Brussel, 13.6.2018

COM(2018) 467 final

2018/0252(NLE)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot vaststelling van een specifiek financieel programma voor de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en het beheer van kernafval, en tot intrekking van Verordening (Euratom) nr. 1368/2013 van de Raad

{SWD(2018) 343 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Dit voorstel voorziet in een datum van toepassing, namelijk 1 januari 2021, en heeft betrekking op een Unie met 27 lidstaten, in overeenstemming met de kennisgeving van het voornemen van het Verenigd Koninkrijk om zich uit de Europese Unie en Euratom terug te trekken overeenkomstig artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat door de Europese Raad werd ontvangen op 29 maart 2017.

Motivering en doel

Het in deze ontwerpverordening gepresenteerde financieringsprogramma voor financiële bijstand voor de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en het beheer van kernafval (hierna "het programma" genoemd) heeft betrekking op de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en het beheer van het afval dat daarbij vrijkomt in het kader van een gemeenschappelijk instrument om de synergieën en kennisdeling te optimaliseren met als doel de desbetreffende verplichtingen na te komen. Dit specifieke financieringsprogramma kan voor extra EU-meerwaarde zorgen door binnen de EU uit te groeien tot een benchmark voor het veilige beheer van technologische aspecten bij de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en bijdragen tot de verspreiding van kennis onder de lidstaten. Dergelijke financiële bijstand wordt verleend op basis van een evaluatie vooraf, aan de hand waarvan de specifieke behoeften worden vastgesteld en de EU-meerwaarde wordt aangetoond.

Momenteel is het programma op specifiek vastgestelde behoeften gericht:

De eenheden 1 tot en met 4 van de kerncentrale van Kozloduy (Kozloduy, Bulgarije) en de V1-kerncentrale van Bohunice (Jaslovské Bohunice, Slowakije) bestaan uit zes drukwaterreactoren die oorspronkelijk zijn ontwikkeld in de Sovjet-Unie (VVER 440). De ontmanteling van deze centrales draagt bij tot een grotere nucleaire veiligheid in de regio en in de EU als geheel.

Het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) van de Commissie is eigenaar van vier installaties voor nucleair onderzoek op de volgende locaties: JRC-Geel in België, JRC-Karlsruhe in Duitsland, JRC-Ispra in Italië en JRC-Petten in Nederland. Een aantal van deze installaties wordt nog steeds gebruikt, terwijl andere in sommige gevallen meer dan twintig jaar geleden buiten bedrijf zijn gesteld. Als nucleaire exploitant en/of eigenaar 1 krachtens de Belgische, Nederlandse, Duitse en Italiaanse wetgeving is het JRC verantwoordelijk voor de ontmanteling van deze installaties en het veilige beheer van de verbruikte splijtstof en het kernafval dat daarbij vrijkomt, van productie tot berging.

Hierdoor is het programma logischerwijs onderverdeeld in:

i)    de twee acties waarmee financiële steun wordt verleend aan Bulgarije en Slowakije om zes kernreactoren van de eenheden 1 tot en met 4 van de kerncentrale van Kozloduy en de V1-kerncentrale van Bohunice veilig te ontmantelen (hierna respectievelijk het "Kozloduy-programma" en het "Bohunice-programma" genoemd);

ii)    de acties van het JRC voor de veilige uitvoering van het ontmantelingsproces en het beheer van het daarbij vrijkomende kernafval van de nucleaire installaties van de Commissie zelf op de locaties van het JRC (hierna "het JRC-programma voor ontmanteling en beheer van kernafval" of "het O&BKA-programma" genoemd).

De hoofddoelstelling van het Kozloduy-programma en het Bohunice-programma bestaat erin Bulgarije en Slowakije bij te staan bij de aanpak van de uitdagingen op het gebied van radiologische veiligheid die gepaard gaan met de ontmanteling van de eenheden 1 tot en met 4 van de kerncentrale van Kozloduy en de V1-kerncentrale van Bohunice.

Het O&BKA-programma heeft tot doel de JRC-locaties van de Commissie veilig te ontmantelen. In het programma worden mogelijkheden verkend en ontwikkeld voor de verwachte overdracht van de verantwoordelijkheden voor ontmanteling en afvalbeheer aan de gastlanden van het JRC.

Het programma biedt tal van mogelijkheden om kennis op te doen en te delen en aldus de EU-lidstaten te ondersteunen bij hun eigen ontmantelingsactiviteiten.

Het Kozloduy- en het Bohunice-programma worden uitgevoerd in de loop van meerdere financiële perioden en zullen naar verwachting worden voltooid in respectievelijk 2030 en 2025. Het is de bedoeling dat de programma’s nu al belangrijke mijlpalen bereiken met de financiering die wordt verstrekt binnen het huidige meerjarig financieel kader (2014-2020), maar er zijn meer middelen nodig voor de aanpak van de resterende belangrijke kwesties op het gebied van radiologische veiligheid die gepaard gaan met de ontmanteling van deze installaties.

Het Kozloduy- en het Bohunice-programma zijn ontstaan in het kader van de onderhandelingen over de EU-toetreding van Bulgarije en Slowakije, die zich ertoe hebben verbonden hun oude kernreactoren volgens Sovjetontwerp te sluiten en vervolgens te ontmantelen binnen een gemeenschappelijk overeengekomen termijn. De door de twee lidstaten aangegane verbintenis tot sluiting en de verbintenis van de EU om financiële steun te verlenen, werden opgenomen in de bijbehorende toetredingsverdragen 2 , 3 (Slowakije is toegetreden in 2004, Bulgarije in 2007). De twee lidstaten en de EU zijn hun respectieve verbintenissen uit hoofde van het toetredingsverdrag nagekomen.

Krachtens artikel 203 van het Euratom-Verdrag 4 en met het oog op de continuïteit van de veiligheidsgerelateerde maatregelen heeft de EU de financiële bijstand 5 , 6 voor de ontmanteling van de V1-kerncentrale van Bohunice verlengd tot na het in het toetredingsverdrag van Slowakije 7 vastgestelde tijdsbestek. Ook voor de veilige ontmanteling van de eenheden 1 tot en met 4 van de kerncentrale van Kozloduy bleef de EU financiële bijstand6, 8 verstrekken tot na de periode waarop het toetredingsverslag van Bulgarije 9 betrekking heeft.

Het JRC is opgericht bij artikel 8 van het Euratom-Verdrag 10 . Overeenkomstig dit artikel zijn er in de periode 1960-1962 vestigingsovereenkomsten gesloten tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en respectievelijk Duitsland, België, Italië en Nederland. In de twee laatstgenoemde gevallen zijn de nationale faciliteiten voor nucleair onderzoek overgedragen aan de Gemeenschap. Sindsdien is er op de vier locaties andere infrastructuur voor nucleair onderzoek en nucleaire ontwikkeling opgezet, met inbegrip van nieuwe installaties. Een aantal van deze installaties wordt nog steeds gebruikt omdat zij van cruciaal belang zijn voor de uitvoering van de huidige en toekomstige Euratom-programma’s voor onderzoek en opleiding. Andere zijn in sommige gevallen meer dan twintig jaar geleden gesloten en zijn grotendeels overbodig geworden.

Op grond van het Euratom-Verdrag moet het JRC zijn nucleaire erfenis beheren en buiten bedrijf gestelde nucleaire installaties ontmantelen. Met het oog hierop en op basis van de mededeling van de Commissie van 1999 11 is het O&BKA-programma opgestart en is een specifiek ad hoc-begrotingsonderdeel ingevoerd in samenspraak met het Europees Parlement en de Raad 12 . Sindsdien heeft de Commissie regelmatig verslag uitgebracht aan de Raad en het Europees Parlement over de vooruitgang van het O&BKA-programma, waarbij ze een geactualiseerde begrotingsprognose voorlegt (2004, 2008 en 2013 13 ).

Het O&BKA-programma was in eerste instantie gericht op de zogeheten "nucleaire erfenis", die voornamelijk is nagelaten door de nucleaire faciliteiten te Ispra die in de afgelopen decennia buiten bedrijf zijn gesteld. Hierbij gaat het ook om het afval uit het verleden dat op de JRC-locaties is opgeslagen. Het programma heeft momenteel ook betrekking op de nucleaire installaties op alle vier JRC-locaties die overbodig zullen worden in de toekomst, alsook op het beheer van nucleair materiaal.

Samenhang met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Het doel van het Kozloduy- en het Bohunice-programma is de afgelopen jaren geëvolueerd om beter op de behoeften in te spelen en de veilige ontmanteling van de faciliteiten te waarborgen. De EU-bijstand was bij de aanvang tot 2013 bedoeld om Bulgarije en Slowakije te ondersteunen bij hun inspanningen om de betrokken reactoren buiten bedrijf te stellen en te ontmantelen, maar ook om de gevolgen van de vroegtijdige sluiting van deze kerncentrales te ondervangen. Later, in 2014, werd het toepassingsgebied van de programma’s beperkt tot ontmantelingsactiviteiten, d.w.z. tot veiligheidsgerelateerde maatregelen. Voor de volgende fase wordt evenwel voorgesteld om de programma’s meer toe te spitsen op de ontmantelingsactiviteiten die gepaard gaan met uitdagingen op het gebied van radiologische veiligheid.

De berging van verbruikte splijtstof en radioactief afval in een diepe geologische bergingsplaats valt buiten het toepassingsgebied van deze programma’s en blijft de verantwoordelijkheid van Bulgarije en Slowakije overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad inzake een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval.

Aangezien de nucleaire faciliteiten van het JRC te Karlsruhe, Geel en Petten nog steeds van cruciaal belang zijn voor de onderzoeks- en opleidingsactiviteiten van het JRC, heeft het O&BKA-programma tot dusver voornamelijk betrekking op de locatie te Ispra, waar de meeste nucleaire faciliteiten vóór 1999 buiten bedrijf zijn gesteld. In de toekomst (tussen 2020 en 2060) zullen ook belangrijke ontmantelingsactiviteiten moeten worden uitgevoerd op de locaties van het JRC te Karlsruhe, Geel en Petten. Het O&BKA-programma zal bijdragen tot de nationale programma’s van de gastlanden van het JRC over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad inzake een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval.

Samenhang met andere beleidsgebieden van de Unie

Overeenkomstig de Verklaring van Rome 14 moet de EU-begroting voor een veilig en zeker Europa zorgen. De programma's voor nucleaire ontmanteling hebben tot dusver een bijdrage geleverd op dit gebied en kunnen dit in de toekomst blijven doen. Het belangrijkste positieve effect dat moet worden bereikt na de buitenbedrijfstelling van een nucleaire faciliteit is het stralingsrisico voor de werknemers, de bevolking en het milieu in de betrokken lidstaten, maar ook in de EU als geheel, geleidelijk naar beneden brengen.

Het programma past in het EU-regelgevingskader voor nucleaire veiligheid, met name: i) Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval; ii) Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/87/Euratom van de Raad; iii) Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling.

Zolang het JRC de vergunninghouder blijft, draagt het de hoofdverantwoordelijkheid (artikel 7 van Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad) voor het veilige beheer van zijn eigen verbruikte splijtstof en kernafval (in de vier gastlanden), en in dit verband blijft het O&BKA-programma onontbeerlijk om de verplichtingen van de Commissie als vergunninghouder voor deze faciliteiten na te komen. Door het regulerende toezicht op overbodige faciliteiten voor nucleair onderzoek waarvan de radiologische besmetting onder het vrijgaveniveau ligt zo spoedig mogelijk op te heffen, draagt het bij tot een veilig en zeker Europa en vormt het een goede benchmark in de hele Unie voor het veilig en verantwoord beheer van kernafval en verbruikte splijtstof. De tijdige voltooiing van dit proces hangt evenwel in sterke mate af van het gastland. De diensten van de Commissie hebben daarom uitvoerig samengewerkt met het JRC in hun zoektocht naar manieren om de governance te verbeteren met het oog op een doeltreffender uitvoering van het programma.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag van dit programma wordt gevormd door het Euratom-Verdrag, en met name artikel 203.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Het Kozloduy- en het Bohunice-programma zijn voortgevloeid uit de toetredingsverdragen van Bulgarije en Slowakije en vormden een verbintenis van de EU tegenover beide landen. De EU-meerwaarde van deze programma’s is sinds de aanvang ervan altijd uitgedrukt in nucleaire veiligheid. Zonder EU-medefinanciering zou het ontmantelingsproces waarschijnlijk zeer moeizaam verlopen, hetgeen op zijn beurt rechtstreekse gevolgen zou kunnen hebben voor de veiligheid van de werknemers en de bevolking in het algemeen. De bijdrage van de programma’s tot de aanpak van de nucleaire gevaren neemt logischerwijs af naarmate de ontmanteling vordert 15 .

Als vergunninghouder heeft de Commissie (JRC) de exclusieve bevoegdheid voor de ontmanteling van de faciliteiten van het JRC en het beheer van het afval dat daarbij vrijkomt.

Het programma als geheel kan voor extra EU-meerwaarde zorgen door meer nadruk te leggen op kennisdeling, hetgeen van belang is voor de aanpak van soortgelijke uitdagingen waarmee andere lidstaten worden geconfronteerd bij de uitvoering van hun ontmantelingsplannen. Momenteel zijn meer dan 90 kernreactoren in Europa permanent buiten bedrijf gesteld, maar slechts drie zijn volledig ontmanteld. Bijgevolg is er weinig ervaring met de ontmanteling van kernreactoren in Europa (en op internationaal niveau). Ook voor de ontmanteling van andere nucleaire installaties moet verdere ervaring worden opgedaan. Daarom kan de zeer relevante ervaring en kennis die is opgedaan dankzij het programma nuttig zijn voor andere ontmantelingsprojecten en tot een veiligere EU leiden.

Evenredigheid

In het volgende meerjarig financieel kader zal het programma worden toegespitst op de uitdagingen op het gebied van radiologische veiligheid die gepaard gaan met de ontmanteling waar de grootste EU-meerwaarde kan worden bereikt (d.w.z. het niveau van stralingsrisico voor de werknemers, de bevolking en het milieu in de betrokken lidstaten, maar ook in de EU als geheel, geleidelijk naar beneden brengen en het Kozloduy- en het Bohunice-programma voltooien).

Keuze van het instrument

Uit de tussentijdse evaluatie van de bijstandsprogramma’s voor de ontmanteling van nucleaire installaties in Bulgarije, Slowakije (en Litouwen) is gebleken dat de huidige opzet, d.w.z. het gebruik van een specifiek uitgavenprogramma, de doeltreffende en efficiënte uitvoering van het programma waarborgt. De belangrijkste factoren voor succes zijn de heldere omschrijving van taken en verantwoordelijkheden en het versterkte toetsingskader. Aangezien elk van de drie programma’s betrekking heeft op ontmanteling, een grootschalige industriële activiteit, is besloten dat de samenvoeging van de drie programma’s tot betere kennisdeling zou leiden, waarbij de programma's van elkaars ervaring kunnen leren.

In de loop van de jaren is uit de aaneensluitende beoordelingen door onafhankelijke deskundigen van het O&BKA-programma gebleken dat het programma doeltreffender kan worden beheerd als er wordt voorzien in flexibiliteit op het gebied van financiële en personele middelen. Het programma levert ook belangrijke kennis op over de ontmanteling van onderzoeksfaciliteiten en draagt bij tot opleidingsprogramma’s op dit gebied. Daarom hebben de diensten van de Commissie uit hun intern beraad geconcludeerd dat het passend is om het ontmantelingsprogramma voor het JRC in een dergelijk instrument te integreren. Hierdoor zal het JRC over de nodige middelen kunnen beschikken om zijn programma uit te voeren, en baat hebben bij de door het instrument geboden flexibiliteit (d.w.z. beheer van het budget over een periode van zeven jaar in plaats van de huidige jaarlijkse programmeringscyclus waarbij het budget op jaarbasis wordt toegewezen op verzoek).

Bovendien zou dit ook de synergieën en kennisdeling tussen het JRC-programma en andere, meer gevorderde ontmantelingsprogramma’s versterken. De EU-lidstaten zullen baat hebben bij de kennis die is opgedaan door de twee programma’s, en de programma’s zullen er wederzijds voordeel uit halen.

Daarom stelt de Commissie voor om in het kader van één instrument door te gaan met: i) de uitvoering van het Kozloduy- en het Bohunice-programma via indirect beheer door een op basis van pijleranalyses beoordeeld uitvoeringsorgaan (d.w.z. de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) in Bulgarije en het Slowaakse Innovatie- en Energieagentschap (SIEA) in Slowakije); en ii) de uitvoering van het O&BKA-programma via direct beheer.

Deze oplossing moet het ook gemakkelijker maken om onderhandelingen met de gastlanden van het JRC op te starten over een verwachte overdracht van de nucleaire verplichtingen van de Commissie. Dergelijke overdrachten hebben in het verleden plaatsgevonden in een aantal van de betrokken lidstaten. Een dergelijke financiële regeling kan verschillende vormen aannemen. Zo kan de uitbetaling ervan over meerdere meerjarige financiële kaders worden gespreid, gezien de duur van het ontmantelingsproces.

Er zij op gewezen dat de huidige situatie niet in alle landen hetzelfde is: in België, Duitsland en Nederland zijn aanvaardingscriteria voor afval vastgesteld, waardoor de situatie relatief stabieler is dan in Italië, waar de afvaltrajecten niet duidelijk zijn vastgesteld in het nationale programma. Aangezien er momenteel geen aanvaardingcriteria voor afval en geen faciliteit voor definitieve berging zijn vastgesteld, bestaat er grotere onzekerheid ten aanzien van het ontmantelingsplan voor de JRC-locatie te Ispra.

3.RESULTATEN VAN EVALUATIES ACHTERAF, RAADPLEGINGEN VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELINGEN

Evaluatie achteraf van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Kozloduy-programma (BG) en Bohunice-programma (SK)

In de tussentijdse evaluatie is geconcludeerd dat de huidige programma’s in overeenstemming zijn met de EU-beleidsmaatregelen die bedoeld zijn om het hoogste niveau van nucleaire veiligheid te waarborgen. De steun van de EU zorgt ervoor dat de strategie voor onmiddellijke ontmanteling in Bulgarije en Slowakije gestaag wordt uitgevoerd en voorkomt dat onnodige lasten aan toekomstige generaties worden overgedragen, maar wijkt om historische redenen gedeeltelijk af van het principe dat de lidstaten de eindverantwoordelijkheid dragen voor de beschikbaarheid van voldoende financiële middelen voor de ontmanteling van nucleaire installaties en het beheer van kernafval.

Bulgarije en Slowakije hebben op doeltreffende en efficiënte wijze vooruitgang geboekt met de ontmanteling van hun kernreactoren in overeenstemming met de in 2014 overeengekomen uitgangswaarden (d.w.z. ontmantelingsplannen). Het complexe karakter van het programma heeft geleid tot uitdagingen en tegenslagen, maar het beheersstelsel heeft in toenemende mate bewezen dat het dergelijke uitdagingen kan oplossen. Gelet op het feit dat de belangrijkste bronnen van stralingsrisico’s worden aangepakt in het meerjarig financieel kader 2014-2020 (bv. de ontsmetting en ontmanteling van de belangrijkste koelcircuits en reactorkernen en de voltooiing van de afvalbeheerstrajecten), hebben het Kozloduy- en het Bohunice-programma nu al voor een aanzienlijke daling van het stralingsrisico voor de bevolking in het algemeen gezorgd.

Het geraamde budget in het meerjarig financieel kader na 2020 dat word uitgetrokken voor de voortzetting en voltooiing van het Kozloduy- en het Bohunice-programma bedraagt minder dan een kwart van het budget in het meerjarig financieel kader 2014-2020 en zal ervoor zorgen dat de overeengekomen eindtoestand van het ontmantelingsproces zal worden bereikt.

Uit de tussentijdse evaluatie is gebleken dat de steeds hogere nationale bijdrage bevorderlijk is voor de verantwoordingsplicht en ervoor zorgt dat de begunstigden naar goedkopere oplossingen zoeken. Uit de analyse bleek ook dat het optrekken van de nationale bijdragen een noodzakelijke voorwaarde is, maar niet voldoende om de juiste stimulans te geven voor een tijdige en efficiënte ontmanteling. In het verleden zijn evenwel geen medefinancieringspercentages vastgesteld in de rechtsgrondslag, hetgeen tot onzekerheden heeft geleid die zullen worden weggenomen in de ontwerprechtsgrondslag van het volgende meerjarig financieel kader (2021-2027).

De ingestelde governance heeft ervoor gezorgd dat de programma’s doeltreffend en efficiënt worden uitgevoerd, en heeft een tegenwicht geboden voor de genoemde onzekerheden over de medefinancieringsaspecten. De belangrijkste factoren voor succes waren onder andere een heldere omschrijving van taken en verantwoordelijkheden en een versterkt toetsingskader. In het onderzoek zijn ook gebieden voor verdere verbetering vastgesteld, zoals:

i)    een grotere betrokkenheid van de lidstaat (programmacoördinator en financiële coördinator) en een grotere rol in het beheer in combinatie met meer verantwoordingsplicht voor het ontmantelingsbedrijf (eindbegunstigde);

ii)    de stroomlijning van procedures met het oog op een snellere en efficiëntere beheercyclus;

iii)    een grotere onderlinge vergelijkbaarheid met de prestaties van andere ontmantelingsprogramma’s.

Sinds het begin wordt de financiële bijstand van de EU verleend via indirect beheer 16 . De Commissie stelt voor om de uitvoering van de programmabegroting te blijven toevertrouwen aan een op basis van pijleranalyses beoordeeld uitvoeringsorgaan (indirect beheer), d.w.z. aan de EBWO in Bulgarije en het SIEA in Slowakije.

JRC-programma voor ontmanteling en beheer van kernafval

Het JRC beoordeelt regelmatig de geboekte vooruitgang en behaalde resultaten van het O&BKA-programma op basis van onafhankelijk extern advies (deskundigengroep inzake het O&BKA-programma, externe consultants).

Sinds de aanvang zijn er in het kader van het programma belangrijke vorderingen en resultaten geboekt wat betreft de voorbereidingen voor een doeltreffende ontmanteling en de vermindering van de hoeveelheid nucleaire en radioactieve materialen op de locaties.

Het programma wordt ook aan een audit onderworpen door de dienst Interne Audit van de Commissie. Naar aanleiding van de aanbevelingen voor betere kostenramingen die het IAS heeft geformuleerd in zijn meest recente audit 17 , en in het licht van de verwachte toename van de ontmantelingsactiviteiten op de verschillende locaties, heeft het JRC met de hulp van externe consultants de afvalinventaris opnieuw opgemaakt en de ontmantelingsplanning herzien. Op basis van recente internationale aanbevelingen voor de raming van de ontmantelingskosten is een geharmoniseerde benadering gebruikt om de verwachte kosten voor iedere JRC-locatie te bepalen. In de nieuwe begrotingsprognose (vanaf december 2017) wordt rekening gehouden met onvoorziene omstandigheden, afhankelijk van de mate van onzekerheid die is verbonden met de respectieve activiteiten en de externe voorwaarden op de verschillende locaties. De deskundigengroep inzake het O&BKA-programma heeft de nieuwe strategie en de begrotingsprognose geëvalueerd en hier na afloop een positief advies over uitgebracht in 2017. Toch zijn er nog steeds aanzienlijke onzekerheden die gevolgen hebben voor het tijdschema en de kostenraming voor de verschillende locaties, hetgeen is te wijten aan de lange doorlooptijd van nucleaire ontmanteling en de vertragingen die worden veroorzaakt door het gastland.

Raadpleging van belanghebbenden

De Commissie heeft van 10 januari 2018 tot 9 maart 2018 een openbare raadpleging gehouden over EU-middelen op het gebied van veiligheid.

Voor de tussentijdse evaluatie van het Kozloduy- en het Bohunice-programma heeft de Commissie in juni 2017 een openbare raadpleging opgestart voor een verlengde duur van veertien weken. De raadpleging wekte maar weinig belangstelling (20 reacties). Naast deze raadpleging ging in juli 2017 een gerichte elektronische raadpleging van start; daarop kwamen nog eens 17 antwoorden (1 uit Bulgarije, 4 uit Litouwen en 12 uit Slowakije) van de in totaal 90 belanghebbenden die om een reactie waren gevraagd. De ontvangen antwoorden waren over het algemeen positief over het programma maar leverden geen aanvullende nieuwe input op over het programma. Beide raadplegingen zijn aangevuld met gerichte raadplegingen door middel van ongeveer 100 interviews met ontmantelingsbedrijven en betrokken belanghebbenden.

Externe deskundigheid

De volgende documenten zijn gebruikt als input voor de voorbereiding van het programma voor het volgende meerjarig financieel kader:

"Support to the mid-term evaluation of the Nuclear Decommissioning Assistance Programmes", EY, een evaluatie in opdracht van de Europese Commissie, DG Energie, 2018

"Nuclear Decommissioning Assistance Programme (NDAP) – Assessment of the robustness of the financing plans considering the economic-financial-budgetary situation in each concerned Member State and of the relevance and feasibility of the detailed decommissioning plans", Deloitte, NucAdvisor, VVA Europe, studie in opdracht van de Europese Commissie, DG Energie, 2016

Speciaal verslag van de Rekenkamer nr. 22/2016 – Bijstandsprogramma's van de EU voor de ontmanteling van nucleaire installaties in Litouwen, Bulgarije en Slowakije: enige vooruitgang geboekt sinds 2011, maar cruciale uitdagingen in het verschiet"

Voor het beheer van het O&BKA-programma wordt het JRC op regelmatige basis geadviseerd door een groep onafhankelijke Europese ontmantelingsdeskundigen (halfjaarlijkse vergaderingen en extra ad-hocvergaderingen). Zij geven advies over de strategie voor de ontmanteling van nucleaire installaties en de behandeling van kernafval, de beschikbare technologieën, de technische aspecten van de organisatie en alle overige aspecten in verband met het programma.

Effectbeoordeling

Overeenkomstig het Financieel Reglement en de voorschriften van de Commissie inzake betere regelgeving is het lopende programma onderworpen aan een beoordeling vooraf (in de vorm van een werkdocument van de diensten van de Commissie).

Vereenvoudiging

Het Kozloduy- en het Bohunice-programma worden momenteel uitgevoerd via indirect beheer door op basis van pijleranalyses beoordeelde uitvoeringsorganen in de betrokken lidstaten (d.w.z. de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling in Bulgarije en het Slowaakse Innovatie- en Energieagentschap in Slowakije). De tussentijdse evaluatie van het programma bevestigde dat de huidige opzet heeft bewezen te zorgen voor effectieve en efficiënte uitvoering van het programma en dat het daarom in het volgende meerjarige financiële kader zal worden voortgezet, waarbij op sommige punten vereenvoudigingen worden aangebracht op basis van de lessen uit de tussentijdse evaluatie.

Op grond van het herziene Financieel Reglement kan bijvoorbeeld meerjarenprogrammering plaatsvinden, waar het programma zijn voordeel mee zal doen. Zo zal optimaal gebruik worden gemaakt van het meerjarige gedetailleerde ontmantelingsplan als basis voor de programmering en zullen het toezicht, de doeltreffendheid en de tijdigheid van de programmeringscyclus worden verbeterd. Een ander voorbeeld heeft betrekking op de invoering van een duidelijker medefinancieringskader waardoor de onzekerheid ten aanzien van de bron van de financiering zal worden verminderd, de noodzaak jaarlijks te onderhandelen en overeenstemming te bereiken over de nationale bijdrage zal komen te vervallen, en de lidstaat een grotere rol zal krijgen in het beheer van het programma.

In Bulgarije en Slowakije zouden het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+) en het Cohesiefonds ook maatregelen kunnen ondersteunen om de sociale en economische overgang te begeleiden, zoals maatregelen inzake energie-efficiëntie en hernieuwbare energie en bepaalde andere activiteiten die geen verband houden met de processen op het gebied van radiologische veiligheid. Op die manier kunnen deze fondsen in de betrokken regio's voor extra activiteiten helpen zorgen en van de lokale expertise een sterke motor maken voor het scheppen van banen, duurzame groei en innovatie. Er moet ook naar synergieën met FP9 en/of het Euratom-programma voor onderzoek en opleiding worden gestreefd op gebieden zoals het ontwikkelen en testen van technologie, alsmede opleiding en onderwijs.

Bovendien zal het gemeenschappelijk rulebook worden gebruikt, terwijl waar mogelijk van extra synergieën en complementariteit tussen programma’s gebruik zal worden gemaakt.

Tot de faciliteiten en verantwoordelijkheden volledig zijn overgedragen aan de gastlanden, zal het JRC het programma blijven uitvoeren onder direct beheer en daarbij zijn deskundigheid op nucleair gebied ten volle benutten. Het O&BKA-programma zal volledig worden uitgevoerd in het kader van het nieuwe instrument. Het JRC zal zijn bestaande systeem voor programmering, monitoring en controle verder verbeteren en stroomlijnen en zijn projectbeheer verbeteren door de "earned value management"-methode in te voeren en de uitgangswaarden vast te stellen (het uiteindelijke ontmantelingsplan) op basis waarvan de vooruitgang zal worden gemonitord. Hierbij gaat het ook om de vaststelling van een meerjarig werkprogramma en financieringsbesluit, een tussentijdse evaluatie (na vier jaar) en een eindevaluatie na 2027. Dit moet ook de transparantie van het programma ten goede komen, in overeenstemming met de algemene doelstelling van de Commissie.

Grondrechten

Het programma heeft geen gevolgen voor de grondrechten.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Door de begrotingen samen te voegen in één financieringsprogramma zou er kunnen worden voorzien in meer financiële flexibiliteit tussen de acties, d.w.z. een instrument voor de overdracht van begrotingsmiddelen waar en wanneer dat nodig is, in overeenstemming met de geboekte vooruitgang.

Sinds 1999 heeft het JRC de kosten van de ontmantelingsactiviteiten gedekt via een specifiek begrotingsonderdeel dat kan worden gebruikt voor uitbestede diensten en werkzaamheden. De kosten van de interne personele middelen die nodig zijn voor de uitvoering van het programma (beheer en toezicht) kunnen niet worden gedekt door dit begrotingsonderdeel en worden bijgevolg gefinancierd via het Euratom-kaderprogramma voor onderzoek en opleiding.

Kozloduy-programma (BG) en Bohunice-programma (SK)

De acties in het kader van het voorgestelde financiële programma zijn gebaseerd op het respectieve ontmantelingsplan dat is vastgesteld bij Verordening (Euratom) nr. 1368/2013 van de Raad. In deze plannen zijn de reikwijdte van de programma’s, de eindtoestand van volledige ontmanteling en de einddata reeds vastgesteld. Ook komen daarin de ontmantelingsactiviteiten, het bijbehorende tijdsschema, de kosten en de benodigde personele middelen aan bod.

De begrotingstoewijzingen voor 2021-2017 zijn vastgesteld op basis van de jaarlijkse uitbetalingen die in de ontmantelingsplannen zijn opgenomen, waarbij rekening wordt gehouden met de voorgestelde drempelwaarden voor medefinanciering door de EU. Voor het Bohunice-programma moet de restfinanciering in de beginfase van het meerjarig financieel kader worden gepland om het programma te voltooien tegen 2025. Voor het Kozloduy-programma laat de uitgangswaarde een bijna lineaire voortgangscurve zien, en dus worden er in het financieel memorandum bijna constante jaarlijkse vastleggingen en betalingsplannen getoond.

De personele en administratieve middelen die nodig zijn voor het beheer van het programma door de Commissie blijven ongewijzigd ten opzichte van het vorige programma.

JRC-programma voor ontmanteling en beheer van kernafval

Door het variabele en onvoorspelbare niveau van uitgaven in een bepaald jaar (momenteel te wijten aan de lange vergunningsprocedures van de nationale autoriteiten, complexe aanbestedingen en complex contractbeheer) is het moeilijk om het programma te beheren in overeenstemming met de huidige budgettaire en financiële structuur die is gebaseerd op het jaarperiodiciteitsbeginsel, omdat het niet altijd mogelijk is te voorspellen welke betalingen zullen moeten worden verricht in een bepaald jaar. Zo zijn de betalingen in de afgelopen jaren lager uitgevallen dan verwacht.

In het licht van de onzekerheden over het O&BKA-programma, die tot stijgende en onzekere begrotingsbehoeften kunnen leiden, is er meer budgettaire flexibiliteit nodig.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende monitoring, evaluatie en rapportage

Het systeem voor programmering, monitoring en controle wordt verder verbeterd en gestroomlijnd in vergelijking met het bestaande systeem. Op basis van de conclusies van de evaluaties wordt gezorgd voor vereenvoudiging en voortdurende verbeteringen.

In 2014 wijzigde de Commissie de governance van het programma voor het meerjarig financieel kader 2014-2020, met name voor het Kozloduy- en het Bohunice-programma, om de rollen en verantwoordelijkheden duidelijker vast te stellen en om meer plannings-, toezichts- en rapportagevoorschriften voor de begunstigden te introduceren. Overeenkomstig de gewijzigde governanceaanpak heeft elke betrokken lidstaat een programmacoördinator (met de rang van minister of staatssecretaris) benoemd, die verantwoordelijk is voor de programmering, coördinatie en monitoring van het betrokken ontmantelingsprogramma op nationaal niveau. Er is een monitoring- en rapportagecomité, waarvan een vertegenwoordiger van de Commissie en de programmacoördinator samen het voorzitterschap bekleden.

Wat het Kozloduy- en het Bohunice-programma betreft, is de Commissie voornemens de uitvoering van de programmabegrotingen te blijven toevertrouwen aan een op basis van pijleranalyses beoordeeld uitvoeringsorgaan (indirect beheer), d.w.z. de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) in Bulgarije en het Slowaakse Innovatie- en Energieagentschap (SIEA) in Slowakije. Daarnaast zullen de diensten van de Commissie doorgaan met de praktijk om de uitvoering van het project tweemaal per jaar nauwgezet te volgen via administratieve controles en controles ter plaatse, en de periodieke programmerings-, monitoring- en controlecyclus aan te vullen met thematische verificaties op basis van een risicobeoordeling.

Deze evaluaties zullen worden uitgevoerd overeenkomstig de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 18 , toen de drie instellingen bevestigden dat evaluaties van bestaande wetgeving en bestaand beleid de basis moeten vormen voor effectbeoordelingen van opties voor verdere actie. In de evaluaties zullen de effecten van het programma op het terrein worden beoordeeld op basis van de programma-indicatoren en -doelstellingen en een gedetailleerde analyse van de mate waarin het programma relevant, doeltreffend en doelmatig kan worden geacht, voldoende toegevoegde waarde biedt voor de EU en samenhang vertoont met ander EU-beleid. Ook zullen daarin ervaringen worden opgenomen om tekortkomingen en problemen aan het licht te brengen of om de acties of de resultaten ervan verder te verbeteren en om ervoor te zorgen dat zij maximaal nut of effect sorteren.

Het O&BKA-programma wordt uitgevoerd onder direct beheer en geleid door het hoger management van het JRC via een stuurcomité op hoog niveau (voorgezeten door de directeur-generaal van het JRC) 19 . Dit stuurcomité op hoog niveau komt driemaal per jaar bijeen om strategische beslissingen te nemen, doelstellingen vast te stellen en toezicht te houden op de voortgang van het programma. De strategische beslissingen betreffen bijvoorbeeld het tijdschema voor de buitenbedrijfstelling van de nucleaire faciliteiten van het JRC, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de infrastructuurbehoeften van het JRC-werkprogramma voor onderzoek en opleiding.

Het stuurcomité op hoog niveau krijgt steun van het operationele stuurcomité, bestaande uit locatievertegenwoordigers van het O&BKA-programma, en de functionarissen die verantwoordelijk zijn voor de ondersteuning van het O&BKA-programma op het gebied van juridische, financiële en aanbestedingskwesties. Dit comité komt driemaal per jaar bijeen en is bedoeld om de activiteiten in het kader van het O&BKA-programma op de verschillende locaties te coördineren en te monitoren. Het comité bespreekt technische, juridische, financiële en aanbestedingskwesties in verband met het O&BKA-programma en houdt toezicht op zowel de technische vooruitgang als de uitvoering van de begroting.

In overeenstemming met de resolutie van het Europees Parlement van 1999 20 wordt het JRC vanaf het begin van het O&BKA-programma regelmatig geadviseerd door een groep van onafhankelijke Europese ontmantelingsdeskundigen (halfjaarlijkse vergaderingen en extra ad-hocvergaderingen): de deskundigengroep inzake het O&BKA-programma. Zij geven advies over de strategie voor de ontmanteling van nucleaire installaties en de behandeling van kernafval, de beschikbare technologieën, de technische aspecten van de organisatie en alle overige aspecten in verband met het programma. Tot 2016 werden deskundigen benoemd door de Commissie op basis van voorstellen van de leden van de Raad van Beheer van het JRC of van het JRC zelf. Bij de selectie van deze deskundigen heeft de Commissie ervoor gezorgd dat belangenconflicten worden voorkomen, onafhankelijke analyses worden gewaarborgd en de gender- en geografische diversiteit wordt bevorderd. Naar aanleiding van het nieuwe besluit van de Commissie over de oprichting van haar deskundigengroepen 21 heeft het JRC een nieuwe oproep voor deskundigen gelanceerd en de deskundigengroep volledig in overeenstemming met de nieuwe regels van de Commissie opgericht.

Sinds de start van het O&BKA-programma heeft de Commissie regelmatig verslag uitgebracht aan de Raad en het Europees Parlement over de vooruitgang en de status ervan, en heeft ze daarbij geactualiseerde begrotingsprognoses voorgelegd (2004, 2008 en 2013)13.

Voorts brengt het JRC jaarlijks verslag uit over de tussentijdse streefcijfers en de geboekte vooruitgang (JRC-beheersplan, JRC-activiteitenverslag) 22 .

Voor zowel het Kozloduy- en het Bohunice-programma als het O&BKA-programma zal in de volgende financieringsperiode het meerjarige karakter van het ontmantelingsproces tot uitdrukking komen in de goedkeuring van een meerjarig werkprogramma en financieringsbesluit overeenkomstig het geplande nieuwe Financieel Reglement. Dit programmeringsproces zal uiteraard worden gesynchroniseerd met de evaluatiestappen (na vier jaar een voorlopige en een definitieve na 2027, wanneer de voltooiing van taken in het veld wordt verwacht).

De huidige praktijk van jaarlijkse verslaglegging aan het Europees Parlement en aan de Raad wordt gehandhaafd.

Artikelsgewijze toelichting

In artikel 3 van de basishandeling zijn de doelstellingen van het programma voor het meerjarig financieel kader 2021-2027 vastgesteld. Het artikel weerspiegelt het tweeledige karakter van de algemene doelstelling van het programma: enerzijds vertaalt de toegevoegde waarde van de EU zich in meer nucleaire veiligheid en, anderzijds, in toegenomen kennis over het nucleaire ontmantelingsproces waar alle EU-lidstaten hun voordeel mee kunnen doen.

De artikelen 3, 6, 7 vormen samen een kader dat ervoor zorgt dat de EU-financiering gericht is op acties die de doelstelling van de programma’s daadwerkelijk naderbij brengen. Zij verduidelijken de manier waarop de EU en de betrokken lidstaten zich gezamenlijk inspannen voor de ontmanteling van de eenheden 1 tot en met 4 van de kerncentrale van Kozloduy en de V1-kerncentrale van Bohunice. Deze bepaling en de kostenramingen van het gedetailleerde ontmantelingsplan zoals uiteengezet in Verordening (Euratom) nr. 1368/2013 van de Raad bieden een kader voor de bijdrage van de EU aan de ontmanteling van de eenheden 1 tot en met 4 van de kerncentrale van Kozloduy en de V1-kerncentrale van Bohunice.

Artikel 8 vormt een grote vereenvoudiging ten opzichte van de huidige programma’s, d.w.z. het gebruik van een meerjarig werkprogramma dat de aard van ontmantelingsprogramma’s weerspiegelt. Hoewel op programmeringsniveau een meerjarige aanpak is vastgesteld, wordt de praktijk van de jaarlijkse verslaglegging aan het Europees Parlement en de Raad gehandhaafd, zoals bepaald in artikel 9.

In artikel 10 wordt de procedure voor de herziening van het meerjarige werkprogramma vastgesteld voor een periode die in verhouding staat tot de aard van het programma en die de Commissie de passende instrumenten biedt om indien nodig corrigerende maatregelen te treffen.

2018/0252 (NLE)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot vaststelling van een specifiek financieel programma voor de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en het beheer van kernafval, en tot intrekking van Verordening (Euratom) nr. 1368/2013 van de Raad

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 203,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Overeenkomstig de Verklaring van Rome 23 moet de begroting van de Unie voor een veilig en zeker Europa zorgen; de programma's voor nucleaire ontmanteling hebben tot dusver een bijdrage geleverd op dit gebied en kunnen dit blijven doen in de toekomst. Het belangrijkste positieve effect dat moet worden bereikt na de buitenbedrijfstelling van een nucleaire faciliteit is de geleidelijke daling van het stralingsrisico voor de werknemers, de bevolking en het milieu in de betrokken lidstaten, maar ook in de EU als geheel.

(2)Een specifiek financieel programma kan voor extra meerwaarde voor de Unie zorgen door binnen de Unie uit te groeien tot een benchmark voor het veilige beheer van technologische aspecten bij de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en bijdragen tot de verspreiding van kennis. Dergelijke financiële bijstand moet worden verleend op basis van een evaluatie vooraf, aan de hand waarvan de specifieke behoeften worden vastgesteld en de meerwaarde voor de Unie wordt aangetoond, om de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en het beheer van kernafval te ondersteunen.

(3)De activiteiten die onder deze verordening vallen, moeten in overeenstemming zijn met de toepasselijke wetgeving van de Unie en de lidstaten. Dergelijke financiële bijstand moet een uitzondering blijven, zonder afbreuk te doen aan de beginselen en doelstellingen die voortvloeien uit de wetgeving inzake nucleaire veiligheid, namelijk Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad 24 , en afvalbeheer, namelijk Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad 25 . De lidstaten blijven de eindverantwoordelijkheid dragen voor de nucleaire veiligheid en de veiligheid van het beheer van verbruikte splijtstof en kernafval.

(4)Volgens het Protocol betreffende de voorwaarden en regelingen voor toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie 26 , verbond Bulgarije zich ertoe om de eenheden 1 en 2 en de eenheden 3 en 4 van de kerncentrale van Kozloduy uiterlijk respectievelijk 31 december 2002 en 31 december 2006 te sluiten en deze eenheden vervolgens te ontmantelen. In overeenstemming met zijn verplichtingen heeft Bulgarije alle betrokken eenheden binnen de respectieve termijnen gesloten.

(5)Volgens Protocol nr. 9 bij de Toetredingsakte van 2003, met betrekking tot eenheid 1 en eenheid 2 van de V1-kerncentrale van Bohunice in Slowakije 27 , verbond Slowakije zich ertoe om eenheid 1 en eenheid 2 van de V1-kerncentrale van Bohunice uiterlijk op respectievelijk 31 december 2006 en 31 december 2008 te sluiten en deze eenheden vervolgens te ontmantelen. In overeenstemming met zijn verplichtingen heeft Slowakije alle betrokken eenheden binnen de respectieve termijnen gesloten.

(6)In overeenstemming met hun verplichtingen uit hoofde van het toetredingsverdrag en met de steun van de Unie hebben Bulgarije en Slowakije aanzienlijke vooruitgang geboekt met de ontmanteling van de kerncentrale van Kozloduy en de V1-kerncentrale van Bohunice. Er moeten verdere werkzaamheden worden verricht om de eindtoestand van de ontmanteling op een veilige manier te bereiken. Volgens de huidige ontmantelingsplannen is de voltooiing van de ontmantelingswerkzaamheden gepland voor eind 2030 wat de kerncentrale van Kozloduy betreft en voor 2025 wat de V1-kerncentrale van Bohunice betreft.

(7)Het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) van de Europese Commissie is opgericht bij artikel 8 van het Euratom-Verdrag. Overeenkomstig dit artikel zijn er in de periode 1960-1962 vestigingsovereenkomsten gesloten tussen de Gemeenschap en Duitsland, België, Italië en Nederland. In de twee laatstgenoemde gevallen zijn de nationale nucleaire installaties overgedragen aan de Gemeenschap. Op de vier locaties is een infrastructuur opgezet die is toegespitst op nucleair onderzoek en die uit nieuwe installaties bestaat. Een aantal van deze installaties wordt nog steeds gebruikt, terwijl andere in sommige gevallen meer dan twintig jaar geleden buiten bedrijf zijn gesteld en grotendeels overbodig zijn geworden.

(8)Op grond van artikel 8 van het Euratom-Verdrag en overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad24 moet het JRC zijn nucleaire erfenis beheren en zijn buiten bedrijf gestelde nucleaire installaties ontmantelen. Dienovereenkomstig is het JRC-programma voor ontmanteling en beheer van kernafval van start gegaan in 1999 met een mededeling aan het Europees Parlement en de Raad 28 , en sindsdien heeft de Commissie regelmatig verslag uitgebracht over de stand van zaken van de vooruitgang van het programma 29 .

(9)De Europese Commissie is van oordeel dat een tweeledige strategie, waarbij ontmantelings- en afvalbeheeractiviteiten worden gecombineerd met onderhandelingen met de gastlanden van het JRC om te anticiperen op de overdracht van de verantwoordelijkheden voor de ontmanteling en het beheer van verbruikte splijtstof en kernafval, de beste optie is om te voldoen aan de eisen als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder f), en artikel 7 van Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad, waarin is bepaald dat het JRC in adequate middelen moet voorzien en aanhouden om te voldoen aan zijn verplichtingen inzake de veiligheid van het beheer van verbruikte splijtstof en kernafval.

(10)Met deze verordening wordt tegemoetgekomen aan de behoeften die zijn vastgesteld voor het meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027 en worden voor de bijstandsprogramma's voor de ontmanteling van nucleaire installaties financiële middelen vastgelegd voor de eenheden 1 tot en met 4 van de kerncentrale van Kozloduy in Bulgarije (het Kozloduy-programma) en de V1-kerncentrale van Bohunice in Slowakije (het Bohunice-programma), en voor de ontmanteling en het beheer van verbruikte splijtstof en kernafval van de nucleaire faciliteiten van de Commissie zelf, die voor het Europees Parlement en de Raad gedurende de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer 30 .

(11)Verordening (EU, Euratom) nr. [het nieuwe FR] 31 (hierna "het Financieel Reglement" genoemd) is van toepassing op dit programma. Deze bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirecte uitvoering, financiële bijstand, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties.

(12)Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad 32 , Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad 33 , Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad 34 en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad 35 moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 onderzoek verrichten, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad 36 . Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EOM en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(13)Deze verordening laat het resultaat onverlet van eventuele toekomstige staatssteunprocedures die kunnen worden ingeleid overeenkomstig de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(14)Het bedrag van de aan het programma toegewezen vastleggingen, alsmede de programmalooptijd en de verdeling van middelen over de acties, kunnen op basis van de resultaten van de tussentijdse en definitieve evaluatieverslagen worden herzien. Er kan extra budgettaire flexibiliteit worden bereikt door middelen te herverdelen over de acties waar en wanneer dat nodig is, in overeenstemming met de voortgang van de acties.

(15)Het programma moet er ook voor zorgen dat de kennis over het ontmantelingsproces wordt verspreid in de Unie, aangezien dergelijke maatregelen de grootste meerwaarde voor de Unie opleveren en bijdragen tot de veiligheid van de werknemers en de bevolking in het algemeen.

(16)Bij de ontmanteling van de nucleaire faciliteiten die onder deze verordening vallen, dient gebruik te worden gemaakt van de beste technische expertise die beschikbaar is, rekening houdend met de aard en de technische specificaties van de te ontmantelen installaties, zodat de veiligheid en de grootst mogelijke doeltreffendheid worden gewaarborgd, en de internationale beste praktijken in acht worden genomen.

(17)Bulgarije, Slowakije en de Commissie moeten voor een effectieve monitoring en controle van het verloop van het ontmantelingsproces zorgen om de grootste meerwaarde voor de Unie van de in het kader van deze verordening toegewezen financiering te waarborgen, ook al ligt de eindverantwoordelijkheid voor de ontmanteling bij de twee betrokken lidstaten. Dit omvat doeltreffende prestatiemetingen en de vaststelling van corrigerende maatregelen indien nodig.

(18)Overeenkomstig de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 moet dit programma worden geëvalueerd op basis van informatie die verzameld is aan de hand van specifieke monitoringvoorschriften, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften meetbare indicatoren worden opgenomen als basis voor de evaluatie van de effecten van het programma op het terrein.

(19)De acties in het kader van het Kozloduy- en het Bohunice-programma moeten worden vastgesteld binnen de grenzen zoals bepaald in de ontmantelingsplannen die zijn ingediend door Bulgarije en Slowakije overeenkomstig Verordening (Euratom) nr. 1368/2013 van de Raad. In deze plannen zijn de reikwijdte van deze programma’s, de eindtoestanden van volledige ontmanteling en de einddata vastgesteld. In de plannen komen de ontmantelingsactiviteiten, het bijbehorende tijdsschema, de kosten en de benodigde personele middelen aan bod.

(20)De acties in het kader van het Kozloduy- en het Bohunice-programma moeten worden uitgevoerd met een gezamenlijke financiële inspanning van de Unie, enerzijds, en Bulgarije respectievelijk Slowakije, anderzijds. Er moet een maximumdrempel voor medefinanciering door de Unie worden vastgesteld in overeenstemming met de medefinancieringspraktijk die in het kader van de voorgaande programma’s tot stand is gekomen.

(21)Verordening (Euratom) nr. 1368/2013 van de Raad 37 dient te worden ingetrokken.

(22)Er is rekening gehouden met Speciaal verslag nr. 22/2016 van de Rekenkamer over de financiële steun van de Unie voor de ontmanteling van kerncentrales in Bulgarije, Litouwen en Slowakije, met de aanbevelingen van dat verslag en met het antwoord daarop van de Commissie.

(23)Om eenvormige voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van artikel 3 van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 38 .

(24)De horizontale financiële regels die het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie hebben vastgesteld, zijn op deze verordening van toepassing. Deze regels zijn neergelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, overheidsopdrachten, prijzen, indirecte uitvoering, en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op basis van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgestelde regels hebben ook betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen ten aanzien van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële basisvoorwaarde is voor een goed financieel beheer en doeltreffende financiering door de Unie.

(25)Dit programma weerspiegelt het belang van de strijd tegen klimaatverandering in overeenstemming met de door de Unie aangegane verbintenissen om de Overeenkomst van Parijs en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties uit te voeren, en zal ertoe bijdragen dat klimaatactie in alle beleidsdomeinen van de Unie wordt geïntegreerd en dat het algemene streefcijfer – 25 % van de begrotingsuitgaven van de Unie voor de ondersteuning van klimaatdoelstellingen – wordt gehaald. De desbetreffende acties zullen worden vastgesteld tijdens de voorbereiding en uitvoering van het programma en zullen opnieuw worden beoordeeld in het kader van de tussentijdse evaluatie.

(26)De soorten financiering en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze verordening moeten worden gekozen op grond van hun vermogen om de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken en resultaten op te leveren, met name rekening houdend met de controlekosten, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Daarbij moet het gebruik van vaste bedragen, vaste percentages en eenheidskosten worden overwogen, alsook financiering die niet gekoppeld is aan kosten als bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1
Onderwerp

In deze verordening wordt het specifieke financiële programma voor de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en het beheer van kernafval vastgesteld (hierna "het programma" genoemd), waarbij het accent op de huidige behoeften ligt. Voor de periode van het meerjarig financieel kader 2021-2027 zal dit programma Bulgarije en Slowakije ondersteunen bij de veilige ontmanteling van kernreactoren van de eerste generatie, en steun verlenen aan het ontmantelingsproces en het beheer van kernafval van de eigen nucleaire installaties van de Commissie op de locaties van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC).

In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, het budget voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna "de gemeenschap" genoemd) en de regels voor het verlenen van dergelijke financiering vastgesteld.

Artikel 2
Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(1)"ontmanteling": administratieve en technische maatregelen waardoor het regulerende toezicht op een nucleaire faciliteit geheel of gedeeltelijk kan worden opgeheven, en die gericht zijn op het waarborgen van de langdurige bescherming van het publiek en het milieu, onder meer door de niveaus van residuele radionucliden in de materialen en op het terrein van de faciliteit te verlagen;

(2)"ontmantelingsplan": het document met gedetailleerde informatie over de voorgestelde ontmanteling, waarin het volgende staat: de gekozen ontmantelingsstrategie; het tijdpad, het type en de volgorde van de ontmantelingsactiviteiten; de toegepaste strategie voor afvalbeheer, met inbegrip van vrijgave; de voorgestelde eindtoestand; de opslag en berging van het afval van de ontmanteling; het tijdschema van de ontmanteling; de kostenramingen voor de voltooiing van de ontmanteling; en de doelstellingen, verwachte resultaten, mijlpalen, streefdatums en bijbehorende kernprestatie-indicatoren, waaronder indicatoren op basis van "earned value". Het plan wordt opgesteld door de vergunninghouder van de nucleaire faciliteit en wordt opgenomen in de meerjarige werkprogramma’s van het programma;

(3)"Bohunice-programma": het gedeelte van het programma dat betrekking heeft op de nucleaire ontmanteling van de reactoren 1 en 2 van de V1-kerncentrale van Bohunice te Jaslovské Bohunice in Slowakije;

(4)"Kozloduy-programma": het gedeelte van het programma dat betrekking heeft op de nucleaire ontmanteling van de reactoren 1, 2, 3 en 4 van de kerncentrale van Kozloduy in Bulgarije;

(5)"JRC-programma voor ontmanteling en beheer van kernafval": het gedeelte van het programma dat betrekking heeft op de ontmanteling van nucleaire installaties en het beheer van kernafval van nucleaire installaties op de terreinen van de Commissie die door het directoraat-generaal Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC) worden beheerd.

Artikel 3
Doelstellingen van het programma

1.De algemene doelstelling van het programma is de financiering van de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en het beheer van kernafval, in overeenstemming met de vastgestelde behoeften.

2.Op basis van de huidige behoeften voor de periode 2021-2027 is het programma er met name op gericht Bulgarije en Slowakije bij te staan bij de uitvoering van respectievelijk het Kozloduy-programma en het Bohunice-programma, waarbij speciale nadruk wordt gelegd op het beheer van uitdagingen op het vlak van radiologische veiligheid, steun te verlenen aan het JRC-programma voor ontmanteling en beheer van kernafval, en er tegelijk voor te zorgen dat de hierbij opgedane kennis over de ontmanteling van nucleaire installaties ruim wordt verspreid in alle lidstaten.

De specifieke doelstellingen zijn:

(a)de reactoren van de kerncentrales van Kozloduy en Bohunice ontmantelen en ontsmetten en ervoor zorgen dat het regulerende toezicht wordt opgeheven, in overeenstemming met de respectieve ontmantelingsplannen;

(b)het ontmantelingsplan ondersteunen met het oog op de ontmanteling en ontsmetting van de nucleaire installaties van de Commissie en de overdracht van nucleaire verplichtingen aan de gastlanden van het JRC;

(c)banden smeden en uitwisselingen tot stand brengen met belanghebbenden op het gebied van de ontmanteling van nucleaire installaties in de Unie, om mogelijke synergieën binnen de Unie te realiseren.

3.De specifieke doelstellingen worden nader beschreven in de bijlagen I, II en III. Op basis van de resultaten van de in artikel 10 bedoelde evaluatie kan de Commissie de bijlagen I en II door middel van uitvoeringshandelingen wijzigen in overeenstemming met de in artikel 12, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 4
Begroting

1.De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021-2027 bedragen 466 000 000 EUR in lopende prijzen.

2.De indicatieve verdeling van het in lid 1 genoemde bedrag is:

(d)63 000 000 EUR voor acties in het kader van het Kozloduy-programma;

(e)55 000 000 EUR voor acties in het kader van het Bohunice-programma;

(f)348 000 000 EUR voor acties in het kader van het JRC-programma voor ontmanteling en beheer van kernafval.

3.Met het in lid 1 genoemde bedrag kunnen de kosten met betrekking tot de technische en administratieve bijstand voor de uitvoering van het programma worden gedekt, zoals activiteiten op het gebied van voorbereiding, toezicht, controle, audit en evaluatie, met inbegrip van bedrijfsinformatietechnologiesystemen.

4.Vastleggingen voor maatregelen waarvan de tenuitvoerlegging zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt, mogen in jaartranches worden verdeeld.

Artikel 5
Uitvoering en vormen van financiering door de Unie

1.Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer overeenkomstig het Financieel Reglement of in indirect beheer met organen als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement.

2.Het programma kan middelen toekennen in een van de in het Financieel Reglement vastgestelde vormen.

Artikel 6
Subsidiabele maatregelen

Voor financiering komen alleen maatregelen in aanmerking waarmee de doelstellingen als vermeld in artikel 3 en als beschreven in de bijlagen I, II en III worden verwezenlijkt.

Artikel 7
Medefinancieringspercentages

Met het programma kunnen de subsidiabele kosten van een actie worden gefinancierd tot het in de bijlagen I en II vastgestelde maximumpercentage. Het maximale medefinancieringspercentage van de Unie dat van toepassing is in het kader van het Kozloduy-programma of het Bohunice-programma, bedraagt 50 %. De resterende kosten zijn voor rekening van respectievelijk Bulgarije en Slowakije.

Artikel 8
Werkprogramma's

1.Het Bohunice-programma en het Kozloduy-programma worden uitgevoerd aan de hand van meerjarige werkprogramma's in overeenstemming met artikel 110 van het Financieel Reglement. In deze meerjarige werkprogramma’s wordt rekening gehouden met de ontmantelingsplannen die als uitgangspunt dienen voor het toezicht op en de evaluatie van de programma's.

2.Het JRC-programma voor ontmanteling en beheer van kernafval wordt uitgevoerd aan de hand van meerjarige werkprogramma's overeenkomstig de procedure in artikel 4 van Besluit 96/282/Euratom van de Commissie tot reorganisatie van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek.

Artikel 9
Toezicht en verslaglegging

1.De indicatoren op basis waarvan verslag wordt gedaan over de vorderingen met de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen van het programma, zijn vastgesteld in bijlage IV.

2.Het prestatieverslagleggingssysteem zorgt ervoor dat gegevens voor het toezicht op de uitvoering en de resultaten van het programma efficiënt, doeltreffend en tijdig worden verzameld. Hiertoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van financiering van de Unie en, in voorkomend geval, aan de lidstaten.

3.Aan het einde van elk jaar stelt de Commissie een voortgangsverslag op over de uitvoering van de tijdens de voorgaande jaren uitgevoerde werkzaamheden en legt ze dit voor aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 10
Evaluatie

1.De evaluaties moeten tijdig worden verricht, zodat zij in het besluitvormingsproces kunnen worden verwerkt.

2.De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, maar uiterlijk vier jaar na het begin van de in artikel 1 vastgestelde periode. In de tussentijdse evaluatie wordt eveneens gekeken naar ruimte voor wijziging van het in artikel 8 genoemde meerjarige werkprogramma.

3.Aan het einde van de uitvoeringsperiode van het programma, maar uiterlijk vijf jaar na afloop van de in artikel 1 van deze verordening gespecificeerde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het programma uit.

4.De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties, vergezeld van haar opmerkingen, mee aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 11
Audits

Audits van het gebruik van de bijdrage van de Unie en de nationale bijdrage door personen of entiteiten, waaronder andere personen of entiteiten dan die welke door de instellingen of organen van de Unie zijn gemachtigd, vormen de basis van de algemene zekerheid als bedoeld in artikel 127 van het Financieel Reglement.

Artikel 12
Comité

1.De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Indien het advies van het comité moet worden verkregen door middel van een schriftelijke procedure, wordt deze procedure zonder gevolg beëindigd indien binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies daartoe door de voorzitter van het comité wordt besloten of door een gewone meerderheid van de leden van het comité daarom wordt verzocht.

Artikel 13
Informatie, communicatie en publiciteit

1.De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.

2.De Commissie zet informatie- en communicatieacties op met betrekking tot het programma en de acties en resultaten ervan. Met de aan het programma toegewezen financiële middelen wordt eveneens bijgedragen aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover deze verband houden met de in artikel 3 genoemde doelstellingen.

Artikel 14
Intrekking

Verordening (Euratom) nr. 1368/2013 wordt ingetrokken.

Artikel 15
Overgangsbepalingen

1.Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de acties op grond van Verordening (Euratom) nr. 1368/2013, die op de betrokken acties van toepassing blijft tot zij worden afgesloten.

2.De financiële middelen voor het programma mogen ook worden gebruikt ter dekking van de uitgaven voor technische en administratieve bijstand die nodig zijn om de overgang te waarborgen tussen het Kozloduy-programma en Bohunice-programma en de maatregelen van de voorafgaande programma's, die zijn vastgesteld bij Verordening (Euratom) nr. 1368/2013.

3.Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 4, lid 3, van deze verordening bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

Artikel 16

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

FINANCIEEL MEMORANDUM

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief

1.2.Betrokken beleidsterrein(en) (programmacluster)

1.3.Aard van het voorstel/initiatief

1.4.Motivering van het voorstel/initiatief

1.5.Duur en financiële gevolgen

1.6.Beheersvorm(en)

2.BEHEERSMAATREGELEN

2.1.Toezichts- en verslagleggingsregels

2.2.Beheers- en controlesysteem

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

3.1.Rubriek(en) van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven

3.2.Geraamde gevolgen voor de uitgaven 

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven

3.2.2.Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten

3.2.3.Bijdragen van derden

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten

FINANCIEEL MEMORANDUM

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief

Verordening van de Raad tot vaststelling van een specifiek financieel programma voor de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en het beheer van kernafval, en tot intrekking van Verordening (Euratom) nr. 1368/2013 van de Raad

1.2.Betrokken beleidsterrein(en) (programmacluster)

Nucleaire veiligheid

1.3.Aard van het voorstel/initiatief

 een nieuwe actie 

 een nieuwe actie na een proefproject / voorbereidende actie 39  

 de verlenging van een bestaande actie 

 de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie.

1.4.Motivering van het voorstel/initiatief

1.4.1.Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief

Het programma is gericht op de voorschriften inzake nucleaire veiligheid van het Euratom-Verdrag.

1.4.2.Toegevoegde waarde van de betrokkenheid van de Unie (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, o.a. coördinatiewinst, rechtszekerheid, een grotere doeltreffendheid en complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder "toegevoegde waarde van de betrokkenheid van de Unie" de waarde verstaan die een optreden van de Unie oplevert bovenop de waarde die zou zijn gecreëerd indien alleen de lidstaat een maatregel had getroffen.

Een voorwaarde voor de toetreding van Bulgarije en Slowakije tot de EU was dat zij zes kernreactoren volgens Sovjetontwerp van de eerste generatie zouden sluiten en vervolgens ontmantelen. Tegelijkertijd deed de EU in het kader van artikel 203 van het Euratom-Verdrag de toezegging om financiële steun voor de ontmanteling te verlenen. De ontmanteling van de reactoren in Bohunice (Slowakije) en Kozloduy (Bulgarije) vordert, maar is nog niet voltooid en zal naar verwachting in 2025, respectievelijk 2030 worden afgerond. Het is in het belang van de Unie om financiële steun voor de ontmanteling te verlenen en zo bij te dragen tot een zo veilig mogelijke uitvoering. Het programma biedt aanzienlijke en duurzame ondersteuning van de gezondheid van de werknemers en de bevolking, doordat milieuschade wordt voorkomen en er echte vooruitgang op het vlak van nucleaire veiligheid en beveiliging wordt geboekt.

Los daarvan is de Commissie, als eigenaar van de nucleaire faciliteiten, via het JRC verplicht haar verouderde nucleaire faciliteiten te ontmantelen, net als de faciliteiten die momenteel in gebruik zijn op de vier JRC-locaties en in de toekomst verouderd zullen zijn. Hieronder valt ook het beheer van nucleair materiaal.

Het ontmantelingsproces van het JRC is in 1999 begonnen met het programma voor ontmanteling en afvalbeheer. De voortzetting van het programma is niet alleen belangrijk opdat de Commissie als eigenaar van de nucleaire faciliteiten haar verplichtingen vervult en het desbetreffende wettelijke kader op nationaal en EU-niveau wordt nageleefd, maar ook opdat er meer kennis wordt verworven op EU-niveau. Het JRC zal de kennis die wordt opgedaan bij de ontmanteling van een groot aantal experimentele nucleaire faciliteiten (bijv. onderzoeksreactoren, hete cellen, radiochemische laboratoria), met de lidstaten delen. Die kennis zal onder meer betrekking hebben op de toepassing van innovatieve technologieën voor het veilige beheer van "exotisch" nucleair materiaal en op de ophaling en verwerking van afval uit het verleden, waardoor standaardisering en beste praktijken zullen worden aangemoedigd. Het JRC zal zijn opleidings- en onderwijsprogramma voortzetten, met inbegrip van bezoeken aan de nucleaire installaties die worden ontmanteld.

De kans is groot dat het programma binnen de EU een benchmark zal worden voor governance- en beheersvraagstukken, maar ook voor technologische uitdagingen bij de ontmanteling van nucleaire installaties.

1.4.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

Kozloduy-programma en Bohunice-programma

De bijstandsprogramma’s voor de ontmanteling van nucleaire installaties (NDAP) zijn tussentijds geëvalueerd. Hierbij zijn de resultaten en gevolgen, de efficiënte aanwending van de middelen en de toegevoegde waarde voor de Unie bekeken en beoordeeld. Met het oog op de tussentijdse evaluatie heeft de Commissie relevante informatie en gegevens verzameld door uitgebreid beroep te doen op de belangrijkste belanghebbenden (ministeries, uitvoeringsorganen, ontmantelingsbedrijven, leden van het NDAP-comité).

Samengevat zijn dit de conclusies van de tussentijdse evaluatie van het NDAP:

Samenhang met het EU-beleid. De steun van de EU zorgt ervoor dat de strategie voor onmiddellijke ontmanteling in Bulgarije en Slowakije gestaag wordt uitgevoerd en voorkomt dat onnodige lasten aan toekomstige generaties worden overgedragen, maar wijkt om historische redenen gedeeltelijk af van het idee dat de lidstaten de eindverantwoordelijkheid dragen voor de beschikbaarheid van voldoende financiële middelen voor de ontmanteling van nucleaire installaties en het beheer van kernafval. In 2013 is in Bulgarije de ontmantelingsstrategie gewijzigd ter voorbereiding op het huidige MFK: in het daaruit voortvloeiende plan is de einddatum van het programma zeven jaar vervroegd, van 2037 naar 2030.

Vooruitgang. Bulgarije en Slowakije hebben op doeltreffende en efficiënte wijze vooruitgang geboekt met de ontmanteling van hun kernreactoren, in overeenstemming met de overeengekomen uitgangswaarden (ontmantelingsplannen).

Veiligheid. Dankzij de financiering van de Unie in het kader van dit MFK zal de veiligheid op de locaties aanzienlijk worden verhoogd.

Financiële omvang. In zowel Bulgarije als Slowakije bedraagt het resterende financieringstekort voor de periode na 2020 80 à 90 miljoen EUR per lidstaat.

Nationale bijdrage. De nationale bijdragen lijken groot genoeg te zijn om de efficiëntie op een gepast niveau te handhaven; in de rechtsgrondslag zijn echter geen bepalingen inzake medefinanciering opgenomen, hetgeen leidt tot onzekerheden die moeten worden weggenomen. Bovendien bleek uit de analyse dat het optrekken van de nationale bijdragen een noodzakelijke voorwaarde is, maar niet voldoende is om de juiste stimulans te geven voor een tijdige en efficiënte ontmanteling. In dit verband zou de uitdrukkelijke overdracht van risico's (kostenoverschrijdingen, vertragingen) aan de respectievelijke lidstaten een grotere impact hebben. Deze praktijk is waar mogelijk en tot op zekere hoogte reeds geïntroduceerd in het huidige MFK.

Beheer. De ingestelde governance heeft ervoor gezorgd dat de programma's doeltreffend en efficiënt worden uitgevoerd, en heeft een tegenwicht geboden voor de genoemde onzekerheden over de nationale bijdragen.

Doelstellingen. Alle financiering voor de periode na 2020 moet worden toegespitst op expliciete veiligheidsdoelstellingen die worden gecontroleerd aan de hand van specifieke prestatie-indicatoren.

Opgedane kennis. Tot slot heeft de ervaring die bij de uitvoering van de projecten van het Kozloduy- en het Bohunice-programma is opgedaan, de EU een ruime basiskennis bezorgd voor de uitvoering van toekomstige programma's voor de ontmanteling van reactoren van het type VVER (bv. in Tsjechië, Hongarije, Duitsland en Finland). Deze door de EU medegefinancierde programma’s (met inbegrip van het Ignalina-programma in Litouwen) zouden een solide benchmark kunnen worden voor governancevraagstukken en beheerspraktijken, zoals methoden voor kostenraming of planning.

O&BKA-programma van het JRC

Het JRC beoordeelt regelmatig de geboekte vooruitgang en behaalde resultaten op basis van onafhankelijk extern advies (O&BKA-deskundigengroep, externe consultants). Gezien de hoge risico’s die inherent zijn aan het JRC-programma voor ontmanteling en beheer van kernafval, zoals het risico van vertragingen en de financieringsrisico’s, heeft de dienst Interne Audit het programma in de loop van het huidige MFK geselecteerd voor twee audits, waarvan er een onlangs is begonnen.

De voornaamste resultaten en aanbevelingen, alsook de follow-up ervan door het JRC, worden hieronder samengevat.

Voortdurend technisch advies door de O&BKA-deskundigengroep

Met het oog op het beheer van het JRC-programma voor ontmanteling en beheer van kernafval wordt het JRC op regelmatige basis geadviseerd door een groep onafhankelijke Europese ontmantelingsdeskundigen (halfjaarlijkse vergaderingen en aanvullende ad-hocvergaderingen). Zij geven advies over de strategie voor de ontmanteling van nucleaire installaties en de behandeling van kernafval, de beschikbare technologieën, de technische aspecten van de organisatie en alle overige programmatische aspecten.

Bevindingen van externe doorlichtingen en vorige audits

Externe deskundigen buigen zich regelmatig over de voortgang van het programma en het bijbehorende budget. De deskundigen hebben benadrukt dat het van belang is om de verwachte hoeveelheden afval in detail te beoordelen, en hebben het JRC aangemoedigd te kijken naar technische en beheersmaatregelen die moeten worden genomen om de hoeveelheid afval te verminderen en onzekerheden over de kosten van hun toekomstige berging voor zover mogelijk weg te nemen.

In 2014/2015 heeft de dienst Interne Audit de financiële aspecten van het O&BKA-programma gecontroleerd. De dienst kwam tot de conclusie dat de huidige operationele opzet op korte termijn een redelijke zekerheid biedt over de verwezenlijking van de doelstellingen van het JRC. Een dergelijke kortetermijnzekerheid is echter niet voldoende om de behoeften van een dusdanig complex programma op de lange termijn te dekken. De dienst Interne Audit heeft, naast andere aanbevelingen, bevestigd dat het nodig is om regelmatig diepgaande beoordelingen uit te voeren, met een gerichte toetsing van het ontmantelingsbudget en met bijzondere aandacht voor de beoordeling van vaste kosten en de verbetering van de huidige ramingen. De dienst Interne Audit heeft ook gekeken naar de tussentijdse planningsbehoeften op het gebied van human resources.

In 2018 is een nieuwe audit opgestart. Volgens de voorlopige resultaten vloeit een van de belangrijkste risico’s voort uit de ontwikkeling van activiteiten die zijn gepland voor de periode 2021-2060, omdat deze niet verenigbaar lijken met de vlakke begrotingstoewijzingen. De toename van de operationele activiteiten in het kader van het O&BKA-programma op meerdere JRC-locaties zal ook gevolgen hebben voor de algehele beheersstrategie en de behoefte aan interne middelen van het JRC. Het variabele en onvoorspelbare niveau van de uitgaven bemoeilijkt het budgetbeheer.

Recente verbeteringen

Naar aanleiding van de aanbevelingen over de kostenramingen en gezien de ontmantelingsactiviteiten die binnenkort van start gaan in het JRC van Karlsruhe en het JRC van Petten, hebben de JRC-vestigingen samen met externe consultants hun afvalinventaris opnieuw en diepgaander beoordeeld en hun ontmantelingsplanning herzien. Om de verwachte kosten voor iedere vestiging te bepalen, is gebruikgemaakt van een geharmoniseerde benadering op basis van recente internationale aanbevelingen voor de raming van ontmantelingskosten. In de nieuwe begrotingsprognose (vanaf december 2017) wordt rekening gehouden met onvoorziene omstandigheden, afhankelijk van de mate van onzekerheid in verband met de desbetreffende activiteiten en de externe omstandigheden op de verschillende locaties. De O&BKA-deskundigengroep heeft de nieuwe strategie en de begrotingsprognose geëvalueerd en hier na afloop een positief advies over uitgebracht (2017).

Toch zijn er nog steeds aanzienlijke onzekerheden die voor de verschillende locaties gevolgen hebben voor het tijdschema en de kostenraming. De tijdige voltooiing van dit proces hangt in sterke mate af van het gastland; de diensten van de Commissie hebben daarom uitvoerig samengewerkt met het JRC in hun zoektocht naar manieren om het beheer en de governance met betrekking tot de uitvoering van het programma verder te verbeteren.

1.4.4.Verenigbaarheid en eventuele synergie met andere passende instrumenten

Andere beschikbare EU-instrumenten, zoals het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en het Cohesiefonds, kunnen worden ingezet in de regio's Kozloduy en Bohunice om te zorgen voor complementariteit met de twee ontmantelingsprogramma's. Deze fondsen zouden bijvoorbeeld maatregelen kunnen ondersteunen om de sociale en economische overgang te begeleiden, zoals maatregelen inzake energie-efficiëntie en hernieuwbare energie en bepaalde andere activiteiten die geen verband houden met de processen op het gebied van radiologische veiligheid. Op die manier kunnen deze fondsen in de betrokken regio's voor extra activiteiten zorgen en van de lokale expertise een sterke motor maken voor het scheppen van banen, duurzame groei en innovatie. Er moet ook naar synergieën met FP9 en/of het Euratom-programma voor onderzoek en opleiding worden gestreefd op gebieden zoals het ontwikkelen en testen van technologie, alsmede opleiding en onderwijs.

1.5.Duur en financiële gevolgen

 beperkte looptijd

   van kracht vanaf 2021 tot en met 2027

   Financiële gevolgen vanaf 2021 tot en met 2027 voor vastleggingskredieten en vanaf 2021 tot en met 2033 voor betalingskredieten.

 onbeperkte looptijd

Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ,

gevolgd door een volledige uitvoering.

1.6.Beheersvorm(en) 40  

 Direct beheer door de Commissie

door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie;

   door de uitvoerende agentschappen

 Gedeeld beheer met de lidstaten

 Indirect beheer voor het Kozloduy-programme en het Bohunice-programma door begrotingsuitvoeringstaken te delegeren aan:

derde landen of de door hen aangewezen organen;

internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke);

de EIB en het Europees Investeringsfonds;

de in de artikelen 208 en 209 van het Financieel Reglement bedoelde organen;

publiekrechtelijke organen;

privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij voldoende financiële garanties bieden;

privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;

personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.

Verstrek, indien meer dan één beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder "Opmerkingen".

Opmerkingen

Het O&BKA-programma van het JRC wordt in direct beheer uitgevoerd.

De Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) is van oudsher het uitvoeringsorgaan voor zowel het Kozloduy-programma als het Bohunice-programma. De EBWO zal het uitvoeringsorgaan voor het Kozloduy-programma zijn.

Het Slowaakse Innovatie- en Energieagentschap (hierna SIEA genoemd) is in het MFK 2014-2020 ingesteld als een nieuw, op basis van pijleranalyses beoordeeld uitvoeringsorgaan van het Bohunice-programma en zal het uitvoeringsorgaan voor het Bohunice-programma zijn in het MFK 2021-2027.

2.BEHEERSMAATREGELEN

2.1.Toezichts- en verslagleggingsregels

Vermeld frequentie en voorwaarden.

Kozloduy-programma en Bohunice-programma

De Commissie houdt toezicht op de uitvoering van de programma’s via de delegatieovereenkomsten die zijn gesloten met op basis van pijleranalyses beoordeelde uitvoeringsorganen, en aan de hand van controles van stukken. De Commissie voert regelmatig onafhankelijke thematische verificaties op basis van risicoanalyses uit.

Het "earned value management"-instrument wordt ook gebruikt om de daadwerkelijke vorderingen en prestaties te volgen.

De lidstaat is bij de toezichtsmaatregelen betrokken via de toezichtcomités, waarvan een vertegenwoordiger van de Commissie en de programmacoördinator (plaatsvervangend minister of staatssecretaris) samen het voorzitterschap bekleden. Een belangrijke taak van deze comités is de herziening en goedkeuring van de halfjaarlijkse toezichtsverslagen.

Tweemaal per jaar gaan ambtenaren van de Commissie ter plaatse de materiële vorderingen controleren.

Uiterlijk in 2024 vindt een tussentijdse evaluatie plaats.

Uiterlijk in 2032 vindt een definitieve evaluatie plaats.

O&BKA-programma van het JRC

Het O&BKA-programma wordt uitgevoerd door de Commissie. Het JRC beheert het programma via een stuurcomité op hoog niveau, bestaande uit het hoger management van het JRC, dat drie keer per jaar bijeenkomt om strategische beslissingen te nemen, doelstellingen te herzien en toezicht te houden op de voortgang van het programma.

Het stuurcomité op hoog niveau krijgt steun van het operationele stuurcomité, bestaande uit technische locatievertegenwoordigers van het O&BKA-programma en vertegenwoordigers van de juridische en financiële directoraten. Het comité komt driemaal per jaar bijeen om de technische, juridische, financiële en aanbestedingsgerelateerde taken te stroomlijnen. Het houdt toezicht op zowel de technische vooruitgang als de uitvoering van het budget.

In overeenstemming met de resolutie van het Europees Parlement van 1999 (COM(1999)–114–C5-0214/1999–1999/2169(COS)) wordt het JRC van bij de start van het O&BKA-programma regelmatig geadviseerd door een groep van onafhankelijke Europese ontmantelingsdeskundigen: de O&BKA-deskundigengroep. Zij geven advies over de strategie voor de ontmanteling van nucleaire installaties en de behandeling van kernafval, de beschikbare technologieën, de technische aspecten van de organisatie en alle overige programmatische aspecten.

Sinds de start van het O&BKA-programma heeft de Commissie regelmatig verslag uitgebracht aan de Raad en het Europees Parlement over de vooruitgang en de status van dat programma, en heeft daarbij geactualiseerde begrotingsprognoses voorgelegd (2004, 2008 en 2013).

Voorts brengt het JRC jaarlijks verslag uit over de tussentijdse streefcijfers en de geboekte vooruitgang (JRC-beheersplan, JRC-activiteitenverslag).

2.2.Beheers- en controlesysteem

2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde beheersvorm(en), uitvoeringsmechanisme(n) voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie

Kozloduy-programma en Bohunice-programma

Uit de tussentijdse evaluatie van het bijstandsprogramma voor de ontmanteling van nucleaire installaties is gebleken dat de huidige governance voor een doeltreffende en efficiënte tenuitvoerlegging van de programma’s zorgt. De belangrijkste succesfactoren zijn de heldere omschrijving van de taken en verantwoordelijkheden en het versterkte toetsingskader.

O&BKA-programma van het JRC

Uit externe doorlichtingen en audits is gebleken dat, binnen de interne en externe beperkingen, belangrijke vorderingen en resultaten zijn geboekt sinds de lancering van het programma. De diensten van de Commissie hebben na intern beraad geconcludeerd dat het passend is om het ontmantelingsprogramma voor het JRC te integreren in een financieel ontmantelingsprogramma waaronder ook het Kozloduy- en het Bohunice-programma vallen, zodat er synergieën ontstaan en er kennis wordt uitgewisseld met andere, meer gevorderde ontmantelingsprogramma’s.

2.2.2.Informatie over de geïdentificeerde risico's en het (de) systeem (systemen) voor interne controle dat is (die zijn) opgezet om die risico's te beperken

Kozloduy-programma en Bohunice-programma

De risico’s in verband met de tenuitvoerlegging van de programma’s zijn geïnventariseerd op basis van controles van stukken, halfjaarlijkse controlebezoeken ter plaatse, externe audits en het gebruik van "earned value management" voor de vroegtijdige opsporing van vertragingen en kostenoverschrijding. De risico’s worden vervolgens beoordeeld volgens een procedure waarbij de voorkeur uitgaat naar een kwantitatieve benadering. Het risicoregister en de bijbehorende acties worden ten minste tweemaal per jaar geëvalueerd en geregistreerd. De belangrijkste projectuitvoeringsrisico's krijgen tegelijk een follow-up met de bestaande systemen voor risicobeheer van de uitvoeringsorganen en de begunstigden.

Op basis van de informatie uit de risicobeoordeling kan een risicogebaseerde aanpak voor toezicht en controle worden ontwikkeld. Dit betekent onder meer dat de verslagleggingsvereisten worden geactualiseerd en op risicogebieden worden toegespitst, dat de prioriteiten voor het monitoringmissies worden vastgesteld en dat aanvullende thematische verificaties worden uitgevoerd.

O&BKA-programma van het JRC

Het grootste risico dat in het risicoregister van het JRC is opgenomen en gedocumenteerd, is dat de tenuitvoerlegging van de projecten vertraging oploopt.

Met de volgende maatregelen kan het risico worden verkleind of beperkt:

- het toepassen van "Earned Value Management", waardoor vertragingen vroegtijdig kunnen worden opgespoord en er dus tijdig actie kan worden ondernomen;

- het voortzetten van het driejaarlijkse toezicht in het kader van de bijeenkomsten van het stuurcomité op hoog niveau en het operationele stuurcomité, in combinatie met bezoeken ter plaatse, met zorgvuldige follow-up van de uitvoering van het programma;

- het verdere gebruik van het risicoregister van het JRC met een driemaandelijks risico-evaluatieproces met een nauwgezette follow-up van de belangrijkste risico’s en de mogelijkheid om indien nodig thematische verificaties uit te voeren.

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding van de controlekosten tot de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting).

Kozloduy-programma en Bohunice-programma

DG ENER heeft, op basis van een beoordeling van de meest relevante indicatoren en controleresultaten, de kosteneffectiviteit en de efficiëntie van het controlesysteem beoordeeld en is voor het jaar 2017 tot een positieve conclusie gekomen. In het volgende MFK zullen de omstandigheden vergelijkbaar zijn.

De indicator voor kosteneffectiviteit houdt rekening met de kosten om op Commissieniveau toezicht te houden op de verschillende entiteiten (deze kosten hebben betrekking op de kosten van het personeel dat aan deze taken is toegewezen en, in voorkomend geval, de specifieke contracten die rechtstreeks verband houden met de toezichthoudende taken).

In 2017 is de geraamde geconsolideerde indicator voor kosteneffectiviteit (d.w.z. voor alle met uitvoering belaste entiteiten samen) stabiel gebleven.

De waargenomen verschillen in de kosten van de controle van de organen die bijstand verlenen bij de ontmanteling van nucleaire installaties (EBWO, SIEA), weerspiegelen de geleidelijke verschuiving naar nationale uitvoeringskanalen in Slowakije en de daaruit voortvloeiende toename van het toezicht en de controle op het programma.

In de ramingen van 2016 en de jaren daarvóór waren ook de vergoedingen opgenomen die werden betaald aan de organen die met de uitvoering van het bijstandsprogramma voor de ontmanteling van nucleaire installaties waren belast. Deze vergoedingen maken nu deel uit van de hieronder opgegeven kosten op het niveau van de entiteit, maar omwille van de consistentie is met deze vergoedingen ook rekening gehouden bij de berekening van de controlekostenverhouding.

Entiteit

Kosten van controle op het niveau van de Commissie

Gecontroleerd bedrag

EBWO

0,32 miljoen EUR
(+ 2,14 miljoen EUR betaalde vergoedingen)

239,8 miljoen EUR

SIEA

0,13 miljoen EUR
(+ 0,84 miljoen EUR betaalde vergoedingen)

26,72 miljoen EUR

De foutmarge wordt geraamd op 0,5 %. In 2017 heeft DG ENER een thematische controle uitgevoerd van de aanbestedingsprocedures van de uitvoeringsorganen, met positief resultaat.

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

Vermeld de bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen, bijv. in het kader van de fraudebestrijdingsstrategie.

Kozloduy-programma en Bohunice-programma

DG ENER heeft een eigen fraudebestrijdingsstrategie ontwikkeld en past deze sinds november 2013 toe, in overeenstemming met de richtsnoeren in de OLAF-methodologie. Deze is bijgewerkt in oktober 2015 (voor de periode 2016-2017) en december 2017 (voor de periode 2018-2019). De strategie is in overeenstemming met het herziene kader voor interne controle (C(2017) 23730). DG ENER verbindt zich ertoe de fraudebestrijdingsstrategie om de twee jaar bij te werken.

De huidige strategie is gebaseerd op de analyse van de fraudegevoeligheid en heeft tot doel specifieke frauderisico’s bij DG ENER op te sporen en te begrijpen in een bredere context. Uit deze beoordeling is gebleken dat het risico op fraude bij DG ENER hoogstens laag tot matig is, d.w.z. dat er geen significante of kritieke risico’s zijn vastgesteld.

De controles ter waarborging van de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen worden aangevuld met een actieplan dat bij de strategie hoort.

Dit actieplan waarborgt met name dat:

er interne regels zijn voor de behandeling en melding van vermoedens van fraude;

de verantwoordelijkheden voor het nemen van fraudebestrijdingsmaatregelen duidelijk worden toegewezen aan eenheden en functies;

potentiële risico’s worden bekeken in het kader van de jaarlijkse risicobeoordeling van het beheersplan.

·Er wordt regelmatig deelgenomen aan vergaderingen van het netwerk voor fraudepreventie en -opsporing en het comité ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden, en er zijn contacten met andere DG's en diensten;

·de functie van lokale fraudebestrijdingscorrespondent wordt uitgeoefend overeenkomstig het gemeenschappelijk actieplan voor de onderzoekscluster;

·een passend niveau van samenwerking met OLAF wordt gewaarborgd.

Het fraudebestrijdingsplan voor 2017 is met succes ten uitvoer gelegd. In de opeenvolgende fraudebestrijdingsstrategieën van DG ENER is steeds benadrukt dat het belangrijk is dat er hieromtrent bewustzijn is onder het personeel, dat er contacten zijn met de uitvoeringsorganen en dat het samenwerkingskader tussen OLAF en de Commissie, alsook tussen DG ENER en de andere DG's binnen de onderzoekscluster verder wordt ontwikkeld. De tenuitvoerlegging van de strategie wordt gemonitord en hierover wordt ten minste twee keer per jaar een verslag voorgelegd aan het management van DG ENER.

De indicatoren met betrekking tot de handhaving en bijwerking van de strategie, de regelmatigheid van de verslaglegging aan het management en de verbetering van het bewustzijn hieromtrent onder het personeel, tonen aan dat de strategie een doeltreffend instrument is om fraude te voorkomen en op te sporen, maar dat er voortdurende inspanningen nodig blijven voor een verdere bewustmaking van het personeel. In de periode 2016-2017 is een programma van bewustmakingsacties opgezet met specifieke initiatieven in verband met de kernactiviteiten en beleidsdoelstellingen van DG ENER. In 2017 werd in de initiatieven de nadruk gelegd op gerichte vergaderingen en workshops over kwetsbaarheidsbeoordeling. De preventie van fraude werd ook geregeld besproken in de nieuwsbrief over interne controle. Op een specifieke intranetpagina was een informatiepakket beschikbaar.

O&BKA-programma van het JRC

In overeenstemming met het Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften voor verificaties vooraf en achteraf, heeft het JRC een adviesgroep openbare aanbestedingen in het leven geroepen, rapporterend aan de adjunct-directeur-generaal. Deze groep controleert vooraf de juridische en regelgevingsaspecten van de procedures inzake overheidsopdrachten en geeft advies aan de gesubdelegeerde ordonnateur voordat het gunningsbesluit wordt genomen. De door de groep verrichte controles zijn bedoeld om het juridische risico en het reputatierisico voor de Commissie te verkleinen. Deze controles zijn een aanvulling op de andere controles vooraf die worden uitgevoerd door de eenheid Financiën en Aanbestedingen en de eenheden Hulpbronnenbeheer.

De strategie van het JRC voor controles achteraf wordt toegepast aan de hand van een representatieve gestratificeerde steekproefmethode op locatieniveau / sectoraal niveau. In 2017 zijn controles achteraf uitgevoerd op een steekproef van 120 betalingen en 59 hiermee verband houdende aanbestedingsdossiers met betrekking tot juridische verbintenissen die in de loop van het jaar zijn aangegaan. Uit audits voortvloeiende aanbevelingen krijgen tijdig een follow-up en worden uitgevoerd.

De strategie voor fraudebestrijding van het JRC is in december 2017 geactualiseerd om rekening te houden met de nieuwste OLAF-methodologie en bij te dragen aan de actualisering van de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie.

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

3.1.Rubriek(en) van het meerjarig financieel kader en voorgesteld(e) nieuw(e) begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort
uitgave

Bijdrage

Nummer 1
"Ontmanteling van nucleaire faciliteiten en beheer van kernafval"

GK/NGK 41

van EVA-landen 42

van kandidaat-lidstaten 43

van derde landen

in de zin van artikel 21, lid 2, onder b), van het Financieel Reglement

5

Kozloduy-programma [12.04.01]

GK

GEEN

GEEN

GEEN

GEEN

5

Bohunice-programma [12.04.02]

GK

GEEN

GEEN

GEEN

GEEN

5

O&BKA-programma van het JRC [12.04.03]

GK

GEEN

GEEN

GEEN

GEEN

5

O&BKA-programma van het JRC [12.01.02]

NGK

GEEN

GEEN

GEEN

GEEN

3.2.Geraamde gevolgen voor de uitgaven

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven 44  

in miljoen euro (tot op drie decimalen)

Rubriek van het meerjarig financieel
kader

5

"Ontmanteling van nucleaire faciliteiten en beheer van kernafval"

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Na 2027

TOTAAL

Beleidskredieten

12.04.01 {Kozloduy-programma}

Vastleggingen

(1)

9,000

9,000

9,000

9,000

9,000

9,000

9,000

-

63,000

Betalingen

(2)

-

-

-

-

-

-

21,000

42,000

63,000

Beleidskredieten

12.04.02 {Bohunice-programma}

Vastleggingen

(3)

27,500

27,500

-

-

-

-

-

-

55,000

Betalingen

(4)

-

-

27,500

27,500

-

-

-

-

55,000

Beleidskredieten

12.04.03 {O&BKA-programma van het JRC}

Vastleggingen

(5)

44,545

45,436

46,345

47,272

48,217

49,181

50,167

-

331,163

Betalingen

(6)

8,909

23,342

34,054

40,526

44,900

47,580

48,532

83,321

331,163

Beleidskredieten

TOTAAL

Vastleggingen

(7) =
1+3+5

81,045

81,936

55,345

56,272

57,217

58,181

59,167

-

449,163

Betalingen

(8) =
2+4+6

8,909

23,342

61,554

68,026

44,900

47,580

69,532

125,321

449,163

Uit het budget van het programma gefinancierde administratieve kredieten 45  

12.01.02

Vastleggingen = betalingen

(9)

2,265

2,310

2,356

2,404

2,451

2,500

2,551

16,837

TOTAAL kredieten voor het budget van het programma

Vastleggingen

=7+9

83,310

84,246

57,701

58,676

59,668

60,681

61,718

466,000

Betalingen

=8+9

11,174

25,652

63,910

70,430

47,351

50,080

72,083

125,321

466,000



Rubriek van het meerjarig financieel
kader

7

"Administratieve uitgaven"

Dit deel moet worden ingevuld aan de hand van de "administratieve begrotingsgegevens", die eerst moeten worden opgenomen in de bijlage bij het financieel memorandum (bijlage V bij de interne regels), te uploaden in DECIDE met het oog op overleg tussen de diensten.



in miljoen euro (tot op drie decimalen)

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Na 2027

TOTAAL

Personele middelen

1,001

1,001

1,001

1,573

2,574

3,289

4,004

14,443

Andere administratieve uitgaven

0,105

0,105

0,105

0,105

0,105

0,105

0,105

0,735

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

(Totaal vastleggingen = totaal betalingen)

1,106

1,106

1,106

1,678

2,679

3,394

4,509

15,178

in miljoen euro (tot op drie decimalen)

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Na 2027

TOTAAL

TOTAAL kredieten
voor alle RUBRIEKEN
van het meerjarig financieel kader
 

Vastleggingen

84,416

85,352

58,807

60,354

62,347

64,075

66,227

481,578

Betalingen

12,280

26,758

65,016

72,108

50,030

53,474

76,592

125,321

481,578

3.2.2.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

in miljoen euro (tot op drie decimalen)

Jaar

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

TOTAAL

RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

DG ENER / JRC

Personele middelen

1,001

1,001

1,001

1,573

2,574

3,289

4,004

14,443

Andere administratieve uitgaven

0,105

0,105

0,105

0,105

0,105

0,105

0,105

0,735

Subtotaal RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

1,106

1,106

1,106

1,678

2,679

3,394

4,109

15,178

Buiten RUBRIEK 7 46
van het meerjarig financieel kader

JRC

Personele middelen

Andere administratieve
uitgaven

2,265

2,310

2,356

2,404

2,451

2,500

2,551

16,837

Subtotaal
Buiten RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

2,265

2,310

2,356

2,404

2,451

2,500

2,551

16,837

TOTAAL

3,371

3,416

3,462

4,082

5,130

5,894

7,060

32,015

De benodigde kredieten voor personeel en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van de actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herschikt, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

In het geval van het JRC zullen de posten in de personeelsformatie in de administratieve rubriek worden gecompenseerd door een evenredige verlaging in de personeelsformatie en de bijbehorende kredieten voor acties in het kader van eigen onderzoek.

3.2.2.1.Geraamde personeelsbehoeften

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig.

   Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

Raming in voltijdequivalenten

Jaar

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

• Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

Zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie

7

7

7

11

18

23

28

Delegaties

Onderzoek

Extern personeel (in voltijdequivalenten: VTE) – AC, AL, END, INT en JPD  47

Rubriek 7

Gefinancierd uit RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader 

- zetel

- delegaties

Gefinancierd uit het budget van het programma  48

- zetel

- delegaties

Onderzoek

Andere (specificeren)

TOTAAL

7

7

7

11

18

23

28

Voor de benodigde personele middelen zal een beroep worden gedaan op het personeel van het DG dat reeds voor het beheer van de actie is aangesteld en/of daartoe binnen het DG is herschikt, eventueel aangevuld met personele middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

In het geval van het JRC zullen de posten in de personeelsformatie in de administratieve rubriek worden gecompenseerd door een evenredige verlaging in de personeelsformatie en de bijbehorende kredieten voor acties in het kader van eigen onderzoek.

Beschrijving van de uit te voeren taken:

Ambtenaren en tijdelijk personeel

Kozloduy- en Bohunice-programma

Toezicht op de uitvoering van beide programma’s.

JRC-programma voor ontmanteling en beheer van kernafval

Toezicht op en uitvoering van het programma

Extern personeel

3.2.3.Bijdragen van derden

Het voorstel/initiatief:

   voorziet niet in medefinanciering door derden

   voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:

Kredieten in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Jaar

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

TOTAAL

Medefinancieringsbron 

TOTAAL medegefinancierde kredieten

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten

   Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten.

   Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

-voor de eigen middelen

-voor de overige ontvangsten

Geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven    

in miljoen euro (tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:

Gevolgen van het voorstel/initiatief 49

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Artikel ………….

Vermeld voor de toegewezen ontvangsten het (de) betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven.

[…]

Andere opmerkingen (bijv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).

[…]

(1)    De huidige vergunninghouder voor de exploitatie van de nucleaire faciliteit te Petten is de particuliere onderneming NRG (productie van radio-isotopen voor medische toepassingen), maar als eigenaar van de faciliteit is de Commissie verantwoordelijk voor de ontmanteling en het afvalbeheer.
(2)    PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33 en blz. 954.
(3)    PB L 157 van 21.6.2005, blz. 11 en blz. 38.
(4)    "Indien een optreden van de Gemeenschap noodzakelijk blijkt ter verwezenlijking van een der doelstellingen van de Gemeenschap zonder dat dit Verdrag in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, neemt de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de passende maatregelen." (artikel 203 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie).
(5)    Verordening (Euratom) nr. 549/2007 van de Raad van 14 mei 2007 inzake de tenuitvoerlegging van Protocol nr. 9 bij de Akte betreffende de voorwaarden voor toetreding tot de Europese Unie van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije met betrekking tot reactor 1 en reactor 2 van de V1-kerncentrale van Bohunice in Slowakije (PB L 131 van 23.5.2007, blz. 1).
(6)    Verordening (Euratom) nr. 1368/2013 van de Raad van 13 december 2013 betreffende steun van de Unie aan de bijstandsprogramma's voor de ontmanteling van nucleaire installaties in Bulgarije en Slowakije (PB L 346 van 20.12.2013, blz. 1).
(7)    Artikel 2, lid 1: "In de periode 2004-2006 zal de Gemeenschap Slowakije financiële steun verlenen ter ondersteuning van de ontmanteling en om de gevolgen van de sluiting en ontmanteling van reactor 1 en reactor 2 van de V1-kerncentrale in Bohunice te ondervangen [...]." (Toetredingsakte, Protocol nr. 9, PB L 236 van 23.9.2003, blz. 954).
(8)    Verordening (Euratom) nr. 647/2010 van de Raad van 13 juli 2010 betreffende financiële bijstand van de Unie voor de ontmanteling van de eenheden 1 tot en met 4 van de kerncentrale van Kozloduy in Bulgarije (het Kozloduy-programma) (PB L 189 van 22.7.2010, blz. 9).
(9)    Artikel 30, lid 2: "In de periode 2007-2009 zal de Gemeenschap Bulgarije financiële steun verlenen ter ondersteuning van de ontmantelingswerkzaamheden en van de inspanningen om de gevolgen van de sluiting en ontmanteling van de eenheden 1 tot en met 4 van de kerncentrale in Kozloduy te ondervangen." (Toetredingsakte van 2005, Protocol betreffende de voorwaarden en de nadere regels voor de toelating van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie, PB L 157 van 21.6.2005, blz. 38).
(10)    "1. Na raadpleging van het Wetenschappelijk en Technisch Comité richt de Commissie een Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek op het gebied van de kernenergie op. Het centrum draagt zorg voor de uitvoering van de onderzoekprogramma's en van de overige taken, welke de Commissie aan het centrum toevertrouwt. Daarenboven zorgt het centrum voor het vaststellen van een uniforme terminologie op het gebied van de kernenergie en voor één ijkstelsel. Het richt een centraal bureau op voor metingen op het gebied van de kernenergie.    
2. De werkzaamheden van het centrum kunnen om geografische of organisatorische redenen in afzonderlijke inrichtingen worden verricht." (artikel 8 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie).
(11)    Nucleaire erfenis van GCO-werkzaamheden in het kader van het Euratom-Verdrag – Ontmanteling van verouderde kerninstallaties en beheer van afval (COM(1999)114 final).
(12)    Resolutie van het Europees Parlement over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad – Nucleaire erfenis van GCO-werkzaamheden in het kader van het Euratom-Verdrag – Ontmanteling van verouderde kerninstallaties en beheer van afval (COM(1999) 114 – C5-0214/1999 – 1999/2169(COS)) (PB C 67 van 1.3.2001, blz. 167).
(13)    Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement – Ontmanteling van nucleaire installaties en beheer van afvalstoffen – Beheer van de nucleaire erfenis ten gevolge van de activiteiten van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) in uitvoering van het Euratom-Verdrag (SEC(2004)621 def.).    
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement – Ontmanteling van nucleaire installaties en beheer van kernafval: beheer van nucleaire verplichtingen ten gevolge van activiteiten van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) in het kader van het Euratom-Verdrag (COM(2008)903 def.).
   
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement – Ontmanteling van nucleaire installaties en beheer van kernafval: beheer van nucleaire verplichtingen ten gevolge van activiteiten van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) in het kader van het Euratom-Verdrag (COM(2013)734 final).
(14)    Verklaring van de leiders van 27 lidstaten en de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie (25 maart 2017):http://europa.eu/rapid/attachment/STATEMENT-17-767/nl/Rome_declaration_2017_NL.pdf
(15)    Volgens de planning moet het Bohunice-programma in 2025 worden voltooid en het Kozloduy-programma in 2030.
(16)    Artikel 60 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie.
(17)    Audit on Nuclear Decommissioning and Waste Management Programme at the JRC – Financial Aspects, IA – 14 – 06 (224); Final Report.
(18)    Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 13 april 2016 over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).
(19)    Stuurcomité op hoog niveau inzake het O&BKA-programma, bestaande uit de adjunct-directeuren-generaal van het JRC en de directoraten van het JRC die momenteel betrokken zijn bij het O&BKA-programma (het directoraat Nucleaire Veiligheid en Beveiliging, belast met de uitvoering van het O&BKA-programma; het directoraat Strategie en Coördinatie van het werkprogramma; en de directeuren die bevoegd zijn voor gezondheid en veiligheid, namelijk de locatiedirecteuren te Karlsruhe, Geel, Petten en Ispra). De eenheid voor juridisch advies van het JRC biedt juridische ondersteuning.
(20)    Resolutie van het Europees Parlement COM(1999) – 114 – C5-0214/1999 – 1999/2169(COS): "[...] toe te zien op de competentie en onafhankelijkheid van de leden van het comité van deskundigen van de lidstaten dat het GCO in zijn werkzaamheden zal bijstaan" (PB C 67 van 1.3.2001, blz. 167).
(21)    Besluit van de Commissie van 30 mei 2016 tot vaststelling van horizontale regels voor de oprichting en het functioneren van haar deskundigengroepen (C(2016) 3301 final).
(22)    Recentste publicaties: Beheersplan 2017, Ares(2017)118361; jaarlijks activiteitenverslag 2016, Ares(2017)1877780.
(23)    Verklaring van de leiders van 27 lidstaten en de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie (25 maart 2017):http://europa.eu/rapid/attachment/STATEMENT-17-767/nl/Rome_declaration_2017_NL.pdf
(24)    Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 172 van 2.7.2009, blz. 18).
(25)    Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad van 19 juli 2011 tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (PB L 199 van 2.8.2011, blz. 48).
(26)    PB L 157 van 21.6.2005, blz. 29.
(27)    PB L 236 van 23.9.2003, blz. 954.
(28)    Nucleaire erfenis van GCO-werkzaamheden in het kader van het Euratom-Verdrag – Ontmanteling van verouderde kerninstallaties en beheer van afval (COM(1999)114 final).
(29)    Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement – Ontmanteling van nucleaire installaties en beheer van afvalstoffen – Beheer van de nucleaire erfenis ten gevolge van de activiteiten van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) in uitvoering van het Euratom-Verdrag (SEC(2004)621 def.).        
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement – Ontmanteling van nucleaire installaties en beheer van kernafval: beheer van nucleaire verplichtingen ten gevolge van activiteiten van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) in het kader van het Euratom-Verdrag (COM(2008)903 def.).
   
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement – Ontmanteling van nucleaire installaties en beheer van kernafval: beheer van nucleaire verplichtingen ten gevolge van activiteiten van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) in het kader van het Euratom-Verdrag (COM(2013)734 final).
(30)    Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1).
(31)    [volledige titel; PB-verwijzing].
(32)    Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(33)    Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
(34)    Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(35)    Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(36)    Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
(37)    Verordening (Euratom) nr. 1368/2013 van de Raad van 13 december 2013 betreffende steun van de Unie aan de bijstandsprogramma's voor de ontmanteling van nucleaire installaties in Bulgarije en Slowakije, en houdende intrekking van Verordeningen (Euratom) nr. 549/2007 en (Euratom) nr. 647/2010 (PB L 346 van 20.12.2013, blz. 1).
(38)    Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(39)    Als vermeld in artikel 58, lid 2, onder a) of b), van het Financieel Reglement.
(40)    Nadere gegevens over de beheersvormen en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BudgWeb: https://myintracomm.ec.europa.eu/budgweb/EN/man/budgmanag/Pages/budgmanag.aspx  
(41)    GK = gesplitste kredieten / NGK = niet-gesplitste kredieten
(42)    EVA: Europese Vrijhandelsassociatie
(43)    Kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, potentiële kandidaten van de Westelijke Balkan
(44)    Totalen kloppen soms niet door afronding
(45)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen), onderzoek door derden, eigen onderzoek.
(46)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen), onderzoek door derden, eigen onderzoek.
(47)    AC = Agent Contractuel (arbeidscontractant); AL= Agent Local (plaatselijk functionaris); END = Expert National Détaché (gedetacheerd nationaal deskundige); INT = Intérimaire (uitzendkracht); JPD = Jeune Professionnel en Délégation (jonge professional in delegaties).
(48)    Subplafond voor extern personeel uit beleidskredieten (vroegere "BA"-onderdelen)
(49)    Voor traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 20 % aan inningskosten

Brussel,13.6.2018

COM(2018) 467 final

BIJLAGEN

bij het

Voorstel voor een verordening van de Raad

tot vaststelling van een specifiek financieel programma voor de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en het beheer van kernafval, en tot intrekking van Verordening (Euratom) nr. 1368/2013 van de Raad

{SWD(2018) 343 final}


BIJLAGE I

1.De algemene doelstelling van het Kozloduy-programma bestaat erin Bulgarije bij te staan bij de aanpak van de uitdagingen op het gebied van radiologische veiligheid die gepaard gaan met de ontmanteling van de eenheden 1 tot en met 4 van de kerncentrale van Kozloduy. De belangrijkste veiligheidsuitdagingen die moeten worden aangepakt in het kader van de programma’s zijn:

(a)het primaire circuit en de grote onderdelen van de reactoren ontmantelen en ontsmetten overeenkomstig het ontmantelingsplan; de vooruitgang moet worden gemeten aan de hand van de hoeveelheid en het type verwijderde materialen, alsook de "earned value";

(b)het afval van de ontmanteling en het afval uit het verleden veilig beheren tot aan het moment van tijdelijke opslag of berging (naargelang van de afvalcategorie), met inbegrip van de voltooiing van de infrastructuur voor afvalbeheer indien nodig. Deze doelstelling moet worden verwezenlijkt overeenkomstig het ontmantelingsplan; de vooruitgang moet worden gemeten aan de hand van de hoeveelheid en het type veilig opgeslagen of geborgen afval, alsook de "earned value";

(c)de stralingsrisico’s verder terugdringen; de verwezenlijking van deze doelstelling moet worden gemeten aan de hand van de veiligheidsbeoordeling van de activiteiten en de faciliteit, waarbij wordt nagegaan op welke manieren potentiële blootstellingen zich kunnen voordoen en de waarschijnlijkheid en omvang van potentiële blootstellingen worden ingeschat. Volgens de planning in het Kozloduy-programma wordt het regulerende toezicht op de faciliteiten tegen 2030 opgeheven.

2.Voor de projecten en activiteiten die worden gefinancierd in de periode 2021-2027 geldt een maximumpercentage voor EU-medefinanciering van 50 %.

3.De algemene doelstelling van het programma wordt aangevuld met de doelstelling om de EU-meerwaarde van het programma te vergroten door de (hierbij opgedane) kennis over het ontmantelingsproces te verspreiden in alle EU-lidstaten. In de financieringsperiode die van start gaat in 2021 moet het programma de volgende doelstellingen verwezenlijken:

3.1.betrekkingen en uitwisselingen tussen de belanghebbenden in de EU (bv. lidstaten, veiligheidsinstanties en nuts- en ontmantelingsbedrijven) tot stand brengen;

3.2.expliciete kennis documenteren en beschikbaar stellen via multilaterale overdrachten van kennis over governancekwesties in verband met ontmanteling en afvalbeheer, beste praktijken op het gebied van beheer en technologische uitdagingen om potentiële EU-synergieën te ontwikkelen.

Deze activiteiten kunnen tot 100 % worden gefinancierd door de Unie.

De vooruitgang moet worden gemeten aan de hand van het aantal ontwikkelde kennisproducten en het bereik ervan.

4.De berging van verbruikte splijtstof en radioactief afval in een diepe geologische bergingsplaats valt buiten het toepassingsgebied van het programma en de plannen daarvoor moeten door Bulgarije in zijn respectievelijke nationale programma voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval worden uitgewerkt, zoals op grond van Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad is vereist.

BIJLAGE II

1.De algemene doelstelling van het Bohunice-programma bestaat erin Slowakije bij te staan bij de aanpak van de uitdagingen op het gebied van radiologische veiligheid die gepaard gaan met de ontmanteling van de eenheden 1 en 2 van de V1-kerncentrale van Bohunice. De belangrijkste veiligheidsuitdagingen die moeten worden aangepakt in het kader van de programma’s zijn:

(a)het primaire circuit en de grote onderdelen van de reactoren ontmantelen overeenkomstig het ontmantelingsplan; de vooruitgang moet worden gemeten aan de hand van de hoeveelheid en het type verwijderde materialen, alsook de "earned value";

(b)het afval van de ontmanteling en het afval uit het verleden beheren tot aan het moment van tijdelijke opslag of berging (naargelang van de afvalcategorie), met inbegrip van de voltooiing van de infrastructuur voor afvalbeheer indien nodig. Deze doelstelling moet worden verwezenlijkt overeenkomstig het ontmantelingsplan; de vooruitgang moet worden gemeten aan de hand van de hoeveelheid en het type veilig opgeslagen of geborgen afval, alsook de "earned value";

(c)de stralingsrisico’s verder terugdringen; de verwezenlijking van deze doelstelling moet worden gemeten aan de hand van de veiligheidsbeoordeling van de activiteiten en de faciliteit, waarbij wordt nagegaan op welke manieren potentiële blootstellingen zich kunnen voordoen en de waarschijnlijkheid en omvang van potentiële blootstellingen worden ingeschat. Volgens de planning in het Bohunice-programma wordt het regulerende toezicht op de faciliteiten tegen 2025 opgeheven.

2.Voor de projecten en activiteiten die worden gefinancierd in de periode 2021-2027 geldt een maximumpercentage voor EU-medefinanciering van 50 %.

3.De algemene doelstelling van de programma’s wordt aangevuld met de doelstelling om de EU-meerwaarde van het programma te vergroten door de (hierbij opgedane) kennis over het ontmantelingsproces te verspreiden in alle EU-lidstaten. In de financieringsperiode die van start gaat in 2021 moet het programma de volgende doelstellingen verwezenlijken:

3.1.betrekkingen en uitwisselingen tussen de belanghebbenden in de EU (bv. lidstaten, veiligheidsinstanties en nuts- en ontmantelingsbedrijven) tot stand brengen;

3.2.expliciete kennis documenteren en beschikbaar stellen via multilaterale overdrachten van kennis over governancekwesties in verband met ontmanteling en afvalbeheer, beste praktijken op het gebied van beheer en technologische uitdagingen om potentiële EU-synergieën te ontwikkelen.

Deze activiteiten kunnen tot 100 % worden gefinancierd door de Unie.

De vooruitgang moet worden gemeten aan de hand van het aantal ontwikkelde kennisproducten en het bereik ervan.

4.De berging van verbruikte splijtstof en radioactief afval in een diepe geologische bergingsplaats valt buiten het toepassingsgebied van het programma en de plannen daarvoor moeten door Slowakije in zijn respectievelijke nationale programma voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval worden uitgewerkt, zoals op grond van Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad is vereist.

BIJLAGE III

1.De algemene doelstelling van het O&BKA-programma bestaat erin te streven naar de ontmanteling van de JRC-installaties van de Commissie op vier locaties, namelijk JRC-Geel in België, JRC-Karlsruhe in Duitsland, JRC-Ispra in Italië en JRC-Petten in Nederland, en de verbruikte splijtstof en het radioactief afval veilig te beheren tot de verantwoordelijkheden worden overgedragen aan het gastland. De in het kader van dit programma gefinancierde activiteiten in de periode 2021-2027 moeten de volgende doelstellingen verwezenlijken:

1.1.Voor alle locaties:

1.1.1.mogelijkheden verkennen en ontwikkelen voor de verwachte overdracht van de verantwoordelijkheden voor ontmanteling en afvalbeheer aan het gastland.

1.2. Voor JRC-Ispra (afhankelijk van de toekenning van de desbetreffende vergunningen door de Italiaanse veiligheidsinstanties):

1.2.1.het afval uit het verleden ophalen, verwerken en veilig opslaan tot de eigendomsoverdracht aan het gastland;

1.2.2.nucleair materiaal en verbruikte splijtstof ophalen, verwerken en veilig opslaan tot de eigendomsoverdracht aan het gastland;

1.2.3.vergunde nucleaire faciliteiten ontmantelen;

1.2.4.het radioactief afval en materiaal dat vrijkomt bij de ontmanteling veilig beheren.

1.3.Voor JRC-Karlsruhe:

1.3.1.verouderde apparatuur ontmantelen;

1.3.2.het radioactief afval en materiaal dat vrijkomt bij de ontmanteling veilig beheren;

1.3.3.de inventaris van niet langer nodig nucleair materiaal en niet langer nodige verbruikte splijtstof verkleinen;

1.3.4.buiten bedrijf gestelde faciliteiten ontmantelen;

1.3.5.de ontmanteling van de gebouwonderdelen voorbereiden.

1.4.Voor JRC-Petten:

1.4.1.het afval en het materiaal uit het verleden en het afval en het materiaal dat vrijkomt bij de ontmanteling veilig beheren;

1.4.2.de inventaris van niet langer nodig nucleair materiaal en niet langer nodige verbruikte splijtstof verkleinen;

1.4.3.de ontmanteling van de HFR voorbereiden.

1.5.Voor JRC-Geel:

1.5.1.verouderde apparatuur ontmantelen;

1.5.2.het radioactief afval en materiaal dat vrijkomt bij de ontmanteling veilig beheren.

Naargelang van het geval moet de vooruitgang worden gemeten aan de hand van de hoeveelheid en het type veilig opgeslagen of geborgen afval, de hoeveelheid en het type veilig opgeslagen of geborgen nucleair materiaal en verbruikte splijtstof, en de hoeveelheid en het type verwijderd materiaal. De vooruitgang van het programma moet over het algemeen ook worden gemeten aan de hand van de "earned value".

2.De algemene doelstelling van het programma wordt aangevuld met de doelstelling om de EU-meerwaarde van het programma te vergroten door de (hierbij opgedane) kennis over het ontmantelingsproces te verspreiden in alle EU-lidstaten. In de financieringsperiode die van start gaat in 2021 moet het programma de volgende doelstellingen verwezenlijken:

2.1.betrekkingen en uitwisselingen tussen de belanghebbenden in de EU (bv. lidstaten, veiligheidsinstanties en nuts- en ontmantelingsbedrijven) tot stand brengen;

2.2.expliciete kennis documenteren en beschikbaar stellen via multilaterale overdrachten van kennis over governancekwesties in verband met ontmanteling en afvalbeheer, beste praktijken op het gebied van beheer en technologische uitdagingen om potentiële EU-synergieën te ontwikkelen.

De vooruitgang moet worden gemeten aan de hand van het aantal ontwikkelde kennisproducten en het bereik ervan.

3.De berging van verbruikte splijtstof en radioactief afval in een diepe geologische bergingsplaats valt binnen het toepassingsgebied van het programma, zoals op grond van Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad is vereist.

BIJLAGE IV

Indicatoren

(1)Beheer van radioactief afval:

(a)de hoeveelheid en het type veilig opgeslagen of geborgen afval

(2)Ontmanteling en ontsmetting:

(a)de hoeveelheid en het type verwijderde materialen

(3)Verspreiding van kennis:

(a)het aantal ontwikkelde kennisproducten en het bereik ervan.