie te versterken hebben de lidstaten samengewerkt om de vergelijkbaarheid van de gegevens te waarborgen en tal van lidstaten zullen de afgestudeerden monitoren met behulp van een gezamenlijk overeengekomen reeks vragen om de resultaten te kunnen vergelijken. De Commissie verwacht dat afgestudeerden uiterlijk in 2025 in heel Europa zullen worden gevolgd. Het initiatief komt niet alleen universiteiten ten goede, maar kan ook worden gebruikt bij het ontwerp van EU-beleidsmaatregelen om instellingen voor hoger onderwijs te steunen bij het ontwikkelen van de juiste vaardigheden voor de groene transitie.

-Horizon Europa en het Europees Instituut voor innovatie en technologie zullen een sleutelrol spelen bij het ondersteunen van de onderzoeks- en innovatiedimensie van de allianties van Europese universiteiten en bij het opbouwen van kennisecosystemen. Daarnaast moeten data-intensieve analysen en machinaal leren hun rol spelen bij het ondersteunen van besluitvorming en leren in de Europese onderwijsruimte, met inachtneming van de normen inzake gegevensbescherming en privacy. In synergie met de Europese onderzoeksruimte en met steun van het Europees Instituut voor innovatie en technologie zal de Commissie initiatieven nemen om de bijdrage van onderwijs en opleiding aan de innovatiecapaciteit van Europa te versterken.

3.6Onderwijs als onderdeel van een sterker Europa in de wereld

De Europese onderwijsruimte kan bijdragen tot de geopolitieke doelstellingen van de Europese Unie door de banden van de EU met de rest van de wereld te versterken. De internationale samenwerking moet een grotere rol spelen bij de ondersteuning van de onderwijsstelsels in partnerlanden.

Om de rol van het onderwijs in het externe beleid van de EU te versterken – ook met het oog op de COVID‑19-pandemie – kunnen de volgende maatregelen worden overwogen:

-Op EU‑niveau moet gestreefd worden naar een Team Europe-aanpak, waarbij meer samenwerking met de EU-lidstaten wordt bevorderd bij de externe activiteiten van onderwijs- en opleidingsinstellingen in verschillende delen van de wereld, waardoor de positie van de EU als wereldwijde partner op het gebied van onderwijs wordt versterkt 56 . Daarbij moeten de in de EU‑Verdragen vastgestelde bevoegdheden van de EU en de besluitvormingsprocedures, met inbegrip van de stemregels, worden gerespecteerd. De EU alleen is een relatief kleine speler, maar de EU en haar lidstaten zijn goed voor meer dan de helft van alle internationale samenwerking op het gebied van onderwijs, met inbegrip van basisonderwijs, middelbaar onderwijs, beroepsonderwijs en -opleiding en hoger onderwijs. Onderwijs en opleiding spelen daarom een wezenlijke rol als bindende factor van Team Europe. Dit houdt onder meer in dat de Europese internationale samenwerking op onderwijsgebied – met inbegrip van het Erasmus+-programma en de bijdrage van de EU tot wereldwijde initiatieven op het gebied van onderwijs – nauwer worden afgestemd op de prioriteiten van de EU op bilateraal, regionaal en wereldniveau. De EU zal ook kinderen die het slachtoffer van humanitaire crises zijn, blijven helpen bij de toegang tot veilig, kwaliteitsvol en geaccrediteerd basis- en middelbaar onderwijs via onderwijs in het kader van noodprojecten. De EU zal de gelijke toegang tot kwaliteitsonderwijs op alle niveaus bevorderen door 10 % van de begroting voor humanitaire hulp te blijven besteden aan onderwijs in noodsituaties. Een dergelijke aanpak kan leiden tot meer synergie tussen onderwijs en de rest van de partnerschapsagenda van de EU.

-Naast fysieke mobiliteit moet de EU de digitale internationalisering van onderwijsaanbieders (met name instellingen voor hoger onderwijs en beroepsopleiding) ondersteunen door de digitale mogelijkheden voor personeel, leerkrachten en studenten te vergroten, onder meer via onlinecursussen en modellen voor gemengd leren.

-De EU moet ook de samenwerking met strategische wereldwijde partners (bijvoorbeeld China, Japan en de VS) versterken en tegelijkertijd de belangen, de knowhow en de waarden van de Unie beter vrijwaren en wederkerigheid en een gelijk speelveld bevorderen.

-Een internationale verruiming van het Erasmus-programma zou een belangrijk instrument kunnen zijn om de wereldwijde dimensie van de Europese onderwijsruimte te bevorderen. Het Erasmus-programma moet in toenemende mate gericht worden ingezet om talent ten behoeve van instellingen voor hoger onderwijs in de EU aan te trekken en de alumninetwerken te gebruiken om strategische relaties aan te knopen met jonge en toekomstige leiders in partnerlanden. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar de samenwerking met buurlanden en vooral met Afrika: steun moet worden verleend voor de uitvoering van de Afrikastrategie van de EU, die bijdraagt tot het economisch herstel van de regio door de lopende hervormingen van de onderwijs-, opleidings- en onderzoekstelsels te ondersteunen.

-De Commissie zal internationale initiatieven – bijvoorbeeld de gezamenlijke masteropleidingen van Erasmus Mundus – verder stimuleren om internationale partnerschappen te versterken en ervoor te zorgen dat het Europese hoger onderwijs steeds aantrekkelijker wordt. Doel is de internationalisering, de aantrekkelijkheid en het wereldwijde concurrentievermogen van de Europese universiteiten verder te helpen bevorderen.

Internationale mijlpalen zijn onder meer een grotere deelname aan wederzijds leren en samenwerkingsovereenkomsten. De landen van de Europese Vrijhandelsassociatie die lid zijn van de Europese Economische Ruimte 57 , nemen nu reeds deel, maar ook de landen van de Westelijke Balkan moeten – overeenkomstig de toepasselijke voorwaarden en procedures – volledig bij de Europese onderwijsruimte en het Erasmus-programma 58 worden betrokken.

4Een faciliterend kader om de Europese onderwijsruimte tegen 2025 tot stand te brengen

Om de Europese onderwijsruimte tegen 2025 tot stand te brengen zal een faciliterend kader worden ontwikkeld.

4.1Taken van het faciliterend kader voor de Europese onderwijsruimte

Het faciliterend kader zal de Europese onderwijsruimte als volgt helpen verwezenlijken:

-Ten eerste zal het kader de lidstaten, de EU en de ruimere onderwijs- en opleidingsgemeenschap in staat stellen de in deze mededeling voorgestelde initiatieven uit te voeren om de Europese onderwijsruimte tot stand te brengen. Op basis van aangescherpte richtsnoeren van de Raad zal het kader flexibele samenwerkingsmethoden bevorderen en synergie met andere initiatieven op het gebied van onderwijs en opleiding versterken, zoals de Europese onderzoeksruimte en de processen van Kopenhagen en Bologna. Naast de Europese onderwijstoppen en initiatieven in het kader van de Europese onderwijsruimte en het actieplan voor digitaal onderwijs (bijvoorbeeld de Education for Climate Coalition en de Digital Education Hackathon) zal de Commissie regelmatige activiteiten en campagnes promoten om de betrokkenheid van belanghebbenden op lokaal en regionaal niveau te bevorderen.

-Ten tweede zal het faciliterend kader streefcijfers en indicatoren vaststellen om de voortgang bij de verwezenlijking van de Europese onderwijsruimte te sturen en te monitoren. Naast het traceren van de voortgang ten aanzien van bestaande streefcijfers moet samen met alle belanghebbenden een nieuwe benadering van indicatoren en streefcijfers voor de Europese onderwijsruimte worden ontwikkeld vanuit de zes invalshoeken van de Europese onderwijsruimte. De Commissie zal met de lidstaten en de ruimere onderwijs- en opleidingsgemeenschap blijven samenwerken om vergelijkbare gegevens te verzamelen en indicatoren te ontwikkelen met het oog op de bevordering van een empirisch onderbouwde beleidsvorming bij de verwezenlijking van de Europese onderwijsruimte.

-Ten derde zal het faciliterend kader de integratie van onderwijs en opleiding in het Europees semester bevorderen om de lidstaten beter in staat te stellen de COVID‑19-crisis te boven te komen. Het Europees semester zal de ruimere context vormen waarin de voortgang bij de verwezenlijking van de Europese onderwijsruimte samen met andere sociale en economische beleidsmaatregelen zal worden geëvalueerd. Met het oog op het formuleren van landenspecifieke aanbevelingen zal het Europees semester ook gebruikmaken van wetenschappelijke gegevens en analysen over de wisselwerking tussen onderwijs en opleiding en andere beleidsmaatregelen. In samenwerking met de Raad zal de Commissie nieuwe opties onderzoeken voor de vrijwillige input van de lidstaten in het semester (bijvoorbeeld via vrijwillige peer reviews). Het faciliterend kader zal van cruciaal belang zijn voor het sturen van financiële steun via de Europese structuur- en investeringsfondsen en het instrument voor technische ondersteuning van de Commissie (de voormalige steunprogramma’s voor structurele hervormingen). Daarnaast zullen de aanzienlijke financiële middelen uit de faciliteit voor herstel en veerkracht een belangrijke bron van steun vormen voor onderwijshervormingen en investeringen in onderwijs, van infrastructuur en bouwwerkzaamheden tot opleidingen, digitale apparatuur of de financiering van open onderwijsmiddelen. In de jaarlijkse strategie voor duurzame groei 2021 is benadrukt dat er behoefte is aan ongekende investeringen in bij- en omscholing en dat deze investeringen een van de zeven vlaggenschipinvesteringen vormen.

-Ten vierde zal het faciliterend kader de basis leggen voor een volwaardig governancekader voor de Europese onderwijsruimte tegen 2025 zonder inbreuk te plegen op de bevoegdheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de organisatie van hun onderwijsstelsels. Voor dit nieuwe governancekader zal politieke sturing op hoog niveau vereist zijn met het oog op beslissingen in een complex ecosysteem. Daartoe moet het nieuwe governancekader de strategische doelstellingen van de EU versterken en links tot stand helpen brengen met wereldwijde initiatieven, onder meer in de context van de VN of de OESO. Het moet meer efficiëntie en doeltreffendheid verlenen aan het optreden op EU‑niveau van ministeries en deskundigen. En ten slotte moet het doeltreffende oplossingen en beleidshervormingen in het veld bevorderen. De Commissie zal in dit verband de werkzaamheden op het gebied van investeringen helpen intensiveren in het kader van de Europese onderwijsruimte. Dit houdt onder meer in dat de discussies in politieke fora op hoog niveau (bijvoorbeeld gezamenlijke uitwisselingen tussen de ministers van Financiën van de EU en de ministers van Onderwijs van de EU) en met andere instellingen (bijvoorbeeld de Europese Investeringsbank en het Europees Parlement) zullen worden aangezwengeld. Op technisch niveau zal een groep deskundigen op het gebied van kwaliteitsinvesteringen in onderwijs en opleiding dit proces ondersteunen, waarbij de nadruk zal blijven liggen op nationale en regionale investeringen. De Commissie zal ook gerichte steun aan lokale, regionale en nationale autoriteiten verlenen om wederzijds leren, analysen en de uitwisseling van goede praktijken op het gebied van investeringen in onderwijsinfrastructuur te vergemakkelijken.

4.2Beschrijving van het faciliterend kader

De Commissie stelt voor dat het faciliterend kader van de Europese onderwijsruimte tot 2025 alle beproefde en geteste regelingen voor wederzijds leren van het ET 2020 handhaaft (bijvoorbeeld de werkgroepen, de formaties van directeuren-generaal en de instrumenten voor peer learning) met financiële steun uit met name het Erasmus-programma. Ook andere relevante bestuursorganen, zoals het Raadgevend Comité voor de beroepsopleiding, moeten worden ingeschakeld.

Om aan de steeds complexere en snel veranderende eisen van de digitale samenleving en economie te voldoen zal het faciliterend kader van de Europese onderwijsruimte de betrokkenheid en de interactie binnen het ruimere onderwijsecosysteem vergemakkelijken en een goed evenwicht tussen traditionele en onlinevergaderingen bevorderen.

De belangrijkste kenmerken van dit faciliterend kader zijn:

-De Raad wordt verzocht regelmatig gezamenlijke besprekingen tussen de Raad Onderwijs, Jeugdzaken, Cultuur en Sport en andere Raadsformaties te organiseren om tot een holistische overheidsbenadering van onderwijs en opleiding te komen, de bijdrage van onderwijs en opleiding tot de politieke prioriteiten van de EU te versterken 59 en de werkzaamheden op het gebied van onderwijs in het kader van het Europees semester te ondersteunen.

-Een stuurgroep voor de Europese onderwijsruimte om de balans op te maken en de uitvoering te bevorderen van al deze initiatieven die tot de verwezenlijking van de Europese onderwijsruimte leiden. De samenstelling en de werkmethoden ervan moeten uiterlijk eind juni 2021 samen met de lidstaten worden vastgesteld.

-Versterkte gestructureerde werkzaamheden tussen de Commissie, de lidstaten en de belanghebbenden om samen beleids- en financieringsmaatregelen te ontwikkelen, onder meer via bottom-upinitiatieven en een intensiever gebruik van EU-middelen.

-Een permanent platform voor de Europese onderwijsruimte als openbare toegangspoort tot de maatregelen en diensten ervan. Het platform zal voor transparantie en toegang tot informatie zorgen en een gemakkelijk toegankelijke ruimte bieden met informatie over de activiteiten en resultaten van het faciliterend kader. Het platform zal ook in een interactief platform voorzien om samenwerking en uitwisselingen tussen lidstaten en belanghebbenden te ondersteunen.

4.3De voortgang op de voet volgen

Uit gegevens blijkt dat EU-streefcijfers onderwijskwesties op de nationale agenda plaatsen en de monitoring van de voortgang vergemakkelijken. Het zijn belangrijke referentiepunten voor het Europees semester en EU‑financiering. Om de voortgang op het gebied van onderwijs en opleiding op de voet te volgen, stelt de Commissie een reeks streefcijfers voor die tegen 2030 moeten worden gehaald samen met de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling. Deze termijn biedt de lidstaten voldoende tijd om de nodige beleidshervormingen en investeringen uit te voeren en is ruim genoeg om het effect ervan zichtbaar te maken.

Deze streefcijfers moeten gebaseerd zijn op internationaal vergelijkbare gegevens, gebaseerd op aggregaten per land en een gewogen EU-gemiddelde. Ze worden uitgesplitst naar geslacht gemonitord. De Commissie verzoekt de Raad zich er namens de EU als geheel toe te verbinden uiterlijk 2030 de volgende streefcijfers te halen 60 :

-Het percentage 15‑jarigen dat slecht presteert op het gebied van lezen, wiskunde en wetenschappen moet minder dan 15 % bedragen.

-Het percentage leerlingen van de achtste graad dat slecht presteert op het gebied van computer- en informatiegeletterdheid moet minder dan 15 % bedragen.

-Ten minste 98 % van de kinderen tussen 3 jaar en de leerplichtige leeftijd in het basisonderwijs moet deelnemen aan voor- en vroegschoolse educatie.

-Het percentage 20- tot 24-jarigen met ten minste een diploma hoger secundair onderwijs moet 90 % bedragen.

-Het percentage 30- tot 34-jarigen met een diploma tertiair onderwijs moet ten minste 50 % bedragen.

Bovendien moet – conform de vaardighedenagenda – uiterlijk 2025 jaarlijks 50 % van de volwassenen in de EU aan onderwijs deelnemen.

De voor de Europese onderwijsruimte voorgestelde streefcijfers en de in de vaardighedenagenda en het voorstel voor een aanbeveling van de Raad inzake beroepsonderwijs en -opleiding voorgestelde streefcijfers inzake volwasseneneducatie, BOO en inzetbaarheid vullen elkaar aan, versterken elkaar wederzijds en bestrijken het volledige spectrum van onderwijs en opleiding. De Commissie zal de voortgang ten aanzien van deze reeksen streefcijfers regelmatig evalueren en, waar nodig, de verlenging en herziening ervan voor 2030 voorstellen.

De Commissie zal jaarlijks de Europese onderwijs- en opleidingsmonitor publiceren om de stand van zaken bij de verwezenlijking van de Europese onderwijsruimte in alle onderwijs- en opleidingssectoren te evalueren. De monitor zal landenprofielen bevatten, de voortgang ten aanzien van de EU-streefcijfers evalueren rekening houdend met de doelstellingen van de EU en de lidstaten en een kompas voor beleidshervormingen bieden. De monitor zal de gegevens consequent uitgesplitst naar geslacht, sociaaleconomische status, bijzondere onderwijsbehoeften en minderheids- of migrantenachtergrond analyseren.

De streefcijfers voor de Europese onderwijsruimte moeten vergezeld gaan van een reeks analytische instrumenten en peer-learning tools, waarmee de voortgang kan worden gemeten met behulp van internationaal vergelijkbare en op gezette tijden verzamelde gegevens. De monitoring van onderwijs en opleiding in de EU zal ook andere kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren omvatten, evenals studies en onderzoeksresultaten. De Commissie zal met de lidstaten, deskundigen, belanghebbenden en internationale partners samenwerken om indicatoren te ontwikkelen op gebieden waarvoor internationaal geen gegevens worden verzameld, maar die prioritaire doelstellingen van de Europese onderwijsruimte zijn.

Om de voortgang bij de verwezenlijking van de Europese onderwijsruimte tegen 2025 te evalueren, de volgende stappen te bespreken en voor nieuwe impulsen te zorgen, zal de Commissie in 2022 een voortgangsverslag over de Europese onderwijsruimte publiceren en in 2023 samen met het Europees Parlement een tussentijdse evaluatie organiseren. In 2025 zal een volledig verslag van de Commissie over de Europese onderwijsruimte volgen.

5Conclusie

Zoals in deze mededeling wordt uiteengezet, hangt het succes van de Europese onderwijsruimte af van de blijvende resultaten van samenwerking, een hernieuwd engagement om gemeenschappelijke doelstellingen na te streven en een robuust kader om de Europese onderwijsruimte tegen 2025 tot stand te brengen. De Commissie verzoekt de Raad de zes invalshoeken die aan de Europese onderwijsruimte ten grondslag liggen, de middelen en mijlpalen ervan, en het voorgestelde faciliterende kader tot 2025 te onderschrijven. De Europese onderwijsruimte biedt een perspectief voor de toekomst van onderwijs en opleiding in de Europese Unie. In het kader van de Europese onderwijsruimte worden belangrijke kwesties in kaart gebracht en strategieën geschetst om vooruitgang te boeken overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en met volledige inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten op het gebied van onderwijs en opleiding op nationaal, regionaal en lokaal niveau. Onderwijs en opleiding zullen een belangrijke drijvende kracht zijn achter een herstel dat op de groene en de digitale transitie is afgestemd. Voorts zullen de werkzaamheden met betrekking tot de Europese onderwijsruimte bijdragen tot de geopolitieke positionering van de EU en haar lidstaten.

De Commissie zal zich ten volle inzetten voor de verwezenlijking van de Europese onderwijsruimte tegen 2025 en roept de andere Europese instellingen, de lidstaten, de onderwijs- en opleidingsgemeenschap en iedereen die belang aan onderwijs hecht, op de krachten te bundelen en samen het onderwijs nieuwe impulsen te geven om een duurzame en genereuze wereld tot stand te brengen.

(1)

Zie het werkdocument van de diensten van de Commissie.

(2)

In de resolutie van de Raad over het verder ontwikkelen van de Europese onderwijsruimte worden de lidstaten en de Commissie verzocht “samenwerking en uitwisseling van bewijsmateriaal voor de voordelen van investeren in onderwijs en opleiding te bevorderen, aangezien betere kennis, gegevens en analyses met betrekking tot de voordelen van efficiënte overheidsinvesteringen in onderwijs en opleiding de lidstaten kunnen helpen inclusievere, doeltreffendere en responsievere onderwijs- en opleidingsstelsels te ontwikkelen, waarbij extra administratieve lasten voor de lidstaten moeten worden voorkomen”.

(3)

De Verklaring van Rome (2017) https://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2017/03/25/rome-declaration/pdf

(4)

https://ec.europa.eu/commission/priorities/deeper-and-fairer-economic-and-monetary-union/european-pillar-social-rights_en

(5)

https://www.consilium.europa.eu/media/32204/14-final-conclusions-rev1-en.pdf

(6)

COM(2017) 673 final.

(7)

 De ontwikkeling van Europese universiteiten; de ontwikkeling van nieuwe diensten in het kader van de Europese studentenpas om het voor jongeren eenvoudiger te maken in het buitenland te studeren; de automatische en wederzijdse erkenning in alle lidstaten van kwalificaties en leerervaringen in het buitenland; de verbetering van het leren en onderrichten van talen; het onderschrijven van gemeenschappelijke waarden; de verbetering van kwalitatief hoogwaardige voor- en vroegschoolse educatie en opvang; de vaststelling van een nieuw strategisch kader voor jongeren; de tracering van de inzetbaarheid en het verdere leertraject van afgestudeerden; steun voor het verwerven van sleutelcompetenties; en de verbetering van digitaal leren met behulp van het actieplan voor digitaal onderwijs.

(8)

 Mededeling van de Commissie “Europese vaardighedenagenda voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht, COM(2020) 274 final, https://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=1223

(9)

 Voorstel voor een aanbeveling van de Raad inzake beroepsonderwijs en -opleiding voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht, COM(2020) 275 final.

(10)

https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/qanda_20_357

(11)

 Resolutie van de Raad over het verder ontwikkelen van de Europese onderwijsruimte ter ondersteuning van toekomstgerichte onderwijs- en opleidingsstelsels, PB C 389 van 18.11.2019, blz. 1,    
https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-13298-2019-INIT/en/pdf

(12)

 Voor de cruciale rol van basisvaardigheden, zie de Aanbeveling van de Raad van 22 mei 2018 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren, PB C 189 van 4.6.2018, blz. 1.

(13)

  Digital Economy and Society Index 2019

(14)

 Hanushek, E.A. and Woessmann, L., The Economic Benefits of Improving Educational Achievement in the European Union: An Update and Extension, European Expert Network on Economics of Education (EENEE), Analytical Report No. 39, 2019.

(15)

Slechts 9,5 % van de leerlingen uit het hoogste kwart van de sociaaleconomische index presteert ondermaats op het niveau van de EU‑27. Bij leerlingen uit het laagste kwart van de sociaaleconomische index loopt dat percentage echter op tot 36,4 % (PISA 2018, Gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2019).

(16)

Zie OESO (2015) voor een analyse van de correlatie tussen leerresultaten en de status van NEET (iemand die geen werk heeft en geen onderwijs of opleiding volgt) bij jonge mannen en vrouwen. The ABC of Gender Equality on education: Aptitude, Behaviour. Parijs: PISA, OECD Publishing, Parijs, beschikbaar op: https://doi.org/10.1787/9789264229945-en, blz. 32: “For example, educational attainment, literacy proficiency and field of study jointly determine the likelihood that 16‑29 year-olds will find themselves neither employed nor in education or training.” OESO (2015). The ABC of Gender Equality on education: Aptitude, Behaviour. Parijs: PISA, OECD Publishing, Parijs, beschikbaar op: https://doi.org/10.1787/9789264229945-en

(17)

Het begrip “mensen met een migrantenachtergrond” slaat zowel op migranten als op hun in hun nieuwe vaderland geboren kinderen (de zogenaamde “tweede generatie”). De definitie van leerlingen met een migrantenachtergrond in de PISA-enquête van de OESO slaat zowel op alle in het buitenland geboren leerlingen (zowel in de EU als elders) als op leerlingen met in het buitenland geboren ouders.

(18)

Nadere informatie is te vinden in het werkdocument van de diensten van de Commissie.

(19)

 Zie de scores voor computer- en informatievaardigheden in het kader van de International Computer and Information Literacy Study 2018 (ICILS). Nadere informatie is te vinden op: https://www.iea.nl/studies/iea/icils/2018

(20)

Gegevens voor ISCED 5-8, bron educ_uoe_enra03

(21)

 Volgens het Europees Instituut voor gendergelijkheid houden gendersensitieve beleidsmaatregelen en programma’s rekening met de specifieke kenmerken van het leven van vrouwen en mannen en beogen ze ongelijkheden uit de weg te ruimen en gendergelijkheid te bevorderen (met inbegrip van een gelijke verdeling van de middelen).

(22)

 European Commission (2020) Summer 2020 Economic Forecast: A deep and uneven recession, an uncertain recovery, DG ECFIN.

(23)

 Digital Economy and Society Index (DESI): https://digital-agenda-data.eu/charts/analyse-one-indicator-and-compare-countries

(24)

Commission Reflection Paper “Towards a Sustainable Europe by 2030”.

(25)

 Uit een opiniepeiling van IPSOS in mei 2020 in 16 grote landen wereldwijd is gebleken dat 75 % van de burgers wil dat hun regering aan de bescherming van het milieu prioriteit verleent bij de planning van het herstel na de coronaviruspandemie.

(26)

 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: De Europese Green Deal, COM(2019) 640 final.

(27)

 https://ec.europa.eu/education/sites/education/files/document-library-docs/volume-1-2019-education-and-training-monitor.pdf

(28)

https://read.oecd-ilibrary.org/education/talis-2018-results-volume-i_1d0bc92a-en#page1

(29)

 Europese universiteiten zijn transnationale allianties van instellingen voor hoger onderwijs die structurele en duurzame samenwerking op lange termijn ontwikkelen. Ze mobiliseren multidisciplinaire teams van studenten en academici via een op uitdagingen gebaseerde aanpak en in nauwe samenwerking met onderzoekers, het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld. De Europese universiteiten zullen hun fysieke en onlinemiddelen, cursussen, expertise, gegevens en infrastructuur poolen om hun krachten te bundelen en de volgende generaties in staat te stellen de uitdagingen waarmee Europa en de wereld momenteel worden geconfronteerd, samen aan te gaan. Ze bevorderen alle vormen van mobiliteit (fysiek, online, gemengd) en meertaligheid via hun inclusieve Europese interuniversitaire campussen.

(30)

 Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten.

(31)

 De huidige 130 gezamenlijke masteropleidingen van Erasmus Mundus voorzien jaarlijks in meer dan 2 500 door de EU gefinancierde beurzen voor studenten wereldwijd om een geïntegreerd masterprogramma te volgen aan twee of meer Europese universiteiten. Op institutioneel niveau ontwikkelen de partnerschappen voor capaciteitsopbouw in het hoger onderwijs nieuwe onderwijsmethoden, stimuleren ze vaardigheden en verbeteren ze de governance van het hoger onderwijs in de buurlanden van de EU en in ontwikkelings- of opkomende economieën elders. De 150 projecten die jaarlijks worden geselecteerd, gebruiken het hoger onderwijs als hefboom voor bredere maatschappelijke en economische ontwikkelingen en sluiten doeltreffend aan bij het ontwikkelings- en samenwerkingsbeleid van de EU.

(32)

 De financiering van bepaalde initiatieven kan afhankelijk zijn van de vaststelling van de basisbesluiten van de respectieve programma’s en zal overeenkomstig de desbetreffende regels worden uitgevoerd.

(33)

 Zie de Aanbeveling van de Raad van 22 mei 2019 inzake een alomvattende benadering van het onderwijzen en leren van talen . PB C 189 van 5.6.2019, blz. 15.

(34)

De Europese vaardighedenagenda voorziet in maatregelen om de validatie van transversale vaardigheden te verbeteren.

(35)

 Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van “Erasmus”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013, COM(2018) 367 final.

(36)

PB C 195 van 7.6.2018, blz. 1.

(37)

 Een elementair bekwaamheidsniveau correspondeert met niveau 2 in de PISA-enquête van de OESO, waarin bekwaamheidsgroepen op een schaal van 6 punten worden gedefinieerd. Leesvaardigheid van niveau 2 komt overeen met een niveau waarop “lezers blijk beginnen te geven van de competenties die hen in staat stellen doeltreffend en productief aan het maatschappelijk leven deel te nemen als studenten, werknemers en burgers”. Ondermaats presterende leerlingen zijn in de PISA-enquête leerlingen die niveau 2 – het minimale bekwaamheidsniveau dat nodig is voor een succesvolle deelname aan het maatschappelijk leven – niet halen. Het verband tussen de begrippen elementair niveau en ondermaats presteren ligt ten grondslag aan de EU‑streefcijfers met betrekking tot ondermaatse prestaties op het gebied van basisvaardigheden en ondermaatse prestaties op het gebied van digitale competentie.

(38)

 Aanbeveling van de Raad van 28 juni 2011 inzake beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten (PB C 191 van 1.7.2011, blz. 1).

(39)

 Voorstel voor een aanbeveling van de Raad inzake Een brug naar banen – Versterking van de jongerengarantie, COM(2020) 277 final.

(40)

 De Commissie zal specifieke initiatieven blijven ontwikkelen voor kansarme groepen (bijvoorbeeld Roma, migranten en vluchtelingen).

(41)

 Aanbeveling van de Raad van 22 mei 2019 betreffende stelsels voor kwaliteitsvolle voor- en vroegschoolse educatie en kinderopvang (PB C 189 van 5.6.2019, blz. 4).

(42)

 Zie de aanbeveling van de Raad uit 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren (2012/C 398/01) en de recente evaluatie ervan, SWD(2020)121.

(43)

 Aanbeveling van de Raad van 20 november 2008 over mobiliteit van jonge vrijwilligers in de Europese Unie (OJ C 319 van 13.12.2008, p. 8).

(44)

 Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het InvestEU-programma (COM(2018) 439 final).

(45)

 De digitalisering brengt een revolutie teweeg in de manier waarop we leven, lesgeven, leren, werken en communiceren. In de Europese onderwijsruimte moeten onderwijs en opleiding volledig aan de digitalisering zijn aangepast om optimaal gebruik te kunnen maken van nieuwe technologieën en onderwijs- en leermethoden. Tegelijkertijd zullen de Europese onderwijsstelsels een cruciale rol spelen om de gevaren van nieuwe technologieën en kunstmatige intelligentie te milderen en de mogelijkheden ervan te benutten. In 2019 beschikte 56 % van de bevolking in de EU tussen 16 en 74 jaar naar eigen zeggen over ten minste digitale basisvaardigheden, d.w.z. dat bijna de helft van de bevolking niet over de vaardigheden beschikt voor het merendeel van de banen van morgen.

(46)

 Een voorbeeld is de steun die aan leerkrachten, leerlingen en ouders wordt verleend door het door de EU gefinancierde Europese netwerk van Safer Internet Centres in de lidstaten en door het EU-portaal betterinternetforkids.eu met educatieve middelen om minderjarigen online te beschermen.

(47)

 Zoals ontwikkeld in het kader van ET2020 – “A framework for teacher and school leader careers” van de Europese Commissie (2020) Supporting teacher and school leader careers: a policy guide. Zie https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/6e4c89eb-7a0b-11ea-b75f-01aa75ed71a1/language-en  

(48)

 De EU‑coalitie voor STEM is een door het Erasmus-programma ondersteund EU-wijd netwerk dat het STEM-onderwijs (wetenschappen, technologie, engineering en wiskunde) in Europa wil verbeteren.

(49)

Zie het werkdocument van de diensten van de Commissie.

(50)

 Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 over verdere Europese samenwerking op het gebied van de kwaliteitsborging in het hoger onderwijs (PB L 64 van 4.3.2006, blz. 60).

(51)

 Kwalificatiekaders, studiepuntenregelingen en instrumenten ter bevordering van de kwaliteitsborging die de vaardigheden, competenties en kwalificaties van lerenden begrijpelijk en vergelijkbaar maken.

(52)

 Als gevolg van de in 2018 gestarte succesvolle proeffase zijn momenteel meer dan 2 000 instellingen voor hoger onderwijs betrokken bij het testen van het beheer van digitale mobiliteit. De mobiele app van Erasmus+ is meer dan 85 000 keer gedownload en geïnstalleerd en er zijn ongeveer 2,3 miljoen Europese studentenpassen geproduceerd met het Europese studentenhologram.

(53)

 Mededeling van de Commissie - De Europese identiteit versterken via onderwijs en cultuur - Bijdrage van de Commissie aan de bijeenkomst van de leiders in Göteborg (COM(2017) 673 final).

(54)

 Aanbeveling van de Raad van 26 november 2018 betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland (PB C 444 van 10.12.2018, blz. 1).

(55)

Aanbeveling van de Raad van 20 november 2017 over het volgen van afgestudeerden (PB C 423 van 9.12.2017, blz. 1).

(56)

 Gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: Mededeling over de wereldwijde EU‑respons op COVID‑19 (JOIN(2020) 11 final).

(57)

 IJsland, Liechtenstein en Noorwegen zijn volledig betrokken bij het Erasmus+-programma (2014‑2020) (status van programmalanden).

(58)

 Noord-Macedonië en Servië zijn reeds volledig betrokken bij het Erasmus+-programma (2014‑2020) (status van programmalanden).

(59)

 Met inbegrip van de conferentie over de toekomst van Europa, de Europese Green Deal, de Europese pijler van sociale rechten en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de VN.

(60)

In het werkdocument van de diensten van de Commissie worden de bronnen voor deze streefcijfers toegelicht.