Brussel, 12.10.2018

COM(2018) 682 final

2018/0351(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst


(Omnibus II)

(Voor de EER relevante tekst)


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER (in de bijlage bij het voorstel voor een besluit van de Raad) strekt ertoe een wijziging aan te brengen in bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst, teneinde Richtlijn 2014/51/EU wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft, erin op te nemen 1 .

De aanpassingen in het bijgaande ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER gaan verder dan wat als louter technische aanpassingen kan worden beschouwd in de zin van Verordening nr. 2894/94 van de Raad. Het standpunt van de Unie moet derhalve door de Raad worden vastgesteld.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Met het bijgaande ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER wordt het reeds bestaande EU-beleid uitgebreid tot de EER-/EVA-staten (Noorwegen, IJsland en Liechtenstein).

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

De uitbreiding van de EU-wetgeving tot de EER-/EVA-staten door de opname ervan in de EER-overeenkomst geschiedt conform de doelstellingen en beginselen van deze overeenkomst, met het oog op een dynamische en homogene Europese economische ruimte, gebaseerd op gemeenschappelijke regels en gelijke concurrentievoorwaarden.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

De wetgeving die in de EER-overeenkomst dient te worden opgenomen, is gebaseerd op de artikelen 50, 53, 62 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Overeenkomstig artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad houdende bepaalde wijzen van toepassing van de EER-overeenkomst 2 stelt de Raad met betrekking tot dit soort besluiten op voorstel van de Commissie het standpunt van de Unie vast.

De EDEO dient samen met de diensten van de Commissie het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER bij de Raad in met het oog op vaststelling van het standpunt van de Unie. De EDEO hoopt dit standpunt zo spoedig mogelijk in het Gemengd Comité van de EER te kunnen uiteenzetten.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Het voorstel is om de volgende reden in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.

De doelstelling van dit voorstel, namelijk te zorgen voor de homogeniteit van de interne markt, kan niet voldoende door de lidstaten alleen worden verwezenlijkt en kan derhalve, gezien de gevolgen van de maatregelen, beter op het niveau van de Unie worden verwezenlijkt.

De opname van de EU-wetgeving in de EER-overeenkomst geschiedt conform Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, hetgeen een bevestiging is van de gekozen aanpak.

Evenredigheid

Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel gaat dit voorstel niet verder dan nodig is om de doelstelling te verwezenlijken.

Keuze van het instrument

Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst is voor een besluit van het Gemengd Comité van de EER gekozen. Het Gemengd Comité van de EER ziet toe op de doeltreffende uitvoering en werking van de EER-overeenkomst. Het neemt besluiten in de gevallen waarin deze overeenkomst voorziet.

3.RESULTATEN VAN EX-POSTEVALUATIES, RAADPLEGINGEN VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELINGEN

Niet van toepassing.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Er worden geen gevolgen voor de begroting verwacht door de opname van het bovenvermelde besluit in de EER-overeenkomst.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Niet van toepassing.

2018/0351 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst


(Omnibus II)

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 50, 53, 62 en 114, juncto artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte 3 , en met name artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte 4 (hierna "de EER-overeenkomst" genoemd) is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst kan het Gemengd Comité van de EER besluiten onder andere bijlage IX bij de EER-overeenkomst, die bepalingen inzake financiële diensten bevat, te wijzigen.

(3)Richtlijn 2014/51/EU van het Europees Parlement en de Raad 5 moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(4)Bijlage IX bij de EER-overeenkomst moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER moet derhalve worden gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de voorgestelde wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst is gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Richtlijn 2014/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/EG, alsmede de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft, PB L 153 van 22.5.2014, blz. 1.
(2)    PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.
(3)    PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.
(4)    PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.
(5)    Richtlijn 2014/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/EG, alsmede de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft, PB L 153 van 22.5.2014, blz. 1.

Brussel, 12.10.2018

COM(2018) 682 final

BIJLAGE

bij het

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst

(OMNIBUS II)


BIJLAGE

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER

Nr.

van

tot wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna "de EER-overeenkomst" genoemd), en met name artikel 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Richtlijn 2014/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/EG, alsmede Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 wat de bevoegdheden van de Europese Toezichthoudende Autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese Toezichthoudende Autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft 1 , moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(2)Bijlage IX bij de EER-overeenkomst moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage IX bij de EER-overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1.Punt 1 (Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad) wordt als volgt gewijzigd:

i)het volgende streepje wordt toegevoegd:

"-32014 L 0051: Richtlijn 2014/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 (PB L 153 van 22.5.2014, blz. 1).";

ii)de volgende wijzigingen worden aangebracht:

"k)Verwijzingen naar de bevoegdheden van EIOPA overeenkomstig de artikelen 18 en 19 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad in de richtlijn worden begrepen als verwijzingen — in de zaken als bedoeld in en overeenkomstig punt 31h van deze bijlage — naar de bevoegdheden van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA met betrekking tot de EVA-staten;

l)In artikel 52, lid 3, en artikel 77 septies, lid 1, worden de woorden "de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, het Permanent Comité van de EVA-staten" ingevoegd na de woorden "de Raad";

m)In artikel 65 bis worden de woorden "of, in voorkomend geval, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA" ingevoegd na het woord "EIOPA";

n)In artikel 70 staan de verwijzingen naar "centrale banken van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB)" en "centrale banken van het ESCB" niet alleen voor in de richtlijn bedoelde betekenis, maar ook voor de nationale centrale banken van de EVA-staten;

o)In artikel 138, lid 4, wat betreft de EVA-staten, wordt het woord "EIOPA" vervangen door "de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA" en de woorden "zoals bepaald door de EIOPA" door "zoals bepaald door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA op basis van door EIOPA opgestelde ontwerpen";

p)Informatie afkomstig uit de EVA-staten wordt niet uitgewisseld door EIOPA als onderdeel van regelingen getroffen voor samenwerking met derde landen of hun autoriteiten overeenkomstig artikel 172, lid 4, onder e), of artikel 260, lid 5, onder e), zonder uitdrukkelijke instemming van de autoriteiten die de informatie hebben meegedeeld en wordt in voorkomend geval alleen gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten hebben ingestemd;

q)In artikel 308 ter, lid 15, wat betreft de EVA-staten, worden de woorden "23 mei 2014" vervangen door "de datum van de inwerkingtreding van Besluit nr. .../... van … [dit besluit] van het Gemengd Comité van de EER".".

2.In de punten 29b (Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad), 31eb (Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad) en 31i (Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad) wordt het volgende streepje toegevoegd:

"-32014 L 0051: Richtlijn 2014/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 (PB L 153 van 22.5.2014, blz. 1)."

3.In punt 31h (Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad) wordt het volgende toegevoegd:

", gewijzigd bij:

-32014 L 0051: Richtlijn 2014/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 (PB L 153 van 22.5.2014, blz. 1)."

Artikel 2

De in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken teksten in de IJslandse en de Noorse taal van Richtlijn 2014/51/EU zijn authentiek.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op [...], op voorwaarde dat alle in artikel 103, lid 1, van de EER-Overeenkomst bedoelde kennisgevingen hebben plaatsgevonden*.

2Artikel 4

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel,

   Voor het Gemengd Comité van de EER

   De voorzitter
   
   
   
   De secretarissen
   van het Gemengd Comité van de EER
   

(1)    PB L 153 van 22.5.2014, blz. 1.
(2) *    [Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.] [Grondwettelijke vereisten aangegeven.]