9.6.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/47


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over een EU-strategie om methaanemissies terug te dringen

(COM(2020) 663 final)

(2021/C 220/05)

Rapporteur:

Udo HEMMERLING

Raadpleging

Europese Commissie, 27.11.2020

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij

Goedkeuring door de afdeling

9.3.2021

Goedkeuring door de voltallige vergadering

24.3.2021

Zitting nr.

559

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

252/5/4

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) steunt de doelstelling van de EU-methaanstrategie, waarmee fundamenteel wordt beoogd om in het licht van de bescherming van het klimaat de methaanemissies aanzienlijk verder te verlagen.

1.2.

Het is begrijpelijk dat de focus ligt op de sectoren met de grootste methaanuitstoot, nl. de energie-, de landbouw- en de afvalsector.

1.3.

De methaanstrategie moet worden gekoppeld aan de strategieën voor de bio-economie en de circulaire economie.

1.4.

Het is een goede zaak dat prioriteit wordt geschonken aan een betere registratie van methaanemissies en aan internationale initiatieven om deze terug te dringen. Methaanemissies zijn immers vaak afkomstig van decentrale, diffuse bronnen langs internationale productie- en toeleveringsketens.

Voorgesteld wordt om de methaanstrategie van de EU als volgt aan te vullen:

1.5.

Doordat bronnen van methaan in hoge mate diffuus en methaanemissies lastig te meten zijn, is het vaak moeilijk om de emissies te monitoren. De verbetering van de monitoring moet voor de betrokken sectoren, zoals de landbouw, de energiesector, de afvalsector en de chemische industrie, op samenhangende en vergelijkbare wijze plaatsvinden.

Het is zeer lastig en dikwijls onmogelijk om diffuse methaanemissies rechtstreeks in een systeem voor de handel in broeikasgassen op te nemen of rechtstreeks te beprijzen. Waar het echter mogelijk is om emissies uit puntbronnen te meten, moet dit worden nagestreefd, maar dan moet dat wel voor alle emitterende sectoren op dezelfde wijze gebeuren.

1.6.

De lidstaten moeten in hun klimaatbeschermingsplannen aangeven in hoeverre er gebruik wordt gemaakt van biogas uit gier en mest, bioafval, afvalwater, stortplaatsen en mijngas en wat het potentieel daarvan is, en maatregelen vaststellen om het gebruik ervan op te voeren.

1.7.

In de landbouw zijn er nog heel wat mogelijkheden om de methaanuitstoot te verminderen, met name door de vergisting van vloeibare gier en mest in biogasinstallaties, alsook door vooruitgang te boeken op het gebied van het voederen en fokken van landbouwdieren, en het emissiearm uitrijden van mest. Bij de implementatie van de methaanstrategie van de EU moeten deze mogelijkheden concreter worden ingevuld.

1.8.

In de afvalsector moeten gescheiden inzameling en recycling van biogeen afval geleidelijk de norm worden in de hele EU. Hiermee worden de voorwaarden geschapen voor verdere preventie van methaanemissies in deze sector.

2.   De methaanstrategie van de Europese Commissie in een notendop

2.1.

De totale BKG-uitstoot van de EU bedraagt 3,76 miljard ton CO2-equivalent (2018), waarvan 10,5 % voor rekening komt van methaan. De methaanuitstoot kon sinds 1990 met bijna 34 % worden teruggedrongen.

2.2.

De methaanstrategie is gericht op de belangrijkste antropogene methaanemissies en op de emitterende sectoren landbouw, afval en energie, die goed zijn voor respectievelijk 53 %, 26 % en 19 % van de methaanemissies in de EU. Voor elk van deze sectoren worden maatregelen voorgesteld om de uitstoot te verminderen. Natuurlijke methaanemissies, bijvoorbeeld door wilde herkauwers of uit moerassen, maken derhalve geen deel uit van de strategie.

2.3.

Wereldwijd kan de vermindering van methaanemissies een belangrijke bijdrage leveren aan de bescherming van het klimaat. Een halvering van de huidige mondiale methaanemissies zou resulteren in een mondiaal afkoelingseffect van 0,18 graden Celsius tegen 2050.

2.4.

De EU veroorzaakt 5 % van de methaanemissies in de wereld. Doordat de EU fossiel gas, olie en steenkool invoert, wordt er in derde landen een verdere methaanuitstoot teweeggebracht, die van aanzienlijke omvang is. Daarom stelt de Europese Commissie voor dat er actie wordt ondernomen om deze emissies langs internationale toeleveringsketens te verminderen.

2.5.

Zo oppert zij om de registratie en rapportage van methaanemissies duidelijk te verbeteren.

2.6.

De actuele wetenschappelijke kennis over het bijzondere effect van methaan als een BKG met een korte levensduur (zie paragraaf 3) komt in de methaanstrategie niet specifiek aan de orde.

3.   Kennis over het klimaateffect van methaan en de gevolgen voor een beleid inzake klimaatneutraliteit

3.1.

Een van de basiskenmerken van het BKG methaan (CH4) is dat het een relatief korte levensduur heeft en in de atmosfeer in een periode van ca. 12 jaar uiteenvalt in water (H2O) en CO2. Dit is van essentieel belang voor het effect ervan op het klimaat en voor de vergelijking met CO2, dat bij de klimaatvoetafdruk als referentie wordt gebruikt.

3.2.

CO2 is in de atmosfeer stabiel en breekt, in tegenstelling tot methaan, niet af. Daarom wordt het ook wel een langlevend BKG (“stock gas”) genoemd. Dit betekent dat CO2-emissies bijvoorbeeld door de verbranding van fossiele brandstoffen (ceteris paribus) zich in de atmosfeer blijven opeenhopen, zodat de CO2-concentratie gestaag toeneemt.

3.3.

Daarentegen worden de emissies van kortlevende broeikasgassen (“flow gases”), zoals methaan, gecompenseerd door hun natuurlijke afbraakproces. De korte levensduur betekent dus dat de emissies door de afbraak wegvallen, wat bij stabiele emissies tot een stabiele atmosferische concentratie leidt.

3.4.

Naast de korte levensduur van methaan is ook de oorsprong ervan van cruciaal belang voor het effect ervan op het klimaat, aangezien bij de afbraak ervan het BKG CO2 ontstaat. Het CO2 dat ontstaat bij de afbraak van biogeen methaan (bijv. afkomstig van de spijsvertering van herkauwers of de natte rijstteelt) werd eerder door de groei van planten via fotosynthese onttrokken aan de atmosfeer en bevindt zich dus in principe in een kringloop, zodat de CO2-concentratie in de atmosfeer niet verandert.

3.5.

De afbraak van fossiel methaan (bijv. uit de winning van aardgas, aardolie of steenkool) tot CO2 en water vormt daarentegen een extra bron van CO2 voor de atmosfeer en verhoogt dus de CO2-concentratie daarin.

3.6.

Deze kenmerken van methaan hebben een aantal consequenties voor de klimaatimpact en de formulering van het klimaatbeleid. Dit geldt met name voor het streven naar klimaatneutraliteit. Een gelijkblijvende uitstoot van (biogeen) methaan als een kortlevend BKG leidt op middellange termijn tot een constante methaanconcentratie in de atmosfeer, die een constant stralingseffect op het klimaatsysteem uitoefent en bijgevolg een constante uitwerking heeft op de temperatuur. Vermindert de methaanuitstoot, dan daalt de concentratie in de atmosfeer, zodat het stralingseffect afneemt en de temperatuur bijgevolg lager wordt (afkoelingseffect).

3.7.

Gelijkblijvende CO2-emissies daarentegen leiden net zo lang tot een stijging van de CO2-concentratie in de atmosfeer als de CO2-bron uitstoot. Ook nadat de CO2-uitstoot is beëindigd, blijft de daardoor veroorzaakte concentratie van CO2 in de atmosfeer bestaan, met als gevolg een voortdurend stralingseffect en een permanent opwarmingseffect.

3.8.

Wil de uitkomst klimaatneutraal zijn, dan moeten kortlevende en langlevende BKG’s dus verschillend worden benaderd. Om de permanente temperatuurstijging als gevolg van het voortdurende CO2-stralingseffect terug te brengen tot het temperatuurniveau van vóór de CO2-uitstoot, is een actieve vermindering van de CO2-concentratie in de atmosfeer door CO2-putten noodzakelijk. En om het temperatuurniveau stabiel te houden bij voortdurende (onvermijdelijke) CO2-uitstoot, moet continu dezelfde hoeveelheid CO2 aan de atmosfeer worden onttrokken als er wordt toegevoegd (“netto-nul-uitstoot”). Dit wordt bedoeld als men spreekt over het streven naar broeikasgasneutraliteit. Bij (biogene) methaanbronnen wordt echter al een klimaatneutraal effect bereikt wanneer de emissies stabiel zijn, terwijl het compenseren van in CO2-equivalenten omgerekende methaanemissies door het onttrekken van broeikasgassen aan de atmosfeer tot een afkoelingseffect leidt.

3.9.

“Netto nul”, uitgedrukt in CO2-equivalenten, is voor methaan als BKG met een korte levensduur derhalve geen adequate beleidsaanpak. Bij wijze van voorbeeld zij gewezen op de Zero Carbon Act van Nieuw-Zeeland, waarin methaanemissies apart benaderd worden. Het klimaateffect van broeikasgassen met een korte levensduur moet met een geschiktere maatstaf in de broeikasgasbalansen worden weergegeven. (Zie in dit verband de werkzaamheden van de University of Oxford: https://iopscience.iop.org/article/10.1088/1748-9326/ab6d7e).

4.   Vermindering van de methaanuitstoot — Verdere aanvullende opmerkingen

4.1.

De uitstoot van broeikasgassen kan worden verminderd door het consumentengedrag te veranderen. Dit geldt ook voor voedingspatronen, waarbij concreet moet worden gedacht aan de aanbeveling om de consumptie van dierlijke producten te beperken. In het klimaatbeleid mag echter niet uit het oog worden verloren dat het hierbij in een open samenleving om vrijwillige gedragsveranderingen in de levensstijl van de mensen gaat.

4.2.

In de landbouw moet niet alleen worden gekeken naar manieren om de methaanemissies door de veestapel te verminderen, maar ook naar het verband met landgebruik. Concreet zijn herkauwers essentieel voor het gebruik en behoud van grasland. Het behoud van grasland is op zijn beurt van groot belang voor het klimaatbeleid vanwege de CO2 die in humus in de bodem wordt vastgehouden.

4.3.

In sommige EU-landen zijn er nog geen voorzieningen op brede schaal om methaangassen die afkomstig zijn van stortplaatsen, van waterzuiveringsinstallaties of van kolenmijnen die niet langer in gebruik zijn, af te vangen en voor energiedoeleinden te gebruiken.

4.4.

Wat afvalinzameling betreft, beschikken veel lidstaten nog niet overal over systemen voor gescheiden inzameling en hergebruik van biogeen afval. Hierdoor is het niet mogelijk om bij de verwerking van bioafval optimaal te vermijden dat er methaan wordt uitgestoten door compostering of vergisting (biogas).

4.5.

Wat de invoer van fossiele brandstoffen zoals aardgas, aardolie en kolen betreft, stelt de EU tot dusverre geen specifieke eisen inzake natuur-, milieu- en klimaatbescherming. De aangekondigde vaststelling van voorschriften om de methaanuitstoot te verminderen moet deel uitmaken van een breder initiatief om de milieuvoetafdruk van deze energie-importen te verkleinen in het kader van de Green Deal.

4.6.

Om de monitoring van antropogene methaanemissies verder te ontwikkelen, moeten indicatief ook de natuurlijke methaanemissies in kaart worden gebracht, zodat een beter beeld kan worden gekregen.

4.7.

Het onderzoek naar en de ontwikkeling en verdere marktpenetratie van technologieën om de methaanuitstoot terug te dringen, moeten in Europese netwerken worden bevorderd. De sociaal-economische partners dienen hierbij te worden betrokken.

Brussel, 24 maart 2021.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Christa SCHWENG